audrey anastasi birch-path-36x48-bourne02.jpg

 

31. Onder water


Het laken dat ons toedekte, het picknicklaken is nu de rivier geworden.


Wij zitten aan de oever.


Toen we binnenkwamen, was hij er al. Ook de rivier had hij klaar gelegd.


We vertellen hem dat we vorige week een nacht lang hebben gewacht. Hij mompelde iets van griep, koorts en een week in bed.

‘Ik ken een mooi verhaal om deze avond samen te spelen. Dit is de rivier.’
’

Zullen we naar jou zwemmen?’ stelt Hannah voor.


‘Pas maar op, ik ben de Diëdoeska Vodianoi. De watergrootvader. ‘


Hij kruipt onder de rivier, draait enkele keren rond en komt dan met zijn hoofd boven water.


’Zoals jullie dus zien leef ik onder water.

‘
’Zullen wij je kleinkinderen zijn?’ vraagt Michiel.


‘Het is nu middernacht. Een mooi meisje uit het dorp gaat zwemmen.’


‘Duidelijk een rol voor mij.’ 


Hannah laat zich zachtjes over het water glijden.


‘Mooie meisjes zwemmen het liefst in de maneschijn,’ zegt ze terwijl ze in ruglig de hemel afzoekt.


‘Ik trek je onder water, mooi kind.’


Hij rolt haar in de rivier. Ze gaat hevig te keer, maar hij houdt haar stevig vast tot ze geen kik meer geeft.


’Met die verdronken meisjes trouwt de watergrootvader.’


Hij helpt Hannah recht. De rivier is nu hun beider trouwkleed.


Wij applaudisseren.


Bruid en bruidegom ontdoen zich van hun gewaad en gaan op de rivier liggen. Hij legt zich op haar. Overdadig kussen ze elkaar. Ze rollen in en onder water.


Hij propt een stuk van de rivier onder haar pull. Een snelle zwangerschap. Hijzelf begint boven haar een wilde dans.


‘Bij volle maan zie je de watergrootvader dansen. Als een vrouw op het punt staat een kind van hem te baren, zoekt hij in het dorp een vroedvrouw.

‘
’Nu ben ik aan de beurt,’ zeg ik.

‘Maar hoe kan ik nu weten dat jij daar werkelijk de watergrootvader bent?’


’Zie je het water uit de zomen van mijn kleed druppelen?’


’Inderdaad. ’t Is dus weer zo ver.’


Ik verlos Hannah van haar waterbaby. 


‘Pas op, ik kan allerlei gedaantes aannemen: een dikke vent, kaal, tonrond, met groene kleren en muts van rietstengels.’


Hij blaast zijn kaken vol lucht, duidt met zijn armen zijn tonronde buik aan en waggelt naar de oever.


’Maar ik kan er ook uitzien als een knappe jongen.’


’Ben je gevaarlijk?’ vraagt Michiel.


Ik wil de knappe jongen nafluiten maar hou me in.


’Ik hou me overdag verborgen als een oude forel of een zalm. Maar ’s nachts kom ik spattend en spartelend naar boven om mijn onderwater -koeien het land op te drijven.’


’Maar ben je nu gevaarlijk of niet?’

‘
Soms ben ik heel gevaarlijk. Maar als ik goed gemutst ben, drijf ik de vissen in de netten van de visser en ik vertel de mensen wanneer er overstromingen gaan komen.’


Michiel en ik worden twee zeebonken. We scheppen netten vol uit de rivier en we horen hem fluisteren wanneer het water het land zal verwoesten. 


‘Ik heb ook twee dochters.


De vissers veranderen ogenblikkelijk in twee schitterende meiden.


’Hallo, pa,’ zeg ik.


‘Die dochters hebben doorschijnende groene kleren aan, en ze plagen en martelen degenen die verdronken zijn.’


We storten ons kirrend op de jonge moeder Hannah.


‘Zo jij dacht dus onze schoonmama te kunnen worden!’ roep ik met mijn hoogste stemmetje.


’Genade mooie vrouwen, genade.’


We blijven haar martelen. We rollen met zijn drieën lachend op de oever.


’Stop, stop, niet doen!’


We blijven haar kriebelen tot onze water-opa komt meespelen en wij hem met zijn drieën onder handen nemen. 
Daarna leggen we de gehavende rivier weer languit en drijven er ruggelings op onder de denkbeeldige volle maan.


‘Dat was mijn lievelingsverhaal. Mijn opa heeft het me honderd maal verteld.’


‘Het is een heel mooi verhaal. Wel een beetje wreed,’ zegt Michiel.


‘Mooie verhalen zijn altijd een beetje wreed. Gewoon al omdat ze eindigen. Ik kan echt boos zijn als een prachtig boek ophoudt.’


’Als ze bleven duren zouden ze niet meer mooi zijn, denk ik.’


Hannah’s woorden blijven in de stilte hangen.


‘Zullen we nu zelf een verhaal maken? Een verhaal over altijd? Ik heb jullie zo gemist.’

Anton-van-Dalenpic1.jpg