TR

andrew abott corpulence.jpg

 

30. De droom

Hij bleef de hele week onvindbaar.


De straten rond de kerk observeerden we op alle mogelijke tijdstippen van de dag. We stelden een beurtrol op, patrouilleerden langs alle mogelijke scholen, herkenden hem in een aantal passanten tot ze zich omdraaiden of we hen inhaalden. 
Ik droomde dat ik hem op een winderig pleintje in Venetië zag, tussen de opvliegende duiven helemaal in het zwart gekleed.

Ik wist dat hij het was. Ik herkende de twee kleuren in zijn ogen. Ik wilde naar hem lopen maar ik kwam geen stap vooruit.


’Elias!’ riep ik. ‘Elias! Ik ben het, Hannah.’ 


Hij maakte een sprongetje in de lucht, bleef tussen hemel en aarde hangen en kantelde tot hij als een zwemmer in de lucht hing en met trage gebaren van mij wegzwom.


Ik schrok wakker, tranen liepen over mijn wangen.


Het was een zonnige vrijdag. 
We zouden die avond op de kerkzolder samenkomen in de hoop dat hij ons daar zou treffen.

Ik haastte me naar school. In de stad was er een omleiding zodat ik in een voor mij onbekend stadsgedeelte mijn weg moest zoeken.


Of nu de droom eerst was of ik later de droom met dit pleintje heb ingevuld weet ik niet. Na een korte draai kwam ik langs een zijstraat die op een pleintje, dichtbij het Begijnhof, uitgaf. Het was niet meer dan een voorbijflitsend beeld. Ik remde. Ik vloog bijna over mijn stuur. Ik keerde terug, reed de zijstraat in en kwam op het pleintje uit. Duiven fladderden voor me op.Van op het pleintje liep er een steegje naar de zij-ingang van het Begijnhof. Ik had er al wel eens foto’s gemaakt. Beelden van de zeventiende eeuwse huisjes onder de hoge bomen die het binnenplein omringden.


Ik reed langs een grot. De grot van de boetende Magdalena. Tot ik een medaillon tegen de rotsmuur zag waarop de goede herder het verloren schaapje op zijn schouder draagt. Ik stopte. Ik zette mijn fiets weg en ging op een van de bankjes voor de grot zitten.


Je hoorde hier nauwelijks auto’s.


Ik bekeek het beeld van de liggende Magdalena, de vrouw die Jezus had liefgehad. Daarboven het medaillon.


Of je voor liefhebben altijd moest boeten, vroeg ik me af.
‘Je hebt me dus toch gevonden,’ hoor ik zijn stem achter mij. Elias. Donkerbruine jas en pull. Zijn gezicht bleker dan vroeger. Fiets aan de hand klaar om naar school te rijden.

Ik kan geen woord uitbrengen.


’Ik woon daar bij mijn tante als mijn ouders op reis zijn.’ Met zijn kin wijst hij het huis links van mij aan.


’We hebben je overal gezocht. Wat is er gebeurd?’


‘Komen jullie deze avond? Ik ben al te laat. Tot straks!’


Ik zie hem door de poort verdwijnen.


Ik bekijk zijn huis. Het is een mooi gerestaureerd pand. 
De les latijn zal ik missen. Lekke band.


Het wonderlijke verstomt je, daarna werkt het op mijn lachspieren. Ik ben niet voor wonderen gemaakt. Ik moet erom giechelen zoals pubermeisjes als ze het over de jongens hebben.

Magdalena ligt roerloos achter glas, met dodelijke bleekheid gestraft. Ze zal vast ook wel gegiecheld hebben als ze voeten van Jezus waste. Zij, de hoer, uitgerekend zij.


Wat verder ligt de kruisberg. Daar staat ze ook. Met zijn moeder. Onder het kruis. De afstand tussen het wonderlijke en de pijn.


Ik blijf lachen.


Ik herhaal het verhaal terwijl ik naar school wandel, fiets met ‘lekke’ band aan de hand. Ik zie de beelden telkens weer opnieuw. Ik moet mezelf immers overtuigen dat dit echt is gebeurd.

De directeur schrijft een briefje voor de klas.


’Heel erg schijn je er niet onder te lijden,’ zegt hij als hij mij het briefje geeft.


Stel je voor dat ik zou zeggen:

‘Directeur, ik had een droom. Een droom waarin ik mijn verloren schaapje terugvond. Wel, op weg naar school, vond ik inderdaad mijn schaapje terug, is dat niet wonderlijk?’


Ik zie hem met open mond naar mij kijken. Maar dat is dan de reactie op mijn werkelijk antwoord:


‘Als ik u met een beetje lijden kan dienen zal ik volgende keer een smartelijk gezicht opzetten. Dag directeur.’


Op de lege speelplaats zit een witte duif op een lege bank.


’U mag nu weer terugschakelen naar het ordinaire bestaan,’ zeg ik tegen de denkbeeldige regisseur in de blauwe lucht.

marcio dekker 41.jpg