dittrich tin-angel.jpg

 

28. Een afwezige engel


Meestal verwelkomde hij ons als eerste op de kerkzolder. Die regenachtige vrijdagavond wachtten wij op hem tot het bijna helemaal donker was buiten.


Omdat we geen adres noch andere referentiepunten hadden tenzij dat hij in de omgeving van de kerk woonde, wisten we niet waar we moesten gaan zoeken.


Niemand van ons had hem in de loop van de voorbije week gezien of gehoord. Ziekte lag voor de hand, of een onverwachte familiale verplichting, of gewoon kamerarrest wegens vermeende onbeleefdheid. Omdat hij ook nooit naar ons adres had gevraagd was het hem waarschijnlijk onmogelijk geweest iemand van ons van zijn afwezigheid te verwittigen.


Zonder hem was de kerkzolder een gewone bergplaats, leken de voorbije gebeurtenissen onwezenlijk ver en irreëel.
’

Zijn ruimteschip is teruggekomen,’ zei Bram. 


Het was beginnen waaien. Boven ons kraakten de dakbalken..
Onder ons begon de stad aan het weekend. We keken door de raampjes naar de lichtvlekken van de straatlantaarns, de rijen daken, de dreigende luchten waarin de verste uitlopers van de stad verdwenen.


‘Zullen we een briefje achterlaten en naar het Putje gaan?’


We waren het dadelijk met Hannah eens. We zochten in de ingemaakte kasten naar een beschrijfbaar stuk papier.


Ik trok een van de verste deuren open en zag tot mijn verbazing een aantal matrasjes met daarop een slaapzak liggen. De blauwe salopette aan een haakje herkende ik dadelijk.

‘Hij bleef hier dus vaak slapen!’


De kast was met zilveren sterren versierd. In de deuren had hij bovenaan een aantal gaatjes geboord zodat het duidelijk werd dat deze kast als slaapplek diende.


’Zou hij wel ergens wonen? ‘


‘Natuurlijk Bram. Ben je tien minuten te laat thuis dan hangt het land vol affiches. Weglopen is vrijwel onmogelijk geworden, zeker voor een dertienjarige. Zijn kleren zien er daarbij heel netjes uit.’


‘En het zijn geen goedkope spulletjes die hij aanheeft, Michiel,’ zei Hannah.


’Hij houdt gewoon van avontuur. Als ik dertien was, bouwde ik ook kampen en had ik een boel geheime schuilplaatsen.’


‘En kon je een nacht wegblijven zonder dat je ouders wisten waar je was, Bram?’


We gaven toe dat zoiets uitgesloten was.


’Hij kan natuurlijk zeggen dat hij bij een vriendje blijft logeren en dan naar hier komen.’


We besloten de zaak in het Putje verder te bespreken.

dittrich tuer.jpg

Larghetto voor een herfstnacht
(met de hulp van het piano trio in B flat major van Wolfgang Amadeus Mozart, 2de deel KV 502)


Voorbij middernacht was het toen Bram het licht door de kleine raampjes van onze speelzolder zag. Een glimp. Beverige streepjes. Slechts zichtbaar voor degenen die zo hoog zouden kijken op een vrijdagnacht en wisten dat er zich onder het dak van de kerk een schuilplaats bevond. Voor de rest van de wereld: de weerkaatsing van de maan, of een reflectie van de stadsverlichting.

‘Hij is er!’


Hij, degene die het onderwerp van al onze gesprekken was geweest, door iedere waarnemer anders ingekleurd. Een hoge hoed vol veronderstellingen hadden we hem opgezet, waardoor zijn ware gezicht steeds onzichtbaarder werd. 


‘Er brandt licht!’


We renden de trappen op. Onze lampen bliksemden ons vooruit. Was hij een jaar of langer weg geweest? Beseften we door zijn afwezigheid hoe hij het centrum van de driehoek was? ‘Hij zal zich natuurlijk verborgen hebben toen hij ons hoorde!’


We stonden hijgend voor het deurtje.


Kwam hij ons weldra als nachtelijke engel tegemoet?


Hoorde dit bij zijn spelletjes?
Had hij een spannend ontsnappingsverhaal te vertellen?

Er was niemand te zien op de zolder.


Ook zijn slaapkast was leeg.


‘Misschien in één van de andere kasten?’ fluisterde Bram.
We zwierden de deuren open, lichtten in elk hoekje, keken onder of achter elk kleed of mantel, zochten tussen de engelenvleugels. Hij was er niet.


’We hebben het licht laten branden!’


’Hannah, ik heb daarstraks zelf het licht uitgedraaid.’


‘Misschien is hij ons gaan zoeken, of komt hij zo dadelijk naar hier?’


’Goed. We wachten.’


Hannah sleepte de matrasjes uit de slaapkast en legde ze naast elkaar. Ze ritste de slaapzak open zodat hij als deken kon dienstdoen.


’Kom, als we heel dicht bij elkaar gaan zitten, kunnen we er met zijn drieën onder.
Zij in het midden, wij heel dicht bij haar. Hoe dan ook, het deken was te klein.


’Wacht!’ Bram zocht ons picknicklaken. Hij plooide het dubbel. Toevallig lagen de letters I.H.S. aan de bovenkant. Nu was er nog ruim plaats voor een aantal reserve-engelen. 
’Kom toch maar dichterbij. Ik heb het een beetje kou,’ zei Hannah. 
Ik zat naast haar nu, Bram links van mij. Ik nam ze beiden in mijn armen.
‘Oom Michiel zal goed voor jullie zorgen.’ Ik wreef stevig over hun ruggen. Hannah nam Brams handen.


‘Doorkoud, Bram.’


’Koude handen, dat wijst op een warm hart.’


’En met de deugd in het midden kan jullie niets gebeuren.’


’Stil, ik hoor iets…’ We luisterden.


‘Neen, het zal de wind zijn geweest.’


We probeerden te achterhalen waarom we Elias hadden gemist, wat de reden van zijn afwezigheid kon zijn. Al onze herinneringen aan hem vertelden we. 
Zonder hem bleef het hoge nest boven de stad onvolledig. 
Na een tijdje kregen we het behoorlijk warm. We spraken af nog een half uur te wachten. Niet dat we nog in zijn komst geloofden, eerder om elkanders nabijheid te bewaren. 
We trokken onze jassen en schoenen uit en gingen onder het grote I.H.S. laken liggen. Ik lag op mijn rug, Hannah en Bram lagen op hun zij naar mij gedraaid. Hannah’ s hoofd op mijn schouder.


’Michiel doe je ogen dicht. Je moet raden wie van ons beiden je aanraakt. Ogen toe, dan nemen wij onze posities in!’


Ik volgde onmiddellijk Hannah’s bevelen op en kneep mijn ogen overdadig dicht. Geritsel van het laken, gefluister. Stilte. Een hand ging traag over mijn hoofd en dan door mijn haar.


‘Bram!’


’Mis. Dat was mijn hand! Voel maar. ‘


‘Mijn handen zijn kouder, maar inderdaad net zo zacht. Hannah, jouw beurt.’


Ze nam mijn plaats in, en sloot haar ogen.
Bram wees naar mijn lippen en dan naar haar wang. We wisselden enkele keren van plaats om de blinde passagier in verwarring te brengen.


Ik boog me over haar gezicht heen om haar aan Brams kant, met mijn hoofd vrijwel ondersteboven, heel zacht op haar wang te kussen.


‘Hmmm. Vakwerk. Dat waren…Brams lippen!’


‘Juffrouw u proefde Michiels onverbiddelijke en onovertroffen lippen. Bram, jij als meest genoemde, mag nu raden wie van ons beiden “iets” zal doen bij jou.’


‘Hou het gezellig hé makkers!’


Hij legde zich tussen Hannah en mij en wachtte af.


We begonnen aan onze verwarringsstrategie. Hannah gaf mij teken dat we hem beiden tegelijkertijd en tamelijk langdurig (-ze telde tot vijf met haar vingers-) zouden kussen. We legden ons naast hem neer, keken elkaar aan en naderden heel voorzichtig zijn gezicht. We kusten hem. Eerst dacht ik er een grapje van te maken, hem een klapzoen te geven, maar toen ik zijn wang aanraakte, voelde ik tegelijkertijd zijn arm om me heen. We kusten hem zacht en lang. Onze monden kwamen daarna boven zijn gezicht samen. Dus kuste ik Hannah’s lippen terwijl Michiel onder ons zijn ogen opende.
Nog voor hij iets kon zeggen boog Hannah zich naar hem en kuste hem ook op zijn mond. Dan wees haar strenge vinger naar mij en proefde ik Brams lippen.

Geen bange of schuchtere kussen waren het, zeker geen dwingende, eerder alsof je elkanders naam woordeloos uitsprak. 
Ik ben gewend aan mama’s kussen, en ik weet ook nog hoe stuntelig mijn eerste meisjeskussen waren. Deze kussen waren het familiale ontgroeid maar vroegen ook niet naar meer. Ze waren een logisch vervolg op onze gesprekken en ontmoetingen. Voorzichtig waren ze omdat je elkaar begon lief te hebben, maar ook heel verrassend omdat ze niet alleen de persoon van je verliefdheid bereikten, maar ook degene die in zijn of haar nabijheid was. Het innige, zou Bram later zeggen.


We legden ons heel dicht bij elkaar, Bram nog steeds in het midden.


Onze hoofden op zijn schouders. 
Terwijl hij ons omarmde, omarmde ik Hannah en zij mij.


’Zo zou ik de hele nacht willen blijven liggen,’ zei Hannah. Ik knikte.


Bram trok het grote laken over ons heen zodat we in een donkere tent lagen.


Daarna voelde ik zijn hand weer op mijn rug onder mijn hemd, en wat ik van hem kreeg gaf ik aan Hannah door die het op haar beurt weer terug naar Bram bracht.’


’Zal ik een verhaaltje vertellen?’ 


‘Je bent volop bezig, Bram.’


’Er waren eens drie zijden van een driehoek. ‘


‘Driehoeksmeetkunde bij nacht, ‘ vulde ik aan.


‘Kennen jullie een triangel? Wel dat is het eenvoudigste instrumentje dat er bestaat. Het is ook een driehoek. Op welke zijde je ’t ook bespeelt, het geeft dezelfde heldere toon,’ zei Hannah.


‘En wat gebeurde er nu met die drie zijden van die driehoek?’


’Ze vormden een triangel.’


’En wie zou hem bespelen?’


We dachten aan de engel met de nepvleugels. We hoorden zijn verhaaltjes, zagen zijn donkere ogen naar ons kijken.


‘Zal je moeder nog wakker zijn als je thuiskomt, Bram?’


’Wie zegt dat we moeten thuiskomen?’ vroeg ik.


’Ik.’

Hannah tilde het laken boven onze hoofden en ging naast ons op haar knieën zitten.

‘Ik heb beloofd om bij oma te gaan schoonmaken. Daarna neem ik haar mee naar het park voor onze wandeling aux trois dames.’


‘Ga je straks naar de Ardennen?’


‘Neen, Brammie. De wandeling aux trois dames is een wandeling voor een echte dame, mijn oma, een jonge dame, ikzelf en een dame blanche als we langs het ijssalon komen.’


We ruimden op en stonden bij de drie kleine raampjes. 
We kusten elkaar en wuifden in stilte toen we de nacht in fietsten. Geen sterren noch maan, wel wolken of was het toch het asfalt waarop we reden?

(De schilderijen zijn van Bernhard Brungs, dit werk is van Nicky Broekhuyzen. Beiden verbonden aan de Dittrich Slechtriem-gallerij in Berlijn.)dittrich schlechtriem1.jpg