Voor de eerste keer praten de vier hoofdpersonages met elkaar. Ze doen dat, al smoutebollen etend, met de mond vol, een activiteit die tegelijkertijd in schril contrast staat met de inhoud.  De combinatie ‚het einde der tijden’, ‚engelen’ met het verorberen van de warme smoutebollen relativeert de ernst van de inhoud en laat de raadselachtigheid alleen maar toenemen.
Omdat ik de verschillende scènes ook voortdurend voor mij zie, zoals je een film herinnert, probeerde ik de gebeurtenissen in hun omgeving te kaderen. 
Ik herinner mij met hen het verhaal.  Ik ben wel de aanzet, maar zij moeten zichtbaar worden terwijl de rol van de auteur zo onzichtbaar mogelijk moet blijven.

De foto’s van deze ontmoeting kunnen dan ook het voorwerp van het volgende stukje zijn. Ik moet ze alleen maar beschrijven.

engel burne_jones.jpg

 

9. De mond vol

Of dat dan een gewoonte was van hem, dat over kerkdaken lopen en of hij dacht dat die nepvleugels of die stoere salopette hem zouden redden?

Deze inhoud moet men horen via verschillende sprekers die druk bezig zijn veel te warme smoutebollen te verorberen. De zinnen worden dus door geblaas of stiltes onderbroken, commentaren over de nooit overtroffen Renders smoutebollenkunst zitten op dezelfde lijn als de opmerkingen hierboven. Een onoverzichtelijk nooit reconstrueerbare dialoog.

En hoe hij ons herkende, en wat hij met ons dacht te bereiken, of was gewoon zijn zakgeld op en haalde hij kunstjes uit om daarna de mensen wat centen af te troggelen.

‘Ik speel saxofoon,’ was zijn antwoord.

De drie kijken elkaar aan. Hannah heeft net een halve smoutebol tussen haar vingers, Bram probeert zijn oliebol te koelen met hevig blazen en ikzelf heb de mond vol.


Het beeld bevriest dus bij dit antwoord. Drie paar ogen kijken hem aan. Hij zoekt in de grote puntzak naar nieuwe voorraad en als het stil blijft, kijkt hij op.

‘Ik speel saxofoon. En jij?’


Hij kijkt daarbij (is dit toeval en zo ja bestaat toeval dan wel?) naar mij.

‘Piano en cello.

‘
’Cd’s,’ zegt Bram.


Blokfluit, maar dat is lang geleden.’ vult Hannah aan.


‘Ik dacht dat jullie trompet of bazuin zouden spelen.

‘
’Zien we eruit als je vriendjes uit de fanfare?’


’Fanfare? Ik speel helemaal alleen.’


’Waarom zouden wij dan trompet of bazuin moeten spelen?’


Het blijft stil tot hij zijn mond leeg heeft. Hij neemt alle tijd, likt zijn vingers af en bekijkt ons een voor een.


’Het einde der tijden. Dat gaat met trompetten en bazuinen heb ik gelezen.’


‘Het einde der tijden?’


Gulzig steekt hij de volgende oliebol in zijn mond. Hij wijst naar een man die tegen een cafémuur leunt. Dan, terwijl hij hoorbaar kauwt, naar twee mannen die op een terrasje een biertje drinken.


‘Dat zijn er ook. Ze oefenen voor het einde der tijden.’


Ik vraag hem wat ‘zij’ dan wel mogen zijn.


‘Engelen. Ik herken ze dadelijk.’


‘Ik dacht al dat die smoutebollen verdacht veel naar hasj smaakten, wat jullie?’


’Bram, jouw naam komt van de aartsvader Abraham.’


’Ja, en dat wil zeggen: de heer der volken. Dus…’


‘Wel toen Abraham heel oud was, kwam er een engel op bezoek.’

We lachen. Niet voluit, eerder zenuwachtig. De toon waarop hij spreekt, klinkt helemaal niet belerend of een beetje wazig. De woorden horen bij hem zoals andere kinderen over huisdieren spreken, of het nu over pokemon-prentjes hebben.

Als ik mijn tekst herlees ben ik mij bewust dat ik vaak in de onvoltooid tegenwoordige tijd schrijf alhoewel de gebeurtenissen toch al maanden achter ons liggen. Is het al moeilijk om een gewone situatie te reconstrueren, dan wordt het vrijwel onbegonnen werk om de natuurlijkheid van de toen gevoerde gesprekken en situaties op papier te zetten.

Of wij dan ook engelen zouden zijn?


Hij kijkt of er nog een oliebol in de puntzak zit en schudt dan het hoofd.. 


‘In mijn verhalen wel ja.’


Hij maakt een prop van de lege zak en mikt hem keurig in een vuilnisbak.


’Ik verzamel verhalen. De verhalen van de Grieken, sprookjes van ver en dichtbij. De verhalen uit de bijbel. Ik vertel ook graag verhalen. Ken je het verhaal van de engel die bij de oude Abraham komt?’


Dat verhaal kenden we niet.


’Abraham was al heel oud toen hij bezoek van een engel kreeg. En Abraham herkende hem en hij zei: Ben jij werkelijk diegene die de dood wordt genoemd? Als het waar is, toon ons dan uw wreedheid.
Zal ik een foto van jullie maken?’

Gabriel_byzantine.jpg