7f909c884a9642f7b396f7d2b8cfdc30.jpg

18. Vanuit de donkerte


‘Dit spelletje gaat over de tijd,’ zei hij die avond toen we elkander na de eerste schoolweek weer terugvonden op de kerkzolder.


Ik dacht dadelijk aan het gesprek van gisteren in de bus..


‘Hannah?’


Hij had één van de grote ingemaakte kasten leeg gemaakt en die ruimte zou onze speelplaats zijn.


Michiel en Bram gingen voor de kast zitten

.
’Ben je bang in het donker?’


’Integendeel. Ik hou van het donker.’


’De deuren gaan dicht. We zullen luid genoeg moeten spreken.’


We kropen in de kast. Bram schoof de deuren achter ons dicht, doofde de kaarsen zodat het voor de kast net zo donker was als er binnenin.


We luisterden naar elkanders adem.

‘Je durft niet,’ zei hij. Het klonk akelig echt.


Ik verdedigde mij tot we aan het zinnetje: ‘je valt uit de tijd,’ kwamen.


Uit de tijd.


In mij schrok Steffie wakker.

 

Ik heb geen tijd, Steffie, ik moet studeren. Ga jij maar naar de bakker!

 

‘Zotteke,’ kon ik nog zeggen. Een schrale poging om het onafwendbare toch nog van mij af te duwen.


En: ”Waar zou ik dan terechtkomen?’ werd een overbodige vraag waarop ik het antwoord al jaren kende.

 

Voorzichtig met mijn fiets, hij is pas hersteld!

 

‘Als je buiten bent geweest, kun je niet meer terug,’ zei Elias of was hij nu Hannah en antwoordde Stefaan met mijn stem:


‘Dan ben je mij kwijt.’


Kijk Hannah, kijk, ik heb mijn molentje op jouw fiets gezet. Prachtig, he?

 

‘Ja,’ hoorde ik mezelf in Elias’ stem. Kwijt voor altijd.


‘Vind je dat dan niet erg?’


’Toch wel.”

Waarom hou je mij dan niet tegen?’

 

Zullen we samen rijden? Dan mag het molentje op jouw fiets blijven en ik bij jou achterop.

 

‘Als iemand buiten wil, kun je hem of haar niet tegenhouden.’


‘Ga je mee?’

 

Rij maar alleen, ik heb echt geen tijd. Morgen rijden we samen naar oma.

 

‘Ik denk dat ik weg moet,’ zegde ik Steffies’ woorden, terwijl ik hem zingend op mijn fiets zie verdwijnen, het windmolentje hevig draaiend.


‘Ja, dat denk ik ook,’ antwoordde Elias-Hannah.


’Dag’
’

Dus je wilt de deur opendoen?’
’

Ze zullen denken dat ik dood ben.’

 

Dag Hannah! Tot straks!

 

‘Ja, dat zullen ze denken.’

Ik schuif de deur open, laat me naar buiten vallen, terwijl de knal van de fiets tegen de auto mij een laatste keer met zijn volle verschrikking verlamt. 
Ik kan eindelijk huilen.

b5d313c9a8804cb98b63dc35d9eede20.jpg

19. Tussen licht en donker


‘Ik denk dat het donkerte was,’ zei ze, toen ze uitgehuild was. ‘Het overviel me. Sorry.’


‘Claustrofobie, daar heb ik ook wel eens last van,’ probeerde ik haar tegemoet te komen. 
Elias droogde haar tranen met de mouw van zijn sweater waarop in rode letters ‘boys revolution’ was gedrukt.
’

Ik was toch bij jou,’ probeerde hij haar te troosten.


’Natuurlijk. Hoe kon ik dat vergeten.’


‘Dacht je dat ik iemand anders was?’
’

Misschien wel.’
’

We moeten maar eens ophouden met die spelletjes,’ zei Bram.


’Neen. Integendeel. Ik vond het een heel mooi spel. Het heeft me geholpen.’


’Zoals je uit de kast viel leek het of je geboren werd, Hannah.’


Ze keek me knikkend aan.


‘Ja, als je geboren wordt moet je ook wenen.’


‘Ik dacht dat ik nooit geboren werd toen ik klein was. Ik was uit een ruimteschip gevallen. In het koude water van een rivier.’


Elias’ woorden braken de spanning, het onbehagelijke als je zonder het te willen bij iemands verdriet wordt betrokken. Het was niet het gênante zoals bij een overspannen reactie, eerder de onmacht haar niet te kunnen bereiken. 


Beelden van de mensen die je lief hebt, blijven je levenslang bij. Niet de grote momenten, de eerste kus, het innige van een nacht samen slapen. Eerder details, de manier waarop ze zich omdraait en ‘hoi’ zegt, of hoe ze haar handen heel mannelijk in haar heupen zet als ze wil nadenken. 


Haar gezicht nu met sporen nog van haar verdriet gemengd met een glimlach als ze Elias over zijn niet-geboorte hoort vertellen. Hoe ze hem door zijn haar wrijft, de ongeborene en hij daarvan gebruik maakt om zijn armen rond haar te slaan.


’Voor een ruimtewezen heeft hij wel heel aardse reacties,’ was Brams commentaar.


’Jaloers hé?’ zei het ventje.


‘En of,’ antwoordde ik bijna hardop.


’Zullen we volgende week terugkomen en hier picknicken?’


’Jij bent de gastheer, Elias.’


‘Iedereen brengt iets lekkers mee en een verhaaltje om te vertellen of te spelen.’


Ik weet niet of ik een week kan wachten om haar terug te zien. Bijna zei ik: die picknick mag morgen ook, maar ik zweeg.


‘Voor we weggaan vertel ik nog een heel klein verhaaltje. Ook over een kast.’


Hij ging voor een hoge deur van een kleerkast staan, keek ons aan en begon.


Voorzichtig legde ik mijn arm over Hannah’s schouder.

ca598981eab142c38a63bae7daaf6099.jpg

20. In de kast


In de kast dansen de jassen met de broeken. 


Tot ik de deur opendoe, dan hangen ze stil. 


Jaja, ik heb jullie wel gezien, hé sukkelaars! roep ik dan. Jullie moeten daar nu niet zo stilletjes hangen.

Toen ik heel droevig was, ben ik in de kast gekropen. 
De jassen zongen mij in slaap, en de broeken humden maar een beetje mee.
’

s Morgens vond niemand mij.


Ik hing tussen de jassen en de broeken en ik schommelde zachtjes heen en weer als ze hun liedjes zongen.


Is er iemand die mij aantrekt?

(Elias, bijna dertien, engel-met-nepvleugels)

 

bf82257f836b47deb1069199b8196db0.jpg

de kunstwerken zijn van de Braziliaanse kunstenares Wilma Darienzo. Ze zijn ondergebracht bij de A JAin Gallery NY