when_pigs_fly_v_ordey161413.jpg

 

15. Lef en liefde


Rikkie vertrouw ik voor honderd procent. We hebben samen ontdekt dat het leuk was een jongen te zijn. Hij had het daarna meer voor de meisjes. Ik duidelijk voor de jongens. Dat is nooit een probleem geweest. Als ik Karen zie, begrijp ik heel goed dat ze Rikkie een schat vindt. Soms ga ik met Karen winkelen. Zeker als ze iets leuks voor Rikkie zoekt. Of als ze nieuwe schoenen wil.


Deze vakantie zijn ze samen weg geweest. Van zijn ouders mocht het, van de hare niet. Dus ging zij met een zogezegde vriendin op stap en vonden ze elkaar toch wel toevallig bij die vriendin zeker.


Rikkie wilde me vandaag alles vertellen. Karen ook. En of ik iets had meegemaakt? 


Over het sportkamp, de knappe basketbal – instructeur, de nieuwe cd’s, de veertien dagen in Frankrijk met pa, het weekje aan zee met ma, ik heb het allemaal verteld. Over mijn drie nieuwe vrienden zweeg ik. Zeker over Michiel.


’Ik denk dat je verliefd bent,’ zei Karen toen we bij onze fietsen stonden.


‘Waarom denk je dat?’


‘Je bent veranderd. Minder lef, meer liefde.’


‘Meer liefde?’


‘Als je spreekt, spreek je “liever”.’


’Ik word zeventien eind september, vandaar.’
’

Jij wordt nooit ouder, Bram. Jij zult altijd een jongetje van dertien, veertien zijn.’


Even had ik zin om alles te vertellen, maar ik besloot te wachten.
’

Ik vind trouwens dat jij er jongensachtiger uitziet.’


‘Dat moet wel als je met zo’n vrouwelijk ventje als Rikkie op stap bent geweest.’


‘Rikka en Karel, schoon stel.’


’Juist. Maar hij mocht iets meer van jouw lef hebben.’


‘We zullen eraan werken!’


Ze sprong op haar fiets, wuifde en verdween tussen de drukte van de naar huis gaande schoolbevolking.

Had ik haar verteld dat ik naar orgelmuziek van Bach luisterde, dat ik voor de eerste keer in mijn leven Radio-3 heb opgezet, dat ik dag en nacht nog maar één jongensnaam kan uitspreken, dat ik omkijk naar alle jongens met krullen, dat ik een engel met een stralenkrans heb gespeeld en de overtocht door de Rode Zee bespoedigde, dat ik op een paardjesmolen heb gezeten terwijl ik ‘I’m flying’ riep, dan had ze dadelijk begrepen dat lef en liefde nog nooit zo harmonieus met elkaar verzoend zijn geweest.

Heartland-mini.jpg

16. Engelen en dinosaurussen


We wisten dat Elias niet ver van de markt woonde.


We kwamen te weten dat zijn ouders iets met biologie deden en veel op reis waren.


Verder wisten we niets over hem.


Onze vragen beantwoordde hij niet of hij begon gewoon over iets anders te praten.


Ook over zijn school repte hij met geen woord.


Weldra kregen we van hem een dubbel van de loper waarmee we, wanneer we maar wilden, naar de kerkzolder konden gaan.


Op mijn beurt zweeg ik .
Thuis vroegen ze nooit waar ik naar toe was geweest of wat ik van plan was. Ze wisten dat ik dat wel zou vertellen als het nodig was.


Ook tegen Emma, mijn hartsvriendin, mijn absolute vertrouwelinge, vertelde ik niets over de wonderlijke ontmoeting en de dagen daarna. Niet omdat ik haar niet vertrouwde, ik had gewoon geen nood om iets te vertellen wat ik zelf nog niet begreep. Ook over Bram en mijn gevoelens voor hem praatte ik alleen met mezelf.

De laatste dag van de eerste schoolweek op weg naar huis, ontmoette ik Elias in de bus. Of hij ook deze kant op moest.


‘Nu wel, ja.’


‘Je woont toch aan de andere kant van de stad?’


‘Zie je die meneer daar op zijn fiets? Dat is ook een engel.’
’

Hoe weet je dat?’


‘Het heeft niets met weten te maken. Ik zie het.’


’Hoe zie je dat dan?’


‘Kijk, die twee kinderen die net in de auto stappen. Dat zijn er ook twee.’


‘In je verhaaltjes of echt?’


‘Soms zie ik dat ze hun trompetten bij hebben. Om te oefenen. Voor het einde der tijden. Ze wachten tot iedereen thuis is, verkleden zich in een fanfare en oefenen dan op de kiosk in het park. Ik heb ze al eens gehoord. Maar toen ik ging kijken was er niemand meer. Op een bank zat een oud mevrouwtje. Ze was blind. Ze had zo’n dunne lange witte stok bij. Ze wist dat ik dicht bij haar stond. 
’

Ze speelden iets heel moois,’ zei ze. ‘Nog nooit heb ik z o’ n mooie muziek gehoord.’


Ik zei ze dat het engelen waren, maar ze dacht dat ik ‘Engelsen’ zei. 


‘Je hoort aan hun muziek dat ze van ver komen, jongeman.’
’

Ik zou ze ook wel eens willen horen.’
Hij knikte en keek me aan.

‘Ben je al eens dronken geweest, Hannah?’


’Dronken niet. Wel licht in mijn hoofd. Na een fuif.’


‘Ik ben al eens dronken geweest. Maar niet van bier of wijn. Gewoon dronken omdat ik ineens alles wist wat er zou gebeuren.’


’In de toekomst kijken dus?’


‘In de volgende seconde.’


’Dat is wel heel ver vooruit!’


‘En weer in de volgende seconde. En dat altijd maar sneller, tot morgen overmorgen is, en overmorgen volgende maand, en volgende maand volgend jaar, en ga zo maar verder.’


‘En kun je ook achteruit kijken, terug in de tijd?’


‘Geen probleem. Zo ver terug als je maar wilt.’


‘Tien miljoen jaar?’
’Veel verder.’
’Vijfenzestig miljoen jaar?’ 


Ik zei gewoon vijfenzestig omdat papa’s oudste broer net zo oud was geworden. Verbaasd keek Elias me aan.


‘Zie je wel dat jij het weet!’


‘Wat zou ik moeten weten?’


‘Vijfenzestig miljoen jaar geleden stierven de dinosaurussen uit.’


‘Daar wist ik niets van. Ik zei zo maar iets.’


‘Je wist het goed genoeg. Anders zou je geen engel zijn.’


Ik vond het best aardig een poosje een engel te zijn, zeker in Elias’ aanwezigheid dus vroeg ik gewoon naar de reden van hun verdwijnen. 


‘Ze zeggen de er een geweldige meteoriet op de aarde viel. Een meteoriet van wel honderd zeventig kilometer doorsnede.’


‘En daar zaten al die dinosaurussen onder?’


‘Maar neen, Hannah! Wat is nu honderd zeventig kilometer in vergelijking met de hele aarde?’


‘Ik heb er wel eens iets over gelezen, maar…’


’Het was een ontploffing. Een ontploffing zo sterk als één miljoen atoombommen.’


‘Je zou van minder uitsterven.’


’Duizenden jaren hing er dus stof van die klap in de atmosfeer. De temperatuur daalde, de planten stierven. En omdat planten het voornaamste eten van de dinosaurussen was, stierven ze uit.’


‘Je bent goed op de hoogte. Heb je er veel over gelezen?’


Hij zuchtte, keek langs me heen alsof er nog iemand bij ons zat.


‘Sommigen dachten dat ze een ziekte kregen en dat ze door die ziekte eieren legden met zo’n dikke schalen dat hun jongen er niet meer uitkonden.’


Nu draaide hij zijn hoofd naar mij.


‘Stel je voor. Een kind dat nooit meer uit zijn moeder kan. O, hier moet ik uitstappen.’

The-Think-Tank-mini.jpg

(de kunstwerken zijn van Robert Deyber USA (Martin Lawrence Galeries)