jean_shin,_textile,_2006_(detail).jpg

 

De straten, de kermis, de kerk, het zijn bekende beelden uit de kleine provinciestad waarin ik ben opgegroeid. Hoe concreter de decors zijn, hoe meer geloofwaardige ruimte je aan de personages kunt bieden.  De Gasthuisstraat, Otterstaat en Herentalsstraat geven inderdaad uit op de Grote Markt en omdat een dergelijke botsing van de drie visueel mogelijk is, kan ik ze ook beschrijven.

De zeventienjarigen zijn ook niet toevallig zeventien.  We maakten in 2000 een documentaire ‘Ik ben achttien in 2000’ terwijl verschillende vrienden tussen de zestien en vijfentwintig voldoende inkijk gaven in hun leefwereld. Ze hebben de puberteit achter zich, ze zitten in het laatste jaar middelbaar, ze leven op de rand van wat ‘volwassenheid’ wordt genoemd zodat hevige mengvormen van kinder- puber- en adolescententijd een heel aparte kijk op de wereld mogelijk maakt.  

Het is duidelijk een initiatie-roman. Onze cultuur kent slechts flauwe afschijnselen van initiatie-riten via vormsel, lentefeest en dergelijke. De verbindingen tussen jongeren en volwassenen zijn sinds de tijd van het ontstaan van dit boek in hoge mate gecastreerd alsof zij in een soort verheven schrijn van de donkere wereld worden weggehouden terwijl de werkelijkheid van hun dagelijks bestaan niet zoveel verschilt van het onze.

Ze botsen letterlijk en figuurlijk tegen elkaar op.  Aanleiding: een engel met nepvleugels die op de nok van het kerkschip wandelt. 

vintage-merry-go-round.jpg

TUSSENSCHRIFT:

De brieven zijn korte tijd na zijn verdwijnen geschreven. Daarna werd het stil. We gaven elkaar tijd. Tot we, bijna gelijktijdig onze persoonlijke herinneringen wilden samenbrengen.

We hebben de stilte doorbroken.
We verlieten ons eiland waarop we ons hadden teruggetrokken.
We besloten bij elkaar op bedevaart te gaan en samen de ‘heilige’ plaatsen te bezoeken.

Er is een hele tijd voorbijgegaan sinds hij bij ons was.
 Om zijn aanwezigheid niet te verliezen besloten we dit boek te schrijven. 
Toch is dit geen dagboek.
We zijn immers geen drie aparte stemmen meer.
 De maanden waarin we samenleefden hebben we elkanders kleuren leren appreciëren.
In dit schrijven vervloeien we tot de oppervlakte van de driehoek, waarvan we eerst de hoeken, dan de zijden en tenslotte de vulling werden.
 Het water als bindmiddel voor deze aquarel.

Zijn we in onze brieven duidelijk ver van elkaar geweest, toen we de documenten samen legden keerde onmiddellijk het gevoel van die langzaam verworven eenheid terug.
Het wordt dus geen historische reconstructie, maar een gezamenlijk beeld met puzzelstukjes zonder eigenaar.
 Schrijven alsof er nog niets was gebeurd, zou een leugen zijn.
 Soms proberen we onze eenheid te ontbinden zodat er drie verschillende stemmen klinken, maar we zijn te dicht bij elkaar geweest om de warmte van de anderen te ontkennen.

De aparte verhalen vormen tenslotte de ene heldere toon van de triangel. Zijn trillingen zijn echter uit onze persoonlijke belevenissen samengesteld. 
We draaien de film terug. Zeventien waren we.
Augustus van dat jaar.

 

De botsing, een kettingverhaal

Bram:


Kijk hoe de drie zijden van de driehoek samenkwamen. 
Ik zeg kijk, want als ik mijn ogen sluit zie ik het gebeuren alsof ik boven de stad hang- en ik mezelf uit de Herentalsstraat zie komen op weg naar de kermis op de grote markt, een donderdag in augustus. 
Ik dus in de straat die loodrecht op de grote markt uitgeeft terwijl de toen voor mij nog onbekende Hannah uit de Otterstraat komt gefietst, straat die vanuit mijn standpunt aan de rechterkant op de markt uitgeeft. De derde, (behandel ik hem uit voorzichtigheid als derde terwijl ik in feite met hem moest beginnen?) de derde speler, Michiel fietst vanuit de Gasthuisstraat naar de markt, straat aan de linkerkant van de kermisdrukte.

Hannah:


Geachte onbekende toeschouwer, u ziet dat het lot ons zal samenbrengen op een manier die inderdaad voorspelbaar is omdat u het voorrecht heeft de combinatie te kennen van ons drievoudig levenslot. (een zin aan Michiel opgedragen) Wij echter waren die augustusdag totaal onwetend van de nogal brutale confrontatie die ons verder leven zou bepalen. Wij wilden naar de kermis.
 Ikzelf omdat ik foto’s wilde maken van historische gebouwen met op de voorgrond de schreeuwerige kermisattracties. Michiel omdat hij honger had en de smoutebollen van de alom geprezen familie Renders daaraan konden verhelpen. Bram omdat hij zich thuis grondig verveelde.


Michiel:


Een meisje en twee jongens van zeventien naderen elkaar vanuit drie verschillende richtingen. Omdat het autoverkeer met de kermisdrukte werd omgeleid hadden zij als fietsers de ruimte voor zich, in acht genomen de plotseling overlopende kinderen, de ietwat aangeschoten eenzaten voor wie de kermis een zalige bewusteloosheid van tien dagen was, de brommers van de grietenjagers en de neven-en nichtengroeperingen (families dus) die na het middageten op het getoeter en getetter werden losgelaten.
 Voor geoefende fietsers zijn dat geen obstakels meer na tien jaar stadservaring. 
Waarom dan, uitgerekend deze drie naar hetzelfde punt keken en daardoor elk besef van de werkelijkheid verloren, blijft een onopgeloste vraag. Feit was: zij deden het. Zij keken naar een figuur in ’t blauw die op de nok van het kerkschip balanceerde, voorzien van nepvleugels maar ondanks deze instrumenten ook nog hevig met gespreide armen moest wieken om zijn evenwicht te bewaren.
 Vreemder nog, zij waren de enigen die de ‘engel’ met toneelvleugels in salopette opmerkten en door deze observatie totaal stijlloos tegen elkaar opbotsten en als een cliché uit de slechtste ronderit tussen hun in elkaar gehaakte fietsen belandden.

Bram:


Gewoonlijk begin ik in zo’n situatie te schelden. Zo vlug mogelijk de schuld op iemand anders schouders schuiven. Beetje primitief, maar zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Ik ga niet graag af. Over mijn geschaafde linkerknie wrijvend wil ik aan mijn tirade beginnen als het absurde van de situatie mij in één flits duidelijk wordt en ik Hannah ‘shit’ hoor zeggen en Michiel in de ogen kijk.

Hannah:


‘Shit’ zeg ik terwijl ik opsta en ik hoor Bram beginnen lachen. Alsof dit iets om te lachen is, denk ik nog. Met mijn fototoestel is er niets gebeurd. Als ik de twee jongens zie zitten, de een lachend, de andere zuchtend, begin ik mee te lachen. Bram en ik helpen Michiel recht. Steeds luider lachend.

Michiel:


Gek hé, maar dat lachen van de twee drong niet tot me door. Niet dat ik nog versuft van de val zou zijn. We reden niet snel en niemand van ons drieën was met zijn hoofd tegen het wegdek gebotst. Maar het beeld van dat figuurtje met zijn nepvleugels op de nok van de kerk was nog zo nabij en tegelijkertijd zo irreëel dat ik niet besefte wat er rond mij gebeurde. Ik liet me rechttrekken en begon mee te lachen.

Bram:


Met onze fietsen aan de hand staan we hier bij elkaar. Tegelijkertijd kijken we naar boven. Naar de nok van de kerk. ‘Miljaar, hij is gevallen!’ heb ik geroepen, denk ik.

Hannah:


`We smijten onze fietsen waar ze willen liggen en rennen naar de kerk. De grote poort is potdicht. Niemand blijkt de verschijning gezien te hebben. Wij zijn de enigen die in paniek naar de achterkant van de kerk hollen. Bram en ik voorop. Achter ons hoor ik Michiel hijgen.

Michiel:


Stop, roep ik. Maar stop dan toch! Maar ze horen me niet en verdwijnen in de zij-ingang.
 Achter mij rijdt er een jongen in blauwe salopette (zonder nepvleugels) op de fiets van de kermis weg.

 

merry-go-round_horse_in_the_window.jpg