merrygoround2378.jpg

Een ander belangrijk hoorspel was ‚Het einde der tijden’, in feite de oerversie van de roman ‚Triangel’. Je zou net zo goed kunnen verwijzen naar ‚Water’ of naar ‚Tot het donker wordt’, hoorspel en roman waarin de dood een belangrijke aanwezigheid vormt.

Natuurlijk lijden wij aan de tijd. Tussen oorsprong en einde, de gouden kindertijd en de blikken seniorentijd zijn we voortdurend aanwezig in de oude mythen en bijbelverhalen. De Oude Grieken dachten de oorsprong te kunnen ontspringen. De goden hadden de mens niet geschapen, ze kwamen uit de aarde. Ze leefden tussen de goden. In drie grote golven beleefden ze hun gouden, zilveren en menselijke tijd tot het de goden te veel wordt en er alleen nog ‚de hoop’ overblijft in de doos van Pandora om aan het lot te ontsnappen (of het te beminnen).

In het bijbelverhaal is het God zelf die de mens maakt en hem in een paradijs plaatst waarin de boom van goed en kwaad en de boom des levens staat met het bekende verbod.
Rüdiger Saffranski schrijft in zijn opstel ‚Het Kwaad’ dat net het verbod de kennis schept die het verbiedt en daardoor wordt zijn schepping zich bewust van ontstaan en eindigheid.
‚Aan de macht van de oorsprong ontkom je door de genade van het vergeten.’

Dat is de richting die ik terugvind in dat ‚einde der tijden’, een bewustzijn waarin je ook kunt vergeten, waarin dus het spel als een edele vorm van dat vergeten kan optreden.(daarom dat dictaturen nooit iets vergeten, alles willen bijhouden en een volstrekt tekort aan humor hebben…)

Het beeld van de paardjesmolen zul je met de cirkel kunnen verbinden, een andere oplossing al lijkt het immer terugkeren ook niet dadelijk aantrekkelijk.
De drie hoofdrol-spelers worden bij het zien van de jongen op de paardjesmolen met een goed gecamoufleerd pijnpunt van zichzelf geconfronteerd, een noodzakelijk gebeuren als je de trend van de initiatie volgt: een regressie maakt een inwijding in de volgende fase mogelijk. Je moet jezelf onder ogen durven zien voor je een nieuw leven (een volgende fase) kunt beginnen.
Woorden achteraf, laten we het maar houden bij het verhaal.

GoldenGate11_HS1914.jpg

BENADERINGEN VAN EEN JONGEN OP EEN HOUTEN KERMISPAARD

1.
Een jongen van dertien, wellicht zag hij er jonger uit, maar toch, een jongen van die leeftijd op een paardjesmolen. 
Natuurlijk, ook volwassenen willen nog wel eens een ritje op zo’n pseudo – ouderwetse molen met statig op en neer gaande paarden, veel spiegelwerk en draaiorgel-muziek, maar dan zijn het meestal verliefde koppeltjes of grootouders met hun kleinkinderen. Een jongen van die leeftijd, helemaal alleen, geef toe dat het ongewoon is. 
Ook de manier hoe hij op dat paard zat, is mij bijgebleven. Alsof het paard niet echt vastzat, maar door een geweldig grote vlakte reed. Zo keek hij. Ver weg.
Door een defect aan de geluidsinstallatie, of gewoon omdat niemand erop lette, viel de muziek uit, en in de stilte die erop volgde, zat hij daar kaarsrecht, keek hij ons aan als hij voorbijkwam. Glimlachte hij of wilde hij eerder zijn tong uitsteken, wenkte hij ons of was er iemand anders tussen de omstanders die hij kende?

In mijn herinneringen draait de molen veel te snel, zit ik op zijn plaats, nauwelijks zeven jaar, zoek ik in paniek naar mijn moeder en vind ik haar niet. Roep ik zonder geluid. Zie ik door mijn tranen alleen nog de lange kleurige strepen van de lampjes. Sneller draait de paardjesmolen, ik klem me vast. Ik weet dat we na deze helse rit in een ander land zullen zijn, op een andere planeet wellicht. Ik voel me losscheuren. Zeven jaar na mijn geboorte, besef ik op dat houten paard dat we twee vreemde wezens zijn. Ik roep haar naam. Mama, roep ik. Maar het is niet langer haar naam. De andere jonge vrouwen rond de molen heten zo. Zij niet meer. Zij heet Josefien. Met die naam dring ik het vader-land binnen, voel ik het mes in mijn hand waarmee ik hem moet verdrijven.

Als de molen stilstaat, ben ik ontroostbaar. Ik sla mijn armpjes om haar heen en probeer toch nog ‘mama’ te zeggen, maar zelfs haar parfum verraadt het vrouwelijke. De geur van talkpoeder en olie is ze kwijt. Over haar schouder zie ik mijn vader glimlachen. ‘Brammetje’ zegt hij. Hij neemt ons beiden vast. ‘Zo’n grote jongen moet toch niet meer bang zijn op een paardjesmolen!’
‘Ik heet Elias,’ hoor ik zijn stem als hij van zijn paard stapt en hij me terugduwt in de jongen van zeventien.

TWEEËNTWINTIG DUIVEN

Ik heb eens tweeëntwintig duiven getekend. Grote, kleintjes, hele grote en hele kleintjes. Sommige heb ik paars geschilderd, andere geel en roze. Eén duif heb ik wit gelaten. Ik noemde haar Colombine. 


Het was nog heel vroeg toen ze uit mijn schrift vertrokken. Colombine bleef. Heel zachtjes blies ik op het blad. Ben je zot, vroeg Colombine. Nu heb je een witte duif en je blaast ze weg!


Colombientje, zei ik. De hemel zal als een hoedje op je kop staan. Ik kom je achterna, duivenkop. Maar je moet nog een beetje wachten. Op een dag tekent iemand mij met een scherpe pen, en dan blaast hij mij naar jou.

(Elias, bijna dertien, engel-met-nepvleugels)

2.
Toen de muziek wegviel, dacht ik Michiels orgelspel te horen, ging de paardjesmolen heel traag draaien, op het ritme van Bachs muziek. 
Was het wel die jongen die ons had samengebracht? Had hij daarstraks geen salopette gedragen? Was zijn verschijning niet eerder een soort collectieve verdwazing die we elkaar hadden aangepraat?


Hannah, de twijfelkont. Hannah die het verdriet niet vreest, die zich aanpast aan elke kromme situatie maar ongewapend is tegen het geluk, het wondere. 
In mijn herinnering is hij een tengere gestalte, veel jonger nog dan de jaren die hij hier verbleef.


Toen hij ons de eerste keer voorbijkwam, wist ik dat hij mij zocht, maar verdrong ik dadelijk het idee dat hij Stefaans ogen had, die donkere verslinders van alles wat bewoog. Mijn Steffie. Zijn rug als het paard aan de volgende ronde begon. De typische kromming van zijn schoudertjes. Kabouter-schoudertjes, de schoudertjes van een te wijs kind, een te vroeg opengebarsten blauwe regen, gewillig offer voor de late vrieskou.

Ik sloot dus mijn ogen als zijn paard in de kromming van zijn eeuwige baan weer zichtbaar werd. Ik telde de afstand en zou ze pas openen als ik zijn rug kon zien. Ik vergiste me. We keken elkaar aan. Niet langer dan één of twee seconden zal het geweest zijn, maar de bliksemschichten hadden het hooi van de gedroogde herinneringen in de fik gezet. Stefaantje, zo lang verborgen op de zolder van de moedige Hannah. De traanloze. De grote troosteres van alle bedrukten en bedroefden.Waar de auto op hem was ingereden, pikten later de mussen het brood dat door de schok over de berm was verspreid. Dit goed opgeborgen beeld van mijn dode broertje vulde de stilte waarin de kleine ruiter op zijn houten paard mij telkens weer voorbijreed.

Toch volgde er geen donderslag, de droge knal onmiddellijk na de bliksem die op het huis is ingeslagen. Het gevoel van een malse regen na een veel te warme broeiërige dag, dat was het wat ik voelde toen ik al die flitsende verschijningen begon op te tellen tot een eerste beeld van de engel met de nepvleugels.

‘Ik heet Elias,’ hoorde ik zijn stem als hij op ons toestapte en hij het dode broertje zachtjes als een slapende pop in mijn armen heeft gelegd.

EEN BABY’ TJE

`Het water was heel koud.
 Aan de oever zat mijn vader te vissen.
Hij ving mij in zijn net.


Een baby’ tje, riep hij.


Ze hebben toen gedaan alsof ik uit de buik van mijn moeder was gekomen.


In feite ben ik dus niet geboren.

(Elias, bijna dertien, engel-met-nepvleugels)

3.
Mijn onmacht met woorden doet me naar de muziek grijpen. Het adagio en de fuga uit de sonate nr. 3 voor vioolsolo van Bach.(BWV 1005) Een stuwend ritme dat zich hoekig bijna telkens in allerlei andere akkoorden naar de oppervlakte wringt. Nijdige draaien die uitlopen in de kracht voor de volgende draai.


Als ik mijn ogen sluit, zie ik hem op dit ritme bijna roerloos in een draai die nooit verdwijnt. De fuga die erop volgt, fuga die in zijn eigen staart bijt, afbreekt wat hij weer heeft opgebouwd. Als je ’t einde verwacht keert alles weer in omgekeerde volgorde terug.


Nooit is hij aangekomen, nooit is hij weggeweest. 
Maar ook toen begon ik te begrijpen dat deze draaiende bewegingen de schroefdraad naar mijn goed gecamoufleerde ziel volgden. Als je de stalen vijzen bijna met de hand kunt losdraaien, haast ik mij om ze met de omgekeerde beweging van mijn muziek weer muurvast te schroeven, mij met muziek en theorieën te beveiligen zodat ik de emoties de baas blijf waar ik ze in feite niet eens onder ogen durf te zien.

De manier waarop hij op zijn rijdier zat, zijn dijen tegen de flanken van het paard duwend met een bevalligheid die je aan het hout deed twijfelen. De nerven veranderden in kloppende aders. Ik hoorde het briesen, zag hem bemoedigend op de manen kloppen, me spottend aankijken als zijn blik de mijne kruiste. Ruiter en paard, de eenheid in zijn helderste eenvoud.

Hoe ik als jongetje al besefte dat de trukkendoos feilloos werkte. De kunstenaar die zich met vingervlugheid en uren training insmeert om zich tegen de banaliteit van het leven te camoufleren. Onzichtbaar door de sprong zonder net, de grand écart waarvoor we allen de adem inhouden, de hoogste noot, lachwekkend lang aangehouden. De ogen vol zuchtjes naar applaus. See me, touch me.
Bij elke terugkeer, pelt hij die stevige huid van mijn bang lijf. In de stilte van de rit, voel ik me bijna naakt.
Toch ben ik niet bang, begrijp ik dat de ballast het luchtschip aan de grond houdt.

‘Ik heet Elias,’ hoorde ik zijn stem als hij naar ons komt en hij al die nutteloze camouflage met de helderheid van zijn kinderstem in bijna doorschijnend vliegerpapier verandert.

GoldenGate-Crop.jpg