forster_aged_eleven.jpg

Hier is hij elf jaar. E.M. Forster. Schrijver die je waarschijnlijk beter langs de cinema dan via zijn boeken kent: Howards end (1910), A Passage to India (1924), A Room with a view (1908) en…Maurice (gepubliceerd in 1971, een jaar na zijn dood maar geschreven in 1913,1914, honderd jaar geleden dus. De opdracht:

‘begonnen in 1913 en voltooid in 1914

opgedragen aan een gelukkiger jaar.’

 

Het fotootje hierboven van de architecten-zoon, op de eerste dag van het jaar 1889 geboren, komt uit 1900. Anglo-Irish and Welsh middle class family. In feite zou hij Henry Morgan Forster moeten heten, maar bij zijn doopsel kreeg hij per ongeluk de naam Edward Morgan Forster mee.

Aan geld geen gebrek en zo werd hij een schrijver en vinden we het joch in het King’ s College, Cambridge tussen 1897 en 1901.  De rest lees je makkelijk in talrijke bronnen, enkele woorden weg van zijn naam op de zoekmachines van de computer.

‘Omdat hij van zijn leerlingen scheidde als zij veertien waren, vergat hij dat zij zich tot mannen hadden ontwikkeld.  Zij waren voor hem een klein, maar afgeronde mensensoort, als Nieuw-Guinese pygmeeën, ‘zijn jongens’.  En zij waren zelfs makkelijker te begrijpen dan zijn pygmeeën, omdat zij nooit trouwden en zelden stierven. Ongehuwd en sterfelijk trok de lange processie aan hem voorbij, in breedte somtijds wisselend van vijfentwintig tot veertig. ‘Het nut van boeken over opvoedkunde begrijp ik niet.  Jongens waren er al voordat de opvoedkunde werd uitgevonden.’  Ducie glimlachte dan, omdat hij een overtuigd aanhanger van de evolutieleer was.’ (p10)

Je krijg maar even een inkijk in de jonge jaren van de hoofdpersoon, Maurice Hall.  We weten wel dat hij denkt niet te zullen trouwen en dat zijn vrij bazige moeder (naar werkelijkheid in zijn eigen leven getekend) de tuinjongen George heeft afgedankt wegens te veel belangstelling van zoonlief voor de jongen en vice versa. De manier waarop ze hem verteld dat hij er niet meer is en tegelijkertijd zijn vragen ontwijkt is een prachtig voorbeeld van dialoogkunst. Daarna:

‘Toen Maurice tenslotte naar bed ging, deed hij dit met tegenzin.  Die kamer had hem altijd angst aangejaagd.  Hij had zich de hele avond zo volwassen gedragen, maar het oude gevoel bekroop hem weer zodra zijn moeder hem goedenacht had gekust.  Het probleem was de spiegel.  Hij vond het niet erg zijn gezicht er in te zien en het stoorde hem ook niet als de spiegel een schaduw op het plafond wierp, maar hij kon er niet teen als zijn schaduw op het plafond in het spiegelglas weerkaatste. Gewoonlijk stelde hij de kaars zo op dat deze combinatie werd vermeden, en waagde hij het daarna hem terug te zetten om vervolgens door angst bevangen te worden.  Hij wist niet wat het was, het deed hem aan niets afschuwelijks terugdenken.  Toch was hij bang.  Tenslotte doofde hij dan de kaars en schoot in zijn bed.  Algehele duisternis kon hij verdragen, maar deze kamer had bovendien het nadeel dat hij zich tegenover een straatlantaarn bevond.  Op goede nachten drong het licht niet op een onrustbarende wijze door de gordijnen, maar soms vielen er lichtvlekken in de vorm van schedels op het meubilair.  Zijn hart bonsde hevig, en hij lag verstijfd van angst in zijn bed alhoewel alle gezinsleden zich vlakbij hem bevonden.

Toen hij zijn ogen opende om te zien of de vlekken kleiner waren geworden, dacht hij aan Georges terug. Ergens in de onpeilbare diepten van zijn hart roerde zich iets.  ‘George, George,’ fluisterde hij.  Wie was George?  Niemand, gewoon een knecht.  Moeder, Ada en Kitty waren veel belangrijker.  Hij was echter te jong om zo te redeneren.  Hij wist zelfs niet dat, toen hij zich overgaf aan zijn verdriet, de spookbeelden hun greep op hem verloren en hij in slaap viel.’ (20-21)

Niet eens een opmerkelijke jongen, Maurice. In zijn middelbare school zou hij gewoon herinnerd worden als ‘Hall? Wacht eens, Hall, wie was dat? O ja, ik herinner mij hem; deed het niet gek.’

‘Maurice vergat dat hij ooit geslachtloos was geweest, en pas op rijpere leeftijd drong het tot hem door hoe juist en duidelijk de gewaarwordingen uit zijn vroegste jeugd moesten zijn geweest.  Hij verwijderde zich nu ver van hen, omdat hij in het Dal van de Schaduw des Levens afdaalde.  Het ligt tussen de lage en hoge bergen in, en niemand kan voort zonder zijn nevels te hebben ingeademd.  Hij dwaalde er langer in rond dan de meeste jongens.

Als alles duister is en het besef ontbreekt, geeft een droom de beste uitleg. Maurice kreeg twee dromen op school; deze verklaren hem. (22-23)

In de eerste droom speelt George mee, naakt kwam hij over de velden naar hem toe gelopen.

‘Ik word gek als hij nu iets verkeerds doet, zei Maurice, en dit gebeurde precies op het moment dat zij elkaar raakten, en hij werd wakker door een wrede ontgoocheling.’

De tweede droom was kort maar des te heviger.

‘Hij zag vluchtig een gezicht en hoorde vaag een stem zeggen: “Dit is je vriend” en daarna was het over.  De droom had hem een overweldigende schoonheidservaring gegeven en de weg naar tederheid gewezen. Hij kon voor zo’n vriend zijn leven geven, hij zou willen dat zo’n vriend zijn leven voor hem gaf.’ (23)

Als ‘dromer’ begon hij van zichzelf te walgen toen zijn lichaam zich ontwikkelde.

‘Hij hunkerde naar vuilbekkerij, maar ving er weinig van op en droeg er nog minder toe bij, en zijn voornaamste oneerbare ervaringen deed hij in eenzaamheid op. Wat boeken betreft: de schoolbibliotheek was smetteloos, maar in de studeerkamer van zijn grootvader vond hij eens bij toeval een ongekuiste Martialis, waar hij zich met rode oren doorheen haastte.  Wat gedachten betreft:  hij bezat een vuile kleine verzameling.  Wat handelingen betreft: hij onthield zich ervan toen het nieuwe er af was, omdat hij ondervond dat zij hem meer vermoeidheid dan genoegen gaven.

Dit alles vond plaats in een soort droomtoestand zoals de begrijpende lezer zich zal realiseren. Maurice was in slaap gevallen in het Dal van de Schaduw, ver onder de toppen van beide bergruggen, en was zich hiervan niet bewust, netzomin als hij wist dat zijn schoolkameraden op dezelfde manier sliepen.’ 

De andere helft van zijn leven leek oneindig ver van onze onzedelijkheid verwijderd. Toen hij in de hogere klassen kwam, begon hij soms een jongen te aanbidden.  Als deze jongen, hetzij ouder of jonger aanwezig was, lachte hij luid, zei nonsens en kon niet werken.  Hij durfde niet aardig te zijn – dat deed men eenvoudig niet – en nog minder zijn bewondering in woorden uit te drukken En de aangebedene schudde hem steeds na korte tijd van zich af, zodat hem niets anders overbleef dan een slecht humeur.  Hij kreeg echter de gelegenheid revanche te nemen. Andere jongens keken hem soms naar de ogen, en als hij dit besefte, schudde hij hen van zich af.  In één geval was de verering wederzijds; beiden hunkerden zij naar iets onbestemds; het leidde echter tot hetzelfde resultaat.  Binnen enkele dagen hadden zij ruzie.  het enige wat de chaos opleverde, waren de twee sensaties van schoonheid en tederheid die hij voor het eerst in zijn droom had ervaren.  Ze groeiden ieder jaar, gedijend als planten die alleen uit bladeren bestaan en geen spoor van bloei vertonen.  Kort voor hij zijn schooltijd in Sunnington afsloot, hield de groei op.  Het gecompliceerde proces stopte plotseling, kwam tot stilstand, en de jonge man begon schuchter om zich heen te kijken. (25)

E. M. Forster, Maurice, vertaald door Theo Kars, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1977

 

burden douglas 1940.jpg

 

De foto van een onbekende jongen is van Burden Douglas, 1940, uit de collectie van het MOMA, NY