BRIEVEN AAN CECILIA (12)

The_woman_that_I_still_am_2_20102.jpg


De kloof tussen de twee werelden overbruggen, het sprookje dat wijkt voor het brandend belang van de realiteit om Lou Salomé’s woorden te gebruiken.

‘Men stelle zich dit voor, alsof je de schoot van de ouders, waarvan je je soms moet laten glijden, verlaten hebt voor de schoot van God, waarop je hebt plaats genomen als op die van een grootvader die je nog veel méér verwent en van wie je alles mag, die vrijgevig is alsof hij zakken vol geschenken heeft; en alsof je daardoor bijna even almachtig wordt als Hij, zij het niet zo ‘goed; Hij vertegenwoordigt eigenlijk beide ouders, in elkaar gestulpt: de moederlijke schootwarmte en de vaderlijke machtsvolkomenheid. (Dat zij worden gescheiden en onderscheiden in sferen van macht en liefde, betekent al een geweldige inbreuk op de paradijsachtige-voorwereldlijke zaligheid.)’ (12)

En met haar stellen we dan de vraag van waar de mens dit vermogen haalt om iets denkbeeldigs als zuivere werkelijkheid te aanvaarden?
Alleen aan het gebleven onvermogen, zich tot de buitenwereld, tot dit Buiten-Onszelf (met hoofdletters!), van welks bestaan we geen vermoeden hadden, te bepalen – en datgene dat onszelf niet mede omsluit in zijn volle werkelijkheid te erkennen.’

Charles-at-church-2.jpg


Uiteraard helpt de volkomen onzichtbaarheid van deze derde macht, deze oppermacht die zelfs boven die van de ouders stond, haar te erkennen. En net zo te begrijpen dat dit samengeknutselde beeld niet erg lang stand kan houden, minder lang dan verstandiger, verstandelijk gevormde godsbegrippen – zoals onze grootouders ook eerder dan onze levenskrachtiger ouders plegen te sterven.
De auteur geeft daar een mooi voorbeeld van uit haar eigen kindertijd.  Haar vader had een prachtige knalbonbon van een feest voor haar meegebracht waarin zij ‘gouden kleertjes’ vermoedde.  Men bracht haar echter aan het verstand dat die gouden kleertjes slechts kleertjes van zijdepapier waren met gouden randjes.  Ze liet de bonbon intact waardoor er in zekere zin toch gouden kleertjes inzaten.
‘Net zo min hoefden de geschenken van grootvader God enige vorm van zichtbaarheid, juist ‘omdat ze mateloos waren in hun waarde en overvloedigheid, en ik absoluut zeker van ze was, onvoorwaardelijk zeker’ (13)

Haar rijke fantasie, in feite haar ervaren van de werkelijkheid’ bracht haar er toe ook verhalen aan die goede God te vertellen.  Maar wat moest zij nog meer vertellen wat hij nog niet wist? Zo begon ze dus elk verhaal met ‘Zoals je weet’. 
In feite wilde ze met die verhalen zichzelf overtuigen van de werkelijkheid van zijn bestaan.
De afloop van wat ze ‘die bedenkelijke fantasie’ noemt herinnert ze zich nog goed, haar ‘Stunde ohne Gott’.(15)
Het verhaal dat daar voor diende werd verteld door een knecht die verse eieren van hun landhuis naar hun woning in de stad bracht.  Hij vertelde dat voor het miniatuurhuisje dat ze in de tuin voor haar alleen had ‘een paar’ had gestaan dat binnen wilde maar hij had het tweetal de toegang geweigerd.
Bij een volgend bezoek vroeg ze onmiddellijk of het paar er nog was, bang dat de twee intussentijd waarschijnlijk verkleumd en uitgehonderd zouden zijn.
Ze waren inderdaad niet weggegaan, meldde hij. Of ze dan nog voor het huisje stonden?  Dat ook weer niet, ze waren langzamerhand helemaal veranderd, steeds dunner en kleiner waren ze geworden: ze waren in verval geraakt en ten slotte volkomen in elkaar gezakt.  Op een morgen had hij alleen nog de zwarte knopen van de witte mantel van de vrouw gevonden en van de man alleen nog een hoed vol deuken, en op dezelfde plek lang nog het ijs van hun bevroren tranen.

de-verschrikkelijke-sneeuwman-206516.jpg


Het onbegrijpelijke van dit gruwelsprookje lag niet dadelijk in het medelijden met het tweetal, maar omdat het voor haar een raadsel van de vergankelijkheid was.  Iets dat zo onomstotelijk aanwezig was geweest had kunnen wegsmelten. Met het verhaal veranderde ook de oude vertrouwde nabijheid van God zoals ze die altijd had ervaren.

‘Het bleef ondanks alle nederigheid alsof ik mij lomp aan een heel ander iemand opdrong, aan een niet-geïnteresseerde onbekende, en bij dit quidproquo werd mijn eenzaamheid nog vergroot door de schaamte, me vergist en iemand die mij niet langer kende lastig gevallen te hebben.’ (18)

En:
‘In de loop van mijn leven kwam ik door studie en langs andere weg vaak in aanraking met filosofische en zelfs theologische vakgebieden, waar ik me spontaan toe aangetrokken voelde.  Toch hield dat geen enkel verband met mijn oorspronkelijke ‘vrome gezindheid’ of, omgekeerd met mijn latere afwending daarvan.  Nooit heeft de theorie de gelovigheid van vroeger in mij kunnen reactiveren -alsof die op de drempel van een ‘volwassen denken’ was teruggedeinsd.’ (23)

Naast het negatieve resultaat behield het kinderlijke van deze verdwijning ook iets positiefs:  het wees me met een minder grote onherroepelijkheid op de levende werkelijkheid om mij heen.  Ik weet zeker, naar beste weten en vermogen geoordeeld, dat een zich in mijn gevoelens verstrikkende surrogaatvorm dit alleen maar had kunnen versmallen, afbuigen, benadelen. Zonder hiermee iets te willen afdoen aan het graag door mij erkende feit, dat zeer velen daar een heel ander gebruik van maken, een gebruik dat hen verder brengt dan ik ooit gekomen ben.’ (24)

OM+Mother+&+Child+adx2j.jpg


En of dat compromis ook niet later op een andere manier had kunnen plaatsvinden? En of die vroege Godservaringen in haar hebben doorgewerkt? Juist in het verlies van God, zegt ze. Er bleef een door God verlaten universum over.
‘En juist aan het al te kinderlijke karakter van de vroegere godsconstructie kan het in dergelijke gevallen liggen, dat deze niet door latere vormen vervangbaar, niet reparabel lijkt.’ (24)

Het positieve echter was dat er een andere onherroepelijkheid op levende werkelijkheid om haar heen in de plaats kwam.

‘Wat daardoor voor mij ontstond is het meest positieve in mijn leven:  een indertijd vagelijk ontwakend en sindsdien nooit meer aflatend, alles beheersend fundamenteel gevoel van onbegrensde lotsverbondenheid met alles wat leeft.  Ik noem het liever een gevoel dan (met een woord dat hier te veel betrokkenheid op een object zou suggerere) een gewaarwording:  een zinnelijk overtuigende gelijkheid van ieders bestaanssituatie; en dit niet alleen met betrekking tot mensen, maar alsof in deze belangstelling zelfs het stof der sterren mede-betrokken is.’(24-25)

En haar slotzin:
‘Ik moet paradoxaal genoeg bekennen dat, wanneer de eerbied voor de mensheid verloren ging, iedere vorm van gelovigheid, ook de meest absurde, daarboven nog de voorkeur zou verdienen.’ (26)

Wat zij nog niet kon weten was dat in sommige vormen van absurde gelovigheid het tekort aan eerbied voor de mensheid zijn superlatiefste vorm zou meekrijgen, maar wellicht ligt dat eerder aan het schrijnend menselijk tekort  dan aan wat men pretendeert te geloven.

 

lorna-simpson-untitled-1995.jpg

 

BRIEVEN AAN CECILIA (11)

salome_nietzsche.jpg

In plaats van Nietzsche op te voeren dacht ik eerder aan zijn kortstondige hartsvriendin Lou Andreas-Salomé.  In haar ‘Lebensruckblick’ schrijft ze een merkwaardig opstel omtrent ‘de godservaring’ waarin ze de kinderlijke situatie vergelijkt met de ‘allervroegste mensheid.’
Ik wil je de prachtige openingszinnen niet onthouden in een mooie vertaling van Thomas Graftdijk, Terugblik op mijn leven’, nr 57 ‘privé-domein’ de Arbeiderspers, A’dam 1979.

‘Onze eerste ervaring is, opmerkelijk genoeg, die van een verdwijning.  Zojuist nog waren we alles, ongescheiden en onafscheidelijk van een ander Zijn- en toen werden we tot geboorte gedwongen, werden een restdeeltje van die eenheid, dat van nu af moest vermijden van steeds nieuwe benaderingen het slachtoffer te worden en moest zich leren staande te houden tegenover de zich voortdurende uitbreidende buitenwereld, waarin we vanuit onze universele volheid belandden als in een -aanvankelijk alleen maar destructieve leegte.
Zo is onze eerste ervaring die van iets dat al voorbij is, een verdediging tegen de actualiteit; ‘de eerste herinnering’ -zoals wij het korte tijd later noemden – is tegelijkertijd een hevige schok, een teleurstelling door het verlies van wat er nu niet meer is, en iets als een achtergebleven weten, een zekerheid die er nog ‘had moeten’ zijn.’

Natuurlijk is er tussen de geboorte en het begin van het autobiografisch geheugen toch al een tijd verlopen maar dit langzaam beseffen van de actualiteit is het probleem van de allervroegste jeugd en dat van de allervroegste mensheid in haar geheel, in zoverre er naast de ervaringen van het groeiende bewustzijn een notie van oeruniversaliteit aan de dag blijft treden, als de grootste mythe van een onaantastbaar deelhebben aan de almacht. Het was dit geloof dat de allervroegste mensheid met zoveel vertrouwen wist te bewaren, dat de hele wereld aan de evidentie van een voor de mens toegankelijke magie onderhavig scheen.
Anders gezegd: het mensdom dat altijd iets bleef bewaren van dit ongeloof aan de algemene geldigheid van de buitenwereld, waarmee dit mensdom eens versmolten leek.
De kloof tussen het ontstane bewustzijn en die buitenwereld wordt overbrugd met de verbeelding.

Bernard_Faucon__009-5.jpg

‘Dit ‘erboven’ en ‘ernaast’, dit imaginaire duplicaat – dat al het twijfelachtige dat het mensdom wedervoer verdoezelen moet- noemt de mens zijn religie (10)

Wat je als kind omringd door de gelovigheid van de ouders waarneemt als objectieve waarneming neem je net zo voor waar aan dan de zaken van het geloof.
Moeilijk maar mooi gezegd:

‘Superlatieven hebben in de mens nog een magisch rendez-vous als vanzelfsprekende hypothesen, zolang hij zich nog niet lelijk bezeerd heeft aan de middelmatigheden en differenties van het feitelijke.’

Ook het niet religeuze kind beleeft een dergelijk prehistorisch tijdperk: wensbeelden komen in de eerste plaats voort uit het alles overtreffende.

Wanneer de tijdsomstandigheden – die van vandaag of morgen- een kind al te veel daarvan en van de onvermijdelijke teleurstellingen zouden willen besparen, als zijn kritische nuchterheid al te vroeg zou worden ingeschakeld, zou het gevaar ontstaan  dat de natuurlijke fantaseerdrift, die historisch aan de wakkerheid van ons verstand voorafgaat, op onnattuurlijke wijze wordt opgestuwd, om zich te eniger tijd met spookachtige overdrijvingen op de nuchter werkelijkheid te wreken, en dat het kind juist daardoor ieder objectief criterium verliest.’ (11)

Bernard_Faucon__004-11.jpg

(Missionerende geesten zoals o.a. filosoof Johan Braeckman die nog altijd aan J.J. Rousseau blijft kleven, denken dat we niet vroeg genoeg kunnen beginnen met het aanleren van kritisch denken en ontmaskeren. (zie: deredactie, wat leren we de kinderen?) en zouden best de woorden van Lou Andreas Salomé mogen overwegen. De zin voor het magische is nu eenmaal met de kindertijd verbonden en wordt beetje bij beetje vervangen door allerlei vormen van denken, zowel wetenschappelijke als muzische die niet eens in de veel gebruikte tegenstelling maar als eenheid kunnen ontwikkeld worden.)

Over de ontstane kloof tussen de werkelijkheid en de magie schrijf ik je in een volgende bijdrage. 

Dat ene zekere minister van staat (van ongenade) zich te buiten gaat aan zogenaamde poëzie omtrent het dode jongetje in de zee en dit ook nog kan publiceren vervult mij naast de vele sentimenten daaromtrent met een zekere angst. Enerzijds verdrukt de politieke correctheid elke mogelijkheid om terecht aan een aantal gebeurtenissen te twijfelen en anderzijds tiert de onkunde om zelfs bureaucratisch te schitteren.
Net zoals het jonge kind in een magische wereld mag leven is het ons allen toegestaan angst te hebben en onzeker te zijn, daarna komt het echte werk, de werkelijkheid en die vraagt op de eerste plaats om organisatie-talent en stilte-naar-buiten-uit, met dank aan Peumans. 

 

andrew forge.jpeg

 

STOORT HET?

Stoort het
als ik de radio iets harder van je leen
en wat eten en ik vroeger wegga?
Het geeft toch niet dat ik hier
iets neerzet om iets anders en
een tijdje wegblijf en een volgende keer
hetzelfde en iemand op te halen?
Is het lekker
als ik dit en zachtjes daar
of misschien wel niets te doen?
En vind je het wel goed
dat ik mij vermom als zuidenwind en
alle smalle schouders op het strand
aanraak?

Joost Zwagerman

enan 139_ea016.jpg

BRIEVEN AAN CECILIA (10)

1466386377d4a70689.jpg


Als je de ‘bovennatuur’ gaat manipuleren, een God als Opperwezen voorhoudt, terwijl de andere monotheïstische tradities hun uiteerste best hadden gedaan zich van dat soort theologie te ontdoen (joden, moslims en orthodoxe christenen) door te beklemtonen  dat onze menselijke voorstelling van God niet overeenkwam met de onzegbare werkelijkheid waarvan hij louter een symbool van was aangezien hij niet op een door ons te bevatten manier bestond, kom je in de problemen.

Zo vat ik de redenering samen van Karen Armstrong in het geciteerde boek ‘Een geschiedenis van God’.
‘Katholieken en protestanten waren hem gaan beschouwen  als een wezen dat aan een andere werkelijkheid was toegevoegd dan aan de wereld die wij kennen, en hij in die rol als een soort Big Brother toezicht hield op ons handelen.’
Een terechte opstand tegen dit godsbeeld was dus een noodzaak. Leken ze volkomen nieuwe gedachten te formuleren herhaalden ze in feite  vaak onbewust de oude inzichten van monotheïsten uit het verleden.

hegel_faust_by_mitchellnolte-d8l17eg.jpg


Georg Wilhelm Hegel (1770-1831) kwam met een wijsgerig systeem dat in sommige opzichten verrassend veel op de kabbala leek. Ironisch genoeg vond hij het jodendom een onwaardige religie verantwoordelijk voor de primitieve godsvoorstelling die zoveel kwaad had aangericht.  In zijn ogen was de joodse God een tiran die onvoorwaardelijke onderwerping aan een intolerante wet eiste. Had Jezus de mens hiervan willen bevrijden, de christenen echter waren in dezelfde val getrapt.  Een ‘verlicht’ standpunt was dus nodig.
Armstrong maakt brandhout van dit standpunt en noemt zijn systeem ‘een nieuwe variant van het metafysisch antisemitisme.
‘Net als Kant projecteerde Hegel wat in zijn ogen verkeerd was aan religie op het Jodendom.’
In zijn ‘Phänomenologie des Geistes (1807) verving hij de conventionele godheid door het concept van een Geest die de levenskracht van de wereld was.
Armstrong haalt dan een aantal overeenkomsten aan tussen de kabbala en Hegel’s Phänomenologie,  zeker het idee dat de Geest die zichzelf beperkingen oplegt,  afhankelijk was van de wereld om tot vervulling te komen.  Hij bekrachtigde daarmee de kenmerkende opvatting dat ‘God’ niet los stond van de aardse werkelijkheid, dat Hij geen optioneel extra in een eigen wereld was, maar onlosmakelijk met de mensheid was verbonden, de oude monotheïstische opvatting voor het christendom en de islam.

‘Net als Blake drukte hij dit inzich dialectisch uit door de mensheid en de Geest, eindig en oneindig, te beschouwen als twee helften van één enkele waarheid die van elkaar afhankelijk waren en in hetzelfde proces van zelfverwerkelijking waren gewikkeld.’ (391)

Zoon van de Romantiek was hij maar ook van de Verlichting en daarmee was voor hem de rede de rede belangrijker dan de verbeelding.
Net als de falasifa (het mv. van failasoef) (Arabisch) -moslims en joden die in de islamitische wereld de rationele en wetenschappelijke idealen van de falsafa nastreefden: het filosofisch denksysteem dat de islam in termen van het antieke Griekse rationalisme trachtte te interpreteren) stelde Hegel rede en wijsbegeerte boven religie omdat religie in het imaginaire was blijven steken. En zijn conclusies over het Absolute baseerde hij wederom zoals de falasifa, op de werking van de individuele geest die in een dialectisch proces gevangen zat, proces dat een afspiegeling van het geheel was.

older-schopenhauer.jpg


‘Belachelijk optimistisch’ noemde Arthur Schopenhauer (1788-1860) deze Hegeliaanse opvattingen in 1819 het jaar waarin hij Die Welt als Wille und Vorstellung publiceerde. (Hij gaf zijn colleges in Berlijn met opzet op hetzelfde ogenblik als Hegel de zijne. De kleine kanten van grote denkers.)
Niks absolute, noch een God, noch een Geest op aarde werkzaam:  er was niets, behalve de brute, instintieve levensdrift, de wil tot voortbestaan. Ik wil je een citaat van de auteur aan zijn uitgever (28 maart 1818) niet onthouden:

‘Het betoog zelf is even vrij van de hoogdravende, ijdele en zinloze woordenvloed van de nieuwerwetse filosofische stromingen als van het wijdlopige, oppervlakkige gezwets uit de periode vóór Kant. Het is in de hoogste mate duidelijk, inzichtelijk en energiek, en het bezit een zekere schoonheid, al zeg ik het zelf: echt stijl is alleen weggelegd voor wie echte eigen gedachten heeft. De waarde die ik aan mijn werk hecht is zeer groot: ik beschouw het namelijk als de vrucht van mijn bestaan.’

Het boeddhisme en het hindoeïsme vond echter wel enige genade in zijn ogen (en ook de christenen die hadden gezegd dat alles ijdelheid was).
Geen God dus wel kunst en muziek en een leven van ascese en mededogen. Van het jodendom en de islam was geen sprake wan volgens hem was hun kijk op de geschiedenis  absurd simplistisch en pragmatisch.
Armstrong dicht hem met deze stelling een vooruitziende blik toe:

‘We zullen zien dat de joden en moslims in onze eigen eeuw (dat was nog de 20ste, 1ste uitgave 1995) tot de slotsom zijn gekomen dat hun oude opvatting over de geschiedenis als theofanie niet meer onverkort kon worden gehandhaafd. Velen kunnen de gedachte van een God als Heer van de geschiedenis niet langer onderschrijven, maar Schopenhauers opvatting over verlossing kwam toch dicht bij het joodse en islamtische standpunt dat het individu zelf tot een besef van de uiterste zin vanhet leven moet komen. De protestanse opvatting echter over de absolute souvereiniteit van God  was hem totaal vreemd want die hield in dat mannen en vrouwen niets aan hun verlossing konden bijdragen, maar volkomen afhankelijk waren van een godheid die los van hen stond.’ (392)

Sigmund'sJourney_L.jpg


Het feit dat onze kennis voor een groot deel afhankelijk is van voorstellingen die wij hebben van een object zou een mooie aansluiting zijn bij het hedendaagse hersenonderzoek waarin de ‘voorstelling’ (de kaarten van de geest van Damasio bijvoorbeeld) voor ons ‘levensgevoel’ zorgt, al voegt hij er een extra waarde bij: de voorstelling van het eigen lichaam en de verbeeldingskracht.

‘De beide soorten voorstellingen van het lichaam (die van het vleselijke lichaam en die van de specifieke sensorische peilingen) kunnen in onze geest worden gemanipuleerd en gebruikt om ruimtelijke en temporele relaties tussen de objecten weer te geven.  Dit geeft ons de gelegenheid  gebeurtenissen te representeren waarbij die objecten betrokken zijn. (…)
Dank zij onze creatieve verbeeldingskracht kunnen we extra voorstellingen bedenken om objecten en gebeurtenissen te symboliseren en abstracties weer te geven.’
(Antonio Damasio, het gelijk van Spinoza, p182)

Er zijn dus ontsnappingsmogelijkheden aan de drift, de Schopenhauriaanse ‘wil’, die redeloze, lage, blinde, niets ontziende drift. En inderdaad wijst hij al de weg naar ‘schouwing’, naar ‘meditatie’.
De mogelijkheden om voorstellingen te manipuleren hoeven niet per sé vernietigend of verheven te zijn, een gezonde mix van de rijke spijskaart der menselijke hoedanigheden is op zijn plaats. De verbeelding ter ere

 

fe732e5b565a11f6dd989168593c4149.jpeg