salome_nietzsche.jpg

In plaats van Nietzsche op te voeren dacht ik eerder aan zijn kortstondige hartsvriendin Lou Andreas-Salomé.  In haar ‘Lebensruckblick’ schrijft ze een merkwaardig opstel omtrent ‘de godservaring’ waarin ze de kinderlijke situatie vergelijkt met de ‘allervroegste mensheid.’
Ik wil je de prachtige openingszinnen niet onthouden in een mooie vertaling van Thomas Graftdijk, Terugblik op mijn leven’, nr 57 ‘privé-domein’ de Arbeiderspers, A’dam 1979.

‘Onze eerste ervaring is, opmerkelijk genoeg, die van een verdwijning.  Zojuist nog waren we alles, ongescheiden en onafscheidelijk van een ander Zijn- en toen werden we tot geboorte gedwongen, werden een restdeeltje van die eenheid, dat van nu af moest vermijden van steeds nieuwe benaderingen het slachtoffer te worden en moest zich leren staande te houden tegenover de zich voortdurende uitbreidende buitenwereld, waarin we vanuit onze universele volheid belandden als in een -aanvankelijk alleen maar destructieve leegte.
Zo is onze eerste ervaring die van iets dat al voorbij is, een verdediging tegen de actualiteit; ‘de eerste herinnering’ -zoals wij het korte tijd later noemden – is tegelijkertijd een hevige schok, een teleurstelling door het verlies van wat er nu niet meer is, en iets als een achtergebleven weten, een zekerheid die er nog ‘had moeten’ zijn.’

Natuurlijk is er tussen de geboorte en het begin van het autobiografisch geheugen toch al een tijd verlopen maar dit langzaam beseffen van de actualiteit is het probleem van de allervroegste jeugd en dat van de allervroegste mensheid in haar geheel, in zoverre er naast de ervaringen van het groeiende bewustzijn een notie van oeruniversaliteit aan de dag blijft treden, als de grootste mythe van een onaantastbaar deelhebben aan de almacht. Het was dit geloof dat de allervroegste mensheid met zoveel vertrouwen wist te bewaren, dat de hele wereld aan de evidentie van een voor de mens toegankelijke magie onderhavig scheen.
Anders gezegd: het mensdom dat altijd iets bleef bewaren van dit ongeloof aan de algemene geldigheid van de buitenwereld, waarmee dit mensdom eens versmolten leek.
De kloof tussen het ontstane bewustzijn en die buitenwereld wordt overbrugd met de verbeelding.

Bernard_Faucon__009-5.jpg

‘Dit ‘erboven’ en ‘ernaast’, dit imaginaire duplicaat – dat al het twijfelachtige dat het mensdom wedervoer verdoezelen moet- noemt de mens zijn religie (10)

Wat je als kind omringd door de gelovigheid van de ouders waarneemt als objectieve waarneming neem je net zo voor waar aan dan de zaken van het geloof.
Moeilijk maar mooi gezegd:

‘Superlatieven hebben in de mens nog een magisch rendez-vous als vanzelfsprekende hypothesen, zolang hij zich nog niet lelijk bezeerd heeft aan de middelmatigheden en differenties van het feitelijke.’

Ook het niet religeuze kind beleeft een dergelijk prehistorisch tijdperk: wensbeelden komen in de eerste plaats voort uit het alles overtreffende.

Wanneer de tijdsomstandigheden – die van vandaag of morgen- een kind al te veel daarvan en van de onvermijdelijke teleurstellingen zouden willen besparen, als zijn kritische nuchterheid al te vroeg zou worden ingeschakeld, zou het gevaar ontstaan  dat de natuurlijke fantaseerdrift, die historisch aan de wakkerheid van ons verstand voorafgaat, op onnattuurlijke wijze wordt opgestuwd, om zich te eniger tijd met spookachtige overdrijvingen op de nuchter werkelijkheid te wreken, en dat het kind juist daardoor ieder objectief criterium verliest.’ (11)

Bernard_Faucon__004-11.jpg

(Missionerende geesten zoals o.a. filosoof Johan Braeckman die nog altijd aan J.J. Rousseau blijft kleven, denken dat we niet vroeg genoeg kunnen beginnen met het aanleren van kritisch denken en ontmaskeren. (zie: deredactie, wat leren we de kinderen?) en zouden best de woorden van Lou Andreas Salomé mogen overwegen. De zin voor het magische is nu eenmaal met de kindertijd verbonden en wordt beetje bij beetje vervangen door allerlei vormen van denken, zowel wetenschappelijke als muzische die niet eens in de veel gebruikte tegenstelling maar als eenheid kunnen ontwikkeld worden.)

Over de ontstane kloof tussen de werkelijkheid en de magie schrijf ik je in een volgende bijdrage. 

Dat ene zekere minister van staat (van ongenade) zich te buiten gaat aan zogenaamde poëzie omtrent het dode jongetje in de zee en dit ook nog kan publiceren vervult mij naast de vele sentimenten daaromtrent met een zekere angst. Enerzijds verdrukt de politieke correctheid elke mogelijkheid om terecht aan een aantal gebeurtenissen te twijfelen en anderzijds tiert de onkunde om zelfs bureaucratisch te schitteren.
Net zoals het jonge kind in een magische wereld mag leven is het ons allen toegestaan angst te hebben en onzeker te zijn, daarna komt het echte werk, de werkelijkheid en die vraagt op de eerste plaats om organisatie-talent en stilte-naar-buiten-uit, met dank aan Peumans. 

 

andrew forge.jpeg