Maar de woorden zwijgen niet: Adam Zagajewski (1945-2021)

Adam Zagajewski. Op 21 maart, dat is eergisteren overleden, deze Poolse dichter met internationale uitstraling. Zijn bio zul je veelvuldig aantreffen, dus dachten wij hem te eren met enkele gedichten waarin zijn moeder, vader en zijn levensdoel aan bod komen. Ook dichters hebben ouders. Dus ook een vader-moederland dat in hun werk uitgroeit tot ons allerland. Hijzelf vertelt zelf kort over elk onderwerp.

nu jij je geheugen kwijt bent

[Voor mijn vader]

Nu jij je geheugen kwijt bent
en enkel nog radeloos kunt glimlachen,
zou ik je willen helpen – ooit heb jij immers
als demiurg mijn verbeelding geopend. 
Ik herinner me onze trektochten, wolken van wol
die laag boven een zompig bos in de bergen voeren
(in dat bos kende je elk paadje), alsook
de zomerdag waarop we aan de Oostzee
de top van een hoge vuurtoren beklommen
en naar het eindeloze golven van de zee bleven kijken,
haar witte steken als rijgdraden aan flarden gereten.
Ik zal dat moment niet vergeten, ik denk dat ook jij toen
ontroerd was – het leek wel of we de hele wereld zagen,
grenzeloos, rustig ademend, blauw, volmaakt,
duidelijk en mistig tegelijk, nabij en ver;
we voelden de rondheid van deze planeet, we hoorden meeuwen
die zich loom zwevend vermaakten
in de warme en koele stromen van de lucht.
Ik kan je niet helpen, ik heb maar één geheugen.

Uit: Niewidzialna ręka (De onzichtbare hand), 2009

Vertaling: Kris van Heuckelom
over mijn moeder

Over mijn moeder zou ik niets kunnen zeggen –
hoe ze steeds weer herhaalde: ooit zal het je spijten
als ik er niet meer zal zijn, en hoe ik niet
geloofde in “niet” of “meer zal zijn”,
hoe ik graag toekeek als ze een hippe roman las
en meteen het laatste hoofdstuk opensloeg,
hoe ze in de keuken, een plek die haar
niet zinde, zondagse koffie maakte
of, erger nog, filet van kabeljauw,
hoe ze wachtend op gasten in de spiegel keek,
met een gezicht dat haar ervoor behoedde
haar ware zelf te zien (wat ik, schijnt het,
van haar geërfd heb, met nog enkele andere zwakheden),
hoe ze nadien vrijuit discussieerde over zaken
die niet haar forte waren en hoe ik haar flauw
bleef plagen, zoals toen ze zich
met de doof wordende Beethoven vergeleek,
en ik kwaadwillig zei: maar weet je, hij had
wel talent, en hoe ze me alles vergaf
en hoe ik me dat herinner, en hoe ik uit Houston naar
haar begrafenis vloog, en hoe ik niets kon zeggen,
en dat nog steeds niet kan.

Uit: Wiersze wybrane (Uitgelezen gedichten), 2010

Vertaling Kris van Heuckelom
On a basic level, like many writers I have my periods of silence. And I notice that music doesn’t speak to me during these periods, or it does but in a very diminished way. When I have my good periods of writing it’s like an opening of everything — also of music. I feel like music is a cousin in the world of imagination, and it’s also for me a proof that I’m alive again. I have this mystical notion that there’s this kind of energy in music and poetry and painting, and while this energy has totally different ramifications and methods of expressions, at bottom there’s something common. 

I’m not a philosopher so I don’t need to have a name for it, but there’s this commonality of art, this common denominator, this energy. You know, painting is very important too, but in my everyday work music is more important because it’s there, it’s in my room.  (hyperallegic)
Soprano: Isabel Bayrakdaraian, Sinfonietta Cracovia, conducted by John Axelrod.
Taken from “HOLOCAUST – A Music Memorial Film from Auschwitz”. For the first time since its liberation, permission was granted for music to be heard in Auschwitz and a number of leading musicians were brought there to perform music for the film.
Probeer de verminkte wereld te prijzen.
Denk aan de lange dagen van juni,
en wilde aardbeien, druppels wijn, de dauw.
De brandnetels die methodisch overwoekeren
de verlaten hofsteden van bannelingen.
Je moet de verminkte wereld prijzen.
Je keek naar de stijlvolle jachten en schepen;
een van hen had een lange reis voor de boeg,
terwijl de zilte vergetelheid op anderen wachtte.
Je hebt de vluchtelingen gezien die nergens heen gingen,
je hebt de beulen vrolijk horen zingen.
Je zou de verminkte wereld moeten prijzen.
Denk aan de momenten dat we samen waren
in een witte kamer en de vitrage bewoog.
Keer in gedachten terug naar het concert waar de muziek losbrak.
Je verzamelde eikels in het park in de herfst
en bladeren wervelden over de littekens van de aarde.
Prijs de verminkte wereld
en de grijze veer die een lijster verloor,
en het zachte licht dat afdwaalt en verdwijnt
en terugkeert.
In het eerste nummer van The New Yorker na 11 september 2001 stond op de achterpagina alleen dit gedicht van de Poolse dichter Zagajewski afgedrukt (Try to praise the mutilated world ), een gedicht dat een jaar eerder in het Pools was verschenen.
Self-Portrait

Between the computer, a pencil, and a typewriter
half my day passes. One day it will be half a century.
I live in strange cities and sometimes talk
with strangers about matters strange to me.
I listen to music a lot: Bach, Mahler, Chopin, Shostakovich.
I see three elements in music: weakness, power, and pain.
The fourth has no name.
I read poets, living and dead, who teach me
tenacity, faith, and pride. I try to understand
the great philosophers--but usually catch just
scraps of their precious thoughts.
I like to take long walks on Paris streets
and watch my fellow creatures, quickened by envy,
anger, desire; to trace a silver coin
passing from hand to hand as it slowly
loses its round shape (the emperor's profile is erased).
Beside me trees expressing nothing
but a green, indifferent perfection.
Black birds pace the fields,
waiting patiently like Spanish widows.
I'm no longer young, but someone else is always older.
I like deep sleep, when I cease to exist,
and fast bike rides on country roads when poplars and houses
dissolve like cumuli on sunny days.
Sometimes in museums the paintings speak to me
and irony suddenly vanishes.
I love gazing at my wife's face.
Every Sunday I call my father.
Every other week I meet with friends,
thus proving my fidelity.
My country freed itself from one evil. I wish
another liberation would follow. 
Could I help in this? I don't know.
I'm truly not a child of the ocean,
as Antonio Machado wrote about himself,
but a child of air, mint and cello
and not all the ways of the high world
cross paths with the life that—so far—
belongs to me.
He published his first poem in 1967. A year later he helped found Teraz, a poetry group inspired by the police suppression of protests against government anti-Semitism. He and Julian Kornhauser, another member of the group, wrote a manifesto for the so-called New Wave of avant garde poets in 1974 urging his generation to avoid allegories, embrace realism and “speak the truth you serve.”

Referring to his departures from Lvov and later Krakow, Mr. Zagajewski said: “I lost two homelands, but I sought a third: a space for the imagination.” (NY Times 25 mrt 2021)
In a 2017 essay titled “Slight Exaggeration,” Mr. Zagajewski recounted that one of his father’s callings was to comfort his mother. On Sept. 1, 1939, he wrote, when the Germans invaded Poland and the bombs began to burst everywhere, Tadeusz Zagajewski went so far as to assure his wife that the attacks were “‘just air force exercises. … Nothing to upset us. … There won’t be a war’ — these were my father’s historic words, by which he granted his wife, my mother, an extra 15 minutes of peace.”

“He prolonged the interwar era by a quarter of an hour especially for her.”

In retrospect, his father called his words a slight exaggeration, “a good definition of poetry,” Adam Zagajewski wrote, “until we make ourselves at home in it.”

“Then it becomes the truth,” he added. “But when we leave it again — since permanent residence is impossible — it becomes once more a slight exaggeration.” (ibidem 25 mrt 2021)
Adam Zagajewski, at his home in Krakow in 2017.LISBETH SALAS