Op zoek naar identiteit: Léon Frederic en tijdgenoot Bastien-Lepage (1)

Klik je op het onderschrift van bovenstaand schilderij en dan op het schilderij zelf, dan heb je een paginagrote afbeelding van dit schilderij dat Léon Frederic, Belgisch schilder, maakte rond 1900 en kun je vanuit dit echtpaar met kind over het land kijken tot aan de verre bomenrij. Hij eet, zij verstelt, het kindje zit met de rug naar ons tegen haar aangeleund. Niemand spreekt. Het is donker, grijs weer. De verschillende fasen van het labeurwerk zijn zichtbaar, het eggen, zaaien en oogsten.

Op zoek naar achtergronden vond ik in een Canadees kunsttijdschrift (Racar) een merkwaardig opstel van een ‘doctorant contractuel en histoire de l’ art à l’ Université Paris-Sorbonne, Benjamin Foudral: Du naturalisme au naturisme : mutations idéaliste et identitaire à travers l’oeuvre du peintre belge Léon Frederic (1856–1940) Daar word je dus even stil van, het is best een stevig verhaal en na lectuur en pogingen tot vertaling wil ik het eerste gedeelte graag in deze bijdrage fragmentair integreren. Een Engelse resumé is handig als vertrekpunt:

Résumé de l'article 
 In an article published in 1895 in the Belgian periodical L’Art Jeune, the writer and art critic Henri Vandeputte introduced the artist Léon Frederic — whom he called “le Premier des peintres belges”— as the leading figure of a new artistic neologism : naturisme. This is one instance that points to the consistent critical extrapolation and ideological exploitation of Frederic and his unclassifiable paintings. This article focuses on the reception of Frederic’s work in order to understand how artistic terms such as réalisme, naturalisme, and naturisme were used in the name of a nationalist art history in which Belgian art could both claim the legacy of Flemish art and detach itself from the dominant model of French art. 

Een vaderland dat in 1880 zijn vijftigste verjaardag viert als onafhankelijke natiestaat die economisch al aardig uit de spreekwoordelijke kluiten is gewassen maar op kunstgebied het vooral van wat de auteur ‘picturale voorouders’ als Pierre-Paul Rubens, Jacob Jordaens en Antoine van Dyck moet hebben als vertegenwoordigers van een gemeenschappelijk ‘erfgoed’. Dat levert volgens Christian Berg een ‘symbolisch tekort’ op terwijl de eigenheid van deze roemrijke voorouders wordt bevestigd en zij nog steeds in het buitenland alsdusdanig erkend worden. België zal dus in 1880 een ‘Historische Tentoonstelling van Belgische Kunst 1830-1880’ organiseren met als doel:

"...de artistieke productie van een halve eeuw te inventariseren en de geboekte vooruitgang te meten" om aan te tonen dat de nieuwe generaties op gelijke voet stonden met "een verleden dat zo'n belangrijke plaats inneemt in de kunstgeschiedenis". 
In het licht van de vaststelling, op deze tentoonstelling en op de Wereldtentoonstellingen, van een Belgische school die bevloeid werd door esthetische vernieuwingen uit het buitenland, kwam de culturele en identiteitskwestie opnieuw aan bod." 
Twee Waalse boerenkinderen (Léon Frédéric, 1888, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen)
Omdat verwijzingen naar meesters in de schilderkunst zoals Rubens niet volstonden om die zo gewenste gemeenschappelijke identiteit tot stand te brengen, zochten de Belgische intellectuelen naar een concept dat enerzijds het artistieke atavisme kon definiëren van een land dat doorkruist werd door esthetische stromingen die even divers als tegenstrijdig waren, en dat anderzijds kon dienen als een raster voor de analyse van de Belgische kunst. Zoals Sébastien Clerbois ons eraan herinnert, is het met dit doel dat de kunstcritici de "zogenaamde Vlaamse kunst" begrijpen. Deze term, destijds strikt cultureel, was bedoeld om de verschillende kunstuitingen te omvatten rond een gemeenschappelijke noemer die verbonden was met de picturale traditie van het land, die zijn oorsprong vond bij de Vlaamse Primitieven van de 15de eeuw en zich in latere perioden voortzette: het realisme. 
Deze "filiatie-fantasie" is constitutief voor het discours van de kunstgeschiedenis, een discours dat, zoals Éric Michaud aantoont, vanaf het begin "zichzelf tot taak heeft gesteld voorwerpen te beschrijven die werden vervaardigd door volkeren waarvan werd aangenomen dat zij homogeen waren en van eeuw tot eeuw steeds identiek bleven aan zichzelf."
Léon Frederic Les trois soeurs 1896

Auteur en criticus Camille Lemonnier schrijft een biografie van Gustave Courbet die in 1868 verscheen en een boek ‘Les Flamands’ dat het jaar daarop uitkwam.

Deze laatste, een verzameling verhandelingen over de Belgische nationale kunst en gebruiken, moest als basis dienen voor het bouwwerk dat Lemonnier wilde construeren, namelijk een coherente theorie van de kunst "voortkomend uit een etnische lezing van de schilderkunst, van haar vorm en van haar onderwerpen". Zoals Lemonnier later zou getuigen, werd de Historische Tentoonstelling van 1880 de katalysator van de Belgische kunstgeschiedenis en een nieuwe etappe in haar intellectuele opbouw:
De Historische Tentoonstelling van 1880 was een mijlpaal in de geschiedenis van de kunsten in België: zij condenseerde, in een opmerkelijke algemene indruk, als de synthese en de opeenvolging van pogingen van verschillende generaties kunstenaars om tot een rationele formule te komen die aansloot bij het temperament van het ras. ('soort'?)

Dat’ temperamen’ van het ‘ras’ klinkt een beetje vreemd in het licht van de geschiedenis daarna, zeker bij de nogal erg eenzijdige “mengeling” waarin de zgn. ‘Vlaamse’ kunst opgaat, maar historisch klinkt het in zijn ‘Histoire des Beaux-arts en Belgique, derde deel van een lijvig werk getiteld ‘Cinquante ans de liberté’, dat handelt over de evolutie van de Belgische kunstscène sinds de onafhankelijkheid van het land:

Uitgaande van de constatering dat "de oude Vlaamse traditie",  gedefinieerd door de waarneming van de werkelijkheid, "de overdaad aan kleur en de bonhomie in de compositie", die haar hoogtepunt vond in de kunst van Rubens, op sterven na dood was, verwijt Lemonnier de neoklassieke school en de ballingschap van de Franse schilder Jacques-Louis David in België, haar de genadeslag te hebben gegeven: "In plaats van de aangeboren neiging van de Vlamingen te ontwikkelen parallel met de waarneming van de werkelijkheid, [eindigde David] met het absorberen ervan in zijn angstaanjagende individualiteit. Dat was zijn fout, dat was zijn misdaad."
Léon Henri Marie Frédéric (Belgian, 1856-1940) – Autoportrait
Deze redenering is niet alleen van Lemonnier. De Belgische auteur plaatst zich in de lijn die sinds het begin van de jaren 1860 werd getrokken door Hippolyte Taine, opvolger van Eugène Viollet-le-Duc aan de École des beaux-arts de Paris, waar hij een cursus gaf over het onderwijs van kunstgeschiedenis en esthetica. Taine ontwikkelde een kunstfilosofie die werken ziet als producten van beschavingen waarin ze ontstaan. Taine's vergelijkende methode onderscheidt dus drie essentiële factoren - ras, milieu en tijd - wat leidt tot een vorm van determinisme in de artistieke productie. Voor Taine geldt: hoe nationaler een dichter/kunstenaar is, des te volmaakter is hij. Taine's werken en systeemdenken vonden weerklank in vele Europese landen, waaronder België, waar hun inhoud werd bevorderd door het delen van een gemeenschappelijke taalgemeenschap (mijn cursivering) en door de publicatie in 1869 van een werk, La Philosophie de l'art des Pays-Bas, dat zowel Nederland als België betrof.
Charles de Groux ‘Bénédicité’

Klik op onderchrift om te vergroten.

Ondanks de schuchter-realistische neigingen die Lemonnier bij sommige kunstenaars van de eerste helft van de negentiende eeuw, zoals François-Joseph Navez waarnam, prees de criticus de rol van Gustave Courbet, rol die reeds was ontwikkeld in het werk dat hij aan de meester had gewijd, en de tentoonstelling van diens 'Casseurs de pierres' op het Brusselse Salon van 1851, vanwege de aanzienlijke impuls die deze kunstenaar de Belgische school had gegeven.  Lemonnier wilde de Franse kunstenaar echter niet als de initiatiefnemer van de nieuwe nationale school aanwijzen en kende deze plaats daarom toe aan de Belgische schilders Charles de Groux en Henri Leys.

Klik op onderschrift om te vergroten.

Deze laatste werd de leidende persoonlijkheid van een nieuwe tendens, die van een vernieuwing van de nationale kunst, gebaseerd op een realistische opvatting, met gebruikmaking van formules die altijd het meest geschikt zijn geweest voor het genie van het [Belgische] ras. Vanaf dat moment werd de expressie van de natuur, die binnen de Academie nog schuchter aanwezig was, voor Lemonnier "synthetisch en naturalistisch" dankzij "de onmiddellijke beschouwing van de mens in zijn omgeving. Deze nieuwe aspiratie van veel Belgische kunstenaars was bepalend voor de oprichting in 1868 van een kring van kunstenaars waarvan hij een van de stichters was, de Société libre des Beaux-arts. Volgens Lemonnier heeft de Belgische school zo de weg gevonden die het best bij het temperament van haar volk paste. De uitgebreide en gecorrigeerde uitgave van de Geschiedenis van de Schone Kunsten in België die in 1887 verscheen, was voor hem slechts een middel om de vitaliteit van de nieuwe generatie van 1880 duidelijk te maken en zijn gehechtheid aan de nieuwe weg die hij had uitgestippeld, met name door de werken van Frans Courtens, Jacques de Lalaing, Charles Goethals, Léon Abry, James Ensor, Guillaumes Vogels, Léon Frederic, en anderen: de weg van het naturalisme.
Madame et ses enfants 1904
Naturalisme is het verruimde realisme van de diepgaande studie van de omgeving en de heldere observatie van de personages. Het naturalisme veronderstelt een filosofie die het realisme niet heeft gehad, en het is inderdaad een complete filosofie die door haar doeleinden zowel de biologie, de geologie, de antropologie, de exacte wetenschappen als de sociale wetenschappen omvat. Naturalisme in de kunst is het zoeken naar karakter door de stijl, naar conditie door het karakter, naar het hele leven door de conditie; het ontwikkelt zich van het individu naar het type en van de eenheid naar de collectiviteit.
October Jules Bastien -Lepage
Vanaf het einde van de jaren 1870 deed het picturaal naturalisme zijn intrede op de verschillende Europese tentoonstellingen en in het bijzonder in België dankzij de Franse school en in het bijzonder dankzij de werken van de jonge Jules Bastien-Lepage. Bastien-Lepage, die door de kunsthistorici van vandaag wordt omschreven als de schilder van de "gulden middenweg" tussen academisme en moderniteit, blijft een van de fundamentele artistieke figuren in de opkomst van een internationaal naturalisme, dat de instemming kreeg van de meest uiteenlopende critici, zowel in Frankrijk als daarbuiten. Na de impuls die het realisme van Courbet gaf aan de Belgische school, kon deze nieuwe Franse suprematie niet verdedigd worden door Lemonnier, omdat dit het mislukken zou hebben betekend van zijn persoonlijke onderneming, namelijk de Belgische kunst een eigen identiteit te geven. Als het naturalisme dus een medestander verloor, vond het er een terug onder de pen van Lucien Solvay, wiens werk L'Art et la Liberté uit 1881 Lemonniers postulaat over het "nationale gevoel in de kunsten" overnam. Terwijl hij erkende dat Frankrijk en zijn kunstenaars een onmiskenbare invloed hadden op de Belgische kunst van de negentiende eeuw, interpreteerde Solvay de Franse vernieuwingen als geïnspireerd door de Vlaamse kunst.

C’est de la France, on ne saurait le nier, que sont parties toutes les grandes rénovations artistiques de ces derniers temps. […] Cependant, si aujourd’hui la nature, grâce à elle, affirme dans l’art sa puissance longtemps méconnue, il est juste de dire que c’est en portant ses regards vers le Nord, en se souvenant de l’art flamand et hollandais du XVIIe siècle, que la France a pu concevoir l’idée bienfaisante de ce retour à la vérité et à la vie.
Jules Bastien Lepage Op weg naar school 1882
De jonge generatie Belgische kunstenaars van 1880 zou deze nieuwe weg inslaan, verdedigd door progressieve critici. Dit is het geval met de in 1879 opgerichte kunstkring L'Essor - een voortzetting van de Kring van oud-leerlingen en studenten van de Brusselse Academies voor Schone Kunsten - die via eigen tentoonstellingen de artistieke vernieuwingen wilden verdedigen die door de Academie en de jury's van de officiële salons waren afgewezen. Léon Frederic sloot aan bij L'Essor in 1880, na zijn studiereis door Italië. Gefascineerd door Bastien-Lepage's tentoonstelling van Les Foins (1877)-zie hieronder- op het Brusselse Salon in 1881, keerde Frederic zich plotseling af van de academische kunst van zijn leraar Jean-François Portaels die, ondanks een liberale opleiding, de voorkeur gaf aan historische en religieuze composities boven de voorstellingen van het dagelijks leven, onderwerpen gekozen door de verdedigers van het naturalisme. Reeds in 1881 ging Frederic over van een atelierschilderij, bestaande uit scènes of portretten, afgebeeld in een van de grond af aan gereconstrueerd interieurdecor, naar de toepassing van een zogenaamde naturalistische formule die dicht aanleunde bij de kunst van Bastien-Lepage. (Een wondere confrontatie!)
Léon Frederic Les foins 1877

Vergroot door op onderschrift te klikken. Een volgende bijdrage begint bij de legende van Sint Franciscus in de vorm van een triptiek, de Poverello. En …nog meer wondere dingen! Wie inspireerde wie?

Om in stilte te genieten!

‘A clearing house for dreams and visions’: Joseph Cornell (1903-1972)

Untitled (Solar Set) 1958

Als centrale metafoor voor het leven en werk van Joseph Cornell zou je ‘de doos’ kunnen nemen. Zijn fabriek van dromen. Hij construeerde kleine houten kistjes die hij in de kelder monteerde om er zijn wondere wereld in te bewaren, zijn dromen. De kelder onder het kleine houten huis dat hij met zijn moeder en met zijn gehandicapte jongere broer deelde, twee vaste waarden in zijn bestaan.

Untitled (Bébé Marie) early 1940s
As a boy, he saw Houdini perform in New York City, escaping from locked cabinets, wreathed in chains. In his own artwork, which he didn’t begin until he was almost 30, he made obsessive, ingenious versions of the same story: a multitude of found objects representing expansiveness and flight, penned inside glass-fronted cases. Ballet dancers, birds, maps, aviators, stars of screen and sky, at once cherished, fetishised and imprisoned.(Olivia Laing The Guardian 2015)
Untitled (Tilly Losch) c. 1935-38

De ‘doos’ is een begrenzing maar tegelijkertijd een ontsnapping uit de voorhande liggende werkelijkheid. Die dualiteit was ook in zijn eigen leven te vinden. Hij was een pionier van de assemblagekunst, een verzamelaar, autodicdact, Christian Scientist, liefhebber van gebakjes, experimenteel filmmaker, balletdanser en zelverklaarde witte magiër, steeds zwervend door een hoogst eigen persoonlijke wereld terwijl zijn persoonlijk leven zich tussen zeer nauwe grenzen afspeelde: nooit getrouwd, nooit verhuisd uit het huis van zijn moeder in Queens, en nooit verder gereisd dan een ritje met de metro naar Manhattan, ondanks zijn eindeloze dromen naar verre landen, in het bijzonder zijn heimwee naar Frankrijk. Een collage van zijn hand als illustratie:

Natural Philosophie, collage
Cornell was born on Christmas Eve 1903 in Nyack, a village just up the Hudson from Manhattan. Nyack was also the childhood home of Edward Hopper, another rangy, solitary artist fixated with scenes of voyeurism and enclosure (though they didn’t meet, he taught one of Cornell’s sisters to draw at summer school). In 1910, Cornell’s beloved brother was born. Robert had cerebral palsy, struggled to speak and later used a wheelchair. From the beginning, Joseph considered him his personal responsibility.(ibidem)
Familie met ouders, Joseph, 2 zusjes en broertje op schoot.

De vroege jaren in de familie, kerstfeestjes, uitstapjes naar de speeltuinen van Coney Island en Times Square tot in 1911 bij Cornell’s vader, bon vivant, handelsreiziger en textielontwerper, leukemie werd vastgesteld en hij enkele jaren daarna overleed. Toen bleek dat papa ‘well beyond his means’ had geleefd en er aanzienijke schulden waren gemaakt. Mama Cornell verkocht de boel en verhuisde met het gezin naar New York city waar ze een reeks bescheiden huisjes huurden in de volkswijk Queens.

What leavened those years was the city itself. Any free time Cornell had was spent luxuriating in what he described as “the teeming life of the metropolis”. He prowled the avenues and lingered in the parks: a gaunt, handsome man with burning blue eyes, leafing through racks of secondhand books and old prints, haunting flea markets, movie houses and museums, pausing sometimes to feast on stacks of doughnuts and prune twists.(ibidem)
Hotel Eden

In de vroege jaren dertig botst hij op het surrealisme. De confrontatie was ‘La Femme 100 Têtes’ van Max Ernst, een met collages samengestelde novelle. Je kon kunst maken zonder te schilderen op canvas maar met hulp van allerlei objecten die je op allerlei manieren kon combineren. Zo begon hij zelf collages te maken aan de keukentafel thuis, 37-08 Utopia Parkway, zijn adres van 1929 tot aan zijn dood in 1972. Meestal werkte hij ’s nachts als zijn moeder boven sliep en hij de zitkamer als atelier gebruikte , omgeven door modeltreintjes. Hij begon nu ook wat hij “dossiers” noemde te verzamelen over zijn geliefde onderwerpen, mappen met knipsels en foto’s van ballerina’s, operazangeressen en actrices die hij bewonderde zoals Gloria Swanson en Anna Moffo. Onderwerpen van jaren werk waren ook: advertenties, vlinders, wolken, feeën, planeten, geschiedenis, enz. Hij noemde zijn bestanden: “A clearing house for dreams and visions.”

Collage Schooner 1931
Because of his lack of a formal art education and the unusual nature of his domestic situation, Cornell is often depicted as an outsider artist, but he was in the swim of things from the start. His early collages appeared in the groundbreaking Surréalisme show at the Julien Levy Gallery in Manhattan in 1932, alongside Dalí and Duchamp, and his first shadow box, Untitled (Soap Bubble Set), was in Fantastic Art, Dada and Surrealism, a major exhibition at the Museum of Modern Art in 1936. Other artists were quick to see the value of his inventions (something that continued through the successive waves of surrealism, abstract expressionism and pop art). Despite his shyness, Cornell developed sustaining friendships, though he was never wholly comfortable with the business aspect of art.(ibidem)
Soap bubble-set

In de winter van 1940 zegde hij zijn baan op, richtte hij in de kelder een atelier in en begon hij zich te concentreren rondom een project dat hem de volgende 15 jaar zou bezighouden. Eerst gebruikte hij kant-en-klare kistjes maar al snel begon hijzelf frames te bouwen. Om ze te verouderen gebruikte hij meerdere lagen verf en vernis, liet hij ze een tijdje in de tuin staan of bakte ze in de oven. Hij wilde een zekere ‘nostalgie’ creëren en het plezier overbrengen dat hijzelf had ervaren tijdens zijn zoektochten in de stad. Hij legde dit alles vast in een dagboek, ook een collage die bestond uit gekrabbelde notities op servetten, papieren zakjes en tickets.

Untitled (Paul and Virginia) (c. 1946-48), Construction, 12 1/2 x 9 15/16 x 4 3/8 in

Verkopen deed hij niet graag. Hij wisselde vaak van galeriehouder om te voorkomen dat één persoon te veel controle op zijn werk had. Hij gaf zijn creaties liever weg. Vooral aan vrouwen. Cornell was gek op vrouwen. Romantisch, maar erg terughoudend, maar zeker niet bijgestaan door een jaloerse moeder die hem herhaaldelijk vertelde dat seks weerzinwekkend was. Hij verlangde naar aanrakingen, maar kijken en fantaseren waren veiliger en brachten hun eigen vertrouwdheid mee. In zijn dagboeken vind je verslagen van vrouwen en vooral van tienermeisjes (teeners noemde hij ze of féees) die hem in de stad opvielen. Aantekeningen ‘between sentimental creepy and painfully innocent’.

Untitled (Penny Arcade Portrait of Lauren Bacall) (1945-46) Construction, 20 1/2 x 16 x 3 1/2 in
Mostly he didn’t make contact, and when he did – presenting a bouquet to a cinema checkout girl; mailing an owl box to Audrey Hepburn – he was often rebuffed or misunderstood. All the same, he built productive friendships with many women artists and writers, among them Lee Miller, Marianne Moore and Susan Sontag, who later told Deborah Solomon: “I certainly was not relaxed or comfortable in his presence, but why should I be? That’s hardly a complaint. He was a delicate, complicated person whose imagination worked in a very special way.”(ibidem)
Joseph Cornell, Untitled (M’lle Faretti), 1933.

Eén van zijn meest vruchtbare vriendschappen was die met de Japanse avant-garde-kunstenares Yayoi Kusama, beroemd om haar alomvattend gebruik van stippen. In 1962 onmoetten ze elkaar toen Kusama vooraan in de dertig was. In haar autobio ‘Infinity Net’ beschreef ze haar relatie als ‘erotisch en creatief’. Cornell’s moeder echter zorgde voor de volgens haar nodige afkoeling door een emmer water over het duo te kieperen toen ze onder de kweepeerboom in de achtertuin zaten te zoenen. Kusama (die zelf ook ‘a horrendously abusive mother had who used to tear up her paintings!) trok zich uiteindelijk terug uitgeput door de claustrofobische intensietit waarmee Cornell haar aandacht opeiste: telefoonmonologen die urenlang konden duren, de tientallen liefdesbriefjes die dagelijks in haar brievenbus vielen. Klinkt bekend, nietwaar? Ze bleven echter op afstand heel erg close tot hij in 1972 stierf.

Habitat Group for a Shooting Gallery, 1943. Photograph: Mark Gulezian
As Cornell’s reputation grew, his production of boxes slowed. Instead, he returned to the two mediums with which he’d begun: collages and movie-making. In his late films, which he began in the mid-50s, he no longer used found footage but employed professional collaborators to record material at his command, which he then edited. There’s no better way of experiencing how he saw the world than by watching these celluloid records of his wandering, wondering gaze.

Take the ravishing Nymphlight, made in 1957 with the experimental filmmaker Rudy Burckhardt. A 12-year-old ballet dancer roams Bryant Park, the tree-lined square next to the New York Public Library. The camera’s eye is perpetually distracted by small movements, by quickenings and quiverings: a flock of pigeons performing their aerial ballet; water gushing from a fountain; wind in leaves.
 Halfway through, it becomes enraptured by a succession of people, among them a woman with a dog – an elderly vagrant, who gazes back impassively – and a trash-collector. It’s hard to think of another artist who might have looked with such loving, serious attention at someone collecting garbage. What Nymphlight demonstrates is the radical equanimity of Cornell’s vision, his capacity for finding beauty in the most unprepossessing of physical forms.

De laatste jaren waren de moeilijkste jaren. In 1965 stierf zijn broer Robert aan een longontsteking en het jaar daarop Cornell’s moeder. Er volgden in 1967 twee grote retrospectieven, in het Pasadena Art Museum en het Guggenheim. Life publiceerde een profiel van zijn werk en leven. Een hoogtepunt? Maar Cornell heeft nooit veel om roem gegeven. Nu hij alleen was, huurde hij assistenten in, meestal kunststudenten om voor hem te koken en zijn werk te helpen organiseren. Vrienden kwamen op bezoek, maar er leek een soort glazen wand tussen hem en de wereld te zijn gegroeied, of was die er altijd al geweest? Toch verloor hij nooit zijn vermogen om te kijken en ontroerd te worden, zoals door de vogels in een boom, de weersveranderingen, de dromen en visioenen.

Untitled (Medici Boy) (1942-52), Construction, 13 15/16 x 11 3/16 x 3 7/8 in
Gratitude, acknowledgement & remembrance for something that can so easily get lost”, he wrote in his diary on 27 December 1972, two days before he died of heart failure, inadvertently summing up the abiding genius of his own work. Then, perhaps glancing up at the window, he added his final words: “Sunshine breaking through going on 12 noon” – a last record of his long romance with what he once called the elated world.(ibidem)
Untiled- (Celestial Navigation) 1956-58
Naples, 1942

Voor de gegevens uit dit verhaal heb ik gebruik gemaakt van een degelijk en mooi geschreven The Guardian-artikel uit 2016, geschreven door Olivia Laing (2015) Te lezen:

https://www.theguardian.com/artanddesign/2015/jul/25/joseph-cornell-wanderlust-royal-academy-exhibition-london

Blue peninsula

De wereld in een kastje. Het is een dankbare oefening voor eigen werk, zeker deze dagen nu we met zijn allen in een soort gedwongen kast zijn opgesloten in afwachting van betere tijden. Natuurlijk zijn er kunstenaars die in dezelfde zin hebben gewerkt: Robert Rauschenberg (1925-2008) en Dave McKean (1963) als voorbeelden. Maar de bijzondere eerlijke zoektocht van Joseph Cornell waarin het leven en de kunst een niet altijd vrolijke eenheid vormden, trok mij ten zeerste aan. De noodzaak. In Cornell’s werk was het die noodzaak waarin hij zijn dromen en angsten vorm trachtte te geven in een kleine afgesloten ruimte. Het bekijken kan dan wat met woorden niet mogelijk is, je ‘raken’. En voor je het beseft neemt wat je zag een vlucht. Zijn manier dus van ver-beelden. Traag, met het nodige rafinnement. Raadsels niet uitgesloten.

Andromeda: Grand Hôtel de l’Observatoire
1954
“Cornell was a voyager, travelling through space and time to dimensions of the imagination and the spirit. He infused this sense of adventure and an infinite beyond into modestly scaled works whose fragments of reality give way to worlds to be explored.”

Tja?

Partisan of energy, rebellion, and desire: Alicia Suskin Ostriker(°1937)

'My grandfather’s pipe tobacco fragrance, moss-green cardigan, his Yiddish lullaby
when I woke crying: three of my earliest memories in America'
Foto door Pixabay

Utopian

My neighbor’s daughter has created a city
you cannot see
ruled by a noble princess and her athletic consort
all the buildings are glass so that lies are impossible
beneath the city they have buried certain words
which can never be spoken again
chiefly the word divorce which is eaten by maggots
when it rains you hear chimes
rabbits race through its suburbs
the name of the city is one you can almost pronounce

Utopisch

De dochter van mijn buurman heeft een stad gemaakt
die je niet kunt zien
geregeerd door een nobele prinses en haar atletische gezel
alle gebouwen zijn van glas, zodat leugens onmogelijk zijn
onder de stad hebben ze bepaalde woorden begraven
die nooit meer opnieuw kunnen uitgesproken worden
vooral het woord echtscheiding dat door maden is opgegeten
als het regent hoor je klokkenspelen
konijnen rennen door de buitenwijken
de naam van de stad is er een die je bijna kunt uitspreken

Utopian” from the book The Volcano and After: Selected and New Poems 2002-2019 by Alicia Ostriker, © 2020. The University of Pittsburgh Press.

Foto door Allan Mas

Na een piepjonge fotograaf mag het tijd zijn voor een dame die met haar bijna 84 jaren aardig wat poëzie heeft geschreven. Laten we dus vooral haar eigen stem horen, zoals ze al die jaren in Amerika en ver daarbuiten is gehoord. Met één voet binnen en één voet buiten de mainstream-cultuur, Joodse maar niet praktiserend, wel verbonden. Of met haar eigen woorden:

Alicia Suskin Ostriker: During the second wave of feminism, from the 1960s through the ’70s, the most important poetry  being written in America was by women. Some of it was published by  newly-founded women’s presses, some by other small literary journals,  some even by mainstream presses. You can think of Plath, Sexton, and  Adrienne Rich, for example. But in fact, hundreds of women were writing  revolutionary work at this time. The position of having one foot inside and one foot outside mainstream culture, any culture, is maximally  productive of creativity, and that’s where women were in post ’60s  America. 

Earlier in the century the strongest writing in America was by  Jews. Jews were becoming assimilated into American culture, but were  still not quite assimilated, which is why you have that generation of  Bellow, Roth, Malamud and many others. One foot in and one foot out of  mainstream culture— it’s not a comfortable position. But the discomfort is a driver of creativity. 

Now, I feel, the most exciting poetry is  being written by people of color. For this I thank Cave Canem, an  organization that’s created a community outside of academe in which  young black poets can read each other, teach each other, and have older  black poets supporting them. Their work goes from hip hop to very formal traditional poetry, and everything in between. One foot in and one foot out of the dominant culture. College degrees, sure, and still facing racism everywhere—out of that contradiction comes torrents of  magnificent poetry. (uit interview met Daniela Gioseffi in Rain Taxi)
Foto door Olanma Etigwe-uwa
Ghazal: America

 My grandfather’s pipe tobacco fragrance, moss-green cardigan, his Yiddish lullaby
 when I woke crying: three of my earliest memories in America

 Arriving on time for the first big war, remaining for the second, sad grandpa
 who walked across Europe to get to America

 When the babies starved, when the village burned, when you were flogged
 log out, ship out, there was a dream, the green breast of America

 One thing that makes me happy about my country
 is that Allen Ginsberg could fearlessly write the comic poem “America”

 My grandfather said no President including Roosevelt would save the Jews in Europe
 I adore superhighways but money is the route of all evil in America

 Curse the mines curse the sweatshops curse the factory curse the boss
 May devils in hell torment the makers of cluster bombs in Corporate America

 When I photograph your flooding rivers and meadows and public sculpture Rockies, 
 when I walk in your filthy cities I love you so much I bless you so much America

 People people look there: Liberty the Shekhina herself
 Welcoming you like a queen, like a mother, to America

 Take the fluteplayer from the mesa, take the raven from his tree
 Now that the buffalo is gone from America

 White man the blacks are snarling the yellows swarming the umber terrorists
 Are tunneling through and breathing your air of fear in America
Tim_Rollins__KOS_Second_Study_for_Amerika_VII_1987_Gold_watercolor_on_book_pages_on_linen_24x42inches_Larry_Qualls
psalm

 I am not lyric any more
 I will not play the harp
 for your pleasure

 I will not make a joyful
 noise to you, neither
 will I lament

 for I know you drink 
 lamentation, too,
 like wine

 so I dully repeat
 you hurt me
 I hate you

 I pull my eyes away from the hills
 I will not kill for you
 I will never love you again

 unless you ask me 
Amerika Divided is a piece of digital artwork by Ricardo Dominguez
psalm

Ik ben nooit lyrisch meer
Ik zal geen harp spelen
voor jouw plezier

 Ik zal geen vrolijk
 geluid voor u maken, noch
 zal ik weeklagen

 want ik weet dat u klaagzang 
 drinkt, ook,
 als wijn

 dus ik herhaal het maar
 dat je me pijn doet
 ik haat je

 Ik trek mijn ogen weg van de heuvels
 ik zal niet voor je doden
 ik zal nooit meer van je houden

 tenzij je het mij vraagt 
Amerika: GRAMMARTRON 1.0 Mark Amzerika
Exile

The downward turning touch
 the cry of time
 fire falling without sound
 plunge my hand in the wound

 children marching and dying
 all that I do is a crime
 because I do not reach
 their mouths silently crying

 my boychild reaches with his mouth
 it is easy, being a mother
 his skin is tender and soft
 kisses stitch us together

 we love as long as we may
 then come years without kisses
 when he will turn away
 not to waste breath

 when I too will fall
 embracing a pillow at night
 touching the stone of exile
 reaching my hand to death
Jade Rivera in Lima Street art in the Barranco

Ballingschap

Het naar beneden draaiend raken
de schreeuw van de tijd
vuur dat zonder geluid valt
dompel mijn hand in de wond

kinderen marcheren en sterven
alles wat ik doe is een misdaad
omdat ik niet tot bij hun monden 
kom die zwijgend huilen

mijn zoontje reikt me zijn mond
het is gemakkelijk, moeder zijn
zijn huid is teder en zacht
kussen naaien ons aan elkaar

we hebben lief zolang het kan
dan komen de jaren zonder kussen
wanneer hij zich zal afwenden
om geen adem te verspillen

wanneer ook ik zal vallen
een kussen omhelzend in de nacht
de steen der ballingschap aanrakend
mijn hand reikend naar de dood

Buscando la verdad: il murale di Jade Rivera a Santiago del Cile
In the beginning, for Alicia Suskin Ostriker, there was the word. She
began writing poetry as a child, and at 83 she is still using her words
to capture and convey life’s truths, its spirituality and sensuality, 
and the urgent calls of social justice. 
She became a literature teacher in 1965, and 52 years later she is still teaching. She also became a revered critic and commentator on Judaism. But Ostriker’s dedication to social action seems just as strong
as her academic pursuits.“In my politics I am with the prophets, feed the hungry, clothe the naked. ‘Justice, justice shalt thou seek.’ And God’s 
repeated command that we must ‘love the stranger.’”
But despite her passion for words, her concern for the downtrodden is not just talk.

Though now a resident of Manhattan’s Upper West Side, which she said is inspiring a new stream of poems, Ostriker was a fixture in New Jerseyfor several decades. She lived in Princeton, and taught in the English 
Department at Rutgers University until her retirement in 2004. She still
has a presence across the river, serving as Distinguished Poet in 
Residence at Drew University in Madison and teaching in its 
Low-Residency Poetry MFA program.

Armed with a doctorate from the University of Wisconsin, at the start
of her career as a teacher at Rutgers, the mother of three became a 
pioneer in the feminist critique of literature. “There was a sound in 
the air that was different from what poetry in English had ever been,” 
Ostriker told an interviewer when she retired. “I wanted to understand 
it, decipher it. It was important to me both as a poet and a critic.”
She wrote a number of barrier-breaking studies, including the 
acclaimed “Stealing the Language: The Emergence of Women’s Poetry in 
America,” published in 1987. The study argued that since the 1960s, 
female poets had created a literary movement as distinct and important 
as Romanticism or Modernism. (Blue flower arts)
Martha Rosler Cleaning the drapes (1967-72)
Insomnia

But it's really fear you want to talk about
 and cannot find the words
 so you jeer at yourself

 you call yourself a coward
 you wake at 2 a.m. thinking failure,
 fool, unable to sleep, unable to sleep

 buzzing away on your mattress with two pillows
 and a quilt, they call them comforters,
 which implies that comfort can be bought

 and paid for, to help with the fear, the failure
 your two walnut chests of drawers snicker, the bookshelves mourn
 the art on the walls pities you, the man himself beside you

 asleep smelling like mushrooms and moss is a comfort
 but never enough, never, the ceiling fixture lightless
 velvet drapes hiding the window

 traffic noise like a vicious animal
 on the loose somewhere out there—
 you brag to friends you won't mind death only dying

 what a liar you are—
 all the other fears, of rejection, of physical pain,
 of losing your mind, of losing your eyes,

 they are all part of this!
 Pawprints of this! Hair snarls in your comb
 this glowing clock the single light in the room

From The Book of Seventy by Alicia Ostriker. Copyright © 2009 by Alicia Ostriker.
The Moon (A Lua) Tarsila do Amaral 1928
Slapeloosheid

Maar het is eigenlijk angst waar je over wilt praten
 en je kunt de woorden niet vinden
 dus beschimp je jezelf

 je noemt jezelf een lafaard
 je wordt wakker om 2 uur 's nachts denkend aan falen,
 dwaas, niet in staat om te slapen, niet in staat om te slapen

 zoemend op je matras met twee kussens
 en een dekbed, ze noemen ze comforters,
 wat impliceert dat comfort kan worden gekocht

 en betaald, om te helpen met de angst, het falen
 uw twee walnotenhouten ladenkastjes gniffelen, de boekenkasten treuren
 de kunst aan de muur heeft medelijden met je, de man zelf naast je

 slapend ruikend naar paddestoelen en mos is een troost
 maar nooit genoeg, nooit, het plafond armatuur lichtloos
 fluwelen gordijnen verbergen het raam

 verkeerslawaai als een gemeen dier
 loopt los ergens daarbuiten…
 je schept op tegen vrienden dat je de dood niet erg vindt, alleen sterven

 Wat een leugenaar ben je.
 alle andere angsten, van afwijzing, van fysieke pijn,
 om je verstand te verliezen, om je ogen te verliezen,

 ze maken allemaal deel uit van dit!
 Pootafdrukken van dit! Haar knarst in je kam
 deze gloeiende klok het enige licht in de kamer

 Uit Het boek van zeventig door Alicia Ostriker. Copyright © 2009 
Hayv Kahraman, Curfew, 2015, oil on linen, 185 x 244 cm, © Hayv Kahraman
I’m an insomniac. So one night I got up and sat in front of my laptop, 
which is an extension of my body, my muse, my friend, my therapist. My 
computer knows me better than I know myself and I sit in front of it 
sometimes when I can’t sleep, and it writes a poem. It wrote: So, this 
was nothing I’d been thinking about but I, or it, wrote the first stanza
of “The Blessing of the Old Woman, the Tulip, and the Dog.” Then I sat 
there, and my computer said, “That’s not enough for a whole poem.” Then I
wrote the tulip. I thought, “There must be something else,” and then I 
wrote the dog. But really, that poem wrote itself as: The Blessing of the Old Woman, the Tulip, and the Dog:
THE BLESSING OF THE OLD WOMEN, THE TULIP, AND THE DOG

To be blessed
 said the old woman
 is to live and work
 so hard
 God’s love
 washes right through you
 like milk through a cow

 To be blessed
 said the dark red tulip
 is to knock their eyes out
 with the slug of lust
 implied by
 your up-ended
 skirt

 To be blessed
 said the dog
 is to have a pinch
 of God
 inside you
 and all the other dogs
 can smell it
DE ZEGENING VAN DE OUDE VROUW, DE TULP EN DE HOND

Om gezegend te worden
 zei de oude vrouw
 is er te leven en te werken
 zo hard
 dat de liefde van God
  dwars door je heen spoelt
 als melk door een koe.

 Om gezegend te zijn
 zei de donkerrode tulp
dat is hun ogen uitslaan
 met een slok lust
 geïmpliceerd door
 je opgetrokken
 rok

 Om gezegend te zijn
 zei de hond
 is er een snuifje
 van God
 in jou
 en alle andere honden
 kunnen het ruiken
Loïs Mailou Jones, “La Baker,” 1977, acrylic and collage on canvas, Courtesy of the Museum of Fine Arts
Years
-for J.P.O.

I have wished you dead and myself dead,
 How could it be otherwise.
 I have broken into you like a burglar
 And you've set your dogs on me.
 You have been a hurricane to me
 And a pile of broken sticks
 A child could kick.
 I have climbed you like a monument, gasping,
 For the exercise and the view,
 And leaned over the railing at the top-
 Strong and warm, that summer wind.


Jaren
-voor J.P.O.

Ik heb jou dood gewenst en mezelf dood,
Hoe kan het ook anders.
Ik heb bij je ingebroken als een inbreker
En je hebt je honden op me losgelaten.
Je bent een orkaan voor me geweest
En een stapel gebroken stokken
Waar een kind tegenaan kan schoppen.
Ik heb je beklommen als een monument, hijgend,
Voor de oefening en het uitzicht,
En leunde over de reling aan de top…
Sterk en warm, die zomerwind.
Jo Baer, Royal Families (Curves, Points and Little Ones), 2013
“My mother was an English major who wrote poetry and read Shakespeare, 
 Browning, and Tennyson to my infant ears, so perhaps I was destined to 
 become a poet. But like many women, I was hesitant to claim such an 
 exalted vocation. When asked, ‘What do you do?’ I’d say, ‘I teach 
 English.’ But now I say, proudly, ‘I’m a poet.’ 
 “And yes, that is the center of my life.”

 Along with her growing contribution to literary commentary and 
 original poetry has come her religious analysis. It is of a piece with 
 those other aspects of her working life, on another plane and yet 
 entirely consistent with them. As she put it, she was writing midrash — 
 or commentary — before she knew there was a word for it.

 "My Judaism is the Judaism of a feminist,” she told NJJN. “At Rutgers
 University I taught a seminar entitled ‘The Bible and Feminist 
 Imagination,’ where we read large portions of the Bible alongside 
 feminist theology and commentary and midrash. And I co-taught a course 
 on the history of Jewish women. In my writing, I wrestle with the Bible,
 and with Jewish tradition, the way Jacob wrestles with the angel in 
 Genesis — to wrestle a blessing out of it.” (NJJN)
Henri Matisse Le Bonheur de Vivre 1905-1906
Matisse, Too

Matisse, Too
 Matisse, too, when the fingers ceased to work,
 Worked larger and bolder, his primary colors celebrating
 The weddings of innocence and glory, innocence and glory

 Monet when the cataracts blanketed his eyes
 Painted swirls of rage, and when his sight recovered
 Painted water lilies, Picasso claimed

 I do not seek, I find, and stuck to that story
 About himself, and made that story stick.
 Damn the fathers. We are talking about defiance.


 Matisse, ook

 Matisse, ook, toen de vingers ophielden met werken,
 Werkte groter en gedurfder, zijn primaire kleuren vierend
 De bruiloften van onschuld en glorie, onschuld en glorie

 Monet, toen de cataract zijn ogen verzegelde
 Schilderde wervelingen van woede, en toen zijn zicht herstelde
 Schilderde hij waterlelies, Picasso beweerde

 Ik zoek niet, ik vind, en bleef bij dat verhaal
 over hemzelf, en liet dat verhaal beklijven.
 Verdomde vaders. We hebben het over opstandigheid.
Three Men Walking, Three Brown Silhouettes

 They remember the dead who died in the resistance.
 It is in sweet tones that they speak of them.
 They shake their heads, still, after the dinner

 Walking back to the car, while an evening snow
 That has started windlessly, white from pearl-gray,
 Falls into streets that are already slushy.

 They shake their heads, as we do when there is something
 Too strange to believe,
 Or as a beast does, stunned by a blow.

 "To die in the resistance," they say, "is to fail
 To turn into slush, to escape this ugliness.
 It is at once to leap, a creamy swan,

 Upward." Three voices: oboe, piano, cello.
 The high one wishes to be pleasing, the middle
 To be practical, the deep to persevere.

 A movie theater lobby in front of them
 Throws its light on the sidewalk, like a woman
 Swiftly emptying a bucket of water:

 The flakes are falling in its yellow light.
 Then they pass a café, its light red neon,
 Then a closed pharmacy.

 —They pull sharp air
 Into their lungs, a pain that is a pleasure.
 "Try to live as if there were no God,"
 They don't say, but they mean.

 A recollection of purity, a clean
 Handkerchief each man feels in his own pocket,
 Perturbs them, slows their pace down. Now they have seen

 A yellow stain on a pile of old snow
 Between two parked cars, where a man has peed:
 The resistance. The falling flakes, falling

 On the men's hats. And now
 The snow grows heavier, falls on their stooping shoulders.
evening snow at Kambara nr 16 Utagawa Hiroshige (1797-1858)
Drie wandelende mannen, drie bruine silhouetten

Ze herdenken de doden die stierven in het verzet.
Het is op zoete toon dat ze over hen spreken.
Ze schudden hun hoofd, nog steeds, na het diner

Teruglopend naar de auto, terwijl een avondsneeuw
Die windstil is begonnen, wit van parelgrijs, 
In straten valt die al modderig zijn.

 Ze schudden hun hoofd, zoals wij doen als er iets
 te vreemd is om te geloven,
 Of zoals een beest doet, bedwelmd door een klap.

 "Te sterven in het verzet," zeggen ze, "is falen om
 in smeltwater te veranderen, om te ontsnappen aan deze lelijkheid.
 Het is in één keer springen, een romige zwaan,

 naar boven." Drie stemmen: hobo, piano, cello.
 De hoge wenst te behagen, de middelste
 om praktisch te zijn, de diepe om vol te houden.

 De lobby van een bioscoop voor hen
 gooit zijn licht op de stoep, zoals een vrouw
 die snel een emmer water leegt:

 De vlokken vallen in haar gele licht.
 Dan passeren ze een café, zijn lichtrode neon,
 Dan een gesloten apotheek.

 -Ze trekken scherpe lucht
 in hun longen, een pijn die een genot is.
 "Probeer te leven alsof er geen God is,"
 Ze zeggen het niet, maar ze menen het.

 Een herinnering aan zuiverheid, een schone
 Zakdoek die elke man in zijn eigen zak voelt,
 brengt hen in verwarring, vertraagt hun tempo. Nu hebben ze

 een gele vlek op een stapel oude sneeuw gezien
 tussen twee geparkeerde auto's, waar een man heeft geplast:
 De weerstand. De vallende vlokken, die vallen

 Op de hoeden van de mannen. En nu
 De sneeuw wordt zwaarder, valt op hun bukkende schouders.
Snow Scene at the Shrine of Benzaiten is a painting by Utagawa Hiroshige
Alicia Suskin Ostriker is a major American poet and critic. She is the author of numerous poetry collections, including, most recently, The Old Woman, the Tulip, and the Dog; The Book of Life: Selected Jewish Poems, 1979–2011; and The Book of Seventy, winner of the National Jewish Book Award. She has received the Paterson Poetry Prize, the San Francisco State Poetry Center Award, the William Carlos Williams Award, and has twice been a finalist for the National Book Award, among other honors. Ostriker teaches in the low-residency MFA program at Drew University and is currently a chancellor of the Academy of American Poets.                     

Een andere pijn dan Valentijn, een bedenking.

Cupido aan de deur bij hevige regenval / L’ amour arrive: The story of Anacreon Jean-Léon Gérôme 1899

Het is natuurlijk nooit te laat om de wondere avonturen van een dichter die bezoek krijgt van de liefdesgod te vertellen zoals de schilder Jean-Léon Gérôme dat doet met een viertal schilderijen, maar in feite was het de vertaling van een aantal wondere gedichten van een Amerikaanse dichteres, Alicia Suskin Ostriker (1937!) die hier moesten verschijnen. Eros en dichteres even uitgesteld om je een ‘intro’ van een nog een ongeschreven toneelstuk te presenteren. Er zijn immers momenten waar de werkelijkheid het haalt op de wildste fantasieën. Laat Macbeth beginnen met drie heksen op de heide, mijn stuk-nog-zonder-naam begint bij burgers op een onbepaalde plaats waar een ‘zot’, een beroepszot of nar zich niet meer kan inhouden en de burgers vertelt wat hem hoog zit. Hij heeft het nog niet over de toekomst maar over het nog ‘warme’ verleden. Het vervolg is nog niet voor morgen, maar de intro kon niet wachten. Ga er dus gezellig bijzitten en luister naar wat hem hoog zit.

De zot:
Het zijn Albions toeters die tot over de oceaan de founding fathers’ nakomelingen onder spookverhalen bedolven. Murdochs vossenstreken worden hier te lande als nieuws bestempeld.
Op de mesthoop de verdreven haan die zijn halfgare kippen het Capitool instuurt en dan niet thuis als antwoord geeft eens de stukken zijn opgeruimd, de doden begraven, hij de kameraden met ‘ik-ken-u-niet’ in de gevangenis achterlaat en op het familiegoed zich het voorwerp van een heksenjacht durft noemen.

Een burger:
Je gaat flink te keer.

De zot:
Ik vergeet de plaatselijke clownerie van dezelfde kliek in het vroegere moederland Albion. Losgeweekt van Europa zullen ze vuurtje stook blijven spelen om degenen die achterbleven tegen elkaar op te zetten.

Een burger:
Je bent goed op dreef.

De zot:
Als zot krijg ik daar subsidies voor. Die ik feestelijk heb geweigerd. Kost en inwoon daar hou ik het bij.

Een burger:
En zo zeker van je zaak.

De zot:
De zot, steeds de laatste op het schavot.

Een burger:
Heel patriotisch klinkt dat niet.

De zot:
Ik ben eerder een ma-triot, voorstander om er nu nog een groep founding mothers bij te voegen, een beetje gezond evenwicht, al kan zo’n mélange ook voor vuurwerk zorgen.

Een burger:
De geschiedenis is de geschiedenis.

De zot:
Geen enkele geschiedenis bevriest zichzelf. Ze wemelt als een kind, zoekt zich een weg als een kleuter, speelt als een schoolkind, doet moeilijk als een puber, verbindt zich als jonge lovers, bedenkt zich als mensen na de scheiding, verheugt zich bij nieuwkomelingen, verbrandt zich in de verhalen van oudstrijders en overleeft elke burger in de nakomenden. U merkt dat het lyrische ook bij zotten een onderkomen vindt.

Een burger:
De politiek wacht op jou.

De zot:
Wij horen bij de rand, waarde. Niet dadelijk het schavot, zoals ik al zei, al vertelt de geschiedenis andere verhalen: denk maar aan de dappere kinderen van de Witte Roos toen heer Hitler met zijn show aan bod was, maar meestal zijn we nog lenig genoeg om de dans te ontspringen of om een tijdje patience te spelen in een kleine ruimte. Tijd om te beginnen. Bij gebrek aan heksen was een zot een goedkopere oplossing. U hoort nog van mij. Kijk eerst naar hoe het zo ver is kunnen komen, een vermakelijk bedrijf al mag u zich niet te veel generen. Het begint bij de zoon van een krantenboer.

Is het de juiste persoon om mee te beginnen, of moet hij een eind verder in de geschiedenis gaan zoeken? Geef hem de tijd. En natuurlijk is het allemaal niet echt gebeurd. Of toch? En hoe is het zo ver kunnen komen? Heeft de auteur te veel fantasie of hoort hij vreemde geluiden zoals marsjerende laarzen, het laden van wapens? Het ophalen van mensen. Stel dat het allemaal grappig bedoeld was, gewoon om ons bang te maken? En kun je ook digitaal aan storytelling doen? Jazeker. Van een idee een verhaal maken. Van een verhaal…Er zijn dames en heren die er aardig in beslagen zijn. Laten we maar even terug naar deze Valentijn-extra gaan. Vertel elkaar. En laten we eerst op zoek gaan naar het waarom, al kan dat ook in allerlei literaire en andere kunstzinnige vormen. Tromgeroffel. Hoor je je achterkleinkinderen zeggen: ‘Dat hebben mijn overgrootouders echt meegemaakt!’? Spannend?

     Tomorrow, and tomorrow, and tomorrow
              — Macbeth, Act 5 Scene 5      
Art by Margaret C. Cook from a rare 1913 edition of Whitman’s Leaves of Grass. (Available as a print.)

The family I have choosen for myself: Pat Martin, photographer

Grandma, 2018, from the ongoing Family-Album series. ‘Gail consoles Jaxson [Pat’s nephew] with a gift in her other hand.’ Photograph: Pat Martin

Pat Martin, Amerikaans fotograaf, thuisbasis: Los Angeles, California. In 2019 wint hij, als zevenentwintigjarige, de prestigieuze Taylor Wessing Photographic Portrait Prize (£ 15000). Onderwerp: zijn eigen moeder. Dat was geen toevallige keuze. Enkele jaren voor de prijs bezocht hij de merkwaardige retrospectieve van de intussen beroemde fotograaf Larry Sultan (1946-2009) ‘Pictures from home’. Onderwerp van deze serie waren Larry’s eigen oudere ouders. Hierbij twee voorbeelden uit deze serie:

Larry Sultan My Mother posing for Me 1984
Larry Sultan Sunset/ 1989

De foto’s ontroerden hem zeer. Tot zijn verbazing voelde hij de tranen over zijn wangen lopen. ‘It was the first time I cried frim seeing photographs that weren’t personal to me. I realise that beyond the rolls of film and the few good pictures, the demands of my project and my confusion about its meaning, is the wish to take photography literally. To stop time. I want my parents to live for ever.”

Zijn familiealbum bevatte enkele foto’s van geboren worden, en enkele verjaardagen daarop volgend. Daarna niets meer. Pat Martin was drie jaar toen de maker van dat album, zijn vader, uit zijn leven verdween. Hij bleef met zijn oudere broer Drew alleen achter met hun moeder, Gail. En een niet onbewogen leven met een moeder die later bipolair bleek te zijn en verslaafd was, plotseling voor een tijdje verdween (verblijf in drugkliniek) en met allerlei vrienden van dezelfde strekking weer verscheen. As an adult of 27, he is still addressing the issues of confusion and shame that linger from that uncertain time. “I’m dealing with it in therapy, and I don’t plan to stop any time soon.” Nog niet bewust van de ontroering die hij bij het zien van Larry Sultan’s werk zou voelen, kregen twee portretten dat hij van zijn moeder maakte de eerste prijs in de reeds aangehaalde wedstrijd.

Gail and Beaux, 2018 een van de twee portretten uit de serie Goldies(Mother) waarmee Martin The Taylor Wessling pize won.
Mome (our last one), het ander prijswinnend portret van de series Goldie (Mother)

Dit portret was ook het laatste echte portret van zijn moeder, twee maanden voor haar dood gemaakt. Hij besefte toen niet dat dit het laatste zou zijn. Ze kijkt zo droevig omdat haar beste vriend net was overleden. Zij was geen gemakkelijk onderwerp, zei Pat Martin, net zo moeilijk als mijn jonge neefjes. Vlug verveeld en ongeduldig. (zie bovenste foto)

In their raw power, Martin’s portraits bring to mind the British  photographer Richard Billingham’s compellingly brutal, but somehow  tender, images of his wildly dysfunctional family as evoked in his now  iconic photobook, Ray’s A Laugh. Unlike Billingham, though,  Martin did not make photographs from inside the maelstrom of his family  drama, but in the relative calm that his mother – and her sons –  experienced when she finally overcame her addiction. As such, his  portraits have a quietly powerful presence despite their stark honesty.(Sean O' Hagan The Guardian 2019)
From the series Goldie (Mother), shown as part of his Taylor Wessing series at London’s National Portrait Gallery. Photograph: Pat Martin
In The Guardian van 17 november 2019 vind je een uitvoerig interview over deze gebeurtenissen en het vroegere leven van de jonge fotograaf. 

https://www.theguardian.com/artanddesign/2019/nov/17/pat-martin-taylor-wessing-photographic-portrait-prize-2019-interview-my-mom-was-not-an-easy-subject

Pat Martin: Uit de serie ‘Family’
'His touchstones are Emmet Gowin and Sally Mann, photographers for whom family is the most intimate and self-revealing subject. Martin’s portraits of his mother are currently part of a bigger, ongoing series, “essentially about my constructed family: my nephews, my brother and his partner, my girlfriend’s family, some older folks that call me their grandson. It’s the family I have chosen for myself.” (The Guardian 2019)
Uit de serie ‘Family’
Uit de serie ‘Family’
“Before then, I was just another photographer fishing for images on the street and taking portraits of my friends. I wasn’t really feeling anything from it. My mom was the first subject that really made me want to go deeper, though it was a while before I took that on.”
Uit de serie ‘Encounters’
Uit de serie encounters

De familie waarvoor je zelf hebt gekozen, behorend tot het idee van de oercollectie van de meest beroemde reizende fototentoonstelling ‘The Family of Man” die 1955 zijn première beleefde in het MoMa in NY. en die in 2003 werd toegevoegd aan het UNESCO’s Memory of the world Register en daarmee in zijn historische waarde werd erkend.

En er is natuurlijk de zon. De Californische zon die het werk van Pat Martin menigmaal van warmte en gloed voorziet. Of hoe de dood van een moeder, het winnen van een prestigieuze prijs je zoektocht kan bepalen, je ogen naar de de essenties leert richten, naar de inhoud en daarna pas naar de vorm, als er al een rangorde zou te bepalen zijn.

Ga zelf op bezoek bij Pat Martin:

https://patmartin.co/

En fotografeer de familie die je voor jezelf hebt gekozen voor het te laat is en je in een oceaan van selfies verdrinkt.

‘What was that sound that came in on the dark?’

It is here
(for A)

 What sound was that?

 I turn away, into the shaking room.

 What was that sound that came in on the dark?
 What is this maze of light it leaves us in?
 What is this stance we take,
 To turn away and then turn back?
 What did we hear?

 It was the breath we took when we first met.

 Listen. It is here.

(Harold Pinter)
Leighton ‘The painter’s honeymoon 1864

Valentijn-vroegte? Post-verjaardagssyndroom? Met enige verbeelding kan ik nog wel een aantal redenen aanhalen want ja, het is van dattum. Volgens Vandale hoort er een bepaald gebaar bij om de betekenis duidelijk te maken, maar laat ik mij beperken dat donkere dagen met vreemde koud-warm-sprongen een uitstekende gelegenheid zijn om letters en beelden daaromtrent samen te brengen, de liefde ter ere.

Toch mooi dat Harold Pinter een geluid gebruikt, het geluid van ‘the breath we took when we first met’. Zouden we dat ‘een ‘stokkende’ adem kunnen noemen, of het inademen net voor je de klank ‘oh’ hoorbaar maakt? Probeer maar eens terwijl je dit leest. En let op, het gebeurde ‘on the dark’. Niet lang want daar was er de doolhof van licht waarin we achterbleven. Lees nu nog eens de tekst en zucht zoals ik dat deed toen ik hem ontdekte.

Herman de Coninck zou bovenstaande fragment uit Chagall’s verjaardag dadelijk bij ‘de lenige liefde’ kunnen thuisbrengen, maar een commentator uit ‘The Guardian’ schreef:

Love lifts them up so their feet scarcely touch the ground. Sweeping down like a comet, or an angel, he bends over backwards to kiss her. Chagall will soon be married to the teenage Bella, his beloved muse, and so the gravity-defying strength of their partnership begins. This is a vision of wild and sensual love, but also of transcendent adoration. The shawl-draped room is a kind of shrine. Chagall wrote of his future wife: “I had only to open my window and blue air, love and flowers entered in with her.”
Rembrandt ‘Het Joodse bruidje’ cc1666 klik op onderschrift om te vergroten
 Op de schets is rechts het gezicht van een man te zien, die het tweetal  gadeslaat, een detail dat op het schilderij ontbreekt. Het is deze man  die kunsthistorici de indruk geeft dat de schets en het schilderij een  weergave zijn van de Bijbelse Isaak en zijn vrouw Rebekka.[3] Dit echtpaar werd volgens het boek Genesis door een hongersnood gedwongen om naar het land der Filistijnen van koning Abimelech  te vluchten. Aangezien Isaak bang was om vermoord te worden door mannen  die het voorzien hadden op zijn vrouw, deed hij zich daar voor als haar  broer. Abimelech spotte het paar echter in een innige pose, maar ze  werden niet gestraft doch alleen vermaand. De Filistijnse mannen kregen  vervolgens de opdracht om Isaak en Rebekka ongemoeid te laten. (Wikipedia)

Het hele Bijbelse verhaal terzijde gelaten zijn de prachtige handen op dit schilderij tegelijkertijd beschermend, aarzelend, maar vooral liefdevol. De rechterhand van de man is maar gedeeltelijk zichtbaar op de smalle linkerschouder van de geliefde. Ze ‘raken elkaar aan’, zachjes, haar vingers op zijn hand. En kijk naar hun gezichten.

Je bent in je leven als ietsje verder dan de lenige Chagall denk ik. Bij het zoeken naar een mooie tekst kwam ik bij ‘Sonnet XLIII’ van Elizabeth Barrett Browning:

How do I love thee? Let me count the ways.
I love thee to the depth and breadth and height
My soul can reach, when feeling out of sight
For the ends of being and ideal grace.
I love thee to the level of every day’s
Most quiet need, by sun and candle-light.
I love thee freely, as men strive for right;
I love thee purely, as they turn from praise.
I love thee with the passion put to use
In my old griefs, and with my childhood’s faith.
I love thee with a love I seemed to lose
With my lost saints. I love thee with the breath,
Smiles, tears, of all my life; and, if God choose,
 I shall but love thee better after death.
Francesco Podesti ca 1850-1855 Elisabeth Barret Browning with son Robert ca 1850-1855
 Elizabeth Barrett Browning (née Moulton-Barrett, 6  March 1806 – 29 June 1861) was one of the most prominent English poets  of the Victorian era, popular in Britain and the United States during  her lifetime. 
 Born in County Durham,  the eldest of 12 children, Elizabeth Barrett wrote poetry from about  the age of six. Her mother’s collection of her poems forms one of the  largest collections extant of juvenilia by any English writer. At 15 she  became ill, suffering intense head and spinal pain for the rest of her  life. Later in life she also developed lung problems,  possibly tuberculosis. She took laudanum for the pain from an early age,  which is likely to have contributed to her frail health.

Elizabeth’s volume Poems (1844) brought her great success, attracting the admiration of the writer Robert Browning.  Their correspondence, courtship and marriage were carried out in  secret, for fear of her father’s disapproval. Following the wedding she  was indeed disinherited by her father. The couple moved to Italy in  1846, where she would live for the rest of her life. They had one son, Robert Barrett Browning,  whom they called Pen. She died in Florence in 1861. A collection of her  last poems was published by her husband shortly after her death.
(dell’arte Italiana, Wikipedia) Hieronder Mama met zoon 'Pen'.
Elizabeth Barrett Browning & son Robert Wiedemann Barrett Browning by Fratelli D’Alessandri, 19 June 1860

Het verhaal van deze geliefden bracht me zelfs tot in Antwerpen waar zoon Pen op volwassen leeftijd, na mislukte studies in Engeland aan de academie studeerde en als schilder afstudeerde. Het verhaal van de Barret Browings (en zoon) vind je uitvoerig bij:

Zelda Fitzgerald gouache on paper Fifht Avenue

Met dit vrijwel onbekende mooie werk van Zelda Fitzgerald (geboren Sayre) zijn we volop terug in de 20ste eeuw. Een bruisend leven. ‘This side of Paradise’, gepubliceerd in 1920 bracht haar in contact met de high society. Met haar man F. Scott Fitzgerald onderhield ze een drukke en boeiende briefwisseling. Een fragment:

“Darling– I love these velvet nights. I’ve never been able to decide whether the night was a bitter enemie or a “grand patron” –or whether I love you most in the eternal classic half-lights where it blends with day or in the full religious fan-fare of mid-night or perhaps in the lux of noon. Anyway, I love you most and you ‘phoned me just because you phoned me tonight– I walked on those telephone wires for two hours after holding your love like a parasol to balance me. My dear–”

Dat was alvast een eerste reis doorheen het land van verlangen, vaak door de trage tijd gehinderd of door het voorbije verzonken. P.C. Hooft (1581-1647) wist het ook al ‘dat ik de tijd, die ik verkorten wil, verlang.’ (verleng) We zijn met een zacht geluid in het donker begonnen, laten we met een beetje oud ongeduld elkaar uitwuiven.

Gezwinde grijsaard die op wakk’re wieken staag
de dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken
altijd vaart voor de wind, en ieder na laat kijken,
doodsvijand van de rust, die woelt bij nacht bij daag;

 onachterhaalb’re Tijd, wiens hete honger graag
 verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken,
 en keert en wendt en stort staten en koninkrijken,
 voor iedereen te snel: hoe valt gij mij zo traag?

 Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijf ik met mishagen
 de schoorvoetige tijd, en tob de lange dagen
 met arbeid avondwaards. Uw afzijn valt te bang

 en mijn verlangen kan den Tijdgod niet bewegen,
 maar ’t schijnt verlangen daar zijn naam van heeft gekregen,
 dat ik de tijd, die ik verkorten wil, verlang.