De brug: met verbeelding verbonden(1)

Zicht op de ingang van het Arsenaal Canaletto (vergroot klik hier)

Dat je met een schilderij van Canaletto uit 1732 nog altijd een kijk hebt op de ingang van het Venetiaanse Arsenaal spreekt tot de verbeelding. De praktische voetgangersbrug steekt in V-vorm boven het water zodat hoog bepakte boten er makkelijk onderdoor kunnen. Met de Westminster brug, geschilderd in 1746 telt de grote sier en het feestelijke. De brug verbindt maar is ook het decor voor The Lord Mayor’s Procession on the Thames. Een brug van een wereldstad.

Canaletto Westminster Bridge with the Lord Mayor’s Procession on the Thames (klik op de tekst om te vergroten)

Een jaar voor de Westminster Bridge schilderde hij de Rialto brug in Venetië. Capriccio of the Rialto Bridge with the Lagoon beyond. Deze brug was de eerste brug over het Canal Grande en vaak erg commercieel in beeld gebracht als ‘souvenir’ voor de welstellende bezoeker van de Dogestad.

Canaletto was a sophisticated and prolific Italian painter known primarily for his vivid topographies of Venice, Rome, and London. Much more than a formulaic guildsman, there is a unique quality to his work which can be attributed to the fact that he was able to seamlessly blend real and imagined words to beguiling effect. His 'tourist" paintings, which were much sought after by the traveling upper-classes, were meticulously prepared, with his chief concern being for compositional harmony rather than dogmatic geographic accuracy.
Canaletto – Capriccio of the Rialto Bridge with the Lagoon Klik op deze tekst om te vergroten

De brug als handelscentrum. Of hoe de praktische Venetiaanse handelsgeest elke plaats benutte waar handel kon gedreven worden. Het oorspronkelijk plan uit 1570 van Andrea Palladio zag er grondig anders uit. Het werd verworpen en Antonio da Ponte’s ontwerp kreeg de voorkeur.

Design for the Rialto Bridge. Page from Quattro libri dell’architettura di Andrea Palladio, originally published 1570. Engraving by Giovanni Silvestrini published Siena, Appresso Alessandro Mucci, 1790–91. The Getty Research Institute, 2893-965

Keren we terug in de tijd, we blijven in Italië. Een wonderbaar werk van Andrea Mantegna (1431-1506) Van de machtige en/of commerciële bruggen naar een bruggetje van niets. Je moet al goed kijken, links van de hoofdpersonen. Het is een fragment uit een triptychon, de linkse predella: ‘Christus op de olijfberg’, een thema helemaal aansluitend bij deze ‘goede week’. Klik op het onderschrift om het te vergroten.

Christus op de Olijfberg Andrea Mantegna 1495 klik om te vergroten

Er is vooreerst de mooie opbouw: de slapende leerlingen met de angstige, biddende Jezus als driehoek, verder door de massale berg als achtergrond uitgebouwd. Er is het prachtige Jerusalem als ommuurde stad boven links gedetailleerd opgetrokken. Maar kijk dan naar links: de twee armzalige bruggetjes over het beekje waar de verrader Judas in de verte de aankomende soldaten opwacht. Je zou de bruggetjes zonder moeite kunnen wegnemen en jezelf en je meester beveiligen, maar de getrouwen liggen zorgeloos te slapen terwijl hun meester doodsangsten uitstaat en daar kan de engel bovenaan weinig aan veranderen. Hier is het bruggetje in detail:

En kijk, er loopt een konijntje over het nabije bruggetje en je hoort bijna het water dat van linksboven komt, op de rotsen neerklateren. Kijk ook naar de houding van de verrader handen op de rug terwijl hij met de geharnaste aanvoerder praat. Zo dun is het verschil tussen verraad en verzet.

Ook zo’n kleine brug vind je op het mysterieuze schilderij van Giorgione: De storm, een verbeelding waar nog steeds allerlei interpretaties over bestaan.

De storm 1505 Giorgione rond 1505

Giorgone was de eerste grote schilder van het Cinquecento. Hier verbindt de brug niet maar ze sluit een wereld af. We kunnen alleen vermoeden wat de betekenis is van de vrouw en de soldaat terwijl in de verte het onweer losbarst. Achter de brug bliksemt het en wij weten niet of het onweer deze kant uitkomt, over de brug komt.

In een volgende aflevering komen we verder over de brug. Of ze verbindt, woonruimte biedt, verzamelplaats of uitkijkpunt is, ze bestaat in allerlei vormen ook in onze verbeelding. Vaak lopen we over de brug naar toen, dan weer naar morgen. Soms staan we stil. Vanop de brug bekeken of kijkend.

Meisjes op de brug Edvard Munch

Bruggen bekijken, een wandeling.

Zo ver zal Bommel niet zijn om er met Martinus Nijhoff naar de brug te gaan kijken, en twee overzijden te zien die elkaar schenen te vermijden maar buren werden, maar waar ik woon kun je ‘onder’ de bruggen lopen, op vaste grond voor degenen die aan wonderen dachten. Onder drie bruggen, eentje voor het autoverkeer, twee voor treinen. Je hebt dus duidelijk andere bedoelingen: je wilt niet dadelijk naar de overkant, maar onderduiken. De drukte speelt zich boven je hoofd af.

De weglopende lijnen naar een onzichtbaar verdwijnpunt worden door eens-witte palen gestut. Je ziet de dichtsbije rij als een soort hekken waarachter de volgenden steeds kleiner worden. De brug als dak boven je hoofd. De nabijheid van het water doorbreekt de strengheid van de constructie. Het stroomt de andere kant uit, draagt de binnenschepen, is dichtbij nu en dan hoorbaar. Onverstoorbaar ook.

Lege vlakken nodigen uit tot schriftuur. De mededeling dat van een met naam genoemde een onderdeel des mensen schijnt gezien te zijn wat in de wandeling niet zichtbaar is maar in dat zogenaamde ‘onbewaakte ogenblik’ toch aan een blik werd prijsgegeven. Een vaststelling die nog in ongeschoold taalgebruik is achtergelaten. Het water stroomt ongestoord verder. Boven razen de auto’s voorbij.

Als kind was ik bang van bruggen. Onze buren waren door de reling van de Wijnegemse voorlopige naoorlogse brug gereden en verdronken. Bij de koopdag waar hun nagelaten goederen openbaar verkocht werden kreeg het droevige verhaal een extra dimensie. Een vijfjarige begint de eindigheid van het bestaan gewaar te worden. In de donkere auto, op weg naar huis, was elke brug een marteling. Maar dat heb ik nooit iemand verteld toen.

Zie je de drie duiven op de verkeersplaat zitten? Het is er rustig. De fietsen vinder er ook onderdak. De oude treinbrug als gebuur. Daar dondert metaal op metaal voobij op vaste tijdstippen. Het licht als brug tussen twee donkere werelden.

Schuil je onder de spliksplinternieuwe treinbrug dat heb je een mooi uitzicht op de andere bruggen. Een wandelaar is bij het water gaan zitten. De zon trekt strepen langs de oever en in het water.

Een landschap met geschiedenis. De sjieke nieuwe brug als een soort uitgerokken damesschoen, daarboven de boog van de oude en de pijlers van de verkeersbrug. Zie je, het was een eerste lentedag. Veegjes wolk in de lucht en tinten groenblauw in het water. Foto genomen van op de kantelbare brug die zich geduldig kan opheffen om schepen vrije doorvaart te geven.

Een brug bedenken. De ongenaakbaarheid van het water verzoenen met de sierlijkheid van een verbinding. De oude angsten oplossen in het gedragen worden over de donkerte van het water.

Maar de woorden zwijgen niet: Adam Zagajewski (1945-2021)

Adam Zagajewski. Op 21 maart, dat is eergisteren overleden, deze Poolse dichter met internationale uitstraling. Zijn bio zul je veelvuldig aantreffen, dus dachten wij hem te eren met enkele gedichten waarin zijn moeder, vader en zijn levensdoel aan bod komen. Ook dichters hebben ouders. Dus ook een vader-moederland dat in hun werk uitgroeit tot ons allerland. Hijzelf vertelt zelf kort over elk onderwerp.

nu jij je geheugen kwijt bent

[Voor mijn vader]

Nu jij je geheugen kwijt bent
en enkel nog radeloos kunt glimlachen,
zou ik je willen helpen – ooit heb jij immers
als demiurg mijn verbeelding geopend. 
Ik herinner me onze trektochten, wolken van wol
die laag boven een zompig bos in de bergen voeren
(in dat bos kende je elk paadje), alsook
de zomerdag waarop we aan de Oostzee
de top van een hoge vuurtoren beklommen
en naar het eindeloze golven van de zee bleven kijken,
haar witte steken als rijgdraden aan flarden gereten.
Ik zal dat moment niet vergeten, ik denk dat ook jij toen
ontroerd was – het leek wel of we de hele wereld zagen,
grenzeloos, rustig ademend, blauw, volmaakt,
duidelijk en mistig tegelijk, nabij en ver;
we voelden de rondheid van deze planeet, we hoorden meeuwen
die zich loom zwevend vermaakten
in de warme en koele stromen van de lucht.
Ik kan je niet helpen, ik heb maar één geheugen.

Uit: Niewidzialna ręka (De onzichtbare hand), 2009

Vertaling: Kris van Heuckelom
over mijn moeder

Over mijn moeder zou ik niets kunnen zeggen –
hoe ze steeds weer herhaalde: ooit zal het je spijten
als ik er niet meer zal zijn, en hoe ik niet
geloofde in “niet” of “meer zal zijn”,
hoe ik graag toekeek als ze een hippe roman las
en meteen het laatste hoofdstuk opensloeg,
hoe ze in de keuken, een plek die haar
niet zinde, zondagse koffie maakte
of, erger nog, filet van kabeljauw,
hoe ze wachtend op gasten in de spiegel keek,
met een gezicht dat haar ervoor behoedde
haar ware zelf te zien (wat ik, schijnt het,
van haar geërfd heb, met nog enkele andere zwakheden),
hoe ze nadien vrijuit discussieerde over zaken
die niet haar forte waren en hoe ik haar flauw
bleef plagen, zoals toen ze zich
met de doof wordende Beethoven vergeleek,
en ik kwaadwillig zei: maar weet je, hij had
wel talent, en hoe ze me alles vergaf
en hoe ik me dat herinner, en hoe ik uit Houston naar
haar begrafenis vloog, en hoe ik niets kon zeggen,
en dat nog steeds niet kan.

Uit: Wiersze wybrane (Uitgelezen gedichten), 2010

Vertaling Kris van Heuckelom
On a basic level, like many writers I have my periods of silence. And I notice that music doesn’t speak to me during these periods, or it does but in a very diminished way. When I have my good periods of writing it’s like an opening of everything — also of music. I feel like music is a cousin in the world of imagination, and it’s also for me a proof that I’m alive again. I have this mystical notion that there’s this kind of energy in music and poetry and painting, and while this energy has totally different ramifications and methods of expressions, at bottom there’s something common. 

I’m not a philosopher so I don’t need to have a name for it, but there’s this commonality of art, this common denominator, this energy. You know, painting is very important too, but in my everyday work music is more important because it’s there, it’s in my room.  (hyperallegic)
Soprano: Isabel Bayrakdaraian, Sinfonietta Cracovia, conducted by John Axelrod.
Taken from “HOLOCAUST – A Music Memorial Film from Auschwitz”. For the first time since its liberation, permission was granted for music to be heard in Auschwitz and a number of leading musicians were brought there to perform music for the film.
Probeer de verminkte wereld te prijzen.
Denk aan de lange dagen van juni,
en wilde aardbeien, druppels wijn, de dauw.
De brandnetels die methodisch overwoekeren
de verlaten hofsteden van bannelingen.
Je moet de verminkte wereld prijzen.
Je keek naar de stijlvolle jachten en schepen;
een van hen had een lange reis voor de boeg,
terwijl de zilte vergetelheid op anderen wachtte.
Je hebt de vluchtelingen gezien die nergens heen gingen,
je hebt de beulen vrolijk horen zingen.
Je zou de verminkte wereld moeten prijzen.
Denk aan de momenten dat we samen waren
in een witte kamer en de vitrage bewoog.
Keer in gedachten terug naar het concert waar de muziek losbrak.
Je verzamelde eikels in het park in de herfst
en bladeren wervelden over de littekens van de aarde.
Prijs de verminkte wereld
en de grijze veer die een lijster verloor,
en het zachte licht dat afdwaalt en verdwijnt
en terugkeert.
In het eerste nummer van The New Yorker na 11 september 2001 stond op de achterpagina alleen dit gedicht van de Poolse dichter Zagajewski afgedrukt (Try to praise the mutilated world ), een gedicht dat een jaar eerder in het Pools was verschenen.
Self-Portrait

Between the computer, a pencil, and a typewriter
half my day passes. One day it will be half a century.
I live in strange cities and sometimes talk
with strangers about matters strange to me.
I listen to music a lot: Bach, Mahler, Chopin, Shostakovich.
I see three elements in music: weakness, power, and pain.
The fourth has no name.
I read poets, living and dead, who teach me
tenacity, faith, and pride. I try to understand
the great philosophers--but usually catch just
scraps of their precious thoughts.
I like to take long walks on Paris streets
and watch my fellow creatures, quickened by envy,
anger, desire; to trace a silver coin
passing from hand to hand as it slowly
loses its round shape (the emperor's profile is erased).
Beside me trees expressing nothing
but a green, indifferent perfection.
Black birds pace the fields,
waiting patiently like Spanish widows.
I'm no longer young, but someone else is always older.
I like deep sleep, when I cease to exist,
and fast bike rides on country roads when poplars and houses
dissolve like cumuli on sunny days.
Sometimes in museums the paintings speak to me
and irony suddenly vanishes.
I love gazing at my wife's face.
Every Sunday I call my father.
Every other week I meet with friends,
thus proving my fidelity.
My country freed itself from one evil. I wish
another liberation would follow. 
Could I help in this? I don't know.
I'm truly not a child of the ocean,
as Antonio Machado wrote about himself,
but a child of air, mint and cello
and not all the ways of the high world
cross paths with the life that—so far—
belongs to me.
He published his first poem in 1967. A year later he helped found Teraz, a poetry group inspired by the police suppression of protests against government anti-Semitism. He and Julian Kornhauser, another member of the group, wrote a manifesto for the so-called New Wave of avant garde poets in 1974 urging his generation to avoid allegories, embrace realism and “speak the truth you serve.”

Referring to his departures from Lvov and later Krakow, Mr. Zagajewski said: “I lost two homelands, but I sought a third: a space for the imagination.” (NY Times 25 mrt 2021)
In a 2017 essay titled “Slight Exaggeration,” Mr. Zagajewski recounted that one of his father’s callings was to comfort his mother. On Sept. 1, 1939, he wrote, when the Germans invaded Poland and the bombs began to burst everywhere, Tadeusz Zagajewski went so far as to assure his wife that the attacks were “‘just air force exercises. … Nothing to upset us. … There won’t be a war’ — these were my father’s historic words, by which he granted his wife, my mother, an extra 15 minutes of peace.”

“He prolonged the interwar era by a quarter of an hour especially for her.”

In retrospect, his father called his words a slight exaggeration, “a good definition of poetry,” Adam Zagajewski wrote, “until we make ourselves at home in it.”

“Then it becomes the truth,” he added. “But when we leave it again — since permanent residence is impossible — it becomes once more a slight exaggeration.” (ibidem 25 mrt 2021)
Adam Zagajewski, at his home in Krakow in 2017.LISBETH SALAS

‘Open en dicht’ ma non troppo

(eigen foto’ s 2021)
Te koud voor de tijd van het jaar.
Een zacht trompetstootje in de regen.
Ontvouwt -ma non troppo-
de eerste ronding van de klimhortensia
om fijn getand en zacht generft daarna
de blaadjes uit te strekken.

Hier landen licht en lucht
een zomer lang. 
Tot herfst hen kleur en vleugels geeft
om eens beneden
in traag vergaan
wortels kracht te schenken.

Het nieuwe pronkt steeds 
door wat het oude achterliet.
gmt 2021

Je staat erbij en kijkt er naar. De lens als geheugen. Zelfs regen voel je niet, hij traant op de kleine blaadjes. Het is een bekend gevoel maar het went nooit. Je liefste zegt dat het één van de redenen is waarom je niet wil sterven: dit te missen. Hoe bekender de kringloop van open- en dichtgaan, van ontstaan en verdwijnen en weer verschijnen, elke isolatie ervan is een leugen: de schittering van de jeugd, de verrimpeling van de ouderdom. In hun kringloop krijgen zij hun ware betekenis.

Maartlucht

Maartlucht, die er tegelijk
zo scherp als glas
en zo ontvoerend zijn kan.

O, de bezieling, zijnde in de bezwaren
anders nooit betrokken streken
en schuilgelegen uitzicht

te brengen vondsten fonkelend en schaars:
de moeilijkheden zijn de kans der kunstenaars.

J.H. Leopold (1865-1925)

In het associërende denken is de grens tussen tegenstellingen onbestaande: ze roepen elkaar op zoals ik dezelfde dag van de foto’s in de voorjaarsregen bij het handboek voor slotenmakers uitkwam, geschreven door meester slotenmaker Jousse Mathurin (1575?-1645)

'La fidelle ouverture de l'art de serrurier , où l'on void les principaulx préceptes, desseings et figures touchant les expériences et opérations manuelles dudict art.' 

En zoals je kunt merken zijn de sleutels kostbare kunstwerken geworden die op net zo kunstige sloten passen, fraai maar degelijk. In het handboek vind je ingenieuze vindingen om het de ongewilde openers ten zeerste moeilijk te maken. Maar de meester heeft ook oog voor de welstellenden die niet zo goed te been zijn en ontwierp in datzelfde boek een soort ‘rolstoel-met-zelfbediening en weet ook een oplossing voor de medemens die een ledemaat mist. Of hoe je als meester-sluiter toch de nodige openingen voorziet. (of de ontstane ‘openingen’ opvult!)

Het zijn deze tegenstellingen tussen ‘openen’ en ‘sluiten’ die het menselijke brein alle richtingen kan uitsturen en waarmee bvb. een oorlog een schat aan nieuwe wetenschappelijke inzichten (nadien) kan opleveren, ongepland weliswaar maar alvast niet ‘tot nu van ’t algemeeen’ bedacht. Neem ik je terug mee naar de prachtige jonge blaadjes en knoppen van de klimhortensia dan sta je voor diezelfde mengeling: geen schoonheid kan zonder een idee aan het voorbijgaan, verlies, verval. Ik zeg niet dat daardoor ‘genieten’ onmogelijk wordt, integendeel. Het pijnlijke legt vaak de verbinding met de essenties van ons bestaan op dit eerder klein planeetje. Het maakt het afscheid er niet minder pijnlijk om maar verbindt ons met een grotere kringloop dan die van het eigen ikje, denk ik. Luister naar de prachtige aria ‘As steals the morn upon the night’ van George Fr. Händel (1685-1759) gezongen door Mark Padmore & Lucie Crowe. en dit is de tekst:

Il Moderato (soprano & tenor)

As steals the Morn upon the Night
And melts the Shades away,
So Truth does Fancy's Charm dissolve,
And rising Reason puts to flight
The Fumes that did the Mind involve,
Restoring intellectual Day.

Chorus:Thy Pleasures, Moderation give;
In Them alone we truly live
De zedenles is nog afkomstig uit de late barok al zou het 'moderato' best passen bij mijn 'ma non troppo', maar je kunt het ook weer omkeren en de voorbije dag in de zachte nacht laten oplossen. Maar hier is het een loflied voor 'de rede'  die de dampen van de nachtelijke wanen en angsten oplost , restoring intellectuel day. Het denken dat ons tot gematigdheid aanzet, een mooie aansporing in deze bange dagen waarin we het redelijke makkelijk door begrijpelijke angsten onderdrukken. Maar het komt allemaal goed in het licht van die schitterende morgen. 
Zoals de morgen in de nacht sluipt
En de schaduwen wegsmelten,
Zo lost de waarheid de charme van de fantasie op,
En de rijzende rede laat de dampen
Die de geest betrokken vluchten,
En herstellen het verstand in de dag.

Refrein: Uw genoegens, schenk gematigdheid;
In hen alleen leven we echt.

En om te eindigen met een mooie herinnering wil ik je toch graag het gedicht ‘What are we folding when we are folding laundry in quarantine’ van Sarah Ruhl meegeven. Ze is poëte, theaterschrijfster, essayist. En toen ik haar gedicht las, dacht ik aan mijn jeugd waar ik soms door mijn moeder werd meegetroond naar de linnenkamer om er de net gewassen en gedroogde lakens te helpen opplooien. En waar ik, net zoals meer onhandige soortgenoten, dan te vroeg de dichtgeplooide helft losliet zodat…

What are we folding when we are folding laundry in quarantine

Standing four feet apart,
you take one edge of the sheet,
I take the other.

We walk towards one another,
creating order.

Like solemn campers folding a flag
in the early morning light.
But this is no flag.
This is where we love and sleep.

There was a time we forgot to do this—
to fold with and toward one another,
to make the edges clean together.

My grandmother might have said:

There is always more laundry to do–
and that is a blessing because it means
you did more living
which means you get to do more cleaning.

We forgot for a while
that one large blanket
is too difficult for one chin to hold
and two hands to fold alone—

That there is more beauty
in the walking toward the fold,
and in the shared labor.

Sarah Ruhl
Wat zijn we aan het vouwen als we de was aan 't vouwen zijn in quarantaine

Staand vier voet uit elkaar,
neem jij de ene kant van het laken,
ik neem de andere.

We lopen naar elkaar toe,
scheppen orde.

Als plechtige kampeerders die een vlag vouwen
in het vroege ochtendlicht.
Maar dit is geen vlag.
Dit is waar we liefhebben en slapen.

Er was een tijd dat we vergaten dit te doen-
om met en naar elkaar te vouwen,
om de randen netjes op elkaar te laten aansluiten.

Mijn grootmoeder zou gezegd kunnen hebben:

Er is altijd meer was te doen...
en dat is een zegen want het betekent
dat je meer geleefd hebt
wat betekent dat je meer kunt schoonmaken.

We vergaten een tijdje
dat één grote deken
te moeilijk is voor één kin om vast te houden
en twee handen te weinig om alleen te vouwen-

Dat er meer schoonheid is
in het lopen naar de vouw,
en in gedeelde arbeid.

Sarah Ruhl

Sarah Ruhl is a playwright, essayist and poet. She is a MacArthur “Genius” Award recipient, two-time Pulitzer Prize finalist, and a Tony Award nominee. Her book of essays, 100 Essays I Don’t Have Time to Write, was published by FSG and named a notable book by The New York Times. Her book Letters from Max, co-authored with Max Ritvo and published by Milkweed Editions, was on the The New Yorker’s Best Poetry of the Year list. 

Her plays include For Peter Pan on her 70th Birthday; How to Transcend a Happy Marriage; The Oldest Boy; Stage Kiss; Dear Elizabeth; In the Next Room, or the Vibrator Play; The Clean House; Passion Play; Dead Man’s Cell Phone; Melancholy Play; Eurydice; Orlando; 
Late: A Cowboy Song, and a translation of Chekhov’s Three Sisters. 

Her plays have been produced on and off Broadway, around the country, and internationally, where they’ve been translated into over fifteen languages. She has received the Susan Smith Blackburn Prize, the Whiting Award, the Lilly Award, a PEN award for mid-career playwrights, the National Theater Conference’s Person of the Year Award, and the Steinberg Distinguished Playwright Award. She teaches at the Yale School of Drama, and lives in Brooklyn with her family. 
Maurice Denis De strandkabine

To mediate and communicate our own desires and selves: Michael Stamm (1983)

Narcissus, 2020
Oil and acrylic on canvas wrapped panel with artist’s frame
50 x 30 inches

Het is niet noodzakelijk ‘autobiografisch’ zegt Michael Stamm, jaargang 1983. Mijn ontmoetingen met de meest intieme dingen, -klinkt mooier in het Engels-: ‘…things most intimate to me.’

Hoe de eenvoud van het aanraken van dingen, zowel letterlijk als figuurlijk, een complex en diep gevoeld verlangen verbergt naar verbinding met en begrip van de buitenwereld en haar constellatie van ondoorgrondelijke objecten en principes.

Over dat complexe en het diep gevoelde verlangen naar verbinding gaat het in zijn werk, de eerste maanden van 2021 nog tentoongesteld in de Shulamit Nazarian gallery in Los Angeles USA. (zie onderaan) Ook de titel vertelt een verhaal: ‘So Super Sorry Sir!‘, duidelijk een verwijzing naar een vernederend moment op de highschool waar zijn homofobische geschiedenisleraar hem voor heel de klas de titel laat uitspreken. Hij vertelt het zelf in het kleine interview onderaan.

Gay Dead Satan, 2020
Oil and acrylic on canvas wrapped panel with artist’s frame
42 x 32 inches
The Devil appears as a surrogate for various archetypes––a conspiratorial friend, a scorned enemy, or at times, the artist himself. He is at once a foe to be vanquished and a sly, picaresque hero, providing an infinite set of entry points for the viewer to project their own definitions of “right” and “wrong”. In the titular painting of the show, “so super sorry sir!”, the Devil takes the role of a hysterical martyr, at once offering his patriarchal tormentor a flower, while stabbing himself with a sword. The painting reimagines a memory of a forced apology extracted from the artist by a homophobic teacher. Instead of flatly submitting, the Devil flamboyantly and sibilantly disobeys. 
Deploying icons of the Virgin Mary interspersed with images of historical gay villains, the work indulges both the aggression of sarcastic defiance and the kinky masochism of self-flagellation. 

Throughout the exhibition, the Devil, ever at odds with his environment and always nude, exuberantly plays out the iconoclasm of being a queer person. This dissonant, ever changing position associated with queerness may deny an easily resolved identity or moral stance but, ironically, is exactly what allows for the possible reconciliation of conflicting desires. (Shulamit Nazarian)

MICHAEL STAMM
“so super sorry sir!”, 2020
Acrylic, pumice, photocollage on canvas wrapped panels with artist frame
40 x 30 inches
De duivel verschijnt als surrogaat voor verschillende archetypes - een samenzweerderige vriend, een geminachte vijand, of soms, de kunstenaar zelf. Hij is tegelijk een vijand die moet worden overwonnen en een sluwe, picareske held, en biedt de toeschouwer een oneindig aantal aanknopingspunten om zijn eigen definities van "goed" en "fout" te projecteren. In het titelschilderij van de tentoonstelling, "so super sorry sir!", kruipt de duivel in de huid van een hysterische martelaar die zijn patriarchale kwelgeest een bloem aanbiedt, terwijl hij zichzelf met een zwaard neersteekt. Het schilderij stelt een herinnering voor aan een gedwongen verontschuldiging die de kunstenaar werd opgedrongen door een homofobe leraar. In plaats van zich zonder omhaal te onderwerpen, is de duivel op flamboyante en sibilistische wijze ongehoorzaam.  Door het gebruik van iconen van de Maagd Maria, afgewisseld met beelden van historische homoseksuele schurken, geeft het werk zowel toe aan de agressie van sarcastische opstandigheid als aan het kinky masochisme van zelfkastijding.  
MICHAEL STAMM
Devil’s Dodge, 2020
Acrylic and paper collage on canvas wrapped panel with artist’s frame
42 x 32 inches
Doorheen de tentoonstelling speelt de duivel, altijd in conflict met zijn omgeving en altijd naakt, op uitbundige wijze het iconoclasme van het queer-zijn uit. Deze dissonante, steeds veranderende positie die met queerness wordt geassocieerd, ontkent misschien een gemakkelijk op te lossen identiteit of morele houding, maar ironisch genoeg is dat precies wat de mogelijke verzoening van tegenstrijdige verlangens mogelijk maakt. (Shulamit Nazarian) 
MICHAEL STAMM
Submission, 2020
Oil, acrylic and oil stick on canvas with artist frame
30 x 23 inches
As a painter I try to speak plainly, though not necessarily autobiographically, about my encounters with the things most intimate to me. I attempt to depict how the simplicity of things touching, both literally and figuratively, belies a complex and deeply felt yearning to connect to and understand the exterior world and its constellation of inscrutable objects and principles. 
Arrays of hands and bodies, limbs and stalks, contorted in expressive but unintelligible ways, enact on a personal scale the herculean effort we exert—physically, existentially, emotionally— to mediate and communicate our own desires and selves in the face of such a world. 

And often, ever drawn toward all things that simultaneously elicit my deepest affection while remaining at the perimeter of my grasp and comprehension, I elect to paint portraits of cats, flowers, artfully decorated fingernails. My tendency toward narrative permits these indulgences, cherishing those minor, quotidian things that nonetheless channel our most utterly sentimental and complex energies.
MICHAEL STAMM
Forgive Me, Kitty, 2016
Oil and acrylic on linen
60 x 54 inches
Michael Stamm (b. 1983) was raised in Evanston, Illinois. He received his BA from Wesleyan University and an MA in English Literature from Columbia University before earning an MFA from New York University in 2016. He has also attended the Skowhegan School of Painting and Sculpture. Stamm’s first solo exhibition, Just Like This Please was presented at Thierry Goldberg Gallery, New York in 2016. His work has also been shown widely in group exhibitions, amongst them shows at Underdonk, Brooklyn, ASHES/ASHES, Los Angeles, and Galerie Tobias Naehring, Leipzig. Residencies include the Mountain School of Arts, Los Angeles (2017) and Yaddo (2016), and the Vermont Studio Center (2016), where he was awarded the John Imber Painting Fellowship. The artist lives and works in Brooklyn, New York.
MICHAEL STAMM
Ketamine, 2020
Acrylic and photo-collage on canvas wrapped panel with artist frame
32 x 45 inches

Stamm is a fabulously eccentric image-maker who loves to warp history. His paintings are playful and sharp in all the ways we expect a contemporary artwork to be. But they’re also fussy, sentimental, and stubbornly old-fashioned—a great deal better than clever, and so much more gratifying than “cool.” (Artforum Alex Jovanovich 4/1/2018)

MICHAEL STAMM
April 14, 2018, 2020
Oil and acrylic on canvas wrapped panel with artist’s frame
50 x 30 inches
In the painting April 14th, 2018, the literal representation of Walt Whitman’s text Leaves of Grass, connoting sensual praise of the human condition, contrasts the painting’s depiction of the death of well-known LGBTQ rights lawyer David Buckel. Here, two men luxuriate in a post-coital glow while reading poetry to one another, their bourgeois interior punctuated by a lap dog, orchids and a bottle of poppers. Through the window and the tangle of body parts is the central focus of the painting: a man participating in self immolation as a final act of social and political protest. The friction of the two scenes questions what acts of radical opposition lay on the margins of queer intimacy and history—what hardness may, tragically, make queer intimacy possible. This painting, like many others in the show, attempts to complicate what acts we see as good, what feelings are worth celebrating, and what characters we ought to commemorate.
MICHAEL STAMM
ECT, 2020
Oil and acrylic on canvas wrapped panel with artist’s frame
45 x 32 inches

https://www.shulamitnazarian.com/artists/69-michael-stamm/

Drawing at once from design, literature and autobiography, Michael Stamm probes the need for genuine human relationships in a world that is somehow both increasingly interconnected and deeply alienated.  Exploring themes of identity, physical and spiritual wellness, self-actualization and self-doubt, Stamm’s practice playfully oscillates between distanced, abstract contemplation and erratic, self-conscious confession. Stamm’s paintings and drawings critically consider the popular tenets of our time with a wry sincerity, reconciling hope and skepticism in an era that requires large doses of both. (Shulamit Nazarian L.A.)

Teksten zijn een veel gebruikt onderdeel in zijn werk, de tekst niet alleen als boodschap of verwijzing, maar ook als ‘sprekende’ grafiek of niet zo makkelijk te ontcijferen inhoud omdat hij ondersteboven of in spiegelschrift aanwezig is. Hij hoort bij de beweging, niet bij de decoratie. Het ontcijferen is een onderdeel van zijn gehele werk, een opgave waaraan wij mogen deelnemen zonder de verzekering dat we er dadelijk wijzer van worden, maar wel deelgenoot van zijn zoeken kunnen zijn. Het werk ‘Shade’ hieronder waarin het personage letterlijk doorstreept is, wordt misschien de volgende stap.

Shade 2016 Oil on acrylic 48 x 36 inch
Stamm’s paintings frequently feature unlikeable, unhappy or otherwise unconventional protagonists, tending towards displays of narcissism and melodrama, excessive vanity and preening, and occasional misanthropy. Simultaneously, the paintings depict these characters as curious, sympathetic and deeply self-conscious, suggesting that their flaws conceal great vulnerability, warmth and humanity. (Art likeyou network)
B12 (2017) Portret van zijn therapeut
 While other young gay painters often trade in erotic imagery, Stamm sublimates the libidinal drive in more cerebral activity, coding quotidian objects with queer history and imbuing them with the status of archetypes. The blood-red liquid and medicine dropper in B12, for instance, could be read as an allusion to the history of HIV/AIDS. With a proliferation of patterns, references, and visual effects, moderated by a uniform surface, Stamm produces paintings that, though restrained, are richly evocative. (Eric Sutphin, Art in America, january 2017)

MICHAEL STAMM United States, b. 1983
Deedee’s Om, 2018
Oil and acrylic on canvas wrapped panel
40 x 30 inches

Voorlopig is Michael’s website verdwenen. Kijk naar het kleine interview hieronder en herbekijk zijn werk, vul het aan met werk dat je makkelijk via zijn naam kunt vinden. Ik denk niet dat hij een makkelijk leven heeft, dat hij oprecht zoekt naar een balans waarin zijn eigenheid en de vreemde tijd waarin wij leven nieuwe evenwichten kunnen opleveren. Ons aan elkaar meedelen is niet eenvoudig. Aanvaard te worden zoals wij zijn en te aanvaarden wie de anderen zijn een moeilijke opgave in de zenuwachtigheid van het opgehokte leven. Als ook nog je eigenheid een isolatie is mag je hopen dat je werk opgemerkt wordt als een poging om niet alleen erkend maar ook herkend te worden als medebewoner van deze ingewikkelde maar ongemeen boeiende planeet als thuis voor de veelsoortigen die haar even bewonen.

Stamm works with ambiguous narratives, spotlighting seemingly self-involved characters fulfilling their quotidian duties. The work captures moments of contemplation and self-consciousness, as if the characters are waiting for an epiphany, in the meantime seeking answers and insight from their cats. (The current season)
“Yet I have a Feeling, (Kitty) Michael Stamm acrylic and oil on canvas

‘Wat de verkoop bevordert’ een kortverhaal

Hij moest nog twaalf worden toen hij ontdekte dat het dure Oosterse tapijt niet met Perzische maar wel met Turkse knopen was gehaakt, een bevinding die hij met allerlei degelijke artikelen, door hem via het internet bijeengebracht, kon staven.
‘Het is niet eens moeilijk. Gewoon een kwestie van tot twee kunnen tellen.’ Tapijtverkopers weten waarom. Wetenschap verkoopt.

Op school was hij de glimlachende criticus die met een scherp vingertje een detail aanwees dat later de kern van een foute redenering bleek te zijn.
De wiskundige vraag of je met één pot rode verf een oneindig oppervlak helemaal zou kunnen schilderen en welk oppervlak daarvoor in aanmerking kwam, kon hij onmiddellijk beantwoorden met de intussen beroemd geworden ‘trompet van Toricelli’.
‘Ze heeft immers een eindig volume, maar een oneindig oppervlak. Je giet de verf in de trechter van de trompet. Torricelli, ook al was zijn voornaam Evangelista, vond het een grote paradox en had toen nog niet de mogelijkheden om de stelling helemaal te begrijpen. Hij heeft dan maar samen met Galileo aan de telescopische astronomie gewerkt en een barometer uitgevonden. Mooi was dat zijn trompet ook wel ‘de hoorn van Gabriël’ werd genoemd, instrument waarop God de dag des oordeels zou aankondigen.
Of de klank van de geverfde trompet aardser zou klinken? Een mix van hemel en aarde verkoopt wel beter.

Bijna volwassen sprak hij vaak over het wonderlijk boek ‘Platland’ (Flatland) van een zekere Edwin A. Abott (1838-1926) Deze geestelijke, een voormalig schoolhoofd, schreef het om daarin te vertellen over contacten tussens wezens die toegang hadden tot verschillende ruimtelijke dimensies. (Het boek is nog altijd populair onder wiskundestudenten en wordt nuttig geacht voor iedereen die verbanden tussen zulke dimensies bestudeert.)


'De tweedimensionale bewoners van Platland beseffen niet dat er rondom hen nog een hogere dimensie bestaat. Konden wijzelf in die wereld kijken dan zouden we alle inwendige structuren ervan kunnen zien. Net zoals een wezen dat toegang heeft tot een vierde dimensie in onze lichamen kan kijken en een tumor zou kunnen verwijderen zonder de huid te doorboren. Mocht je een Platlander uit de gevangenis bevrijden dan kun je hem omhoog tillen en elders in Platland plaatsen. Dat zou door de Platlanders als een wonder worden ervaren; ze kennen immers het begrip 'omhoog' niet.'

En of hij vanuit een vierde dimensie de derde beter kon verkopen?

Kwam hij bij de planning van een sociale woonwijk niet te voorschijn met ‘het duiventilprincipe’ waarmee Johann Peter Gustav Lejeune Dirichlet een eenvoudige stelling naar voren schuift:

'"Als een aantal duiven in gaten in een duiventil moeten,
en er zijn meer duiven dan gaten,
dan moeten er in minstens één gat twee duiven."

…waarmee niet bewezen moest worden dat het goedkoper is met twee gezinnen in één huis te wonen maar waarmee er vooral kansrekeningen kunnen worden gemaakt om makkelijker ‘bepaalde mensen’ of ‘mensen van een bepaalde soort’ (geheel onwiskundig) te kunnen uitsluiten of te bevoordelen, u zegt het maar. Wetenschap verkoopt.

Tenslotte moet hij ‘de noodwendigheid’ van zijn keuzes enigszins ‘wetenschappelijk’ duiden zodat elke verdenking van persoonlijk gewin op de geduldige rug van het denken werd getorst. Niets zo fraai als ‘een paradox’, een kennelijke tegenstrijdigheid die zijn ‘onmacht’ en zielezuiverheid zou uitschreeuwen zoals dat in de kranten heet. Dilemma’s zijn hete handelswaar in de geschiedenis.

'In een dorp staat op het uithangbord van een barbier te lezen: “Ik scheer alle mannen van het dorp die zichzelf niet scheren.” Een klant vraagt hem terloops of hij zichzelf scheert.De barbier staat voor een  dilemma.  Als  hij  zichzelf  scheert,  dan  is  dit  in  tegenspraak  met  het  feit dat hij enkel de mannen van het dorp scheert die zichzelf niet scheren. Dus zal hij zichzelf blijkbaar  niet  scheren.  Maar  aangezien  hij  alle  mannen  van  het  dorp  scheert  die  zichzelf  niet  scheren, is hij één van die mannen. Daarom zal hij zichzelf dan weer wel scheren.

De combinatie van zijn nieuwsgierigheid naar de ‘andere’ dimensies aangevuld met zijn ‘realpolitieke neigingen’ vormden een uitstekende basis om de massa aan zich te binden.
Het slimme ventje werd een gecamoufleerde volksverlakker. De kleur van de lak kon aan het seizoen en de wisselende meerderheden worden aangepast.
Boeken lezen?
Wil je ook windmolens gaan bevechten?

Gedegen onderzoek bevordert de verkoop. Zelfs kennis van wiskunde kan van pas komen.

Kunst en identiteit, tenslotte.(3)

Léon Frederic Rododendron in bloei

Niet makkelijk om temidden van de discussies over kunst en identiteit, over wat mag en zeker niet meer mag, wat kan en zeker niet meer kan, een onafhankelijke duidelijke weg te vinden waarin het kunstwerk centraal blijft staan en niet de modische opvattingen van toen en nu daaromtrent. Dat was blijkbaar al einde negentiende, begin twintigste eeuw ook een probleem. Frederic’s werk zou in hoge mate aanleunen bij het naturalisme van Bastien-Lepage en daardoor van de eigen (Belgische) kunstwortels vervreemden. Te weinig coloriet, te weinig aansluiting bij de kunstvaderen van weleer, enz. Er werd dan een soort naturalisme met symbolische elementen uitgevonden, het neologisme ‘naturisme’ en de man in kwestie -hij zou later baron worden- kon opnieuw toegejuicht worden als ware Belgisch kunstenaar gezien er weer duidelijk bij de ‘Vlaamse’ voorgangers kon aangesloten worden. (alsof het gebruiken van een drieluik voldoende was om een verband met de Vlaamse Primitieven en Co te kunnen zichtbaar maken!) En laat het nu net die evolutie zijn die zijn werk isoleerde en het waarschijnlijk in de latere tijden van ons vervreemdde. Zoals Urbain van de Voorde in 1962 in het tijdschrift ‘Vlaanderen’ het had over het sociaal aspekt in de plastische kunsten in Vlaanderen van 1860 tot heden:

L’ age d’ or (vergroot door op l’ age d’ or te klikken)
Moet men ook Léon Frederic tot de schilders rekenen die de maatschappelijke kant van het leven in hun kwast hebben betrokken? Deze eens gevierde, maar blijkbaar overschatte kunstenaar is in elk geval als realist begonnen, en zijn groot triptiek De krijtventers alsmede zijn suite van vijf taferelen De levensgetijden van de landman behoorden jarenlang tot de pronkstukken van het Modern Museum te Brussel. In het werk van Frederic dat, zeer ongelijk, spoedig in overtuigingskracht is verminderd, behoren ze tot het knapste dat hij heeft voortgebracht: kloek kompromisloos realisme, wat zwaar op de hand wellicht maar niettemin verbluffend levensnabij. 

Niets geestelijks drenkt die levensaspekten, wat eigenlijk verwondert bij iemand die later niet enkel symbolische en zelfs religieuze werken zou voortbrengen. Maar hier houdt hij zich streng aan de naturalistische recepten en het is hem zowel in bovenvermelde als in andere met analoge tema's vermoedelijk meer te doen om het motief dan om het sociaal moment dat het zou kunnen vertegenwoordigen. (p 156)

Een voor mij onbekend werk (indien werkelijk van zijn hand, ik twijfel sterk) met moeilijk leesbare datum (? 1934) hierboven laat vermoeden dat na de jaren 1910 de kunstenaar toch nog voeling had met de motieven waarmee hij in het begin van zijn carriere duidelijk de aandacht trok. Het lot van de eenvoudige mens. De landman, de arbeider. De kinderen. Benjamin Foudral heeft in zijn studiewerk al laten horen dat er nog heel wat moet ontsluierd en bestudeerd worden: documenten, brieven, een kritische catalogus van zijn werk en onderzoek naar de verspreiding ervan. Zo vond ik een mooi werk in een collectie zonder verdere verwijzigingen maar het zou inderdaad best van zijn hand kunnen zijn. Grootmoeder onder de rozelaar terwijl de kleinkinderen tussen de kippen spelen . De blaadjes van de rozelaar liggen op het dekentje dat haar oude lichaam moet verwarmen.

Een gekweld man? Zijn Studio-Interior van 1882 laat het vermoeden:

Studio Interior 1882
Het zeer conventionele verhalende schilderij van oma in de tuin naast zijn buitengewone Studio Interieur (1882) hierboven, dat een gefantaseerd zelfportret lijkt te zijn waarin de kunstenaar naakt is met een skelet op zijn schoot. Dit laatste is gekleed in onderkleding met een lange sterrensluier erover. Zijn palet en penselen staan rechtsonder, en zijn kleren - waaronder een hoge hoed - zijn op stoelen gedrapeerd.Het jaar daarop verhuisde Frédéric naar de Belgische Ardennen, van waaruit hij herhaaldelijk naar Groot-Brittannië, Duitsland en Nederland reisde en er zijn reputatie vestigde.    

Frédéric's werken uit het begin van de jaren 1890 concentreerden zich bijna uitsluitend op symbolistische onderwerpen. Zijn kunstwerken werden geprezen door zijn collega Belgische kunstenaar, Fernand Khnopff in The Studio, het geïllustreerde tijdschrift voor Schone en Toegepaste Kunst dat in Londen werd uitgegeven. Meer van Frédéric's werk werd besproken in vele buitenlandse tijdschriften zoals het Oostenrijkse Ver Sacrum, het officiële tijdschrift van de Wiener Secession en het was deze brede aandacht die Frédéric en zijn kunst op de voorgrond bracht en waardoor hij internationaal erkend werd. Zijn werk werd tentoongesteld in Parijs, Venetië en München. De symbolistische kunstwerken van Léon Frédéric waren zowel groot als spectaculair. Een voorbeeld hiervan is te zien in het Ohara Museum of Art in Kurashiki, Japan. Dat bestond uit zo maar eventjes 7 panelen, elf meter lang waar hij twintig jaar aan werkte (1893-1918) 'Alle dingen sterven, maar wij zullen door Gods liefde verrijzen' is de titel.  Hierbij drie panelen.De hel.
de hel (klik om te vergroten)
De drie panelen hierboven stellen de hel voor. Een wirwar van naakte lichamen ligt dicht opeengepakt tussen de rotsen. In de verte rijzen lange vlammen als linten naar de hemel. Het is duidelijk een plaats van lijden, maar het volgt ongewoon niet het conventionele model dat door Dante is beschreven. In het midden bedekt een bebaard hoofd zijn ogen. Als troost hieronder de centrale panelen die de hemel voorstellen:
de hemel (klik om te vergroten)
The three panels at the right represent Heaven, a pastoral landscape densely packed with a multitude of naked mothers and children. A similar pair of women in priestly clothing stand at the wings. The figure on the right is holding a stone tablet on which a single word appears: LEX (law), and near her children are playing with the scales of justice. Near the woman at the left two children are swinging censers which generate the smoke of burning incense.

Above them all are two concentric rainbows, and floating in the air the figure of Christ, his arms reaching out over still more figures of children, this time clothed in white robes.(eclectic light)

Na deze schilderijen scheen Frederic’s werk van de aardbodem te zijn verdwenen zonder een spoor na te laten, zeker ook door de opkomende modernistische stromingen in Europa. Toch werd hij bij leven en werken niet vergeten en kreeg hij zelfs in 1927 de titel van ‘baron’ en werd hij ridder in de Leopoldsorde.

Er is dus nog heel wat ‘terug te vinden’ of te bestuderen uit dit boeiende leven waarin de aandacht voor de werkende mens en de drukke symbolische taferelen een moeilijke combinatie vormen voor de hedendaagse beschouwer . Zo vond ik nog in een collectie uit het Museum of the Academy of Arts, Leningrad, dit mooie houtskool-werk :

Mijn kennis is te beperkt om de diversiteit van al deze werken te kunnen duiden, maar ze bestaan. De grote werken vallen op dit ogenblik uit de tijd, door hun vorm maar ook door hun inhoud. Wilde hij absoluut deze ‘mystiek’ uitdragen tegenover de vreselijke taferelen met net zoveel ‘echt’ volk op de slagvelden van de eerste wereldoorlog? (hij werkte tot 1918 aan zijn reusachtig verrijzenis-tafereel) Het blijven open vragen waar studie en bronnen-onderzoek ons verder kan helpen. Graag kijk ik naar zijn mooie maannacht uit 1898, met een klik te vergroten.

maannacht klik om te vergroten
His triptych Moonlight from 1898 shows a broad panorama of the countryside at harvest time, with a full moon shining above a band of clouds. From the right, this displays each stage of the harvest, from ripe heads of grain ready for cutting, through stooks standing awaiting removal, to stubble burning in the distance, and in the middle of the centre panel the field plowed ready for the cycle to start again.(Eclecticlight)
Huile sur toile
Inscription, signature et date en bas à droite : a mon Père / L.Frederic. / 1891.
Dimensions : 55 x 71

En ook het portret van zijn vader die zijn rozen verzorgt wil ik niet vergeten. In een Pools museum een schilderij uit 1904 (Muzeum Narodowe w Poznaniu) van twee wachtende misdienaars.

In the sacristy by Léon Fréderic, 1904 (PD-art/70), Muzeum Narodowe w Poznaniu (MNP)

Er zal nog heel wat te ontdekken, te corrigeren, te vergeten maar vooral te waarderen zijn. De identiteit van een kunstenaar zal niet alleen door critici bepaald worden maar voor iedereen persoonlijk in zijn werk te vinden zijn. Het waarom daarvan kunnen we benaderen maar nooit helemaal definiëren. In het prachtige boek van Eric Min ‘De eeuw van Brussel, biografie van een wereldstad 1850-1914 (Bezige Bij) denderen namen van kunstkringen, critici, auteurs, kunstenaars in een helse vaart voorbij.

Als in 1914 de forten van Luik (en Namen) zijn gevallen maakt de wereld zich op voor een oorlog die vier lange jaren zal duren, schrijft de auteur. Daar en dan valt alles stil. De kunstsalons en de literaire bladen houden ermee op of leiden een nagenoeg ondergronds bestaan. de artistieke ruzies in het café en de politieke meetings verstommen. (p 333-334)

Het jaar van zijn dood, 1940 maakt de wereld nogmaals duidelijk dat zijn geschilderde hel of hemelse verrijzenis-taferelen niet zullen kunnen tippen aan de hel die opnieuw een wereldbeeld verwoest. Het land dat een speciaal museum voor die werken bouwde, zal daar ijverig aan meewerken. Voor de hemel of l’ age d’ or is het nog steeds wachten. Ook het België waarover we het hadden, bezorgd om zijn identiteit, bestaat niet meer. Ik heb nog een beeld ‘La Procession de Lisseweghe, uit 1926. Beneden komt een in het wit geklede schare kinderen voorbij; aan het raam knielt een oude vrouw en bidt. Verborgen achter bloemen.

La procession de Lisseweghe 1926

Op zoek naar identiteit: Léon Frederic en tijdgenoot Bastien-Lepage (2)

De legende van Sint Frnciscus Léon Frederic 1881

Met een klik op het onderchrift zie je het drieluik van de Belgische schilder Léon Frederic schermgroot verschijnen. Het is het eerste werk van Fréderic ‘waarin zijn nieuwe stijl gedeeltelijk tot uiting komt’, om de woorden van Benjamin Foudral te gebruiken. Als model gebruikt hij Bernard Scié, een arme krijthandelaar die in St. Gillis woont, wiens beroepsleven later ook het onderwerp van een drieluik zal worden.

L’originalité de Frederic tient au traitement pleinairiste du paysage et au choix de la figure du saint. Le peintre a choisi intentionnellement de délaisser les modèles traditionnels d’atelier pour leur préférer une personne humble, un déshérité du nom de Bernard Scié, marchand de craie habitant Saint-Gilles. L’artiste semble ainsi avoir voulu faire correspondre la condition sociale de son modèle à la condition de saint François, l’époux de « Dame pauvreté ». L’œuvre a rencontré un succès critique certain auprès de l’ensemble des revues et quotidiens de l’époque qui, malgré quelques remarques négatives concernant le traitement de la couleur, ont intronisé Frederic comme « [l’]une des espérances de l’école [belge] » et de « l’école naturaliste (Benjamin Foudral)
Aandachtige kippen…

Klik op onderchrift om te vergroten. En bekijk Bernard in zijn eigen rol als arme krijthandelaar.

Les marchands de craie – Léon Frédéric – Musées Royaux des Beaux-arts – Bruxelles.jpg

Vergroot door op onderschrift te klikken en bekijk de personages .

Zoals blijkt uit de onvolledige correspondentie, raakte Frédéric bevriend met Scié, die hem, tijdens de poseersessies, de moeilijke omstandigheden beschreef van zijn dagelijkse leven als krijthandelaar. Dit relaas is een soort openbaring voor de kunstenaar, die vanaf dat moment herhaaldelijk in zijn werken het lot van deze kansarme mensen zou oproepen in de trant van het sociaal naturalisme dat hij terugvindt in zijn baanbrekende werk 'De krijthandelaars'. (zie hierboven) De schilder gebruikt dezelfde stijl en hetzelfde formaat als in zijn Legende van de heilige Franciscus. Het religieuze onderwerp verdwijnt echter om plaats te maken voor de weergave van drie momenten uit het leven van een krijthandelaarsfamilie in de Brusselse voorsteden. Volgens verschillende critici verraadde het werk opnieuw de invloed van Bastien-Lepage, zowel in compositie als in kleur en afwerking.(ibidem)
Middenpaneel

Stonden de critici en collegae aanvankelijk positief tegenover de werken van Bastien-Lepage, het leven van de gewone mensen en hun omgeving verdiende alle aandacht, maar toch hoorde je al vlug Emile Verhaeren verklaren dat de impact van zijn oorspronkelijke kunst een probleem was:

"...wie zal ons bevrijden, ik zeg niet van de invloed, maar van de imitatie van Bastien-Lepage?" Veel critici die de kunst van de meester een paar jaar eerder nog verdedigden, hebben het effect ervan op de jongere generatie streng beoordeeld:
Belgische kunstenaars van de jongere generatie krijgen al lang het advies om zichzelf in acht te nemen, zich niet op te offeren aan de moderniteit, niet te streven naar serviele imitaties die de inspiratie doden […] als er niets aan gedaan wordt, wel, dan is de Belgische kunst een schipbreuk. Mijn vaderlandsliefde schreeuwt naar de Belgen: de vijand is het huis binnengedrongen, attentie!" (ibidem)
Bastien-Lepage “au moisson fois”
De nieuwe naturalistische school, die door Solvay en aanvankelijk door Lemonnier als de laatste fase van de moderniteit werd beschouwd en door talrijke tijdschriften en artistieke kringen zoals L'Essor werd verdedigd, werd in haar definitie zelf gunstig onthaald: de vraag naar een realistische kunst, verbeterd door nauwkeurige en wetenschappelijke observatie van de natuur en het dagelijkse leven. De nieuwe Franse suprematie op het internationale toneel kwam de positieve ontvangst van deze beweging echter verstoren. Als reactie op het internationale naturalisme (te Frans) hekelden de Belgische intellectuelen het gebrek aan "picturaliteit " van de buitenlandse werken, een waarde die intrinsiek verbonden is met de Vlaamse kunst en die volgens hen de Franse school kon counteren zonder de oriëntatie van de nieuwe school in diskrediet te brengen. Zo werd de kunst van Bastien-Lepage bekritiseerd omdat zij te glad, te droog, te saai zou zijn, in tegenstelling tot het archetype van de Vlaamse kunst dat door Taine en vervolgens Lemonnier werd beschreven als: een materie-gevoelige schilderkunst waarin kleur de overhand heeft boven tekening. Meer dan een specifieke stroming (realisme of naturalisme), is het de verhouding tot de werkelijkheid, evenals tot de materialiteit, die het Belgische artistieke en vervolgens het literaire discours heeft bepaald.(ibidem)
Begrafenis van een boer in La Boverie Léon Frederic
La problématique identitaire constituait l’un des fondements de l’idéologie de l’intelligentsia belge. Dépassant les clivages, cette obsession se retrouvait aussi bien sous la plume de critiques conservateurs que dans les écrits des progressistes. Si l’emprunt de la voie naturaliste par la jeune génération d’artistes belges était loué et légitimé dans un premier temps par ces auteurs pour le caractère atavique d’une école artistique attirée par l’observation et la représentation de la réalité, l’adhésion d’une grande partie d’entre elles au « moment » symboliste, célébrant le culte de l’Idée et non du réel, semblait beaucoup moins conciliable avec l’entreprise d’une histoire de l’art belge cohérente. La réception de l’œuvre de Léon Frederic, par ses rattachements aux deux tendances, livre un éclairage tout à fait intéressant.(Benjamin Foudral)
La veille servante Léon Frederic
Vanaf het begin van de jaren 1880 was Frederic's kunst onderhevig aan stilistisch vallen en opstaan, symptomatisch voor L'Essor's esthetisch onderzoek en de artistieke twisten opgerakeld door de pers. Afwisselend met kunstwerken in het spoor van Bastien-Lepage en het internationale naturalisme, zoals zijn triptiek De krijthandelaren, en werken met een meer persoonlijke stijl die gekenmerkt worden door brede streken en door "een zwartachtige, doffe en droevige kleuring",zoals Les Femmes à raques (1883) of La Vieille Servante (1884), zette Frederic zich in beide gevallen onvermoeibaar in voor het sociaal naturalisme door al in 1883 het leven van arme mensen in de steden en op het platteland af te beelden. 

Deze oriëntatie wordt terzelfdertijd door vele Belgische schrijvers ontwikkeld, met name door Lemonnier of Verhaeren, alsook door het pleidooi voor een sociale kunst door Edmond Picard beschreven in de artikels van L'Art moderne. Deze talrijke werken, gewijd aan het leven van gewone mensen, brengen Frederic unaniem succes. Critici merkten echter op dat de kunstenaar moeite had om zich los te maken van de overweldigende invloed van Bastien-Lepage's kunst.(ibidem)
Les fillettes
In 1886 stelt Frederic in het Gentse Salon voor het eerst zijn Boëchelles tentoon, | zie hierboven, -te vergroten door op onderschrift te klikken-|het eerste van vijf panelen die enkele jaren later samen 'de Boerenleeftijden' zullen vormen. (1885-1887).  Dit eerste werk is door de conservatieve kunstcriticus Pierre Gervaix beschreven als een "pistoolschot". Het schilderij stelt acht kleine boerinnen voor, van voren gezien in levensechte poses, opgesteld in een weide in de buurt van het Ardense dorpje Nafraiture. In de frontale pose en de uitlijning van de modellen lijkt de compositie een echo van de fotografische praktijk, terwijl de linkshandigheid van de jonge meisjes de indruk van een ter plaatse genomen moment bevestigt. Deze reeks portretten van Waalse boerenmensen van alle leeftijden , zoals de door de kunstenaar gegeven serietitel aangeeft, zijn een onderzoek van de schilder naar het naturalisme - de onverbloemde weergave van gewone mensen die rechtstreeks in hun omgeving worden geobserveerd - maar ook, volgens de critici, een poging om zich van Bastien-Lepage te distantiëren.(ibidem)
Les âges du paysan: les garçons 1885-1887
Par cette œuvre, Frederic tente de dépasser la simple représentation mimétique de paysans ardennais observés en plein air pour livrer une représentation immuable des travailleurs de la glèbe. À cette époque, la réception de Frederic tourne à la consécration. Ces vastes synthèses louant la vie rurale et son rapport à la nature affirment les réflexions spirituelles et idéalistes qui seront désormais une constante dans l’œuvre du peintre.
Het begrafenismaal 1886
Beetje bij beetje, met inbegrip van het efemere tijdschrift Stella, verlaat L'Art jeune het pad van "het verontwaardigde naturalisme van gisteren" en "het voorbijgaande reactionaire idealisme" en positioneert het zich in het kielzog van een nieuw artistiek neologisme: het naturisme. Vandeputte definieerde zijn concept door het prisma van Frederic's werk, die "de Eerste der Belgische schilders, kunstenaars" werd genoemd. Frederic werd zo, ondanks zichzelf, een van de leiders van een beweging die pleitte voor "Kunst in de expressie van de natuur, van het leven, van de mens in alle eenvoud, in alle werkelijkheid". 

Voor Vandeputte is Frédéric de kunstenaar "die deze formule het best in zijn werk heeft vastgelegd", wat zijn intieme persoonlijkheid als schilder weerspiegelt, eenvoudig, oprecht, verliefd op alles wat met zijn natuur overeenkwam: de oprechtheid van het nederige, de eenvoud van het platteland, en soms de stedelijke ellende". De auteur ziet het werk van Frédéric als behorend tot een "ideo-realistisch pantheïsme " en de verheerlijking van de weergave van een archetypische en eeuwige mensheid die intiem verbonden is met de natuur. Deze vaststelling vindt haar hoogtepunt in de voortzetting van de Boerenjaren.
De verloofden
Les ages de l’ ouvrier 1895-1897
'Het minimaliseren van de symbolistische neiging van de kunstenaar is geen verrassing bij een van de oprichters van het naturisme, een beweging die, zoals we hebben gezien, zich wilde positioneren tegenover de symbolisten. De infiltratie van de Franse propagatoren van deze esthetiek in België, met name de zelfbenoemde Sâr Mérodack Joséphin Péladan, en hun invloed lokten een epidermale reactie (!) uit bij een groot deel van de Belgische intellectuele scène, zoals blijkt uit de kritiek van de schilder James Ensor bij de nominatie van Jean Delville voor de Prix de Rome in 1895. 

Ensor hekelde de "epileptische kronkels" van de nieuwe laureaat en wees op Delville's abrupte stilistische verandering van een realistische naar een idealistische schilderkunst, die het gevolg was van het discours van de "te Franse" Sâr Péladan, die de aanzet gaf tot een italianisering die de "Vlaamse kwaliteiten" ontkende. Ensor gaat verder:
 …zien we zonder verbazing hoe de schilder van De aarde en de geboorte de jurk van de Botticelliaanse maagden kust, zich vasthecht aan de staart van de magiërs […]. Zeker, de sympathieke symbolistische grappen zitten vol Botticelliaanse droppings. …] Afgebladerde karakters, absolute ontkenning van kleur, volledig ontbreken van Vlaamse kwaliteiten, enz., enz. enz.' (ibidem) 
Ensor en Delville’s prix de Rome 1895 …

Het slotwoord daaromtrent :

Camille Lemonnier, de grote aanstichter van de nationale kunstcultus, wordt gedreven door "hun kruistochten voor ideeën en leven" en beroemt zich erop "tot dezelfde intellectuele familie te behoren" en geeft in de kolommen van het speciale nummer van La Plume aan dat hij zich tot het naturisme heeft bekeerd. Deze adhesie is inderdaad een bewijs van de hardnekkigheid van het nationalistisch discours bij het definiëren van de nieuwe artistieke stromingen in België om een coherente geschiedenis van de Belgische kunst te creëren. Door de receptie van het werk van Frédéric konden wij dus de ideologische en politieke betekenis begrijpen achter het verschijnen van artistieke termen in een België dat onderhevig is aan identiteitscrisisen. (Benjamin Foudral, conservateur du musée Courbet)
Léon Frederic zelfportret als jongeman
Résumé :
 Peintre bruxellois aujourd’hui méconnu, Léon Frederic (1856-1940), surnommé le « gothique moderne », tint un rôle important au tournant du XXe siècle comme l’un des représentants de la modernité picturale belge, tant sur la scène artistique nationale qu’internationale. S’appuyant sur un examen rigoureux d’un fonds d’atelier de plusieurs milliers de pièces, d’archives et de correspondances inédites, ainsi que sur l’établissement du catalogue raisonné de l’œuvre, cette étude souhaite reconstituer la trajectoire d’un peintre omniprésent, oublié face à la « mythologie de rupture » des avant-gardes. Si l’histoire de l’art a retenu l’image d’un peintre mystique reclus à la campagne, l’appréhension de sa carrière a permis de reconstituer le portrait d’un faux-naïf conscient des  enjeux promotionnels, appartenant à une nouvelle élite belge qui fut à  l’origine de l’intense vie culturelle bruxelloise. 

Frederic a su  élaborer une mise en image inédite du « peuple », ouvrier et paysan,  aussi bien comme point de convergence de l’image utile et morale,  souhaitée par les tenants de l’art social, que comme projection d’un  imaginaire culturel issu de la tradition et propre à une élite en quête d’un avenir meilleur pour les classes déavorisées. Stylistiquement, son art, se rapprochant de l’« archaïsme moderne » cher à Emile Verhaeren, l’impose dans le nouveau champ moderniste des sécessions comme l’ethnotype idéal et recherché de l’artiste «  flamand ». Peintre bourgeois et marginal, élitaire et social, national  et cosmopolite, Frederic est apparu comme l’un des hérauts adoubés de la modernité du temps et nous invite à remettre en question la binarité de la conception de l’art à la fin du XIXe siècle 

Benjamin Foudral
(Doctoraatsthesis en Histoire de l' art contemporain, à la Faculté des Lettres de Sorbonne Université. 'Léon Frderic (1856-1940) "gothique moderne". Carrière d' un artiste belge dans l' Europe de la fin du XIXé siècle.)
De 4 seizoenen, de herfst.

Er zijn dus nogal wat ‘denkoefeningen’ nodig geweest om die zgn. identiteit van de Belgische kunst te profileren. Was die hang en drang naar allerlei symbolistische figuratie een strekking tegenover de snelle klim van de wetenschap in de loop van de negentiende eeuw en had men blijkbaar een soort ‘spiritueel’ tegengewicht van doen als compensatie, heel lang zou de drang naar deze ‘eenvoudige zuiverheid’ niet duren. De eerste wereldoorlog maakte wel duidelijk een einde aan die dromen en de aanloop naar de volgende wereldbrand schudde de kunstwereld uit de dromenboom. De ‘pureté dangereuse’ zou telkens weer opduiken bij trommelgeroffel en kampvuurromantiek, maar de onschuld daarvan was helaas verdampt in de lange dodenlijsten rondom het begrip ‘nationaliteit’. Toch herinneren wij ons net zo goed de dagen van het dorp en het platteland waar bijna zeventig procent van de Europese bevolking opgroeide, herineringen die nooit het monopolie van vals heimwee mogen worden maar ook geen vergeetputten van een digitale samenleving. De dromers moeten net zo goed als de doeners gevoed worden. De schoonheid van het landschap en de arbeid die er verricht wordt is ook een onderwerp net als de pogingen om er samen te mogen leven.