Een raam, een venster: ‘…niets weet zij van het levensspel.’ Een collage.

Edvard Munch Buitenkijkend meisje 1893

Bij het venster zitten. Bij het raam naar buiten kijken. Vanuit de veiligheid van het huis met de ogen al buiten zijn terwijl dat hunkerend lichaam nog dadelijk een stapje achteruit kan zetten of achter het gordijn verdwijnen. Niemand thuis. Met de woorden van de dichter, J. Slauerhoff geschreven in 1947:

De Vrouw aan het Venster

 Nooit opent zich de poort. 't Raam is zoo hoog
 Dat zij eerst de aarde ziet in wijde verte:
 De stroom omarmt het bosch in blauwen boog;
 Door 't groen gaan roode vogels, ranke herten.

 Niets weet zij van het levensspel daartusschen;
 Maar het moet schoon zijn, want zij mist het zeer.
 Zij wil omhelzen, vindt niets om te kussen
 Dan de' eigen schouder, rond en koel en teer.

 J. Slauerhoff 1947
Young Woman Looking through a Window Johann Georg Meyer (1813-1886)

Niet alleen het licht opzoeken, maar wensen dat er een andere wereld zou zijn, daarbuiten. Of op iemand wachten die dadelijk kan binnenkomen. Het wordt al donker. De zonen op de zetel wachten mee. Samen iemand opwachten. Of is er een gelatenheid waarin het wachten overbodig is geworden omdat…Kijk naar de houdingen van de drie personages. Bedenk je eigen scenario. Kom thuis of…

A mother and children by a window at dusk Viggo Pedersen (1854-1926)

Toen Marc Chagall in 1910 naar Parijs verhuisde, reflecteerden zijn schilderijen al vlug de laatste avant-garde stijlrichtingen. Kijk naar ‘Parijs, bij het raam’ en denk aan zijn collega Robert Delaunay die hem inspireerde en van wie hij de hevig gekleurde overlappende vlakken in de lucht boven de stad heeft overgenomen. Ook de Eifeltoren was veelvuldig aanwezig in het werk van Delaunay, zij het vaak in erg plastische bijna bewegende gestaltes. Parijs was voor beide schilders het symbool van ‘de moderniteit’. De parachutist in de lucht verwijst naar de eerste sprong in 1912. En natuurlijk is er nog zijn geboortedorp Vitebesk. De kunstenaar heeft duidelijk de toekomst door het raam gezien, en dat ze niet altijd éénduidig is, bewijst de januskop van het personage rechts. Dromers zien altijd meer.

Parijs door het raam Marc Chagall 1913

Een van de twee schilderijen hieronder, beiden van dezelfde schilder, David Bomberg, is gemaakt rond dezelfde tijd als het Parijs van Chagall, ongeveer 1911-1912. Het tweede schilderij, bijna in compostie een identiek beeld, werd in 1919 geschilderd. Rachel Dickinson beschrijft het tweede doek:

“It shows his disillusionment with the world, explaining that the windows, which once offered a glimpse of the city, now resemble prison bars. These two paintings are displayed next to each other in the exhibition, which also includes Bomberg’s well-known work Ghetto Theatre (1920) paired with a preparatory study for the picture that has not been exhibited before.
David Bomberg’s Woman Looking through Window (aka Bedroom Picture) (around 1911-12; left) and At the Window (1919)

De verandering in het verloop van de geschiedenis drukt zich uit in de vormgeving. Het venster in het eerste schilderij veranderde bijna in gevangenistralies..

In Lady Abdy, een schilderij van Balthus Balthazar Klossowski (1908-2001 ) wordt het raam met een bijna liefelijk gebaar benaderd. Toch kijkt het personage niet naar buiten maar links de kamer in. Hoort ze hem in het trappenhuis? Of herinnert ze zich de afwezige? De zachte kleuren van kleed en gordijn verzachten met het gelige licht de ruimte. ‘Als ik nu kijk, zal ik hem zien…’ zou een onderschrift kunnen zijn. Maar of ze nog kijkt?

Lady Abdy, 1935 Balthus Balthazar Klossowski (1908-2001)

De Deense schilder die zichzelf Christian Aigens als naam gaf, (1870-1940) en wiens echte naam Anders Peter Christian Larsen was, schilderde graag heel gewone mensen uit zijn omgeving. Een van zijn betere werken is dit jongensportret bij een raam. De jongen kijkt naar buiten waar de winter weldra in lente zal veranderen, net zoals hij zich op de drempel van zijn kindertijd bevindt. Wat hij denkt mag in het midden blijven.

Christian Aigens. Jongen bij raam

De Amerikaanse schilder Andrew Wyeth schilderde in 1965 ‘Up in de studio’. Een figuur op een afstand van het raam in een lege ruimte, de schildersstudio. Merkwaardig is het standpunt van deze aquarel (en tempera) op papier. Of het personage ‘iets weet van het levensspel’ om het gedicht van Slauerhoff te citeren laat de schilder aan ons oordeel over. Je ziet hem naar buiten kijken, de handen op de knieën. Wat of wie hij zou zijn mogen wij invullen. Het is het kijkend-zitten dat telt. Onze machteloosheid, ons tekort aan geduld en introspectie?

Andrew Wyeth ‘Up in the studio’ 1965

Een minder bekend werk ‘man aan het raam’ van Edward Hopper laat een man vanuit een etage naar de daken en de stad voor hem kijken. Bijna driedimensioneel door de drie kaders waarin het schilderij is opgebouwd. De schuine inkijk, de rechthoek voor de man, het totaal vanuit het standpunt van de kijker. Net zoals hij, kijken wij, slechts door twee of drie ramen van elkaar gescheiden. Het is net de omkadering die ons als kijker beveiligt, -hij kan niet meer zijn hoofd naar ons draaien- en die hem voor altijd naar de onbekende verte heeft gezet. Zo wordt het elkaar bekijken ook een mogelijk onderwerp in het ramenspel.

Working Title/Artist: Edward Hopper: Office in a Small City Department.
"Elegie"  (Maurice Gilliams)

 Zondag op het land.
 Roken en door het venster staren:
 linden voor de gevel,
  trage knapen gaan voorbij.

 Zomeravond op de velden.
 En de verre treinen kan men horen.
 Grachten die naar heimwee smaken,
 vergezichten, klokken die mij plagen
 komen ’t hart zijn honig roven.
 En de dorpen die ik door wil trekken,
 waar de bruiden wonen,
 waar de boten varen op de stromen,
 roepen mij in ’t dalend donker:
 in het koren staat een huis.

 Maar ik toef hier voor het venster
 van een boerenkamer
 waar een stoel de stilte tekent
 en de bloemen bruin verwelken
 in een glas groen water.

 (Uit 'Het werk der leerjaren' Maurice Gilliam' s eerste bundel)
Fenêtres ouvertes simultanément (1912) Robert Delaunay

Hayan Charara: We’re the only species that can write down

Interior of an Old abandoned Farm House is a photograph by Randall Nyhof
Ode on a Abandoned House

Wind and rain, here
 are the keys
 to the house—
 a missing door,
 two broken windows.
 Birds, for you a room
 with a view—the bedroom,
 which once held
 the moon and stars
 out of sight.
 Ants and worms,
 such sad witnesses,
 the grass uncut,
 the yard overgrown
 are again yours to inherit.
 And you, the leaves whirling
 across buckled floors,
 please take
 my father’s voice
 whispering
 May you live forever,
 may you bury me.
“The phrase ‘may you bury me’ is a translation of the Arabic colloquialism تقبرني, which expresses a fervent wish for loved ones to outlive the speaker because of how unbearable life would be should those loved ones die first. Mothers, fathers, grandparents, and adults in general use it as a term of endearment with children. As for the abandoned house, it is the one in which I grew up, in Detroit.” (Hayan Charara)
Ode aan een verlaten huis

 Wind en regen, hier
 zijn de sleutels
 van het huis -
 een ontbrekende deur,
 twee gebroken ramen.
 Vogels, voor jullie een kamer
 met uitzicht - de slaapkamer,
 die ooit
 de maan en sterren
 onzichtbaar maakte.
 Mieren en wormen,
 zulke trieste getuigen,
 het gras ongemaaid,
 de tuin overwoekerd
 wordt weer jullie erfenis.
 En jullie, bladeren dwarrelend
 over de gesprongen vloeren,
 gebruik alsjeblieft
 de stem van mijn vader
 fluisterend
 Moge je eeuwig leven,
 mag je mij begraven.
Hayan Charara is a poet, children’s book author, essayist, and editor. His poetry books are Something Sinister (2016), The Sadness of Others (2006), The Alchemist’s Diary (2001), and the forthcoming These Trees, Those Leaves, This Flower, That Fruit (2022). His children’s book, The Three Lucys (2016), received the New Voices Award Honor, and he edited Inclined to Speak (2008), an anthology of contemporary Arab American poetry. With Fady Joudah, he is also a series editor of the Etel Adnan Poetry Prize. His honors include a literature fellowship from the National Endowment for the Arts, the Lucille Joy Prize in Poetry from the University of Houston Creative Writing Program, the John Clare Prize, and the Arab American Book Award. 
 Born in Detroit in 1972 to Arab immigrants, he studied biology and chemistry at Wayne State University before turning to poetry. He spent a decade in New York City, where he earned a master’s degree from New York University’s Draper Interdisciplinary Master’s Program. In 2004, he moved to Texas, where he eventually earned his PhD in literature and creative writing at the University of Houston. 
 He has taught at a number of colleges and universities, including Queens College, Jersey City University, the City University of New York-La Guardia, the University of Texas at Austin, Trinity University, and Our Lady of the Lake University. He currently teaches in the Honors College and the Creative Writing Program at the University of Houston.
 He is married, with two children. 
Foto door Charlotte May
THAT SUMMER THAT YEAR DURING THE HEAT WAVE

 What did we think sitting there
 on the front porch, without fear, none at all,
 no surprise or shock,
 barefoot, slow breathing, the sun

 unyielding even under elm and maple,
 thirty-five years ago,
 I wasn’t yet twelve, my sister not ten, the city
 months from the riots after the World Series?

 Two men ran down the middle of the street,
 the one in front yelling
 (how far he made it—
 the ice cream parlor, the diner, the liquor store, the bowling alley—

 I can’t say), and the other one,
 chasing after him, aiming a shotgun, he looked at us
 and smiled—
 I saw all his teeth.
DIE ZOMER DAT JAAR TIJDENS DE HITTEGOLF

 Wat dachten we toen we daar zaten
 in de veranda, zonder angst, helemaal niet,
 geen verrassing of schok,
 blootsvoets, trage ademend, de zon

 onwrikbaar, zelfs onder iep en esdoorn,
 vijfendertig jaar geleden,
 Ik was nog geen twaalf, mijn zus nog geen tien, de stad
 maanden van rellen na de World Series?

 Twee mannen renden in het midden van de straat,
 de voorste schreeuwt
 (hoe ver hij het heeft gehaald-
 de ijssalon, het eethuisje, de slijterij, de bowlingbaan…

 Ik kan het niet zeggen), en de andere,
 achter hem aan, een geweer op hem richtend, hij keek naar ons
 en glimlachte-
 Ik zag al zijn tanden.
OLDER

 The dirt, damp with rain, is older than the sprouting grass.
 And shadowing the grassy spikes, the oak trees
 with brittle limbs that never fall
 on the mailman walking across the lawn are older
 than the house, and the house,
 in a neighborhood once a forest, is older than the boy and girl
 refusing to eat green beans—
 they love candy, but less than they love their mother.
 The girl is older than the boy,
 the boy older than the cat, and the cat,
 which cannot communicate what it knows
 about age, hates the cactuses on the windowsill—
 a conqueror in the night, he paws and paws,
 and breaks, then marches
 into the bedroom, across my stomach, and halts
 on my chest—his warm breath and wet nose
 young as the new moon, barely a crescent tonight,
 twenty-two years after you died. O,
 mother, I am older now than you ever would be.

 OUDER

 Het vuil, vochtig van regen, is ouder dan het ontkiemende gras.
 En in de schaduw de grasstekels, de eikenbomen
 met broze takken, die nooit vallen
 op de postbode die over het gazon loopt, zijn ouder
 dan het huis, en het huis,
 in een buurt die ooit een bos was, is ouder dan de jongen en het meisje
 die weigeren sperziebonen te eten-
 ze houden van snoep, maar minder dan van hun moeder.
 Het meisje is ouder dan de jongen,
 de jongen ouder dan de kat, en de kat,
 die niet kan communiceren wat ze weet
 over leeftijd, haat de cactussen op de vensterbank-
 een veroveraar in de nacht, hij poot en poot,
 en breekt, marcheert dan
 de slaapkamer in, over mijn buik, en stopt
 op mijn borst - zijn warme adem en natte neus
 jong als de nieuwe maan, nauwelijks een sikkel vanavond,
 tweeëntwintig jaar na jouw dood. O,
 moeder, ik ben nu ouder dan jij ooit zou zijn.
Foto door Sornbhakkanut Boonprasop
I’m not sure about poetic techniques, but the first step for entering into a conversation, poetic or otherwise, must be to listen. Don’t talk. Don’t write. Just spend time with what others are saying or have been trying to say—let them speak. Often, my poems come out of such a circumstance. My whole life I’ve heard stories, experiences, and arguments from the people in the various communities that I belong to that I hardly hear anywhere else. Another way to say this: in coffee shops, in the homes of friends and family, on front porches, in community centers people are talking about things that are mostly absent in the larger conversations taking place on TV or film or the stage or in newspapers, novels, or poems.
BEING MUSLIM

 O father bringing home crates
 of apples, bushels of corn,
 and skinned rabbits on ice.
  
 O mother boiling lentils in a pot
 while he watched fight after fight,
 boxers pinned on the ropes
  
 pummeling each other mercilessly.
 And hung on the wall where we
 ate breakfast an autographed photo
  
 of Muhammad Ali. O father
 who worshipped him and with
 a clenched fist pretended to be:
  
 Float like a butterfly, sting like a bee.
 O you loved being Muslim then.
 Even when you drank whiskey.
  
 Even when you knocked down
 my mother again and again.
 O prayer. O god of sun.
  
 God of moon. Of cows
 and of thunder. Of women.
 Of bees. Of ants and spiders,
  
 poets and calamity.
 God of the pen, of the fig,
 of the elephant.
  
 Ta’ Ha’, Ya Sin, Sad, Qaf. 
 God of my father, listen:
 He prayed, he prayed, five times a day,
  
 and he was mean.
Foto door Elias Tigiser
I lived in a violent home, where at any moment chaos often erupted, where an uneventful moment could easily, inexplicably, suddenly turn into one dominated by fear, anxiety, and terror. One consequence of living with someone who brings chaos to nearly every aspect of your life is to exert control—any kind possible—over the few areas that aren’t (yet) chaotic. That’s what I did. I found a number of ways to “escape” the violence and, more significantly, to control (even if it was mostly imaginary) the unpredictability and uncertainty of my father’s world. Poetry was one of those escapes—not because it allowed for catharsis or was therapeutic, but because I could impose control onto a poem in ways that I could not on my own life. Today, decades later, this survival mechanism is evident (to me, at least) in the way I control the imagery in my poems, the language, and obviously also what I reveal or obscure.
Foto door Olya Kobruseva
The symbolic life

They kept showing up, for days,
 dead on the windowsill,
 and for days I did nothing about the ladybugs
 except to ask if their entering the house
 unnoticed and dying before I saw them
 was symbolic.
 Thinking so was easy.
 They symbolized birth and death,
 change and rebirth.
 It was also possible the tiny beetles
 embodied an inborn need
 to show themselves,
 to turn up in every and any place,
 even as the dried-out remains of the once lively.
 Or they stood for the burden of being one thing
 relieved by becoming another,
 which all the world’s children suffer.
 This went on and on, and could’ve gone on
 forever, so finally I opened the window
 and blew them into the wide open
 because everything and everyone should get a chance
 to be mourned, and they got theirs,
 but first they had to die, which is life,
 not symbolism.
Foto door Pixabay
Het symbolische leven

Ze bleven maar opduiken, dagenlang,
 dood op de vensterbank,
 en dagenlang deed ik niets met de lieveheersbeestjes
 behalve ze vragen of hun binnenkomen in het huis
 -onopgemerkt en stervend voor ik ze zag-
 symbolisch was.
 Zo te denken was makkelijk.
 Ze symboliseerden geboorte en dood,
 verandering en wedergeboorte.
 Het was ook mogelijk dat de kleine kevers
 een aangeboren behoefte belichaamden
 om zichzelf te laten zien,
 om overal op te duiken,
 zelfs als de uitgedroogde overblijfselen van het eens levendige.
 Of ze stonden voor de last om één ding te zijn
 opgelucht door iets anders te worden,
 waar alle kinderen van de wereld onder lijden.
 Dit ging maar door en door, en had eeuwig door kunnen gaan
 tot in het oneindige, dus uiteindelijk opende ik het raam
 en blies ze de wijde wereld in
 omdat alles en iedereen een kans moet krijgen
 om betreurd te worden, en zij kregen de hunne,
 maar eerst moesten ze sterven, wat leven is,
 geen symboliek.
Prayer for the living

Go to the mother,
 to the father, to the house
 where no trees grow,
 to the bedroom, the door
 closed, to her fear
 and to his fear,
 and their shame,
 their longing, and to their bodies,
 their bodies young,
 their bodies separate,
 their bodies together.
 How far must you
 go back? Her womb.
 Her child body
 and his child body.
 Go to first hairs.
 To flesh, chests, arms, faces,
 buttocks, and stomachs.
 There, a wrinkle.
 There, color,
 nipples, and bellybuttons.
 Go to the eyes,
 see what she sees
 and what he sees.
 To the fingertips,
 which want what
 the eyes have made
 their own. Go to want,
 to love, to what wants
 more than love.
 Go to sins.
 What are your sins?
 Go to where the mother
 is not mother, the father
 is not father, and kiss her lips,
 and kiss his mouth.
 Do not be ashamed
 or afraid.
 The past is a strange land.
 Go because you can.
 Go because you can
 come back.
In my own work, at least when I’m aware of what I’m doing, I try to negotiate the differences between these poetic and personal considerations. On the one hand, I think of myself as a frank poet—I speak my mind, without fear or worry, without hesitation. On the other hand, though, I try to be as serene a person as possible (obviously I sometimes fail), but the attempt sometimes means saying or doing things in such a way as to mediate conflict or confrontation. To put it another way: the impulse of the poet comes up against that of the person. Every poet must come to terms with this conflict.'
bezoek:

http://www.hayancharara.com/poetry

The world is a great treasure house: Phoebe Anna Traquair (2)

Zelfportret 1911

Rond 1890 huurde Traquair een speciale atelierruimte in de Dean Studio, een leegstaande kerk (sinds de jaren 1950 een krottenwijk) naast Drumsheugh Swimming Baths in Lynedoch Place, waar haar belangrijkste manuscripten, waaronder ‘Sonnets from the Portuguese’ en ‘The House of Life’, werden verlucht. Haar eerste grote manuscript van meerdere pagina’s was Alfred Lord Tennyson’s ‘In Memoriam’ (1890-1892) voor Sir Henry Hardinge Cunynghame. Het werd onmiddellijk gevolgd door ‘Sonnetten uit het Portugees’.

Phoebe Anna Traquair’s illuminated copy of Elizabeth Barrett Browning’s ‘Sonnets from the Portuguese’ – Sonnet 30
Terwijl zij aan haar 'Sonnetten' werkte, verluchtte Traquair ook 'Saul' van Robert Browning (1893-1894), 'Verdediging van Guinevere' van William Morris en 'Het Hooglied van Salomo' (beide 1897). Haar laatste grote manuscripten waren van Dante Gabriel Rossetti's 'De zalige Damozel' (1897-1898), Sir Thomas Browne's 'Religio Medici', Rossetti's 'Het huis van het leven' en Dante's 'La Vita Nuova' (1899-1902). Verscheidene van deze manuscripten, waaronder 'Sonnetten uit het Portugees', werden na voltooiing gepubliceerd door William Hay of Edinburgh.
Willowwood IV, page from an illuminated manuscript of the sonnet Willowwood by Dante Gabriel Rossetti, one of four pages, ink, watercolour and gold leaf on vellum: British, by Phoebe Anna Traquair, 1890
Elizabeth Barrett Browning's sonnets, written in 1850, express an emotional journey and the growth of love. Traquair responded to each sonnet individually, working through them in strict order and completing, dating and signing each one with her customary monogram PAT before starting the next.
 Traquair used inks, watercolours and gold leaf on 46 individual vellum pages, each one measuring 18.6 by 14.8 cm. She first designed a principal image for each page, sketching it in advance and experimenting with form and especially colour. The illuminated initial was painted before the text of the sonnet was written in. Pages were then completed with various decorative motifs, many of which are influenced by 14th-century European, and especially Italian, manuscripts. 
Psalmen van David 1884-1891
Sonnet 38
 First time he kissed me, he but only kissed
 The fingers of this hand wherewith I write:
 And ever since, it grew more clean and white,
 Slow to world-greetings, quick with its "Oh, list",
 When the angels speak. A ring of amethyst
 I could not wear here, plainer to my sight,
 Than that first kiss. The second passed in height
 The first, and sought the forehead, and half missed,
 Half falling on the hair. O beyond meed!
 That was the chrism of love, which love's own crown,
 With sanctifying sweetness, did precede.
 The third upon my lips was folded down
 In perfect, purple state; since when, indeed,
 I have been proud and said, "My Love, My own." 
Sonnet 2 en 38 uit de Portugese sonetten
Naar model uit de Song-school schilderingen.

Liefde voor materialen: van de grote muur-taferelen naar de intieme illuminated (wij spreken van ‘verluchte’) handschriften met de prachtige middeleeuwse modellen als illuster voorbeeld. In Schotland werd het werk van Anna Traquair als een bijdrage aan het ‘Keltische revival’ gezien, samen met dat van schilder John Duncan. (beiden beklemtoonden de relevantie van historische prototypes voor de moderne decoratieve kunst.) Zo zijn haar geborduurde panelen daarvan een voorbeeld waarin ze historische, decoratieve borduurtechnieken combineerde met voor die tijd moderne symbolische onderwerpen.

In het geheel geborduurde werk ‘The progress of a Soul’, gebaseerd op de figuur van Denys L’ Auxerrois’ van auteur Walter Pater, vertelt ze in vier panelen gemaakt met zijde en gouddraad op linnen geborduurd, de zoektocht van een ziel. Bijna twee meter hoog, 70cm breed of met de woorden van de ‘National Galleries Scotland’

Entrance
The human soul is represented by an ideal young man dressed in an animal skin, in harmony with the rich pattern of the luxuriant natural world around him. Here in 'The Entrance', completed in 1895, he is full of hope and enthusiasm, blissfully ignorant of life's realities. This figure was based on the character of Denys L'Auxerrois from 'Imaginary Portraits' by the English critic and writer Walter Pater. 'The Victory', the last embroidery in the series, was finished in 1902. De titels: 'The Entrance', 'The Stress', 'The Despair', 'The Victory'.
vergroot door op link te klikken: https://andymurkovic.files.wordpress.com/2015/09/tumblr_n0qve2feel1qj9ujso1_1280.jpg
The Despair
"Het eerste panel vertegenwoordigt de gelukkige fase van hoop en enthousiasme, met onschuld en onwetendheid over de realiteit van het leven. In het tweede doen de krachten van het kwaad hun intrede en beginnen ze alles wat gekoesterd en dierbaar is te vernietigen. In de derde plaats hebben frustratie, ontgoocheling en wanhoop de overhand gekregen. Het vierde paneel vertegenwoordigt de ultieme verlossing door de genade van Hogere Machten in plaats van de verdiensten van het individu." (A verbal description by Traquair’s son, Harry Traquair, after her death.)
Victory
The panels were first exhibited at the 1903 Arts and Crafts Exhibition Society in London where they were much admired by critics and public and in 1904 the series was sent to the Louisiana Purchase Exposition at St Louis. They later hung in the stairwell of Traquair’s home in Colinton for thirty years until her death in 1936, when they formed part of her bequest to the National Galleries of Scotland.
‘The love cup’

Ze bleef in de Arts and Craft-stijl werken bij de doorlopende opdrachten voor publieke en private kunstwerken. In de jaren 1900 begon ze met het emailleren en die techniek te gebruiken in het ontwerpen van sieraden en kunst- en siervoorwerpen. Ze bleef ook schilderijen maken zoals het zelfportret waarmee we deze bijdrage hebben geopend. Iemand schreef daarover: Ja, een rustige uitstraling, maar het roept ook ‘een zweempje van neurveuze energie’ op.

Triptych The Rainbow
Sir James Caw, retired director of the National Galleries of Scotland described her in her obituary for The Times as, ‘a little woman and sparely built but overflowing with nervous energy (whose) … artistic activities were remarkable both in extent and quality.’[6]. By the mid-1930s the modernist aesthetic had taken over and her work fell from public view; much of her legacy remained neglected and unseen until the early 1990s. Since this time, museums and galleries have been avidly collecting her work and re-establishing a reputation which was so high during her lifetime.
The dream
'Nearly all my time in Edinburgh I was absorbed in Mrs Traquair's work and find it far more beautiful that I had foreseen - one can only judge of it when one sees it in a great mass, for only then does one get any idea of her extraordinary abundance of imagination . . . I have come from her work overwhelmed, astonished, as I used to come long ago from Blake, and from him alone.'
 This is part of a letter full of wonder that W.B. Yeats wrote to Lady Gregory in 1906, about the Irish-born artist, Phoebe Anna Traquair.

Het duurde tot 1920 eer ze (als erelid, troostprijs?) tot de Royal Scottish Academy werd toegelaten, nadat ze in 1900 was geweigerd. Ze werd de eerste vrouw in de Academy en liet die vermelding op haar grafsteen beitelen.

Het dagelijkse doen en laten kreeg later via het Bauhaus een plaats in de kunst. Er kwam helaas een tijd dat ‘overleven’ een noodzaak werd. Of we daarna in onze lange vredevolle tijden de kunst als inspiratie en leidraad voor een goed leven terugvonden, blijft een open vraag. Haar steeds grotere afwezigheid in opleidingen en openbare ruimtes mag ons wel even bezighouden bij het plannen van wat wij als toekomst moeten bedenken. Alsof er één beroep zonder creativiteit tot ons welzijn zou kunnen bijdragen.

Bezoek:

https://www.nationalgalleries.org/art-and-artists/features/phoebe-anna-traquair

https://www.nms.ac.uk/explore-our-collections/stories/art-and-design/phoebe-anna-traquair/

https://digital.nls.uk/traquair/manuscript.html

https://mansfieldtraquair.org.uk/

Boy with sheep (verkocht bij Bonham’s)

The world is a great treasure house: Phoebe Anna Traquair (1852-1936) (1)

Detail Red Cross-Knight 1907

Of je na zo’n rijk leven als muurschilder, boekbindster, illustratrice, ambachtsvrouw, juwelenontwerpster, stoffendecoratrice tussen de plooien van de geschiedenis kunt verdwijnen? Ja, dat kan nu je als ‘vergeten kunstenares’ wordt beschreven en de meesten onder ons wellicht nog nooit van haar hebben gehoord. Geboren een jaar na de Great Exhibition in het Crystal-Palace, opgegroeid in een doktersgezin in Dublin en Wicklow in een wereld tussen vooruitgang en moderniteit waarin het zoeken naar nieuwe authenticiteit met de Art & Craft’s beweging en personaliteiten als William Blake en John Ruskin je blijvend inspireren om de dromers van de Prerafaëlieten (Pre-Raphaelite Brotherhood) niet te vergeten.

Mural: The awakening, from the Parable of the Wise and Foolish Virgins, South Chapel
Traquair was born in Dublin in 1852, the third daughter of physician  Dr William Moss and his wife Teresa Richardson. Phoebe Anna Moss  attended art and design classes at the Royal Dublin Society; as a  student she was assigned the task of providing fossil fish illustrations  for the young Scots palaeontologist, Ramsay Heatley Traquair, then  keeper of the museum at the Royal Dublin Society.
 Moss and Ramsay Traquair went on to marry in Dublin in 1873. The  following year, Ramsay Traquair was appointed Keeper of Natural History  at the Museum of Science and Art in Edinburgh (known today as the  National Museum of Scotland) where they subsequently moved and remained  for the rest of their lives. Phoebe Anna Traquair continued to provide  detailed illustrations for her husband’s research papers until his  retirement in 1906. (National Galleries Scotland)
Shepperd Boy (National Galleries Scotland)

In 1880 werd ze lid van de Edinburg Social Union (ESU). Dat was een filantropische vereniging die het leven van de arbeidersklasse door middel van kunst trachtte te transformeren, een van de illustere dromen van de Arts & Craft-beweging. De eerste opdracht van de ESU was een regligieuze muurschildering te maken op de muren van de mortuarium-kapel van het Royal Hospital for Sick Children (1885). Later zouden muurschildeirngen volgen voor de zangschool van de St Mary’s bisschoppelijke kathedraal (1888-92) en haar meest ambitieus en glorievol succesvol werk, werden de schilderingen in de katholieke apostolische kerk in Mansfield Place (1893-1901). Hier enkele ‘overgebleven’ schilderingen uit de kapel van het hospitaal voor zieke kinderen.

Phoebe Anna Traquair, Three Studies for the Decoration of the first Mortuary Chapel, the Royal Hospital for Sick Children, Edinburgh
https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/b/bb/Royal_Hospital_for_Sick_Children%2C_Mortuary_Chapel_Murals%2C_Edinburgh_48.jpg
Bij het uitwijken naar een nieuwere kapel werden een aantal van de muurschilderingen 'overgebracht'. Dat gebeurde helaas met weinig zorg.
Momenteel is het hospitaal verkocht, ook de kapel 'to property developpers'. Dat er geen betere foto's van de oorspronkelijke muurschilderinge bestaan is een letterlijk 'teken aan de wand'.  Maar nog aanwezig in The National Galleries Scotland een fragment van een muurschildering uit de Mortuary Chapel, the Royal Hospital for Sick Children, Edinburgh:
Laten we daarna de zangschool bezoeken, nog steeds in gebruik, niet alleen door jongens maar heel eigentijds ook met meisjesstemmen aangevuld. We hebben een mooi filmpje om je rond te leiden: Song School, St. Mary's Episcopal Cathedral:

Op deze merkwaardige muurschildering in de zangschool worden de zangertjes begeleid of omringd door persoonlijkheden uit die tijd. Vooraan AlfredTennyson(dichter) in ’t rood, daarachter Robert Browing (dichter) en Dante Gabriël Rosetti.(dichter) Verder Holman Hunt (schilder), Thomas Carlyle (historicus), Noel Patton (schilder) en George Frederic Watts (schilder en beeldhouwer). Het hele koor van toen is naar levende modellen op de schilderingen aangebracht. (1888-1902) Er is zelfs een ‘father Damian’ bij, door de Schotten ‘een controversial priest’ genoemd.(en een aantal koloniale ‘helden’)

Een mooi filmpje laat je van alle muurschilderingen genieten.

She was also asked in 1892 to decorate the interior of the Catholic Apostolic Church in Mansfield Place, designed by Robert Rowand Anderson in 1872. Once completed in 1897, this massive church was almost instantly recognised as an outstanding work of modern decorative design by critics. In these murals Traquair demonstrated the influence of Italian Renaissance painters including Sandro Botticelli and Fra Angelico, exploring their rich colour and primitive style; the work is often still referred to as ‘Edinburgh’s Sistine Chapel’

In 1900 National Gallery of Scotland director James Caw wrote in The Art Journal that Traquair ‘wrought direct upon the walls … she waits until an idea shapes itself in colour and line in her mind’s eye, and then transfers it to the walls at once, thus retaining the vividness and freshness of the conception.’ The scenes in the nave were worked particularly quickly over a rougher plaster finish than found elsewhere.
Traquair’s use of colour and texture give the decoration a vivid, ‘musical’ quality. Her oil paints were diluted with turpentine, which, when applied to the dry, white-painted plaster surface, gave the colour a translucency parallel to that of watercolour on paper. The final beeswax coating was burnished by hand to give a silky soft sheen and protect the paint from the climate. Where gesso was also applied, it sometimes contained rough string to provide additional texture and vitality.
Phoebe Traquair’s murals, Catholic Apostolic Church, Edinburgh east end
https://en.wikipedia.org/wiki/Phoebe_Anna_Traquair#/media/File:Phoebe_Traquair’s_murals,_Catholic_Apostolic_Church,_Edinburgh_(east_end).JPG
Tropetting angels detail from the chancel arch.
According to Frank Morley Fletcher the paint was “oil colours in tubes, thinned by a medium of beeswax dissolved in turpentine”. In addition to colour, Phoebe Traquair applied metal leaf and raised work, or pastiglio, to the surface, which, combined with the lively roughness of the preparatory layers, gives the decoration a richly textured quality. ‘Silver’ gilt is, in fact, aluminium leaf. According to Morley Fletcher: “The varnish used was of a good copal carriage variety; finally a wash of wax and turpentine was applied and polished by hand to a dull eggshell finish”. Discoveries during the restoration work showed that this description is accurate with the exception of the preparatory layers which were found on analysis to be lead white, not the zinc white described by Morley-Fletcher.
The speed at which Phoebe Traquair worked may be seen in her painting of the timber framing mouldings. Here the paint has been put on quickly, with little concern for neatness of finish, since the overall effect is all that would be seen from the ground. There are several instances where the artist “touched up” her painting. The most obvious cases are where she has blocked over areas in white paint. This may be seen clearly on the lilies on the south side of the south chapel ceiling.
Pigments identified by analysis in 1999 included terre verte, viridian, ultramarine blue, iron oxide earth pigments, carbon black, possibly vermilion. Some pink, red and yellow lakes were tentatively identified. Further samples taken at the beginning of the restoration confirmed these results, and a cobalt blue has also been identified. The paint is so transparent that it is possible to see how the artist sketched out the design onto the surface before painting, and how frequently she altered the design slightly in the final painting. In one instance on the ceiling of the south chapel she sketched the arrangement of two figures on a small scale before painting over the sketch.

Je merkt de verschillende invloeden die einde van de negentiende, begin twintigste opgeld maakten aansluitend bij de neo-romaanse atmosfeer van de kerk. Er zijn de heldere lijnen die vanuit de middeleeuwse en de vroege rennaissance ook Keltische naast Byzantijnse invloeden tonen. De eenvoud van de grote meesters, de details van het verhaal die het hemelse toch op de aarde zetten.

Er klinken trompetten, er is gezang, uitroepen van pijn en vreugde. De harp speelt zachtjes, al zal de massa harpen achter de heiland best gehoord worden. Je voelt de wind over het hemelse en het aardse landschap. Er zijn geen duivels, geen hellevuur: de boodschap vraagt licht en eenvoud zonder wereldvreemd te worden. Er is vooral veel tederheid aanwezig.

In een brief aan haar neef schrijft ze:

“To the artist, be he the poet, painter or musician, the world is a great treasure house, stored with endless material for him to use, teach yourself to match the beauty of red-lipped buds, sunlight through green leaves, the yellow gorse on the hill, the song of the wild birds, so on, step by step, the world opens out. This is life. This is to live, the perfection comes when one’s own life is in harmony with this beauty.” 
“Every moment some form grows perfect in hand or face; some tone on the hills or the sea is choicer than the rest; some mood of passion or insight or intellectual excitement is irresistibly real and attractive to us, — for that moment only. Not the fruit of experience, but experience itself, is the end. A counted number of pulses only is given to us of a variegated, dramatic life. How may we see in them all that is to seen in them by the finest senses? How shall we pass most swiftly from point to point, and be present always at the focus where the greatest number of vital forces unite in their purest energy?"
Traquair, Phoebe Anna; Cupid’s Darts; The National Trust for Scotland, Kellie Castle & Garden; http://www.artuk.org/artworks/cupids-darts-196989

In een volgende bijlage laten we je nog graag kennis maken met haar werk waarin stoffen, verluchte handschriften en juwelen, triptyches en doosjes net zo goed een middel waren om zich met kunst bezig te houden. Er bestaat geen onderscheid tussen kunst en zgn. toegepaste kunst. Of met haar eigen woorden uit de reeds geciteerde brief:

While all melts under our feet, we may well grasp at any exquisite passion, or any contribution to knowledge that seems by a lifted horizon to set the spirit free for a moment, or any stirring of the senses, strange dyes, strange colours, and curious odours, or work of the artist’s hands, or the face of one’s friend. Not to discriminate every moment some passionate attitude in those about us, and in the very brilliancy of their gifts some tragic dividing of forces on their ways, is, on this short day of frost and sun, to sleep before evening. With this sense of the splendour of our experience and of its awful brevity, gathering all we are into one desperate effort to see and touch, we shall hardly have time to make theories about the things we see and touch…”
Reverie privé bezit

Between glamour and gloss: Adam Buck (1759-1833)

The Nine Youngest Children of Richard Bagot, Bishop of Bath and Wells
1825 – Watercolor on card. The Morgan Library Museum NY

De deur openduwen van de Engelse ‘Regency-tijd’ met een portret-tekenaar, miniaturist, die negen van de twaalf bischoppelijke kinderen beetje ordeloos maar fraai gekostumeerd heeft gepenseeld, kan naast een bekoorlijk portret ook een heus statement zijn voor een boeiende tijd die wij via Jane Austen en menig grootschalige televisieserie herkennen. Het begrip ‘elegantie’ is inderdaad een overkoepelend begrip, onmiddellijk aangevuld met ‘vermogend’, of ‘upper class society’. Ene Constance Hussey in haar blog ‘A different time, a different place’ vat het tijdperk samen:

In 1811, King George III, being subject to mental instability,  was deemed unfit to rule. His son, the Prince of Wales, ruled by proxy  as Prince Regent until he became George IV on the death of his father.  Although this time period is the actual length of the Regent’s rule, the  term Regency Era often refers to the years between 1795 and 1830. The  period we think of as the ‘Regency’ was a time of glamour and gloss; a  glittering world renowned for its elegant entertainments, haut couture,  achievements in the arts, sciences and architecture, and characterized  by distinctive trends in fashions, politics and culture. For the  aristocracy, or the ton, as the highest level of society was  known, it was a time of excess; elaborate balls and routs, sumptuous  dinner parties and weeks-long entertainments at splendid stately homes. 
Adam Buck (1759-1833)
Portrait of a Young Gentleman
Watercolour, 13 x 12cm (5 x 4¾”)
Signed and dated 1829
Born in Cork to a family of Irish silversmiths, Buck specialised in painting miniatures from an early age and soon progressed to larger watercolour portraits.  His 1787 family portrait of the Edgeworths includes Maria Edgeworth, Jane Austen’s main rival as a novelist of contemporary manners.  After working in Ireland, Buck emigrated to London in 1795 at the age of 36 and began a long and prolific career as a regular exhibitor at the Royal Academy for over 30 years, with over 170 exhibits.
The Edgeworths family
At the centre of the composition is Richard Lovell Edgeworth (1744-1817) an engineer and inventor from Edgeworthstown, Co. Longford. He faces his eldest daughter, the famous novelist Maria (1767-1849), as he points to a drawing on the table. Richard's third wife, Elizabeth Sneyd (standing holding a baby), and numerous other children look on.
Adam Buck (1759-1833)
Portrait of a Lady, Seated at a Desk
Watercolour and crayon on wove paper,
In 1798, Maria and her father published a two volume treatise, 'Practical Education', which became an acclaimed manual for child-rearing. Key ideas included encouraging hands-on learning and experiment. Above all, children were to be encouraged to 'learn from their own experience a just confidence in their own powers.'

De concurrentie, met name Jane Austen beschreef ook een druk familie-tableau in Persuasion, hoofdstuk XIV.

“On one side was a table occupied by some chattering girls, cutting up silk and gold paper; and on the other were tressels and trays, bending under the weight of brawn and cold pies, where riotous boys were holding high revel; the whole completed by a roaring Christmas fire, which seemed determined to be heard, in spite of all the noise of the others. (…) Mr Musgrove made a point of paying his respects to Lady Russell, and sat down close to her for ten minutes, talking with a very raised voice, but from the clamour of the children on his knees, generally in vain. It was a fine family-piece”.
Regency Christmas by Cruikshank

In 1795 emigreert Adam Buck naar Londen; zesendertig is hij dan.

‘Buck’s entry into London Society was meteoric.  He soon enjoyed favour with both the Prince of Wales and the Duke of York.  He was particularly associated with depicting Mary Anne Clarke (1776-1852), the scandalous and intriguing mistress of the Duke of York.  Her life story has been told with affectionate wit by her great grand-daughter, Daphne Du Maurier.

Mary Anne Clarke (Thompson)

Buck’s love of the Antique, especially the art of Greece and Rome, inspired his life-long project to record images from Greek Vases, resulting in 157 large drawings now preserved in Trinity College Library, Dublin.  His own designs, inspired by classical pieces such as these, were adapted for the decoration of contemporary ceramics and were popular as prints.’

The expiation of Orestes 1812
He came from a family of silversmiths, but began as a miniaturist, along with his brother. The technical skills and focus on detail required for silversmithing were readily transferable. The small scale of his pastels and watercolours and the lack of prestigious history paintings in his oeuvre meant that his many attempts to become an Associate Member of the Royal Academy between 1802 and 1829 were unsuccessful, although he exhibited 160 portraits at the Academy throughout his career. His work demonstrated too much of the ‘mechanic’s’ decorative craft, and not enough of the underlying bone and muscle understood through the life class, too much of the particular and not enough of the universal. The introductory wall panel notes that ‘Even when painting more ambitious subjects, he remained a miniaturist at heart’. (BSECS British Society for Eighteenth-Century Studies)
Robert Southey with Daughter and son, Adam Buck

Lees ook:

Of hij de strengheid van BSECS verdient, laat ik aan de lezer over. Hij was een man wiens werk geliefd was in een tijd waarin gegoede jonge vrouwen met miniatuur portretjes van Lord Byron op hun tasjes rondliepen, tijden waarin een auteur op ‘warme verering’ kon rekenen. En of de heren van de Royal Academy hem niet lusten een standaard ter beoordeling mag zijn zal ik met alle plezier in het klassieke midden laten. Zijn werk werd door talrijke uitgevers als ‘prent’ verspreid, een popularisering die alvast voor enig inkomen zorgde, ook al stierf hij vrij berooid zoals dat heet. Ik zie hem vooral als getuige van een merkwaardige tijd waarin hijzelf het liefst terug in het Oude Griekenland wilde leven en werken.

Het was een tijd waarin ‘celebrity’s’ zoals Marie-Antoine Carême astronomische bedragen voor haar diensten vroeg en goed verkopende kookboeken schreef die door Napoleon en de Prince Regent werden gebruikt. Een tijd waarin het £15 kostte -het jaarloon van een stielman- om een balzaal met waskaarsen te verlichten voor één avond. Een tijd waarin plaatsen waar een moord was gebeurd als vermaak bezocht werden, zelfs nog voor de politiediensten ter plekke waren geweest en dus het lichaam mee naar de dichtsbije pub werd genomen tot de lijkschouwer het zou op halen. Een merkwaardige tijd die inderdaad wel eens aan deze tijd doet denken.

Fictional character, the beloved of the wife of Tom Jones, hero of Fieldings novel ‘Tom Jones’

Het eerste licht na een lange nacht

Ostermorgen (Paasmorgen) Casper David Friedrich, circa 1828-35

Full many a glorious morning have I seen
Flatter the mountain tops with sovereign eye,
Kissing with golden face the meadows green,
Gilding pale streams with heavenly alchemy …

(William Shakespeare, uit Sonnet 33)

Soluppgång över taken. Motiv från Stockholm (Sunrise over the Rooftops. Motif from Stockholm), by Eugène Jansson, 1903.

Dageraad. Het langzaam verdwijnen van de nacht in het licht van de opkomende zon. Terwijl ‘zonsondergangen’ eerder geliefde beelden met een zekere melancholie zijn, mag het verschijnen van het eerste licht wel eens op minder sympathie rekenen, zelfs bij een tijdgenoot van Shakespeare, John Donne.

The sun rising

Busy old fool, unruly sun,
 Why dost thou thus,
 Through windows, and through curtains call on us?
 Must to thy motions lovers’ seasons run?
 Saucy pedantic wretch, go chide
 Late school boys and sour prentices,
 Go tell court huntsmen that the king will ride,
 Call country ants to harvest offices,
 Love, all alike, no season knows nor clime,
 Nor hours, days, months, which are the rags of time …
Zonsopgang boven de Oka rivier Victor Ivanovich, midden 20ste eeuw/

Ook T.S. Eliot beschrijft met gemengde gevoelens zijn ‘Morning at the Window’

Morning at the Window

They are rattling breakfast plates in basement kitchens,    
 And along the trampled edges of the street    
 I am aware of the damp souls of housemaids    
 Sprouting despondently at area gates.    
 The brown waves of fog toss up to me            
 Twisted faces from the bottom of the street,    
 And tear from a passer-by with muddy skirts    
 An aimless smile that hovers in the air    
 And vanishes along the level of the roofs.

(uit Prufrock and Other Observations, 1920)
Edward Hopper Cape Cod Morning

Nog anders wordt het als het morgenlicht met iemand gedeeld kan, moet worden: een baby’tje in de mooie tekst van Sylvia Plaths ‘Morning Song’. Eerst de tekst en daaronder een ‘visual annotation’ van Sylvia Plath’s ‘Morning Song’:

Morning Song

Love set you going like a fat gold watch.
The midwife slapped your footsoles, and your bald cry   
Took its place among the elements.

Our voices echo, magnifying your arrival. New statue.
In a drafty museum, your nakedness
Shadows our safety. We stand round blankly as walls.

I’m no more your mother
Than the cloud that distills a mirror to reflect its own slow
Effacement at the wind’s hand.

All night your moth-breath
Flickers among the flat pink roses. I wake to listen:
A far sea moves in my ear.

One cry, and I stumble from bed, cow-heavy and floral
In my Victorian nightgown.
Your mouth opens clean as a cat’s. The window square

Whitens and swallows its dull stars. And now you try
Your handful of notes;
The clear vowels rise like balloons.

Plath with her children Frieda and Nicholas, 1963. (Writer Pictures)

Er staat zelden wat er staat, en dat geldt voor beeld en woord. In het teken verschuilt zich een complexe gelaagde werkelijkheid. Dat is het mooie van het kijken en lezen: het eerste licht vergeet de nacht niet. Wel kan het troostend zijn, de boze dromen helpen oplossen, maar tegelijkertijd wordt de dag in zijn totaliteit zichtbaar. Of het de nachtegaal was, vraagt de geliefde, terwijl wij weten dat de zoete nacht voorbij is. Maar kijk je als Turner naar de daken van Venetië dan duurt het dromen nog wel even.

De daken van Venetië met de Campanile van San Marco en San Giorgio gezien vanuit Hotel Europa (Palazzo Giustiniani) Turner 1840

En met de Muze neem ik je mee naar de tekst van Arthur Rimbaud. Er is een mooie Nederlandse vertaling van Paul Claes maar laten we toch maar de originele tekst lezen uit zijn bundel ‘Illuminations’. Er zijn zeker honderd verklaringen voor deze tekst, deze morgendroom van een vrij jonge dichter. In ‘Aube’ is het de laatste zin die wellicht een sleutel kan zijn: ‘Au reveil il était midi.’

Aube

J’ai embrassé l’aube d’été.

 Rien ne bougeait encore au front des palais. L’eau était morte. Les camps d’ombres ne quittaient pas la route
 du bois. J’ai marché, réveillant les haleines vives et tièdes, et les pierreries regardèrent, et les ailes
 se levèrent sans bruit.

 La première entreprise fut, dans le sentier déjà empli de frais et blêmes éclats, une fleur qui me dit son nom.

 Je ris au wasserfall blond qui s’échevela à travers les sapins : à la cime argentée je reconnus la déesse.

 Alors je levai un à un les voiles. Dans l’allée, en agitant les bras. Par la plaine, où je l’ai dénoncée au coq.
 A la grand’ville elle fuyait parmi les clochers et les dômes, et courant comme un mendiant sur les quais de marbre,
 je la chassais.

 En haut de la route, près d’un bois de lauriers, je l’ai entourée avec ses voiles amassés, et j’ai senti un peu
 son immense corps. L’aube et l’enfant tombèrent au bas du bois.

 Au réveil il était midi.

 Arthur Rimbaud, Illuminations
La Muse au lever du soleil Alphone Osbert, 1918

Tenslotte een lied, ja zelfs een chanson over de het vroege licht. Een prachtige tekst, een net zo prachtige muziek en interpretatie om de kwaliteit van de productie niet te vergeten. ‘De zotte morgen’ van Jef Vanuytsel muzikaal gearrangeerd door Frans Ieven. Een monument.

De zotte morgen

De nacht sluipt weg de lucht verbleekt
 De schimmen vluchten zwijgend
 En aan de verre horizon
 Begint de zon te stijgen
 En daar trekt uit de nevel op
 De klaarte van de dageraad
 Met in zijn schoot geborgen
 De zotte morgen
 De stad ontwaakt de eerste trein
 Breekt door de stilte en op zijn
 Signaal begint de wildedans der dwazen
 De mens kruipt uit zijn ledikant
 Denkt aan zijn werk en met zijn krant
 IJlt hij nog halfslaperig door de straten
 De wereld herneemt zijn zotte zorgen
 Het ritme van de zotte morgen
 Nu kleurt de einder rood en valt
 De kou zacht door de ramen
 De stilte vlucht voor al't lawaai
 Dat opstijgt uit de straten
 En daar is dan de morgen weer
 Een schaterlach en elke keer
 Verdrijft hij zonder schromen
 De nacht de dromen
 De stad wordt wild en auto's razen
 Door zijn poorten en de laatste
 Rust wordt uit zijn schuilhoek gedreven
 Vogels vluchten vol verdriet
 Uit zijn torens want hun lied
 Wordt nu door niemand meer begrepen
 Mensen lopen naast elkaar
 Een verre groet een stil gebaar
 Want alles wordt nu door de tijd gemeten
 De wereld herneemt zijn zotte morgen
 Het ritme van de zotte morgen
 Maar't land zelf slaapt zijn roes nog uit
 Diep onder't loof verscholen
 Hier komt geen mens of geen geluid
 D? oneindige rust verstoren
 Terwijl de stad nu raast en schreeuwt
 De morgen zijn bevelen geeft
 Wordt hier bij't ochtendgloren
 De dag geboren
 En ook de kinderen en de dwazen
 Blijven tussen de rozen slapen
 Ver en veilig geborgen
 Voor het ritme van de zotte morgen

Solen (de zon) Edvard Munch circa 1910-13

Bij ‘-WEGWIJZER-‘ bovenaan hebben we ook het jaar 2020 bereikbaar gemaakt zodat je elke bijdrage van dat jaar afzonderlijk kunt aanklikken. De jaren 2018-2019-2020 bevinden zich helemaal onderaan. Aan de jaren 2011-2017 wordt verder gewerkt. De jaren 2004-2009 zijn ook per bijdrage bereikbaar.

De werkelijkheid vind je op straat: Nino Migliori, fotograaf (1926)

Cefalù, from the series Gente del Sud.

Als tweeëntwintigjarige amateur begint hij rond 1948, de nadagen van het Italiaanse neorealisme, te fotograferen. Een land dat zich van zijn facistisch verleden probeert te ontdoen, geïnspireerd op het Russisch (communistisch) model, op zoek naar een nieuw humanisme. Het leven in eigen handen nemen, een nieuwe maatschappij opbouwen, waar menselijkheid en gelijkheid centraal staan. Ik denk niet dat het zo duidelijk zijn bekommernis was, maar in die atmosfeer van het neorealisme begrijp je het succes van zijn vroeg werk dat tot op de dag van vandaag niets van zijn oorspronkelijkheid heeft verloren. Nino Mogliori, geboren in Bologna in 1926 en nu nog steeds als 95-jarige actief.





Uit de series Gente del Delta
The country was engaged in throwing off the repressive shackles of a fascist regime, an idealistic pursuit not lost on its photographic community. Migliori and his fellow documentarians pledged to expose the human condition and all its foibles, replacing romanticism with wit and humanity. Traveling to the southern regions to expose the pride of its people and the prejudice under which they toiled symbolized a rite of passage for Migliori and for other photographers of the postwar generation. Migliori also documented a traditional way of life in the North that would soon be transformed by modernization. The charming old-world ambience of its towns and the marvelous characters strolling its streets are a fascinating study of a culture on the precipice of change. (Keith de Lellis Gallery)
Series gente del Sud 1956

Hij is geen beroepsfotograaf, maar een werkelijke ‘amateur’, iemand die zich met het onderwerp verbindt: hij loopt soms enkele dagen met zijn camera zonder film rond om zijn onderwerpen aan zijn aanwezigheid te wennen, en kan dan in volle vertrouwen zijn foto’s maken.

My work has always been what you might call explorative. I joined the  photographers’ club in Bologna after the war and set out to discover  new people and places. We were able to enjoy the simple things that had  been missing during the war years: walking along streets, making new  friends, eating in their homes, going dancing. 
 I had to do other jobs to earn a living, but my free time was  dedicated to photography. I travelled to southern Italy and lived with  families for weeks at a time, eating with them and getting to know them.  Initially they were very aware of the camera and would stop and pose,  but after a while they relaxed and the images became more natural.
Gente del Delta, 1958
Gente dell’ Emillia 1957
In the 1950s he took images that documented the life and inhabitants of his region, then collected in Gente dell’Emilia and Gente del Delta series. In 1956 he left for the South and crossed Campania, Basilicata and Calabria. Migliori experimented the formula of collective portrait in exteriors and he established a personal linguistic solution in the interpretation of a reality investigated in those years by Italian and foreign photographers.
Dalla serie Gente dell’ Emillia
I spent a lot of time with Italian painters, too. I wanted to see how  they worked, what motivated them. In particular, I became good friends  with Tancredi Parmeggiani, who was close to Peggy Guggenheim.  He introduced me to her in Venice and I started taking pictures of her.  Many of them now hang in the Guggenheim museums in Venice and New York.
 I was at Peggy’s home the day Jackson Pollock’s  first drip painting arrived in Italy. It was an enchanting experience.  Nobody had ever seen anything like it. We celebrated and all got drunk  while looking at it.(The Guardian)

Ik wil deze bijdrage beperken tot zijn vroege werk. Na de jaren vijftig begint hij het materiaal zelf te onderzoeken. Hij experimenteert graag met oxidatie, fotogrammen, bewerkingen op het negatief zelf, enz. Boeiende zaken die echter meer ‘het effect’ als onderwerp hadden in plaats van het ‘affect’ al beweert hij zelf dat net die experimenten zijn fotowerk verzoent met zijn zoeken naar helderheid en nieuwe vormen van communicatie via het beeld.

I used to experiment with every single aspect of photography: paper, development, fixing, light, color. I studied anything I was interested in: I tested how color changed with shutter speed and paper oxidation, I let drops of water run down film before printing, creating what I called “hydrograms”…
Member of the Scientific Committee of the Photography section of the CSAC in Parma, he fervently continued his experimentation activities. From 1986 onwards he often devoted himself to teach in schools of different levels and in museums, such as the recent experience of the workshop at the nest of the MAST Foundation in Bologna (2014-2016). Since 2006 he has been working on the Lumen series, with highly innovative works realized “by candlelight”. He started this cycle with Terra incognita. Lo zooforo del Battistero di Parma and he still continues it today. In 2016, the Nino Migliori Foundation was set up to protect and enhance the Emilian artist. In 2017 he was elected Academic of Honor by the Accademia Clementina. Some of his works have recently been acquired by the Metropolitan Museum of Art in New York.

Er zijn natuurlijk zijn iconische foto’s die wereldwijd verspreid zijn. Een van de meest bekende is ‘de duiker’. Il Tuffatore (1951)

Il Tuffatore 1951
I took this in Rimini  in 1951. Back then, it was a popular seaside destination for people  from Bologna, since it was affordable and easy to get to. My parents had  taken me a lot when I was a boy, because the sea air helped my asthma.  But by then I was 25 and rarely went to the beach any more.
 That day, I wandered around the town before going to the port, to  watch the people and the passing boats. There were some boys playing on the dock, joking around and throwing each other in. They would go there  every Sunday and have diving competitions, landing on their bellies and  making a big splash. 
 These two boys were brothers. The younger one is sitting down, while  the other has tried to run, jump and dive over him. It was very  difficult as he only had about two or three metres to build up speed.  The other boy kept his head down to avoid being knocked. 

Mijn keuze viel op de prachtige foto van de ‘Portatore di Pane’ uit 1956. Op de achtergrond de zonnige straat, maar dichtbij een jongen die de balk met broden veilig op hun bestemming wil brengen, zijn ogen nauwelijks open, moe van het nachtelijk werk, geduldig wachtend. En in diezelfde vermoeidheid het slapende kappersjongetje, verborgen bijna achter de zetel in slechte staat.

Portatore di Pane, 1956
Il garzone del barbiere 1956
"Are words art in and of themselves? I don’t think so. But some people know how to use them artistically: “M’illumino / d’immenso” (“I illuminate (myself) / with immensity”, one of the most famous poems by Ungaretti – editor’s note) are a few simple words, yet they are pure art. The same dynamics occurs in photography. Two photos are all you need to express a wonderful, original concept that can be poetic, cultural, philosophical, or even artistic.”
Periferia 1950

Beelden die mij bijblijven omdat ze ‘met de mens te doen hebben’. Ze brengen mij, in deze tijd van maskers en afstand, steeds weer mededogen bij met wat ons in dit korte leven overkomt. De manier waarop wij met de werkelijkheid van onze beperkingen geconfronteerd worden, maar ook de mogelijkheden om het speelse, de ontsnappingen uit het alledaagse, een plaats te geven. Zoals op deze prachtige foto’s waarin een aanval met blaaspijpen wordt uitgevoerd in een straatje : de aanvallers in de luwte van de schaduw, de verdedigers in het zonnige raam. Een stripverhaal.

I Ragazzi della Via

Of ‘la voce della madre’ circa 1950 waar je door naar de gezichtjes te kijken de stem van de ‘mama’ hoort , een merkwaardig document. En daaronder een venstertje in de nacht. Maar bekijk de beelden nog eens: het wordt weer morgen. Ook nu nog.

La voce della madre, circa 1950

https://www.keithdelellisgallery.com/exhibitions/nino-migliori/selected-works?view=slider

en bezoek de Fondazione Nino Migliori:

Leven als kunstvorm: Jack Martin Rogers (1943-2001)

Study for The Piper. c. 1981. Pencil on paper.

Kunstenaars kunnen via hun overvloed aan beschikbaar werk makkelijker te portretteren zijn dan diegenen die de nakomelingen slechts een kleiner aantal nalaten, in dit geval door o. a. een brand in 1984 die huis, atelier en werken in het Turkse Ortakent verwoestte, maar wiens leven door de nakomelingen -in dit geval dochter Anita -wiens gallery in NY 75% van het beschikbare werk herbergt-een leven als kunstwerk zichbaar maakt.

Warwick. c. 1965. Oil on canvas. 21 3/4” x 29 1/2”
Jack Martin Rogers was born in Wiltshire, UK in 1943. He studied anatomy and fine art at the Birmingham School of Art. He moved to the island of Crete in Greece in 1962, which is when he began painting his most prolific work. Rogers went through many stylistic periods, ranging from fully figurative to abstract. He died in 2001, leaving behind an extraordinary body of work. Seventy-five percent of his estate is owned by his daughter, Anita Rogers. 
The boy is the artist’s younger brother, Graham Rogers. Like Jack, Graham was an avid musician. He played the piano and violin professionally and taught both instruments to students at Haileybury Imperial Service College, a major boys’ school at the time in Hertford,U.K.

The artist’s portraits in particular reveal a unique ability to render both the external and internal state of his subject with equal care; he captures the reality of the flesh with as much skill as he does the psyche of the subject. Tragically, much of the artist’s work was destroyed in a devastating house fire in Ortakent, Turkey in 1984; the artist was a prolific draftsman and painter and though much was lost, much still remains today, some still bearing visible evidence of the fire. (Anita Rogers)
Reclining Nude. 1964. Oil on canvas. 24 3/8″ x 29″

Asked to describe her father in brief, Anita Rogers called him “brilliant and a renaissance man,” who was a very-talented musician. “He played the lute—and made a lute—classical guitar, lute, Greek traditional bouzouki, and sang, and all to perfection,” she said. “He was completely dedicated to being an artist and committed to being a fine draftsman. He was a perfectionist and extremely hard on himself.”

Growing up, Anita Roger’s dad, who lived for his art, traveled around Greece and Turkey with Rogers (who was homeschooled) and her mom in a Volkswagen camper van. “His goal was to keep us as free as he could from being chained to a system,” she said. (interviewed by Rough Sketch, by Menachem Wecker August 2020)

Jack Martin Rogers (late father of the gallerist). “Uilleann Piper” (c. 1981). Pencil on paper. On view in “Jack Martin Rogers: Drawing” at Anita Rogers Gallery.

Briljant muzikant, a sensitive and compassionate person and a wonderful father and husband, met daarna de opmerking: “I remember him wishing he wasn’t so sensitive, so he could put his art before family, but he could not!” Met de directe aanvulling dat hij eens 24 uur musiceerde op het Griekse eiland Kea, een gebeurtenis die begon met een Griekse priester en zes vissers die ’s namiddag een biertje dronken en naar haar vaders ‘bouzouki’ luisterden. ‘It grew from there.’

Hellas has been enchanting artists, scholars, and writers for hundreds of years. Among them were Henry Miller, was drawn from Brooklyn to Marousi, and Lawrence Durrell, raised in British India, who fell in love with Corfu. In 1962 Jack Martin Rogers, who was born in Warwickshire, England found himself pulled into the magical island of Crete, and this winter some of his paintings – mainly with Greek themes – were lovingly exhibited by his daughter at her Anita Rogers Gallery in Manhattan --Interview in The National Herald 2017,helemaal te lezen via:

http://www.anitarogersgallery.com/attachment/en/5718f8ca6aa72c0856e7b675/News/5a4669541ac138cc1edb076e

Cretan Girl. 1966. Oil on canvas. 41h x 28 1/4w inch

Het leven als leerschool. De wereld als speelplaats. En een kunstgallerij in Manhattan waar op elke muur de getuigen ervan je aankijken.:

The first thing on the minds of visitors is determining which of the paintings filling the four walls belonged to Rogers. They appeared to reflect a variety of styles and artistic visions, with items ranging from fully figurative to abstract – but they are all by Rogers. “He spanned over 55 years” Anita Rogers said by way of explanation – but the works appear to have been created by distinct artistic personalities. She acknowledged that, and pointed out that was also the case with Picasso – “you would not know his works were by the same artist.” She added Bob Dylan was also like that musically, and Rogers admired both.'

En de man die tegelijkertijd de betrekkelijkheid van het kunstenaarsgedoe inzag en dus humor als wapen hanteerde.
Giant with Pipe Ink on paper 11″ x 16″
In addition to his fine art practice, Jack Martin Rogers created playful sketches and greeting cards for his family. The artist had a keen sense of humor - he was a fan of Monty Python and The Goon Show. This levity and wit is evident in his cartoons, many of which were damaged in the 1984 housefire. At one point, the artist’s wife, Dasa Rogers, began work on a cookbook and Jack Martin Rogers created the illustrations to accompany her recipes.
Priests. 1966. Oil on canvas. 41″ x 28 1/4″

bezoek: http://www.anitarogersgallery.com/artists/jack-martin-rogers

Rosemary. 1965. Oil on canvas. 18 3/4″ x 16″Rosemary. 1965. Oil on canvas. 18 3/4″ x 16″

De essentie die je als kind in het leven van alledag ervaarde, is moeilijk weer te geven met woorden. Ik kan me voorstellen dat de nagebleven werken je terugbrengen naar intense momenten die niet steeds vrolijk en geborgen hoeven te zijn maar in het geheel tekens van leven blijven, onvolkomenheden inbegrepen. Er is de kunst. Er is het leven. Er zijn de kostbare momenten waar ze samenvallen, maar zelfs het menselijk geheel van een bestaan op deze planeet is meer gebaat met toewijding en herinneringen dan met verbluffende kunstwerken die vaak die menselijke warmte wel eens camoufleren. Bij Jack Martin Rogers was het net dat ongrijpbare, het leven zelf dat je in de nagebleven werken terugvindt in de variatie en de intensiteit die ook de band tussen vader en kind zichtbaar maakt, ook na het verdwijnen van de vader. Het leven als kunstwerk met hier en daar een inkijk-of een uitkijk-raampje.

Rhodes. 1979. Gouache on paper. 8″ x 11″