Jan Mankes, weemoed van het licht

Jan Mankes. Zelfportret 1912

Mankes (1889-1920) schilderde in de jaren 1909-1920, een periode waarvan in de grote musea vooral de ‘vernieuwers’ te zien zijn. Zoals Jan Toorop, Vincent van Gogh, Kees van Dongen en Jan Sluijters. Abstract werk, impressionistisch, expressionistisch, fauvisten. Minder aandacht was er bij de critici en kunsthistorici voor de Nederlandse schilders die realistisch werk maakten, zoals Floris Verster, Matthijs Maris en Henri Frédéric Boot. En niet te vergeten: Jan Mankes. (Museumkijker 2020)

O laatste, warme dagen van september,
de weemoed van uw licht gloeit ook in mij,
ik laat, als gij, mij met een glimlach glijden
naar dood en vrede, beiden zo nabij. '

Jan van Nijlen (De laatste dagen) 1947
Bomenrij bij Oranjewoud

Een directe kennismaking met deze mooie kortfilm van de Friese Omroep (2020). ‘De stille ferwûndering fan Jan Mankes’ Beelden maken woorden overbodig. Fries met Nederlandse ondertiteling waar nodig. Mooi! Maakte mij toen nieuwsgierig naar de schilder, zijn werk en omgeving.

De magie zit in de verf. Mankes schilderde in eindeloze laagjes dunne olieverf, die hij met puimsteen afschuurde, zodat er ‘een opeenvolging van paarlemoeren tonen’ ontstond, met ‘tot tinten gebluschte kleuren’, ‘doorsprankeld en door-fonkeld van fijne toetsjes in purper en groen’. Ook daar zie je relaties. Met Vermeer, in het vettig wit van een gekalkt muurtje, met Holbein in de klare lijn rond het profiel van zijn Annie op donkergroen, met Piero di Cosimo in het aardse portret van zijn vader, met Japanse schilderkunst en Japanse houtsneden. (Koen Kleijn. De Groene Amsterdammer 5 augustus 2020)

Jonge witte geit

Om Mankes’ persoon hing de zweem van een geniale kluizenaar met een ‘afkeer van luidruchtigheid’. Vast staat wel dat zijn zachte, ingehouden werk ook latere kunstenaars zoals Dick Ket en Wim Schuhmacher inspireerde. Mankes zelf werd beïnvloed door kunsttradities van voorgaande generaties. Als jongen liep hij elke zondag van Delft naar Den Haag om in het Mauritshuis Holbein, Vermeer en Vlaamse primitieven te bekijken, zo gaat het verhaal. (Museum More). Bezoek:

https://www.museummore.nl/jan-mankes/

Jan Mankes. Zelfportret 1915. Collectie Museum More

“Alleen al de hoeveelheid zelfportretten die Mankes schilderde moet opvallen. Zo jong nog en dan je zelf zo vaak portretteren. Wat zit daar achter? Dat het alleen maar om studie ging, lijkt me vreemd. Ik heb de zelfportretten geteld. In de jaren 1909-1915 waren dat 11 à 12 schilderijen, vier tekeningen, zeven etsen, een houtsnede en een litho. Maar een klein aantal daarvan is voorstudie voor ander werk. Opvallend is dat Jan in het jaar 1914 zichzelf niet heeft geportretteerd. Wel maakte hij toen verscheidene portretten van zijn vader, die in de zomer van dat jaar zijn heup had gebroken. (Ongekamde gedachten bij de zelfportretten van Jan Mankes)

Jan Mankes’ vader voor het meer 1914

In maart 1914 begon Jan Mankes een soort kladschrift-dagboek bij te houden. Daarin noteerde hij van alles en nog wat. Ook zijn artistieke twijfels en zelfreflecties. Hij ging daarbij veel verder dan hij deed in de bekende correspondentie met zijn Haagse vriend en weldoener Pauwels. Mijn vermoeden is dat de zekerheid die Jan uitstraalt (wil uitstralen?) in zijn zelfportretten van 1910-1911 complementair is, zo niet vooraf gaat, aan de minder zelfverzekerde Jan Mankes die we leren kennen in zijn kladschrift.

(de moane Poadium foar keunst en kultuer yn Fryslân Yme Kuiper)

Jan Mankes Grote uil op scherm
De uil uit het beroemde schilderij ‘Grote uil op scherm’ uit 1913 woonde bij de familie Mankes in huis. De vogel was opgestuurd door de mecenas van de kunstenaar. Mankes schreef later: “Het is net een verschijning uit een sprookje, iets koninklijk teers, iets waar je nooit aan zou willen raken, ja hij is voor mij door die zilveren borst totaal volmaakt geworden”. Sprookjesachtig en teer zijn inderdaad rake typeringen voor Mankes' magnifieke oeuvre. (More Museum)

Mankes was geen holy fool; hij was erudiet en belezen, goed op de hoogte van de ontwikkelingen in de kunsten, hij was sociaal, vriendelijk, schuchter, en eigenwijs. Hij was plezierig in de omgang, schreef ettelijke fijne brieven, wist wat hij wilde en wat hij niet wilde, maar hij was daarbij wel degelijk puur, en natuurlijk, en eenvoudig. Dingen die Zernike misschien miste. Zij zat barstensvol met de juiste ideeën, sprak goed, schreef goed, las alles, maar zij zag – zo vermoed ik – elke zondag in de ogen van haar gemeente dat ze daar geen werkelijk contact mee maakte. Ze wist wel wie God was, zogezegd, maar niet waar ze hem kon vinden. Mankes wel. Hij had dat merkwaardig diepe gevoel voor de natuur, en leefde naar het doodeenvoudige idee dat God ook in de simpelste voortbrengselen daarvan te vinden was. Het klinkt zoet, misschien, maar de ‘spirituelen’ in de eerste decennia van de twintigste eeuw waren er vol van, die drang naar het zuivere en het ware, de mystieke werkelijkheid achter de gewone werkelijkheid, en ze waren geobsedeerd door ‘Zien’ met een hoofdletter Z. Maar niet iedereen kon dat, zomaar ‘zien’.

(Koen Kleijn. De Groene Amsterdammer 5 augustus 2020)

Jan Mankes. Portret van Annie Mankes-Zernike. 1918. Collectie museum MORE

En toch is het allemaal volkomen eigen. Het is zelfs zo eigen dat het je na honderd jaar nog altijd met stomheid slaat. Om nog eens de criticus van het Handelsblad (maart 1912) te citeren: ‘Deze kunst houdt met niets anders verband. Zij is als een zeldzame kostbaarheid; als een simpele, zoete zang van een bijzonder timbre, zij mist alles wat geniaal beginwerk in den regel onderscheidt: er zijn geen misvattingen, geen onhandigheden; er is niets in van hevigen durf en van groote passie; niets van stuwing naar een ideaal. Zij is een rust. Zij is een vrede.’ (ibidem als hierboven)

Gemberpot met dopheide, 1916. Olieverf op doek, 31 x 25,5 cm © Foto collectie Museum MORE

Opmerkelijk genoeg zat Mankes rond 1911 op ongeveer precies hetzelfde punt waar Mondriaan toen ook was aanbeland. Beiden schilderden toen zo’n bronsgroene gemberpot, met bloemen. Mondriaan zag in die vorm een manier om de natuur los te laten en de compositie in scherven te laten vallen, op zoek naar de onderliggende waarheid. Mankes sloeg precies de tegenovergestelde richting in, maar ook hij abstraheerde: de witte chrysantjes of de blaadjes van de judaspenning in de pot zijn de werkelijkheid ook al voorbij: het zijn een soort stralende figuurtjes geworden, met een innerlijk licht. (ibidem als hierboven)

Jan Mankes. Judaspenning in Japanse Vaas 1915. Collectie Museum MORE

Annie Mankes-Zernike nam na de dood van haar man de prediking weer op. Ze belandde in Rotterdam, waar ze een bloeiende gemeenschap in Tuindorp Vreewijk diende, met een praktijk die vol muziek, literatuur en toneel zat, want ze begreep dat ‘de poëtische, vrome verbeelding’ van de kunsten minstens even belangrijk was als de preek en de kerkgang. Zij had dat zelf ervaren, in Boven-Knijpe. (ibidem De Groene Amsterdammer nr 32 jaargang 2020)

Jan Mankes Bomenrij. 1915. Museum MORE

Met het samenbrengen van verschillende bronnen hoop ik de lezer(es) nieuwsgierig gemaakt te hebben naar deze kunstenaar. Een mooi overzicht van zijn werk vind je tenslotte in de collectie hieronder:


Glas met kleine lelie

Voor even nog
is zij wat ze worden zou
een kleine lelie
Lilium longiflorum

Op het doek
het ritme van je hand
het zachte gloeien,
het donker glas op het paletmes.

Verankering
van het broze bloeien.

Gmt

Tussen moment en levensloop

‘Portrait de jeune garçon’ Thérèse Debains, huile sur panneau

De kostbare momenten waarin tijdens het bestaan alles op zijn plaats valt, ook al begrijpen we niet het waar en waarom, en de terugkijk op een levensloop waarin gebeurtenissen een naam krijgen, maar… voorbij zijn. Een gedicht van de Amerikaanse dichter Ted Kooser als voorbeeld.

Raft, a poem by Ted Kooser
At the said-to-be bottomless pond
at the sand pit, the raft we discovered
was a heavy barn door, maybe ten feet
by twelve, halfway in, halfway out
of the water where others had left it,
probably older boys, always the first
to find something good, use it a while,
then leave it for us, Billy and Larry,
Danny and me, floating it out onto
the water, wading in after it, holding
onto its edge as we slid down the slope
up to our shoulders, then one by one
helped each other climb on, soaked
and shivering, standing to balance,
arms spread, each to a corner, facing
each other, frightened but laughing,
not a forethought among us for a pole
to push out with, nor a plank for an oar,
as we trusted that door as it floated
not on but just under the surface,
one corner sinking, then slowly lifting
as another went down, ankle deep
over the cold, bottomless darkness.
Seventy years later, I still feel that door
sinking under my weight, can still see
the white faces of Larry and Billy
and Danny looking across into mine
as we held our arms wide, as if to keep
some wild, free, invisible creature
there at the center from running away,
and at eighty I know what it was.
Foto door Hikmaturridho Yusuf op Pexels.com

Vlot.
een gedicht van Ted Kooser

Bij de naar verluidt bodemloze vijver
bij de zandafgraving, ontdekten we een vlot
was een zware schuurdeur, misschien tien voet
bij twaalf, half erin, half eruit
uit het water waar anderen ze hadden achtergelaten,
waarschijnlijk oudere jongens, altijd de eersten
om iets goeds te vinden, het een tijdje te gebruiken,
en het dan achter te laten voor ons, Billy en Larry,
Danny en ik, visten het uit het water,
er achteraan wadend, ons vasthoudend
aan de rand terwijl we de helling afgleden
tot aan onze schouders, dan één voor één
elkaar hielpen om erop te klimmen, doorweekt
en rillend, staand om in evenwicht te blijven,
armen gespreid, elk naar een hoek, tegenover
elkaar, bang maar lachend,
zonder een gedachte bij ons aan een stok
om er mee te duwen, noch aan een plank als roeispaan,
terwijl we op die deur vertrouwden terwijl hij dreef
niet op maar net onder het oppervlak,
een hoek zinkend, dan langzaam omhoog
terwijl een andere naar beneden ging, enkeldiep
over de koude, bodemloze duisternis.
Zeventig jaar later voel ik nog steeds die deur
zinken onder mijn gewicht, zie ik nog steeds
de witte gezichten van Larry en Billy
en Danny naar het mijne kijken
terwijl we onze armen wijd hielden, alsof we
een wild, vrij, onzichtbaar wezen daar in het midden
wilden verhinderen weg te rennen,
en nu ik tachtig ben, weet ik wat het was.

About Ted
Ted Kooser is a poet and essayist, a Presidential Professor of English at The University of Nebraska-Lincoln. He served as the U. S. Poet Laureate from 2004-2006, and his book Delights & Shadows won the 2005 Pulitzer Prize for poetry. His writing is known for its clarity, precision and accessibility. He worked for many years in the life insurance business, retiring in 1999 as a vice president. He and his wife, Kathleen Rutledge, the retired editor of The Lincoln Journal Star, live on an acreage near the village of Garland, Nebraska. He has a son, Jeff, and two granddaughters, Margaret and Penelope.

https://www.tedkooser.net/

Foto door Mohamed Almari op Pexels.com

De Italiaanse kardinaal, schrijver en humanist Pietro Bembo (1470-1547) -er is zelfs een lettertype naar hem vernoemd- zei dat de schilder Rafael, wiens grafrede hij schreef, ‘realistischer’ mensen schilderde dan zij in feite waren. We kennen hem via een portret door Titiaan geschilderd, maar graag toonde ik uit de verzameling van het Prado-museum een portret van een tot nu onbekende kardinaal uit die tijd, portret dat best de uitspraak van monseigneur Bembo staaft.

El Cardenal. Rafael. 1510. 79 x 61 cm

De deskundigen van het Prado:

Wat het meest opvalt aan dit portret, ongeacht de kwaliteit van zijn uitvoering, is Rafaëls buitengewone icastische scherpzinnigheid, waarmee hij het definitieve en universele beeld van een kardinaal uit de Renaissance kon vastleggen en toch de uniciteit van deze persoon kon weergeven. De effectieve weergave van de kwaliteiten van de stoffen, zoals de glans van de rode zijden muceta, getuigt van een directe kennis van de Venetiaanse schilderkunst. Het is niet voor niets gedocumenteerd dat Lorenzo Lotto in 1509 in het Vaticaanse paleis werkte en zijn mogelijke invloed op Rafaël is meer dan eens gesuggereerd.

Het werk wordt gedateerd rond 1510, een jaar voor Alidosi’s dood, vanwege de gelijkenis met het portret van Leo X (National Gallery), en de driehoekige compositie is duidelijk afgeleid van Leonardo’s motieven en in het bijzonder van de Mona Lisa.

icastisch adj. [van Gr. εἰκαστικός 'representatief', d. van εἰκάζω 'weergeven'] (pl. m. -ci). - Beschrijven, afbeelden of uitbeelden in zijn essentiële kenmerken, en dus effectief en vaak droog, scherp: stijl i.; uitdrukkingen i.; een icastische beschrijving. ◆ icastisch, realistisch; met directheid, met representatieve effectiviteit: icastisch beschrijven. 

Dit is een van de mooiste schilderijen van de kunstenaar, waarin de neutrale achtergrond (schijnbaar een donkergroen gordijn of ophanging) de aandacht vestigt op het iets groter dan levensgrote model, wiens figuur een driehoek vormt dicht bij het beeldvlak. Het kleurengamma is niet breed maar wel heel levendig, en het is toegepast met buitengewone helderheid en vaardigheid. Het resultaat is dat het moiré-effect van de rode zijden mucete (waarin de lichten in roze zijn geschilderd) contrasteert met het zuivere wit van de mouw en een bijna tastbare indruk van de werkelijkheid geeft.

Bekijk op je scherm de details bij Museo del Prado:

https://www.museodelprado.es/coleccion/obra-de-arte/el-cardenal/4c01eae6-feed-4135-88d9-6736140212fb

De kern van beide kunstwerken, een gedicht (Het vlot) van Ted Kooser en het portret geschilderd door Rafael zou je kunnen gaan zoeken bij hun uitstekende vormgeving: de levendige beschrijving van de vier jonge kinderen op hun geïmproviseerd vlot en de technische knappe uitbeelding van een belangrijk personage uit de Renaissance. Beiden onder de noemer: ‘Net echt’. Emotioneel aanwezig.


In zijn boek ‘Het gelijk van Spinoza, vreugde, verdriet en het voelende brein’ toont neuroloog, hoogleraar ern schrijver Antonio Damasio, aan hoe gevoelens van vreugde, verdriet, jaloezie en angst essentieel zijn voor rationeel gedrag en het leveren van culturele prestaties. De auteur werpt een nieuw licht op de filosofie van Spinoza, die lichaam en geest zag als een samenhangende eenheid, en rationaliteit, emoties en gevoelens intuïtief beschouwde op een wijze die pas door de moderne neurologie kon worden aangetoond.

In Damasio’s verklaring staat een thema centraal waar ook Spinoza veel aandacht aan besteedde: het voelen. Pijn en genot zijn de essentiële bestanddelen van alle gevoelens. De gangbare opvatting is dat we eerst gevoelens hebben en daar vervolgens uiting aan geven, door gedrag of gelaatsuitdrukking. Damasio draait het om: de uiterlijk waarneembare emoties komen eerst en daarna de innerlijke gevoelens.
Het onderscheid tussen emotie en gevoel valt volgens Damasio samen met dat tussen lichaam en geest. Emoties zijn geheel lichamelijk, pas bij de verinnerlijking ervan belanden we in het domein van de geest. Gevoelens zijn ‘mentale gebeurtenissen’, altijd verbonden met het lichaam.
De emoties gaan aan gevoelens vooraf.

Zelfportret van Rafael ongeveer 23 jaar

Het gaat dus duidelijk over kunde en ver-innerlijking. Voorbij de eerste emoties, wegen naar ‘mentale gebeurtenissen’ .
De kunde het ritme van het spel, de evolutie ervan en de uiteindelijke betovering in één gedicht samen te brengen met de laatste regel als open vraag aan de lezer.
‘De kardinaal’ kijkt je aan. Niet rechtstreeks maar vanuit zijn Mona Lisa-houding. De kunde om belichting en stofstructuren te verbinden met de menselijke aanwezigheid verbindt ons ondanks de tussenruimte van meer dan vijfhonderd jaar.

Natuurlijk wist Shakespeare het al. Aan het einde van Richard II, als de
 troon verloren is en de gevangenis dreigt, vertelt Richard zonder het te 
weten iets aan Bolingbroke over een mogelijk onderscheid tussen emoties 
en gevoelens. Hij vraagt om een spiegel, ziet zijn gezicht en wordt geconfronteerd met een schouwspel van ravage. Vervolgens merkt hij op dat
‘de uiterlijke jammerklachten’, die op zijn gezicht tot uitdrukking komen,
‘slechts schaduwen zijn van ongezien verdriet’, een verdriet dat ‘in stilte
 groeit in de gekwelde ziel’.  Zijn verdriet bevindt zich, zoals hij zegt, ‘geheel 
van binnen’. In slechts vier versregels geeft Shakespeare aan dat het gebundelde en ogenschijnlijk enkelvoudige proces van gemoedsaandoeningen,
dat we vaak nonchalant en onverschillig aanduiden als emotie of gevoel, in 
onderdelen kan worden geanalyseerd.
 (Antonio Damasio Het gelijk van Spinoza p.31)

Give me that glass, and therein will I read.
(He takes the mirror.)
No deeper wrinkles yet? Hath sorrow struck
So many blows upon this face of mine
And made no deeper wounds? O flatt’ring glass,
Like to my followers in prosperity,
Thou dost beguile me. Was this face the face
That every day under his household roof
Did keep ten thousand men? Was this the face
That like the sun did make beholders wink?
Is this the face which faced so many follies,
That was at last outfaced by Bolingbroke?
A brittle glory shineth in this face.
As brittle as the glory is the face,
-He breaks the mirror.-
For there it is, cracked in an hundred shivers.
Mark, silent king, the moral of this sport:
How soon my sorrow hath destroyed my face.

Uit Richard II. Act 4, scene 1

Richard II of England
Hier ligt de beroemde Rafael. De Natuur, Moeder van alles, was tijdens zijn leven bang dat hij haar zou overvleugelen; maar toen hij stierf, ging ook Zij bijna dood.  (Kardinaal Bembo bij de begrafenis van Rafael)

‘Henri Martin en Henri Le Sidaner, deux talents fraternels

Henri MartinL’ été ou les faucheurs (Summer or mowers) 1903 Klik op onderschrift om te vergroten

Henri Le Sidaner (Port Louis, Mauritius. 1862-Parijs 1939) en Henri Martin (Toulouse 1860-Labastide-du-Vert 1943) zou je volgens de titel van het mooie album, incluis catalogus, uitgegeven ter gelegenheid van een merkwaardige tentoonstelling in Parijs, volgend jaar in Nederland, deux talents fraternels kunnen noemen. Klinkt dat in hedendaagse kunst-oren een beetje vreemd, einde negentiende en nog een eind in de twintigste eeuw was een dergelijke ‘verbroedering’ niet zo ongewoon.


Henri Martin et Henri Le Sidaner ont toujours été regardés comme deux talents fraternels. Si l’on évoquait l’un, c’était immédiatement à l’autre que l’on songeait. Appartenant à une génération symboliste éprise de musique et de poésie, les deux artistes étaient avant tout des mordus de la nature. Ils en ont incarné les deux versants : les clartés ensoleillées de la terre méridionale et les effets apaisés de l’âme septentrionale.Ils participèrent au courant intimiste qui régna sur la Belle Époque. En respectant la véracité…

Henri Martin ‘Les Chaumières au soir’

Henri Martin, geboren in Toulouse in 1860, volgde een opleiding aan de Beaux-Arts in zijn geboortestad en vervolgens aan de École Nationale des Beaux-Arts in Parijs, waar hij al snel een kenmerkende stijl ontwikkelde die beïnvloed werd door de pointillistische technieken van Georges Seurat en Paul Signac, terwijl hij een persoonlijke toets behield die gekenmerkt werd door symboliek en een niet aflatende zoektocht naar licht. Vandaag de dag is hij het meest bekend om zijn idyllische landschappen en scènes van het plattelandsleven die baden in zacht, dromerig licht. Zijn stijl wordt gekenmerkt door een subtiel gebruik van pointillisme, met vleugjes levendige kleur die zijn werken een bijna mystieke sfeer geven. Onder zijn iconische werken is een serie schilderijen gewijd aan de Lot regio, waar hij een huis bezat in Labastide-du-Vert. Deze werken weerspiegelen zijn diepe verbondenheid met de natuur en de rust van het plattelandsleven. (artactif)

Henri Martin. la Vieille maison aux derniers rayons 1875-1904 Klik om te vergroten

Henri Martin. ‘Vue de Labastide-d-Vert

Henri Le Sidaner werd geboren aan de kusten van Mauritius in 1862… voordat hij opgroeide in Duinkerken, studeerde aan de Beaux-Arts in Parijs en ging werken in het atelier van de schilder Alexandre Cabanel. Net als Henri Martin werd Le Sidaner beïnvloed door het impressionisme, maar hij ontwikkelde ook een meer persoonlijke en intieme benadering. Zijn werk wordt vaak geassocieerd met een sfeer van rust en sereniteit, met composities die spelen met de subtiele nuances van licht en kleur. Hij staat bekend om zijn schilderijen van tuinscènes, gedekte tafels en ramen die uitkomen op schemerlandschappen. Hij is ongeëvenaard in het creëren van momenten van stilte en contemplatie, vaak verstoken van menselijke figuren, waardoor een gevoel van mysterie en melancholie ontstaat. Le Sidaner werd ook vaak vergeleken met symbolistische kunstenaars vanwege zijn vermogen om een sfeer op te roepen in plaats van de werkelijkheid getrouw weer te geven. (artactif)

Kanaal in Brugge bij schemering ca 1898

Henri Le Sidaner ‘Petite table dans le crépuscule du soir. 1921
Comme l’écrit Ingrid Dubach-Lemainque, « le premier appartient au terroir lumineux du Sud-Ouest, lieu de ses retraites estivales près de Cahors : le second se nourrit des cieux de Normandie, établissant à Gerberoy, à la limite de la Picardie, un domaine où il a créé un jardin fleuri merveilleux. N’est-ce pas finalement merveilleux d’entretenir une amitié fidèle lorsqu’on vit aux antipodes d’un pays ? Sans compter qu’artistiquement, les influences deviennent ainsi infinies.

Onze karakters verschilden enigszins, maar onze visie op kunst kwam precies overeen (Henri Martin)

« Nos natures étaient un peu différentes, mais nos visions d’art étaient parallèles. » « Henri Martin est très timide, souligne Yann Farinaux-Le Sidaner, rugueux, batailleur, et Le Sidaner est très réservé sans être timide et s’exprime avec une infinie distinction. »
(Cahors) Autoportrait 1912 – Henri Martin – Dépot d’Orsay




Henri Martin et Henri Le Sidaner ont toujours été regardés comme deux talents fraternels. Si l’on évoquait l’un, c’était immédiatement à l’autre que l’on songeait. Appartenant à une génération symboliste éprise de musique et de poésie, les deux artistes étaient avant tout des mordus de la nature. Ils en ont incarné les deux versants : les clartés ensoleillées de la terre méridionale et les effets apaisés de l’âme septentrionale.
Ils participèrent au courant intimiste qui régna sur la Belle Époque. En respectant la véracité des apparences, nos artistes s’attachèrent à rendre la poésie, la tendresse, la dévotion de leurs sujets, « le sens intime des spectacles de la vie ». C’est ainsi qu’ils surent véritablement créer une connivence avec le spectateur et qu’ils furent qualifiés d’intimistes.

Auteurs: Yan Farrinaux-Le Sidaner en Marie-Anne Destrebecq Martin

Sommaire

Deux talents fraternels
Les succès précoces d’Henri Martin
Les débuts hésitants d’Henri Le Sidaner
Le Paris fin de siècle
Les expositions de la Belle Époque
Les compositions monumentales d’Henri Martin
Gerberoy
Labastide-du-Vert et Saint-Cirq-Lapopie
La Grande Guerre
Les Années folles
L’Académie des Beaux-Arts
Peintres et musiciens
La postérité

45 euro, aan te raden voor uren lees- en kijkplezier.

Portrait de Jean Jaures. Henri Martin

Henri Le Sidaner. ‘L’eau morte’. (1901). Pastel on canvas

En een fragment uit het boek waarin de verwantschap met het Vlaamse (Belgische) hinterland wordt bezongen, deze tekst met als titel: ‘Les voyages d’ études.’

Un des traits marquants de cette fin de siècle fut l’ échange entre les artistes français et belges. Les symbolistes parisiens avaient ouvert leurs bras aux poètes flamands qui choisirent d’écrire en français. Ayant fini de grandir a deux pas de leur sol, Le Sidaner incarnera pleinement cette fraternité entre les deux pays. Sans doute grace à Gabriel Fabre qui, très tôt, s’était passionné pour la jeune école belge, le peintre admira profondément Maurice Maéterlinck, Charles Van Lerberghe, Max Elskamp ou Emile Verhaeren dont il deviendra l’ami.


Martin et Le Sidaner furent invites au Salon de la Libre Esthétique de Bruxelles, haut foyer de l’art indépendant qui conviait les plus grands noms de la peinture internationale à exposer aux côtés de l’avant-garde belge. Le premier, au début de l’année 1898, eut l’occasion de visiter Bruges qui ravit son coeur plus que son pinceau : “Ah mon ami, écrivit-il à Rivière, le beau petit voyage que je viens de faire a Dunkerque dans les dunes et dans la veille ville flamande de Bruges. Ah que c’ était beau, et triste, mon pauvre ami. Notre Midi n’ a pas cette intense poésie qui arrache des larmes, comme ces brouillards du Nord où certes je ne veux que passer.”


En revanche le séjour que fit, a l’été suivant, Le Sidaner en Flandre allait être une révélation qui transforma profondément son oeuvre“ : “ Veinard, lui écrivit Martin, tu es a Bruges.” Quoi de plus enchanteur pour un artiste septentrional que de contempler dans l’ enchevetrêment des canaux le souvenir presque intact d’une opulence passée ? Venu pour quelques jours, l’artiste restera en tout un an et demi à Bruges. C’est là véritablement, en s’ attachant à la poésie des cites somnolentes, qu’il trouva la direction de son art : “C’ est là, écrivit Mauclair, qu’il commença d’être tout a fait lui-même. »

Hneri Le Sidaner. ‘Le quai’. 1898

Een van de belangrijkste kenmerken van dit fin de siècle was de uitwisseling tussen Franse en Belgische kunstenaars. De Parijse symbolisten hadden hun armen geopend voor de Vlaamse dichters die ervoor kozen om in het Frans te schrijven. Le Sidaner, die opgroeide op een steenworp van hun grondgebied, zou deze broederschap tussen de twee landen volledig belichamen. Ongetwijfeld dankzij Gabriel Fabre, die van jongs af aan grote belangstelling had voor de jonge Belgische school, bewonderde hij de schilders Maurice Maéterlinck, Charles Van Lerberghe, Max Elskamp en Emile Verhaeren met wie hij bevriend werd.

Martin en Le Sidaner werden uitgenodigd voor de Salon de la Libre Esthétique in Brussel, een broeinest van onafhankelijke kunst waar de grootste namen uit de internationale schilderkunst werden uitgenodigd om samen met de Belgische avant-garde tentoon te stellen. De eerste, begin 1898, kreeg de gelegenheid om Brugge te bezoeken, wat zijn hart meer in verrukking bracht dan zijn penseel: “Ach mijn vriend,” schreef hij aan Rivière, “het mooie uitstapje dat ik zojuist heb gemaakt naar Duinkerken in de duinen en naar de oude Vlaamse stad Brugge. Ach, wat was het mooi en verdrietig, mijn arme vriend. Onze Midi heeft niet die intense poëzie die tranen doet opwellen, zoals die mist van het noorden waar ik zeker alleen maar doorheen wil.”


Aan de andere kant zou Le Sidaners verblijf in Vlaanderen de zomer daarop een openbaring zijn die zijn werk diepgaand zou veranderen: “Bofkont,” schreef Martin hem, “je bent in Brugge.” Wat is er meer betoverend voor een noordelijke kunstenaar dan in de wirwar van grachten de bijna ongeschonden herinnering aan een voorbije weelde te aanschouwen? Na een paar dagen bleef de kunstenaar anderhalf jaar in Brugge. Het was daar dat hij echt de richting voor zijn kunst vond, door zich te hechten aan de poëzie van de slaperige steden: “Het was daar,” schreef Mauclair, “dat hij volledig zichzelf begon te zijn.”
Huizen in Brugge

Hneri Martin ‘Les amoureux- 1935

Spiegelingen: door jezelf gezien worden.

Giula Marangoni Reflection photography

Tot dat andere kind
niet meer achter de spiegel
zal te vinden zijn
maar als kijker
zichzelf herkent,
tot dan
mag er van enige onbevangenheid sprake zijn.
Edward Coley Burne-Jones. The Mirror of Venus. 1870-76

According to Christopher Wood, "No picture illustrates better Burne-Jones's unique genius for blending together the two traditions of Pre-Raphaelitism and the Italian Renaissance into a new aesthetic style than The Mirror of Venus. The scene is purely imaginary, and shows Venus and her maidens gazing at their reflections in a pool of water. The landscape is arid and rocky; these strangely lunar landscapes were to become a recurring feature of his art, widely imitated by his followers. The mood and the colour are Pre-Raphaelite, but the conscious sweetness and elegance of the figures recall the Italian Renaissance, and, in particular, Botticelli, an artist greatly admired by Burne-Jones, and later to become a cult among fashionable aesthetes.
(Victorian Web)
Margaret Burne Jones. Schilder: Edward Burne-Jones 1885-1886

Langs ‘de mannenkant’ gaf het schilderij met de groep mooie meisjes die zich uitvoerig spiegelen natuurlijk aanleiding tot voor de hand liggende spot, verspreid als een briefkaart:

Studie voor de ‘The mirror of Venus’. Kijk naar het mooie ritme dat verwondering heet.

Study for the Mirror of Venus

Even vergeten dat een van de voornaamste ‘spiegelaars’ wel degelijk bij de mannelijk kunne mag gerekend worden.

Narcissus. geschilderd door Caraveggio
Maar als de spiegel 
de tijd ontmaskert.
Tussen wat was en wat worden zal.
'Boetvaardige Magdalena bij kaarslicht'.

‘De boetvaardige Magdalena’. Georges de la Tour 1640

De spiegel is een meester in illusie. Hij kan onze perceptie van de werkelijkheid manipuleren door middel van complexe optische illusies. Wanneer we door een spiegel kijken, kunnen de afmetingen van een kamer veranderen. De spiegel laat ons altijd maar een deel van de werkelijkheid zien, afhankelijk van de hoek waaronder we erin kijken. We zien alleen een gereflecteerde werkelijkheid die niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met de waarheid. Het beeld verliest zijn geloofwaardigheid in de spiegel.
De spiegel is een speeltje van het licht, een instrument van de waarneming en een symbool van misleiding en illusie. (Lea Finke Fine Arts)

Julie Lebrun met Spiegel. Elisabeth Vigée-Lebrun 1787

De ontdekking van het verband tussen jonge kijkers en hun zelfbeeld is voor hedendaagse jochies vanzelfsprekender dan hun lotgenootjes uit de achttiende eeuw. Het blikkenspel tussen personage en toeschouwer dat via reflectie tot stand komt, kun je als een psychologische werking van de spiegel beschouwen. Door jezelf gezien worden. Vroege vormen van reflectie. Nu al vlug op talrijke thuis- en schoolschermen mogelijk.

Those who find ugly meanings in beautiful things are corrupt without being charming.
This is fault.
Those who find beautiful meanings in beautiful things are the cultivated.
For these there is hope.”

Oscar Wilde in The Picture of Dorian Gray uit 1891

Vrouw met spiegel. Giovanni Bellini. 1515

Een uitvoerige thesis ‘Reflections on Reflections, De spiegel in Belgische en Britse kunst. 1848-1918’ van Jana Wijnsouw met uitvoerig beeldmateriaal kun je raadplegen:

Bezoek ook:

Meisje

Keert zich een paar keer voor de spiegel
heen en weer
zoals een vogel voor een andere vogel doet
bekijkt zichzelf als voor het eerst
schikt en herschikt aan schouder, kraag,
likt aan haar lipstick, tuit,
fluit als een vogel, rekt zich van graagte
strekt haar nek,
lokroept in zich, giechelt, vliegt.

Judith Herzberg
In: Zoals (1987).

Albert Chevallier Tayler – The Mirror, 1914 (detail), oil on canvas

Niet meer de spiegel
maar jij
die mij aankeek
en daarna woordeloos vertelde
wat je blijkbaar had gezien.
Jij, mijn barmhartige spiegel, lief.

Gmt

“Kanevas”? Het eeuwig onvoltooide.

Weinig waarschijnlijk portret van de jonge Schubert Josef Abel 1814

Nog geboren op de rand van de 18de eeuw (1797), op de rand van de januari-maand, 31ste dus, en op de rand van een dozijn kinderen, het twaalfde van Franz Theodor en Maria Elisabeth Katherina Vietz, en dat in een buitenwijk, rand van de hoofdstad Wenen. De bescheiden woonst diende ook als klaslokaal waar zijn vader nauwelijks de kost verdiende met zijn job als muziekleraar.

Bekijk je het fraaie portret geschilderd door Josef Abel en lees je getuigenissen van eigentijdsen die hem gekend hebben, dan is zijn gezette gedrongen gestalte, 1m 52cm, met korte nek en korte dikke vingers (die voor een schitterend pianospel zorgden, dat alvast) en zijn bijnaam ‘Zwammetje ‘(Schwammerl) niet onmiddellijk te rijmen met het portret van een dromerige best wat wereldvreemde, maar uiterst verfijnde jongeman dat je hierboven kunt bekijken. En…dan moet je zijn muziek horen, zoals het trio op. 100, Andante con moto.

Bekijk je dan nog zijn uiterst korte leven, hij stierf op 19 november 1828, werd dus niet eens 32 jaar, met deze zin op zijn grafsteen: “Hier begroef de dood een rijke schat, maar nog mooiere beloften.”

‘Een onvoltooid leven’, Franz Schubert Schmerz en de schaduw van Beethoven, een boek geschreven door Robert Joost Willink.

Dit boek volgt Schubert op de weg naar zijn eigen Kunstmusik, zoals hij deze in zijn strijkkwartetten, pianowerk en symfonieën gestalte gaf, waarbij hij bij alles wat hij schreef onvermijdelijk Beethovens schaduw voelde. Beethoven haalde bij hem het beste naar boven. De jonge componist werd zo door Beethoven geïnspireerd dat hij al zijn “leed” inzette bij het componeren van een nieuwe Kunstmusik. Zonder Beethovens compromisloze opvattingen over muziek was de “Schubert” zoals wij die kennen er niet geweest. (Eburon, Academic Publishers)

Leuk menselijk detail: Bijzondere inspiratie kwam van zijn koffiemolen. Al draaiend om de bonen te vermalen kwam hij onder meer op de thema’s voor het strijkkwartet ‘Der Tod und das Mädchen’. ‘Dagenlang zoek je naar een idee, en dit kleine machientje vindt het in een mum van tijd.’ (Website Het Concert Gebouw)

Schuberts bril (Schubert Geburtshaus Wien) Foto: Graham Fellows

En dan waren er de “Schubertiades”. Op een rij gezet :

De term ontstond begin 19e eeuw naar aanleiding van de bijeenkomsten waarop Franz Schubert met zijn vriendenkring van collega-componisten en -musici samenkwam. Het waren salonavonden met een huisconcert-achtige opzet.[2]

Deze bijeenkomsten waren soms aan huis bij een van de deelnemers, maar ook in de koffiehuizen van Wenen. De Schubertiades – ook gekscherend "Kanevas"-avonden genoemd (welke hun naam ontleenden aan Schuberts stereotiepe vraag "Kann er was?" bij het voorstellen van een kennis van een van zijn vrienden) – kenmerkten zich doordat er uitbundig werd voorgelezen en gemusiceerd, en soms ook gedanst en gefeest.

Bekende bezoekers van de Schubertiades waren Josef von Spaun, Franz Lachner, Moritz von Schwind, Wilhelm August Rieder, Leopold Kupelwieser, Eduard von Bauernfeld, Franz von Schober, Franz Grillparzer en andere vrienden van Schubert zoals de zanger Johann Michael Vogl, voor wie Schubert talrijke van zijn liederen componeerde. Veel van Schuberts composities (niet enkel liederen) werden tijdens de Schubertiades ten doop gedragen.

De avonden werden financieel vaak gedragen door Schuberts rijkere vrienden, en kenden bezoekersaantallen van een handjevol tot meer dan honderd man. (Wikipedia)
Schubertiade, met Schubert achter het klavier. (fragment) Julius Schmidt 1897

‘In Schuberts tijd heerste bij regeringspersonen een grote angst voor herhaling van de revolutie. De Franse revolutie had, naast chaos en gigantische oorlogen, ook de traditionele standensamenleving in het ongerede gebracht. Schubert maakte mee dat er, net als overal in Europa, een regime opkwam van spionnen die geheime genootschappen moesten melden aan de politie. Daarnaast was er een grote censuur. In de gezelschapjes van Schubert probeerde men de vrije geest hoog te houden, tegen de verdrukking in. Dat was niet zonder gevaar.’

‘Schubert gold in zijn eigen tijd als een soort Geheimtipp. Hij was bekend in beperkte kring, terwijl hij het overgrote deel van zijn muziek – symfonieën en opera’s – niet kreeg uitgevoerd. Hij was vooral geliefd om zijn liederen en zijn kamermuziek. Schubert stierf jong – op zijn 31ste in 1828 – en pas halverwege de 19e eeuw werd zijn grote talent echt onderkend. Pas toen nam zijn populariteit een enorme vlucht. 
Schubert groeide uit tot een soort cultfiguur, maar werd ook geclaimd door de Weners van de late negentiende eeuw. Ze omhulden hem met nostalgie, maakten een Weense troetelcomponist van hem, als een porseleinen poppetje in kitscherige Biedermeierstijl. Het is een beeldvorming die nog steeds sterk aan hem kleeft, maar die de lading van de man en zijn muziek totaal niet dekt. Luister naar Schuberts lied “Der Doppelgänger”, en dan hoor je meteen wat we bedoelen.’


Uit: ‘Uit: ‘Der Döppelgänger-Schuberts verhaal volgens twee kenners, Amare met musicologe Saskia Törnqvist en muziekhistoricus Luc Panhuysen


Der Doppelgänger (Heinrich Heine 1823, publ. 1824)

Still ist die Nacht, es ruhen die Gassen,
In diesem Hause wohnte mein Schatz,
Sie hat schon längst die Stadt verlassen,
Doch steht noch das Haus auf demselben Platz.

Da steht auch ein Mensch und starrt in die Höhe
Und ringt die Hände vor Schmerzensgewalt;
Mir graust es, wenn ich sein Antlitz sehe,
Der Mond zeigt mir meine eigne Gestalt.

Du Doppelgänger, du bleicher Geselle,
Was äffst du nach mein Liebesleid,
Das mich gequält auf dieser Stelle
So manche Nacht, in alter Zeit?

Hedendaagse prent The Masters Music School London

The doppelgänger

Part of 13 Lieder nach Gedichten von Rellstab und Heine (“Schwanengesang”), D 957 

The night is quiet, the alleyways are at rest,
My treasure used to live in this house;
She left the town long ago,
But the house is still standing in the same place.

There is a man standing there too and he is staring up high,
And he is wringing his hands as a result of overwhelming pain;
I feel terrified when I see his face, –
The moon shows me my own form.

You doppelgänger, you pale guy!
Why are you aping my love agony,
The pain that tormented me on this spot,
So many nights in the old days?
Hedendaagse prent TMMS London