
Geboren in Lille (Rysel) in 1623 als oudste van vijf broers, zonen van een linnenkoopman, kwam hij en de zijnen naar Antwerpen om er bij Erasmus Quellinus II het schildersvak te leren. Hij is dan zestien. Een overzicht van de broers die allen succesvolle schilders werden.
- -Jacques (1625–1691) traveled to Italy where he joined the Bentvueghels in Rome with the nickname Leeuwrik, and settled later in Berlin.
- -Jan (1627–1668+) was an engraver considered to be a member of the school of Frankenthal and later became a merchant in Frankfurt.
- Bernard (1632–1698) accompanied Wallerant on all of his travels, and settled later in Rotterdam, where he became deacon of the Wallonian Church.
- Andreas (1655–1693), the youngest, became an engraver in Paris, and died in Berlin visiting his brother Jacques.
In 1645 vertrekt Wallerant Vaillant naar Amsterdam.

Amsterdam était au xviie siècle plus qu’une ville. Située en bordure de mer, elle commerçait avec le monde. Elle avait supplanté le grand centre économique du xvie siècle, Anvers, qui avait perdu après le blocus de 1585 sa fonction d’entrepôt pour l’Europe du Nord, au bénéfice du port d’Amsterdam. Elle devait sa puissance à son organisation politique, à sa flotte et à la prospérité de ses grandes entreprises commerciales : la Compagnie des Indes occidentales souvent désignée par le sigle WIC et la célèbre VOC (Vereening de Oostindische Compagnie), seule autorisée à naviguer vers l’Orient. Facteurs de progrès, ces entreprises contribuaient au pouvoir civilisateur du négoce. À leur tête se trouvaient de riches négociants, tous membres du gouvernement municipal, qui se fortifiaient chaque jour des finances, de la réussite économique et du grand nombre de leurs vaisseaux. La Fondation Van Loon à Amsterdam abrite dans sa collection cinque portraits signés de notre artist. (Nadine Rogeaux-Revue du Nord)

Museum Van Loon., Amsterdam
Tussen 1656 en 1665 is Wallerant actief in Heidelberg, Frankfurt en Parijs. In Duitsland doet hij de techniek van de mezzotint op. Deze uitzonderlijke graveertechniek is vermoedelijk uitgevonden door Ludwig von Siegen, naar een hoger plan getild door Ruprecht van de Palts en vervolmaakt door Vaillant, die Van de Palts in Duitsland ontmoet.
Korte uitgelegd: een koperplaat wordt met een wiegijzer voorzien van een ontelbare reeks putjes. In dit opgeruwde oppervlak wordt de voorstelling gegraveerd, en kunnen delen weer wat gladder worden gemaakt, om halftinten te creëren. Hierdoor lijkt de afdruk meer op een schilderij dan met de vroegere prenttechnieken mogelijk is. Vaillant beheerst deze techniek, ook wel ‘zwartekunst’, als geen ander. (Museumtijdschrift)

Bij de mezzotint wordt eerst de hele koperplaat geruwd met een zogenoemd wiegijzer (berceau), een instrument met een waaiervormige, gekartelde kop die rijen putjes en braam op de koperplaat achterlaat. Op het min of meer ruwe oppervlak hecht later de inkt, waarmee de plaat geheel wordt bekleed, waarvandaan de benaming zwarte kunst. Dan wordt bijvoorbeeld met rood krijt de tekening overgebracht op de plaat. Om een voorstelling aan te brengen worden sommige delen van de geruwde plaat met een schraapijzer (polijststaal) glad gemaakt. Op die plekken pakt de inkt niet meer evenredig en ontstaan dus bij de afdruk de lichte partijen. Door meer of minder te polijsten is het mogelijk om verschillende grijstonen, ofwel halftonen, te bereiken, vandaar de naam mezzo (half) tint. Het een en ander is afhankelijk van de bekwaamheid van de graveur/kunstenaar. De techniek maakt vloeiende overgangen mogelijk tussen de verschillende grijstonen. Daardoor maken de afdrukken een fluwelige indruk. (wikipedia)


Mezzotint is een diepdrukproces waarvan de afdrukken worden gekenmerkt door zachte tonale gradaties en mooie diepzwarten, alsof het een clair-obscur is. Geen andere etstechniek is in staat zulke fluwelige en genuanceerde tonen te produceren. Het is een grafische techniek waarmee je heel gedetailleerd kunt werken en heeft als voordeel dat je geen ets zuur moet gebruiken om het koperplaatje in te bijten.
Nog een groot verschil met andere etstechnieken is dat men begint met een zwarte basis, een geheel geruwde koperplaat, waarin de grijstinten worden gekrast en gepolijst tot het wit. Het ingekraste beeld ontneemt op die manier de overdracht van inkt bij het afdrukken, het is dus een negatief procedé.
Het woord Mezzotint is afgeleid uit het Italiaanse “mezzo-tinto”, dat midden toon of half toon betekent. De Mezzotint techniek wordt ook wel “la manière noire” of “English print” genoemd.

Vaillant (1623-1677) kwam uit Lille en was opgeleid in Antwerpen; zijn vader verhuisde met het hele gezin in de jaren veertig naar Amsterdam, waar Wallerant in 1645 in de Waalse Gemeente werd ingeschreven. Hij verbleef daarna ook in Middelburg, Heidelberg en Frankfurt, in welke laatste plaats hij portretten tekende en – mogelijk dankzij prins Ruprecht van de Palts – kennismaakte met de mezzotint, een fascinerende grafische techniek.
Anders dan bij gravures en etsen, waarbij een groef in een koperplaat wordt gemaakt die inkt vasthoudt en in druk een lijn op het papier levert, wordt bij mezzotint eerst de hele koperplaat opgeruwd, een tijdrovend proces. Zou je die ruwe plaat ininkten, dan kreeg je een compleet zwarte afdruk. De kunstenaar schraapt echter voorzichtig de delen weg die hij wit of in een tint grijs wil hebben. Op de gladde delen pakt de inkt niet meer, op de halfgladde ontstaan lichtere partijen. Op een mezzotint is – anders dan bij gravure en ets – veel minder ‘lijn’ te zien, de techniek geeft veel meer mogelijkheden voor zachte, vloeiende gradaties van wit en zwart. Mezzotinten geven vaak de indruk dat ze met zwartkrijt getekend zijn, of met roet – vandaar de bijnaam ‘zwarte kunst’. Ze zijn heel geschikt om kopieën naar schilderijen te maken, en dat was een lucratief bedrijf, in die jaren. Na een periode in Parijs keerde Vaillant in 1665 terug in Amsterdam. Hij zou naast zijn andere werk zo’n tweehonderd van dit soort prenten maken.
Uit ‘Zwarte Kunst een artikel van Koen Kleijn 27 november 2024. De Groene Amsterdammer nr 48

Vaillants schilderijen, tekeningen en grafische werken zijn van 4 oktober 2024 tot en met 5 januari 2025 in Museum Van Loon te zien. De tentoonstelling, samengesteld in samenwerking met portretspecialisten Rudi Ekkart en Claire van den Donk, is de eerste in Nederland die het oeuvre van Vaillant bij een groot publiek onder de aandacht brengt. Vaillant is niet de eerste kunstenaar die door Museum Van Loon opnieuw voor het voetlicht wordt gebracht: eerder organiseerde het museum tentoonstellingen over Adolf Pirsch (1858-1929), Philip Alexius de László (1869-1937), Thérèse Schwartze (1851-1918) en Adriaan de Lelie (1755-1820). De loop van de geschiedenis zorgt ervoor dat sommige kunstenaars boven komen drijven en andere vergeten worden, niet altijd terecht. Met deze reeks tentoonstellingen toont Museum Van Loon het werk van vergeten kunstenaars die het verdienen om gehoord en gezien te worden. (Museum Van Loon) Bezoek:

In 1876 beschrijft het Biografisch Woordenboek der Nederlanden in deel 19 zijn leven als volgt:
“VAILLAN (Wallerant), halve broeder van de vorigen uit Maria Warlop. Hij werd den 30sten Mei 1623 te Rijssel gedoopt, en spoedig als leerling geplaatst bij den beroemden hofschilder Erasmus Quellinus, onder wiens leiding hij spoedig een bekwaam portretschilder werd en tevens een kunstig teekenaar met crayon. Tijdens de krooning van keizer Leopold begaf hij zich naar Weenen en vervaardigde diens portret. De sprekende gelijkenis en fraaiheid van bewerking, bewoog een menigte hovelingen, ambassadeurs en edellieden zich door zijne hand te laten portretteren. Van hier begaf hij zich met den maarschalk de Grammont naar Parijs, waar hij de afbeeldsels der koningin, koninginne-moeder, van den hertog van Orleans en vele andere grooten vervaardigde en keerde vervolgens, na eene afwezigheid van 4 jaren, naar de Nederlanden terug, werd hofschilder van Willem Friso, stadhouder van Friesland, overleed te Amsterdam, waar hij zich had gevestigd, ongehuwd den 28sten Augustus 1677 en werd den 2den September in de Walen kerk begraven. Er bestaat een zilveren penning op zijn dood.” ( zie onderaan)

De titel van deze bijdrage komt uit: 'De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen' (3 delen) door Arnold Houbraken. Oorspronkelijk verschenen in 1753. De eerste druk stamt uit 1718.












































