DE TRANEN VAN DE KROKODIL (SLOT)

dyn006_original_510_496_jpeg_20344_829f988041a0c7ab7011dc0863e94b9f

In onze dubbele moraal is het steeds weer de klant die de hoer creëert, maar ieder zinnig mens zal moeten toegeven dat de hoer op zoek is naar een klant(en).
Dit is weer zo’n attributiefout.
Vanuit onze ‘moraal’ kan de hoer niet bestaan en is ze in leven geroepen door de zondige verlangens van de medemens.
Een mooi staaltje van zelfbedrog.

De wetenschappelijke revolutie preekte het mechanicisme, ofwel het idee dat de kosmos een machine is.
Dat leidde tot een enorme groei van onze kennis, vooral op het gebied van de natuurwetenschappen.
Vroon zegt dat dit juist mogelijk was omdat ons brein die mogelijkheden al bezat.
Voor die ontwikkeling is echter een prijs betaald.
Het mechanicisme brengt mee dat men geen respect voor apparaten hoeft te hebben, en we leggen diezelfde houding aan de dag bij de medemens.

Vanuit het menselijk gedrag leert Vroon dat inzichten en kennis niet altijd tot verandering van gedrag bijdragen.
Blijkbaar is daar tijd voor nodig, en tijd in evolutieve termen is ‘lange’ tijd.

’Het gaat er niet om of wij overleven, maar wel of de aarde met ons een toekomst heeft.
De meeteenheid is thans de menselijke geest.
Een schepsel dat het van zijn milieu weet te ‘winnen’, vernietigt echter zichzelf.
De relatie tussen de mens en de natuur is sinds de ontwikkeling van de technologie steeds instabieler geworden.
We lopen het risico dat het systeem als geheel ten gronde gaat.
De mens is druk bezig de aarde te doden waaruit hij is voortgekomen.
Misschien neemt de aarde wraak, en zal zij zich van haar letale vergissing ontdoen.’

Nog zo-even hoorde ik op het nieuws de lof zingen van ons onderwijs dat in heel de wereld ten zeerste zou geacht en gewaardeerd worden.
Ik geef toe dat zijn toegankelijkheid en de toewijding van de vele betrokkenen meestal zeer groot zijn, maar tegelijkertijd worden er veel te weinig vragen over de inhoud van dit onderwijs gesteld en propageren wij in deze ‘wetenschappelijke” opleiding nog te veel het mechanicisme zonder de betrokkenen vragen te leren stellen.
Vragen naar onszelf, onze betrokkenheid, onze solidariteit, onze toekomst.

Misschien moet ik gewoon de laatste regels van Vroons boek overnemen:

’De wetenschappelijke revolutie en haar gevolgen lijken te worden samengevat in de laatste woorden die een rabbi spreekt bij een begrafenis:
“Probeer niet te begrijpen wat te moeilijk voor je is.
Probeer niet te ontdekken wat verborgen moet blijven.
Stof, ga terug in de aarde; geest ga terug naar de plaats waar je vandaan bent gekomen.’

Maar als we het dan niet moeten begrijpen kunnen alvast de eerste stappen worden gezet om wat we al wel begrijpen in vraag te stellen, om dat wat niet verborgen is, verder te ontdekken, en om bij onze terugkeer in die vele harten aanwezig te mogen blijven.

dyn006_original_245_432_jpeg_20344_0611a94e984313ad7b06e37d173e99cf


DE TRANEN VAN DE KROKODIL (4)

Piet Vroon citeert in zijn boek het werk van Ernest Becker, Amerikaans antropoloog en psychoanalyticus.
Van hem verscheen in het Nederlands in 1975 ‘De ontkenning van de dood’, Ambo, Baarn.
Zijn werk heeft veel indruk op mij gemaakt.
Helaas is het boek in een Venetiaans kanaal terecht gekomen na een mislukte kampeerpoging van vrienden die het als vakantielectuur hadden meegenomen.

De mens is in tweeën gespleten.
Hij heeft een besef van stralende bijzonderheid doordat hij majesteitelijk uitrijst boven de natuur, maar desondanks zakt hij een meter of zo terug in de aarde teneinde blind en stom weg te rotten en voor altijd te verdwijnen.
Het is een verschrikkelijk dilemma.
De lagere diersoorten wordt deze pijnlijke tegenstelling bespaard omdat zij een symbolische identiteit en het daarbij horende zelfbewustzijn missen.(…)

Zij leven in een wereld zonder tijd, als waren zij slechts een kloppende bloedsomloop in stom bestaan.(…)

Zij leven en verdwijnen met dezelfde gedachteloosheid: een paar minuten vrees, een paar seconden doodsangst, en alles is voorbij.
Maar een heel leven lang dromen en ook op de zonnigste dagen achtervolgd worden door het noodlot van de dood, dat is wel iets anders.’ (p 62)

Je zou met hem inderdaad kunnen afvragen, en Pascal doet dat ook, waarom niet iedereen krankzinnig wordt.
Wij zijn, en dat zou een citaat van Freud zijn, geboren tussen urine en faeces.
Het lichaam is onvolmaakt, het heeft dierlijke impulsen, het beheerst ons vaak, het gaat dood, het rot al tijdens ons leven weg.

We zijn god en worm tegelijkertijd.
Ik herinner me Beckers citaat: Een god met een anus.

Becker noemt de oplossing van dit dilemma het ’casa sui-project’ (casa sui:. de oorzaak van jezelf)
Dit is een verzameling van pogingen om de rauwe feiten niet te zien door je mooi te kleden, op te maken, te discussiëren over literatuur, een blog bij te houden, door politieke utopieën na te jagen, boeken te schrijven, godsdiensten te bedenken die vrijwel allemaal een betere toekomst na dit leven in het vooruitzicht stellen), enz.
We wapenen ons met een soort ‘karakter-harnas’, maar het zijn pogingen die gedoemd zijn om te mislukken.

Zo beschouwt Becker geestesziekten als een karikatuur van de gezondheid.
Depressieve mensen worden volgens hem door schuldgevoelens geteisterd.
Zij hebben als het ware liever schuld dan dat zij vrij zijn, verantwoordelijkheid dragen en het leven onder ogen zien.
De depressieve mens zuigt de aandacht weg uit zijn omgeving en vraagt om mededogen.
Dat geeft hem het gevoel van macht over de anderen, wat goed past in het casa sui-project.
Een schizofreen laat weer een andere variant zien.
Het lichaam (de worm) wordt als vreemd ervaren, als behorend aan iemand anders of iets anders.
Ook op die manier kan een mens proberen zich als het ware los te maken van het sterfelijke en het onvolkomen bestaan.

Beckers boek wordt vooraf gegaan door een interview.
Want de auteur was stervende (hij werd slechts 49) en in het interview moet hij getuigen met zijn eigen sterfelijkheid, een moedig lang gesprek waarin hij het uiteindelijke als een grote stroom ziet, het leven, waarin wij ons kunnen verloren gooien, waarin onze moed en lafheid, ons doen en laten weer verder stromen.

De vraag waarheen is weer een andere kwestie.
Teilhard de Chardin noemde de bestemming het punt omega, en menig godsdienstbeeld ziet deze aankomst als de eindtijd of het nirwana.

Maar de moed waarmee wij in deze tegenstelling moeten leven, vond ik terug bij een jong gestorven Kroatisch dichter Josip Pupacic:

Zonnig zal mijn graf zijn, stil
en vol van rijke gloed.
De oneindige ruimte waar stormen bedaren,
boven de klippen van thuis.

Ik zal niet verrijzen, waarom
ook zou ik beter leven dan ik al deed?
Wat mensen dood hebben genoemd
is voor mij de dood niet.

Ik zal mezelf in vele harten verspreiden,
en leven in menig leven.
Van hetgeen me nu donker lijkt,
zal alleen het mooie overleven.

 


De schilderijen zijn van Marie Becker-Pos, Ernests’ vrouw die nu in Vancouver leeft en werkt.