DE DEUR, DE HELE KOSMOS VAN HET HALF OPENE

dyn004_original_321_446_jpeg_20344_94ef1e8bca332a7a21898710f14110e6

‘Hoeveel dagdromen zou men moeten analyseren onder deze simpele noemer: de deur!
De deur, dat is een hele kosmos van het half-opene.’

dyn004_original_433_577_jpeg_20344_a90ad1a419f5ce6ee8ed8599a38cc850

Bachelard

Bachelard heeft het niet OVER de simpele dingen, de details, hij brengt de filosofie van het concrete zelf in de praktijk.

Hoogst ongebruikelijk in de filosofie.
Zijn ‘fenomenologie van de verbeelding’ van ‘de ziel’ zelfs, botst met nogal wat standaards en criteria van een filosofiebeoefening die zichzelf opvat als een metavertoog over de wetenschappelijke kennisproductie, of als een vertoog dat zich op archiverende en museale wijze buigt over de woorden van de eigen grote voorgangers, of tenslotte, als een soort ethische comissie, die zich kritisch over de beweringen en uitspraken van de wetenschappelijke gemeenschap buigt.
(Boomkens, 77.)

Gedichten en producten van de eigen verbeelding zijn voor Bachelard niet de bron, maar ‘de wereld zelf’.

Die dimensie van de werkelijkheid laat zich niet precies definiƫren, omdat deze kennis alleen direct kan zijn, en daarmee niet controleerbaar in begrippelijke zin.

Bachelard speelt de dichterlijke verbeelding en concrete ervaring dus niet uit tegen de wetenschappelijke kennis, hij vraagt slechts aandacht voor een specifiek werkelijkheidsdomein dat de gangbare wetenschappelijke kennis te boven of te buiten gaat.

Het huis, de plek is zo’n werkelijkheidsdomein.

Het is immers MEER dan een specifieke geografische plek, juist omdat het huis ‘plek en universum’ binnen en buiten tegelijk kan zijn- voor ons.

Boomkens zegt dat je ’t een vorm van ‘drempelkunde’ zou kunnen noemen, geen kennis, geen kunst, maar een vorm van tijdruimtelijk besef van ergens bij horen, van begrenzing ook, van gecentreerdheid en van lokaliteit, van gelukzalig toeval en van ongrijpbaar lot. (79)

dyn004_original_450_600_jpeg_20344_2098e1c2b771fe92b71da5a92810ff91

‘Drempelkunde was een term die Winfried Menninghaus ooit gebruikte om het werk van Walter Benjamin te typeren.
Een filosofische poging om de werking van het mythische in de moderne werkelijkheid zichtbaar te maken, als een tijdsbesef van de eeuwige wederkeer van hetzelfde in een werkelijkheid waarin de tijd vooral wordt beleefd als een oneindige lijn van momenten die alle naar ongewisse of juist ideale, perfecte toekomst wijzen. (Menninghaus 1986)

Je moet dus elke dag weer opnieuw wortel schieten in een plekje van het heelal, en dat beeld sluit aan bij Benjamins gezegde: ik heb niets te zeggen alleen te tonen.

De deur tussen die werelden scheidt niet de ene wereld van de andere, dat doet de wand wel.
De deur laat juist beide werelden bij elkaar binnen (of buiten).

De deur is de zwakke kant van de muur, of net de sterke zoals je de zwakke werkwoorden juist door hun starheid van hun vervoeging met die term benoemt en het sterke aan de flexibiliteit voorbehoudt.

Je kunt dromen van een huis zonder wanden, maar -al is het maar een symbolische- je moet een deur als ‘toegang’ of ‘uitgang’ hebben, wil je nu juist de begrenzing waarderen.

Beide werelden, de buiten- en de binnenwereld, de dichter en de boer (=wetenschapper, sorry) hebben het moeilijk met elkaars wereld.

De dichter sluit de wetenschap uit, de wetenschap haalt de schouders op voor het poƫtische.

Maar er zijn sinds het einde van de 19de eeuw toch denkers bezig met het grondig bevragen van deze kunstmatige indeling die nog uit de oude moderniteits opvattingen van de Verlichting komen.

De ervaring was bij James al een duidelijk uitgangspunt, en in de verkenningen van het onbewuste van Freud, Jung en anderen begon die samenvloeing ook te werken tot het bewateren van een nieuw Tweestromenland dat zijn vruchtbaarheid ontleent aan de samenkomst van het wetenschappelijk denken en het dichterlijke verbeelden.

Toch staat de deur nog op een kier omdat ons alfabet zich nog niet in die nieuwe denkmanier laat lezen.

We kunnen niet zonder de uniciteit van de werelden apart, maar in ons werkelijkheids bevinden ontstaat de behoefte om de wereld op een soort ‘gemengde’ manier te benaderen.

Brouwsel dat door de enen als vergif en door de anderen als roesverwekkend wordt bestempeld.