HET LICHAAM TERUGEISEN

dyn001_original_450_300_jpeg_20344_a650e94e099217188a1ea56909cf0a99

Whitmans dubbele taak bestaat erin de mensen weer belangstlling en liefde bij te brengen voor het bloed, de ingewanden en de botten waaruit zij bestaan, en hij wil de seksuele begeerte weer tot middelpunt maken van de verklaring van ethische waarde.

Die twee taken staan met elkaar in verband.
Seks richt de aandacht op de stof waaruit het lichaam bestaat en als die stof iets walgelijks is wordt seksuele belangstelling iets heimelijks en gemengd met schaamte.

‘Daarentegen wordt de seksualiteit met schoonheid bezield door de gedachte dat bloed en ingewanden een groot wonder en mysterie zijn, nauw gekoppeld aan de meest waardevolle vorm van betrokkenheid en liefde.’ (Nussbaum)

In de gedichten van het gedeelte Children of Adam geeft Whitman zichzelf weer als Adam voor de zondeval en hij nodigt in taal van nobele eenvoud de lezer uit om de aanvaarding en het genot met hem te delen.

dyn001_original_475_560_jpeg_20344_744e04a640cfbf4c1e30035acd313531

Als Adam vroeg in de morgen
Te voorschijn stappend uit het prieel, verfrist door slaap
Aanschouw me waar ik langskom, hoor mijn stem, kom dichterbij.
Raak me aan, leg je handpalm op mijn lichaam als ik langskom
Wees niet bang van mijn lichaam.

Merk op, zegt Nussbaum dat het er niet toe doet of de lezer een man of een vrouw is, en zelfs niet of de aanraking van de lezer al dan niet specifiek seksueel getint is.
Het middelpunt van het tafereel is het liefdevol accepteren van het vlees en van de onschuld van het vlees.
In Eden is er geen schaamte over welk lichaamsdeel dan ook, geen angst voor aanraking.

Het gedicht verbindt deze afwezigheid van schaamte op een wat raadselachtige manier met het openlijk accepteren van Adam als persoon.

Centraal in Whitmans tegenkosmologie van het lichaam staat het opmerkelijke gedicht ‘I Sing the Body Electric’ waarin hij de Aristotelische stelling onderschrijft dat het lichaam de ziel is, dat het lichaam een gedicht en onderwerp van gedichten is.

O mijn lichaam! Ik wend me niet af van jouw gelijkenis in andere mannen en vrouwen, noch van de gelijkenis van jouw delen.
Ik geloof dat jouw gelijkenissen staan of vallen met de gelijkenissen van de ziel
(en dat ze ziel zijn)
Ik geloof dat jouw gelijkenissen staan of vallen met mijn gedichten en dat ze mijn gedichten zijn.
Gedichten van man, van vrouw, van kind, van echtgenote, van echtgenoot, van moeder, van vader, van jonge man of jonge vrouw.
Hoofd, hals, haar oren, lel en schelp van de oren.
Ogen wimpers, iris, wenkbrauwen, en de open of geloken oogleden,
Mond, tong, lippen, tanden, verhemelte, kaken en kaakgewricht,
Twee sterke dijen, de tors erboven goed dragend,
Beenspieren, knie, knieholte, bovenbeen, onderbeen,
De longblaasjes, de maagwand, de darmen, zoet en schoon,
De hersenen gevouwen in de schedelpan,
De stem, articulatie, taal, fluisterend, luid schreeuwend,
Voedsel, drank, hartslag, spijsvertering, zweet, slapen,lopen, zwemmen,
Zitten, springen, leunen, omarmen, armen buigen en strekken,
De voortdurende veranderingen in de spanning rond mond en ogen,
De huid, de zonverbrande schaduw, sproeten, haar,
Het eigenaardige gevoel dat je krijgt als je met je hand het naakte vlees van het lichaam aanraakt,
De dunne rode gelei in jou en in mij, de botten en het merg in de botten,
Het verukkelijk besef van gezondheid;
O! Ik zeg dat niet alleen de delen en gedichten van het lichaam zijn, maar van de ziel,
O! Ik zeg nu dat deze de ziel zijn!

(hier en daar fragmenten weggelaten)

dyn001_original_403_512_jpeg_20344_500de7ada438816b1e6c7a994a00f691

De traditionele metafysici, zegt de dichter, kennen het gevoel niet dat je krijgt als je met je hand het naakte vlees van het lichaam aanraakt, en als ze het kennen hebben ze het rigoureus geschrapt uit hun analyse van de menselijke liefde.
En ze haasten zich de kunst los te koppelen van het ervaren van het gewicht van het lichaam, en allen bewaren ze afstand tot de soms komische en wat onhandige maar zo charmante opsomming die de dichter in zijn tekst geeft.

Maar, zegt Whitman, dat wil dus ook zeggen dat ze de ziel ontwijken, want al onze daden zijn daden van het lichaam en al onze kunst is naakt vlees en al onze betrokkenheid is bloed.

Het valt op hoe hij zich afzet tegen de schaamte.
Hij treedt naar voren zoals hij is.
En het lichaam kijkt met belangstelling en vreugde naar het lichaam van andere mannen en vrouwen.

Zo worden hier ook delen van het lichaam die meestal niet mooi worden gevonden toch als mooi ervaren: longen, darmen, maag, en de dunne rode gelei, ze maken deel uit van de menselijke gezondheid en dat alles moet bewonderd worden naast het golvend haar en de gespierde dijen.

In het zachte en organische ontdekt het gedicht ‘een elektrische’ vitaliteit en dynamiek.

Het politiek belang van dit in ere herstellen van het lichaam is volgens Whitman groot want het lichaam is uiteindelijk de basis van de gelijkheid van mensen.

Heb je ooit het lichaam van een vrouw bemind?
Heb je ooit het lichaam van een man bemind?
Besef je niet dat deze precies hetzelfde zijn in alle naties en alle tijden in de hele wereld?

Dit verhaal staat vlak naast het verhaal over de slavenveilingen.
De les is duidelijk.

En als we onze liefde en betrokkenheid niet alleen op het lichaam richten maar ook op onze geslachtsdelen, verschaft ons dat nog een kritisch inzicht: we zullen volgens Whitman beseffen dat vrouwen even waardevol zijn als mannen.
Vrouwenhaat, zegt hij herhaaldelijk, komt voort uit walging voor onze geslachtsdelen en seksuele handelingen en dat leidt er toe dat we iemand de schuld willen geven die ons tot dergelijke handelingen aanzet.
Het vrouwelijk lichaam werd daarom als onzuiver en onrein beschouwd, als oorsprong van onze zondigheid.
Als we echter denken op de manier waartoe Whitman aanspoort, dan zien we niet langer de vrouw als vlees en de man als geest, maar zien we hen als mensen die elkaar aanvullen in een democratisch proces dat zowel lichaam als geest omvat.

 

En in 2007, zijn we dan al verder geëvolueerd?
En kunnen deze kostbare gedachten ons helpen onze inzichten omtrent dezelfde materie opnieuw te verdiepen?

Wordt vervolgd, hoe dan ook.


OP ZOEK NAAR HET VERLOSSEND WOORD

notebook2

Na studie van het nieuwe en antieke, van Griekse en Duitse stelsels,
Na studie en verklaring van Kant, van Fichte en Schelling en Hegel,
De traditie van Plato bekeken, en Socrates groter dan Plato,
En groter dan Socrates gezocht en bekeken, de goddelijke Christus lang bestudeerd,
Zie ik in het heden herinneringen aan die Griekse en Duitse stelsels,
Zie ik in al die filosofieën, in de christelijke kerken en leerstellingen, zie ik,
Toch zie ik onder Socrates duidelijk en zie ik onder Christus de goddelijke,
De liefde van de mens voor zijn makker, de aantrekking van vriend tot vriend,
En van de keurig getrouwde man en vrouw, van kinderen en ouders,
Van stad voor stad en van land tot land.

Dit fragment uit zijn gedicht ‘The Base of All Metaphysics’ zet de toon.
Net zoals Mahler die alle boeken doorzocht, de bijbel bestudeerde om ‘het verlossende woord’ te vinden, komt Whitman tot de bedenking dat hij de woorden van liefde zelf moet bedenken.

Belangrijk bij een filosofische of godsdienstige leer is niet het gezag van de bron ervan, maar de kwaliteit van de liefde die de inhoud van de leer is, zegt Nussbaum treffend.

Een besluit zou kunnen zijn dat het enige echt belangrijke de liefde van mensen is en je eigen vermogen om die liefde te uiten en te beleven.

Hij gaat dus aan de slag om zijn eigen tegenstelsel van liefde te scheppen waarin tot uiting zal komen wat hij als werkelijke grondslag van de godsdienstige metafysica beschouwt.

Hij treedt in de voetsporen van de kosmologische geschriften van Grieken en de christelijke filosofie en probeert een democratische tegenkosmos te scheppen waarin de hiërarchie van zielen is vervangen door het democratisch lichaam van de Verenigde Staten, dat hij het grootste gedicht noemt.

Walt Whitman, een kosmos, zoon van Manhattan,
(…)Geen sentimentalist, geen verheffer boven mannen en vrouwen, niet afgescheiden van hen,
In mij neemt de streler van leven waar ik ook ga, achterwaarts en voorwaarts kerend,
Afbuigend naar plaatsen opzij en lager gelegen, niets en niemand missend,
Alles in zich op voor mijzelf en dit lied.

Dit wordt dus de tegenkosmos: het eindige sterfelijke individu, democratisch burger, gelijk aan en met anderen, die de wereld in zichzelf bevat dankzij zijn levendige verbeeldingskracht en zijn meelevende liefde.

Ook de poëzie is democratisch door haar vrijheid van vorm en regel, door woorden op te nemen die men als ongepast zou benoemen als men het heeft over ‘de waardigheid’ van de literatuur.

Hij kijkt ook niet neer op de religieuze bronnen van liefde.
‘Ik veracht jullie priesters niet, schrijft de dichter.
Het geloof van de dichter is het grootste geloof en het kleinste geloof.

De godsdienst is zijn aanspraak op gezag kwijtgeraakt, dus wil de dichter filosofie en godsdienst opnieuw onderzoeken.
Je zult niet langer dingen uit de tweede of derde hand aannemen, vertelt hij de lezer, en evenmin zul je kijken door de ogen van doden of je voeden met spoken uit boeken.
En om zichzelf te relativeren en zich niet op te werpen als een nieuw pseudo-religieus gezag vertelt hij dadelijk:

Evenmin zul je door mijn ogen kijken, of dingen van me aannemen,
Je luistert naar alle partijen en zeeft ze dan uit in je ziel.’

Een ander belangrijk punt is dat religie niet langer een transcendentie van onze sterfelijke toestand moet beloven.
God wordt voorgesteld als iets wat in de wereld en de energie die daarin besloten ligt, en in een bepaalde passage zelfs als een erotische partner van de dichter’.

Er is alleen maar leven dat zich vernieuwt, en de enige continuïteit is voor de mens de continuïteit van de natuur en de menselijke beschaving.

En tenslotte bevestigt de poëzie het lichaam en de seksualiteit daarvan als geen van de andere besproken vormen van liefde.
Seks is een belangrijk kenmerk in de tegenkosmologie van Whitman.

En Nussbaum legt de vinger op de wonde:

Volgens mij is een van de grote vragen die zijn poëzie opwerpt, een van de hardnekkige struikelblokken voor een goed begrip en volledige acceptatie, nog steeds waarom dit thema zo centraal staat.
Waarom denkt Whitman dat een nieuwe houding tegenover seks en het lichaam een rol speelt bij het oplossen van de problemen met hiërarchie en rassenhaat?’

We zullen in een volgende bijdrage het antwoord niet uit de weg gaan.


IK BEN NIET ZOALS GIJ DACHT MAAR HEEL ANDERS

joyfully_gay1Literair historicus David Reynolds heeft recentelijk nieuwe feiten aangebracht waardoor het duidelijk is dat de jonge Whitman, 21 jaar oud, ontslagen is aan de school waar hij mee les gaf, wegens een vermeende seksuele relatie met een of meer studenten.

Hij was kostganger in het huis van de hoofdonderwijzer en moest waarschijnlijk het bed delen met andere mannen, studenten, zonen van de meester, dat weten we niet.
Het zijn louter gissingen.
Er begonnen geruchten de ronde te doen, zeker omdat al bekend was dat Whitman geen seksuele belangstelling had voor vrouwen en een hartstochtelijke belangstelling had voor mannen.

Deze geruchten werden opgevangen door de agressieve plaatselijke presbyteriaanse dominee, Eerwaarde Ralph Smith, opgeleid aan de Princeton University.
Smith verklaarde in een preek dat er seksuele handelingen hadden plaats gevonden en dat Whitman gestraft moest worden.
De gemeenteleden, opgezweept tot razende vijandigheid, joegen Whitman uit zijn schuilplaats onder het matrasdek van een buurman, grepen hem vast en smeerden hem in met pek en veren en droeg hem op een plank de stad uit.

Hij werd bij deze aanslag zo zeer gewond dat het een maand duurde voor hij hersteld was.

Of de beschuldigingen enige vorm van waarheid bezaten is niet te achterrhalen, wel weten we dat dergelijke aanvallen in Amerika van toen plaatsvonden.

‘Het is in ieder geval duidelijk, schrijft Nussbaum, dat dit een uitermate pijnlijk voorval is geweest, dat waarschijnlijk bepalend is geweest voor de houding van Whitman, zowel tegenover de gevestigde godsdiensten als tegenover de heersende morele opvattingen in Amerika.

dyn006_original_550_412_jpeg_20344_fd20f6e6bd7a4639be03efa3eeab19a4

Uit een gedicht, ‘Here the Frailest Leaves of Me’ (1860)

Hier mijn zwakste halmen en toch mijn sterkste duurzaamheid
Hier scherm ik mijn gedachten af en berg ze weg, zelf geef ik ze niet bloot.
Toch geven zij me meer bloot dan al mijn andere gedichten.

Hij schreef hartstochtelijk over erotiek en liefde tussen mannen maar ontkende in het openbaar dat hij daarbij expliciete seks in gedachten had.

Hij gaf telkens ontwijkende antwoorden als het over de ware betekenissen van deze gedichten ging, en wees zelfs op het gevaar dat zijn lezers zouden lopen als ze hem navolgen.

‘Whoever You Are Hollding Me Now in Hand”, (1860)
Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt’ begint als volgt:

Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt,(…)Ernstig waarschuw ik U voor gij dieper in mij doordringt,
Ik ben niet zoals gij mij dacht maar heel anders.

Wie is hij die mijn volgeling wil worden?
Wie wilde mij tonen naar mijn liefde te dingen?

De weg is gevaarlijk, het einde onzeker, misschien ondergang (…)

Al wat er in Uw leven aan leer is en al wat uw leven gelijk maakt aan de levens om u heen zult gij moeten opgeven.

(Grashalmen,1-6, 9)

De lezer wordt meestal als een man voorgesteld (reizend over zee, wandelend in de bossen, met het boek bij zich) maar hij kan ook een bruid worden die op haar ‘jonge echtgenoot’ wacht, de ontvanger van de erotische aandacht van Whitman.

Dat hij vaak beschaamd was over deze gevoelens blijkt uit de tekst: ‘O Hot-Cheeck’d and Blushing’

O, gloeiende wangen en blozend! O dwaze koorts!
O, heb meelij, niemand mag me nu zien. Mijn kleren zijn gestolen toen ik in bed lag.
Nu word ik voortgedreven, waar moet ik heen?

Pier die ik gisterenavond vaag zag, toen ik uit het venster keek!
Pier die uit het hoofdland steekt, laat me schuilen bij jou en blijven- ik zal je niet tot last zijn.
Ik schaam me om naakt door de wereld te gaan.

(de pier in New York was een plaats waar veel homo’s elkaar troffen)

Mooi is het om af te sluiten met Nussbaums citaat:

‘Het is in ieder geval wel zeker dat Whitmans schrijven sterk gekleurd is door zijn ervaring van uitsluiting en schaamte en door zijn verlangen naar vervulde liefde en genot, niet alleen in dit gedicht, maar ook meer in het algemeen.
Door zijn ervaringen was hij in staat om andere vormen van uitsluiting en haat te begrijpen en ze gaven hem tevens een krachtige drijfveer om de morele en seksuele normen van de samenleving te heroverwegen.’

Die heroverweging is het onderwerp voor een volgende stap.


IK BEN HIJ DIE MEDELEVEN BETUIGT

dyn006_original_450_450_jpeg_20344_42ac092e0661f129e7f589f4d87bee2e

Terecht merkt Nussbaum op dat ze eerst wil ingaan op de context en de historische drijfveren om te begrijpen wat Whitman wil bereiken.

De eerste druk van Leafes of Grass kwam uit in 1855, net voor de burgeroorlog, en de daarop volgende drukken bestrijken de burgeroorlog, Lincolns tweede termijn als president en zijn dood en de periode waarin de zuidelijke staten werden ingelijfd bij de Federatie.

In zijn treurdicht voor Lincoln uit 1871 lezen we zijn betrokkenheid:

Die stof was eens een man,
Vriendelijk, oprecht, rechtvaardig en vastbesloten, onder wiens behoedzame hand,
De Unie van deze Staten werd gered.

Zijn wantrouwen in de religieuze moraal, de rassenhaat en allerlei ander vormen van uitsluiting voelt hij scherp aan.
Voor zijn missie is er een drastische hervorming van liefde nodig, een opvatting die niet rechtstreeks uit godsdienst is af te leiden.

dyn006_original_445_600_jpeg_20344_029334ab2913e84306a84cf2cfef8f31

Zo schrijft hij in het opmerkelijke gedicht ‘Now Lucifer Was Not Dead’ in 1855 waarin een zwarte slaaf de zwarte engel Lucifer moet zijn: hij wordt immers uit de hemel en zelfs van de aarde geweerd door de vrome christenen om hem heen:

Nu was Lucifer niet dood- en als hij dat was, dan was ik zijn erbarmelijke, vreselijke erfgenaam.
Mij is onrecht aangedaan- ik ben onderdrukt- ik haat hem die mij onderdrukt en zal hem vernietigen of hij laat mij vrij.
Vervloek hem! Zoals hij mij belastert.
Zoals hij mijn broeder en zuster verraadt en geld krijgt voor hun bloed!
Hoor hem lachen als ik om de bocht stroomafwaarts kijk hoe de stoomboot mijn vrouw wegvoert.

Nu lijkt de uitgestrekte zwarte massa die de massa is van de walvis op mij;
Wees voorzichtig, jager! Al lig ik hier te slaperig en loom, de klap van mijn staartvin is dodelijk.

dyn006_original_600_399_jpeg_20344_678200cc7c49550f6decf39004483726

Wit zijn wordt een metafoor voor wreedheid, het engelachtige een metafoor voor minachtig en geringschatting van de mensen, schrijft Nussbaum.

Ik zet hierbij een kunstwerk dat naar Irak refereert waar ook een burgeroorlog woedt, en telkens als ik deze teksten lees, moet ik aan het hedendaagse Afrika denken, zijn machteloosheid tegenover onze onverschilligheid.

En zo beschrijft Whitman ook de toenmalige burgeroorlog, op zoek naar een ander Amerika:

Ik zag oorlogslijken, ontelbaar vele,
En de witte skeletten van jonge mannen, ik zag ze,
Ik zag de resten en restanten van alle omgekomen oorlogssoldaten…
De levenden bleven en leden, de moeder leed,
En de vrouw en het kind en de piekerende kameraden leden.
En de overgebleven legers leden.
(Lilacs, 171 ev.)

En daarin zegt hij dan zijn verkondiging:

Ik ben hij die medeleven betuigt.

Mannen en vrouwen.
Dan zijn we dichtbij zijn tweede thema:

De groeiende beweging voor de rechten van de vrouw.
Hij was een tijdgenoot van de eerste suffragettes, en als journalist en als dichter was hij nauw betrokken bij hun strijd.

dyn006_original_548_345_jpeg_20344_3c7e1a66491303cc6f040a1db6eecce3

Whitman had al lang voor Mill’s ‘The Subjection of Women’ (1869) het verzet tegen huiselijk geweld en puritanisme gelinkt, had om respect voor prostituees gevraagd en voor de verbetering van hun leefomstandigheden gepleit.
De kern van zijn betoog ging nog veel verder:

‘…hij had opgeroepen om het huwelijk en de mogelijkheden en plichten binnen het huwelijk te democratiseren en nieuwe opvattingen van seksuele aantrekkelijkheid te ontwikkelen die niet de overheersing van de een en de onderwerping van de andere erotiseerden.’

Ik zie de vrouw en ze is geen zier minder dan haar man,
Ik zie de dochter en zij is even goed als de zoon,
Ik zie de moeder en zij is de volkomen gelijke van de vader.’

(Grashalmen, ‘Een lied voor de arbeid’, A Song for Occupations, 33-35)

In een prozastuk schrijft hij:

Voor de beweging die toegankelijkheid voor vrouwen bepleit van nieuwe kringen van zakenleven, politiek en stemrecht, is de huidige obscene, traditionele benadering van seks het belangrijkste, reusachtige struikelblok.
Het stijgende tij van ‘vrouwenrechten’, dat elk jaar toeneemt en steeds verder reikt, schrikt daarvan ontzet terug.

En dan is er natuurlijk het derde thema, de homoseksuele liefde als thema.
Maar dat is voor een volgende stap.


EEN DEMOCRATIE VAN LIEFDE

Beste dolende Psychiater,

Toen ik je brief kreeg, was net alles uitgepakt.
Ik bedoel: de koffers, boeken, schriften en notities vooral, kortom de reiziger die weer thuiskwam nadat mijn goede vriend Abram Baumgarten mijn zwervend leven heeft overgenomen.

Wij beiden kwamen thuis.
Jij uit het mytische Afrika, ik uit de States.
Een grotere tegenstelling is niet denkbaar.

Toch herken ik gemeenschappelijke kenmerken.
Na het lezen van je brief, kwam ik weer terecht bij de goede vriendin uit Chicago, Martha Nussbaum die in haar boek: ‘Oplevingen van het denken. Over de menselijke moties’ (Ambo A’dam, 2006) een hoofdstuk wijdt aan Walt Whitman, onder de titel: ‘Een democratisch Verlangen”.

Ze noemt Walt Whitman terecht een ‘politiek’ dichter, een dichter die zegt dat poëzie een wezenlijke rol te spelen heeft in de Amerikaanse democratie.

‘Dat komt omdat de dichter weet wat het betekent om mannen en vrouwen als doel te zien en de grenzeloze, even grote waarde van ieder afzonderlijk te beseffen:

(citaat) Hij ziet eeuwigheid in mannen en vrouwen, hij ziet mannen en vrouwen niet als dromen en stippen.

Voor het grootse Idee, het Idee van volmaakte en vrije individuen,
Daarvoor loopt de bard vooruit, als leider van leiders,
Zijn houding vrolijkt slaven op en is vreemde despoten een gruwel.


(einde citaat)

Dat is een beetje psalmistisch, eigen aan de tijd waarin het is geschreven, net voor de burgeroorlogen die Amerika zouden verscheuren, maar ik kan me moeilijk een hedendaags dichter voorstellen die in die zin bijvoorbeeld over Afrika zou schrijven, over de slavernij die armoede en ziekte is.

dyn004_original_450_269_jpeg_20344_6553c3fb5607789da0a03ce358f5433e

Volgens Whitman is het democratisch visioen uiteindelijk een visioen van liefde, zegt Nussbaum.

Maak mijn naam bekend
en hang mijn portret op
als dat ven de tederste minnaar. (…)

…die niet trots was op zijn liederen
maar op de onmetelijke oceaan
van liefde in hem.

dyn004_original_400_572_jpeg_20344_59af1e5bf4316f2ec274e20b4f4c9c79

En die liefde is niet knus of zachtaardig, neen, er moet dringend wat veranderen in dat geliefde land van hem.
Kijkend naar de Amerikaanse idealen van gelijkheid en vrijheid concludeert hij:

Onder dat alles ligt de Uiting van liefde
voor mannen en vrouwen
(Ik zweer dat ik genoeg machteloze uitdrukkingen van liefde heb gezien voor mannen en vrouwen
Na vandaag gebruik ik mijn eigen uitdrukkingen van liefde voor mannen en vrouwen)

En die ‘eigen uitdrukkingen’ waren niet zo geschikt voor de conformistische Amerikaanse samenleving.

Werd in 1855 ‘Leaves of Grass’ nog lovend ontvangen -ondermeer met een lovende open brief van Emerson- er kwamen meteen ook al bitsige commentaren binnen die steeds maar toenamen.

‘Stompzinnige viezigheid’, een ongelijksoortige hoop bombast, de auteur is een vulgaire gek, hij zou in elke fatsoenlijke samenleving verbannen moeten worden als iemand die nog minder was dan een beest, enz.

Men ontdekte immers dat de gedichten ingingen op lichamelijke en seksuele thema’ s, en net zoals in deze tijd in de USA (en hier) was dat nog steeds een stap te ver.

Voor Whitman kon er geen opvatting van democratische liefde geformuleerd worden zonder een nieuwe houding tegenover het lichaam en seksualiteit.
Nussbaum:

‘Poëzie die gelijkheid bezong moest ook erotisch zijn, op een schaamteloze uitdagende manier.
En die erotiek moest onbeschroomd seksueel zijn.
Wat is het verband?
Wat is de nieuwe opvatting van liefde die Whitman zegt naar Amerika te brengen?
En waarom moet die democratische liefde erotisch zijn, en dan nog erotisch in seksuele zin?’

Zijn, haar en mijn antwoord volgt weldra.


THE INVISIBLE TOUCH

dyn001_original_394_468_jpeg_20344_840a50fedf68a74d034f298a2d39596f

Beste oud-patient Theodore,

Natuurlijk zal het wel even diep ademhalen zijn als je van de Big Apple naar de kleine provinciestad verhuist.

Anderzijds heb ik van mijn reizen geleerd dat de onhebbelijkheden en charmes van het mensengebroed niet zo heel veel van elkaar verschillen, ondanks de globalisering en de dreigende opwarming van deze planeet.

dyn001_original_448_260_gif_20344_aa982248405c42c51802f87ff705a06f

De onzichtbare touch die je in je hart zou moeten meedragen mag best schrijnend genoemd worden.
Wie van Afrika terugkomt, beseft dat de Europese cultuur aan dodelijke vergetelheid lijdt.

De onzichtbare doden die elk uur door honger, ontbering en aids veroorzaakt worden, betekenen weinig of niets in onze politiek.

Als we bedenken dat onze antropologische wieg in dat zwarte continent zou hebben gestaan, dan maakt dat idee-nu we onze luiers verlaten hebben- het des te schrijnender nu we de kinderkamer van de mensheid in dergelijke verwaarloosde toestand hebben achtergelaten.

Als ik dus over onzichtbaarheid wil spreken dan moet ik het zeker hebben over de onzichtbare nazaten uit dat continent wiens vitaliteit en levensdrift geen of weinig toekomst schijnen te hebben.

Door missiekalenders en brave zendelingen overmand hebben wij een overkill van beelden in onze jeugdjaren over ons heen gekregen, aangevuld met de dagelijkse journaals en documentaires op de beeldbuis, is het scherm tussen hen en ons van ondoordringbaar glas geworden.

Hun touch is onvoelbaar en voor hen zijn wij een lege huls, een wederzijdse onzichtbaarheid die onze gezagsdragers minder interesseert dan de boemende oosterse economiëen.

Ik heb dus mijn psychiatrische praktijk voor een tijdje opgeschort en heb in dat continent de eenvoudige verbandtrommel, ontsmettingsmiddelen en anti-wormderivaten gehanteerd.

dyn001_original_450_450_jpeg_20344_78be76e047f94ea452e1cd080a6e3531

Mijn hart is een winterkamer.
Ik durf geen enkele foto uit het donkere continent tonen.

Omdat de onzichtbaarheid er alleen maar door vergroot.

Elke reportage met schrijnende getuigenissen
doet even pijn, we schudden het Europese hoofd
en we moeten verder, duwen de beelden nog dieper van ons weg
want ze zijn geen uur houdbaar voor een mens met een greintje gevoel.

Ik bewonder de moedigen die op of om het terrein werken
en de suizende politieke stilte
in de rijke continenten
vergroot onze blindheid
want hoe machteloos zijn wij, wij
die zelfs geen eigen mening meer hebben
maar voor elke besluitvorming ons door de media laten leiden.

Mijn hart is een winterkamer.
Ik ben de psychiater
die bij zijn oud-patiënt om raad komt vragen.

Hoe onzichtbaar kan leed zijn?
Of is de zichtbaarheid juist de aanleiding om de ogen te sluiten?

Het zal dus verder kijken worden dan de eigen neus lang is.
In de diepte.
Klinkt mooi, beste Theodore, maar wat kopen we ervoor als in die diepte
de inktzwarte duisternis elk leven buitensluit?

Ik hoop dat jij in die wereldstad de harteklop
in de kunst hebt gehoord, een harteklop
die mijn verlatenheid
even laat oplichten.

The invisble touch nijpt mijn zielekeel toe.

Uw toegewijde

G. Dumortier, psychiater of patiënt, ad libitum


VERTREK EN TERUGKEER

chambre_d_or_ii

Met de vertelling staat de deur weer op een kier.

De manier waarop we dat verhaal willen vertellen wordt soms belangrijker dan de inhoud.
De boodschapper dus, en niet de boodschap.

Deuren die op een kier staan kunnen tocht veroorzaken.
Of verse lucht in de winterkamer brengen.
Of licht.

De praktijk van het dagelijks leven is geen eenvoudige praktijk.
Vaak schrijven media ons die praktijk voor.
Ook zij lijden aan hetzelfde euvel: de boodschapper wordt belangrijker dan de boodschap.

Tijd dus om al de spelers uit dit bijna driejaar-oude blog weer eens samen te roepen.

Theodore Silverstein keert terug uit de States en zal weer zijn antiekwinkel uitbaten.
Ook de heer G. Dumortier, psychiater bij gods en andere genades komt weer in het land en wil met zijn voormalige vriend en cliënt nagaan of de zoektochten naar het onzichtbare iets zichtbaars hebben opgeleverd.

Abraham Baumgarten gaat op zoek naar mooie dingen en zal als rondreizende ontdekker fungeren.
Het wordt tijd dat hij een beetje ruimtelijk gevoel opdoet.

Maar eerst wil iedereen nog samen een glas drinken in het bergland.
Daarna nemen ze hun nieuwe (of voormalige) plaatsen in, en zullen ze in de mate van het mogelijke aan berichtgeving doen, de schoonheid en de drang naar het onzichtbare ter ere.

U vergeeft dus hun stilte tot volgende donderdag 22 februari.
Mooi weer genoeg om je eigen deur op een kier te zetten.


PRENTJE NR 3: SNEEUWNACHT AAN ZEE

temps_10

Is de zee zwart?

Neen, kind, de zee is blauw en groen
en vermiljoen
en gisteren en toen

Toen jij bij volle maan
als sneeuw
geboren werd
rook de lucht
naar bitterkruid.

Ik was de eerste
die je zag
dus liep je
achter mij aan

Twee sneeuwmannen
waggelen als pinguïns
naar de diepten van de ronde maan.

Bij gebrek aan vleugels
wonen we voortaan
in het vermiljoenen water.


PRENTJE NR 2: 2 VERGEZICHTEN

temps_28

 

Het is
buitenkijken
wat bij aanvallen
van zielepijn
is voorgeschreven.

Streelt
de avond
langs de violetjes

Is de dag
gespierder
dan je angstige benen

Snuif
en
loop
mijn kind

Ruik
hoe met de dag
de bloemen sterven
en hoe je kindertijd
aan zee
best een loopje neemt
met je kartonnen voeten

dyn006_original_450_337_jpeg_20344_763c11e45af86969939d701544a965c0


.

PRENTJE NR 1: APRES TANT DE MORTS

apres_tant_de_mort...

ik zou zo graag ophouden met sterven
maar kraaien pikken mijn ogen uit.

Zo graag zou ik niet meer dood willen zijn
maar ratten knagen mijn oren weg.

Ik zou zo graag diep willen ademen
maar octopussen maken mijn longen zwart.

Ik zou zo graag naar je toe willen zwemmen
maar noorderwinden stollen het water tot ijs.

Was ik een musje, ik kroop weg onder dode blaren
maar jankende katten werpen mij in de lucht.

Ik wilde gewoon je schuilplaats zijn, je rinkelbel
maar je moeder heeft je uit mijn armen los gescheurd.

De echte dood kan niet niet tippen aan mijn duizend doden,
mijn zwart bruidsmeisje, mijn liefste, ontferm u over mij.

Op mijn koude steen staat een lach gebeiteld,
niemand weet hoe troostend dit lange liggen kan zijn.


Dit is het eerste prentje uit mijn virtueel album.
Sorry dat het een doodsprentje is.

De mooie foto is van Bernard Faucon


NEAR THE NESTORSTRASSE, BERLIN

The Overpass. West Berlin, near Nestorstrasse

“But whatever the truth may be, we shall never forget, you and I, we shall forever defend, on this or some other battleground, the bridges on which we spent hours waiting with our little son (aged anything from two to six) for a train to pass below.

I have seen older and less happy children stop for a moment in order to lean over the railing and spit into the asthmatic stack of the engine that happened to pass under, but neither you nor I is ready to admit that the more normal of two children is the one who resolves pragmatically the aimless exaltation of an obscure trance.

You did nothing to curtail or rationalize those hour-long stops on windy bridges when, with an optimism and a patience that knew no bounds, our child would hope for a semaphore to click and for a growing locomotive to take shape at a point where all the many tracks converged, in the distance, between the blank backs of houses.”

Speak, Memory, XV, 2.

“Maar wat de waarheid ook mag zijn, nooit zullen we vergeten, jij en ik, eeuwig zullen we verdedigen, op dit of enig ander slagveld, de bruggen waarop we urenlang hebben staan wachten met ons zoontje (in elke leeftijd tussen twee en zes) tot daar een trein onderdoor kwam.

Ik heb oudere en minder gelukkige kinderen gezien die even bleven staan om zich over de leuning te buigen en in de astmatische pijp te spugen van de locomotief die beneden juist voorbijkwam, maar jij en ik zijn geen van beiden bereid om toe te geven dat het normaalste van twee kinderen datgene is wat de doelloze vervoering van een duistere trance pragmatisch oplost.

Jij deed niets om dat urenlange oponthoud op winderige bruggen te bekorten of rationaliseren, als onze zoon met een optimisme en geduld dat geen grenzen kende, hoopte dat er een seinpaal zou klikken en een groeiende locomotief vorm zou aannemen op een punt waar al de vele rails samen kwamen, in de verte, tussen de blinde achterkanten van de huizen.

Vladimir Nabokov, Geheugen Spreek, vertaling Rien Verhoef, De Bezige Bij, A’dam 2001


BRIEF VAN EEN SCHADUW AAN ZIJN BROER

dyn006_original_319_252_jpeg_20344_8a18f862e7f1f32e0a0dddb7e609eaaf

Lieve Volodya,

Ik gebruik de titel waarmee oom Nicolaas je aansprak al zullen de meeste lezers eerder Vladimir verwachten, maar nu we beiden ‘het vluchtig kiertje’ tussen twee eeuwigheden van duisternis hebben gezien, gebruik ik een beetje sentimentalteit, al pleitte jij voor het onaandoenlijk aanvaarden van de twee zwarte leegten net als die beelden in dat vluchtig kiertje licht, en hadden onze eerste en laatste dingen inderdaad nog iets puberaals.

Je herinnert je zeker ons verblijf in Jalta, 1918, één jaar nadat we met een Griekse groentencargo ons uit Sint Petersburg hadden weg gehaast.
Daar is deze foto genomen.

De foto zou een geschenk voor onze beminde moeder zijn.
Jij draagt dat frivole vlinderdasje, onze zusjes hun matrozenpakjes en de kleine Elena heeft onze Box II op haar schoot, hondje wiens grootouders nog bij dr. Anton Tjechov hebben gewoond.

Ikzelf ben helemaal in het zwart, ik draag mijn pince nez en bekijk de wereld door het geslepen glas al denk ik haar ijdelheden nog beter te snappen als ik ’s nachts mijn bril op het nachttafeltje kon leggen en ik in mijn dromen besefte dat er een voor- en een achtergrond bestond, en wij op één van die plaatsen onze rol speelden.

dyn006_original_319_377_jpeg_20344_5430501a9c99770a2c681d6b381fd578

We stormen de trap op in ons grote huis op de Bol’shaya Morskaya, 47 en al schelen we maar elf maanden, lieve beroemde broer, onze 50 bedienden wisten al dadelijk dat er op de wereld geen groter verschil was dan de werelden van deze twee broers Nabokov.

Jij, vol van jezelf, met de wereld vertrouwd, een gezelschapsmens, de lieveling van mama, en ik, onhandig, een beetje fatterig, op mezelf betrokken, stotterend, en het allerergste in jullie ogen: mijn liefdesleven was mannelijk.

Al noem jij een van onze kindermeisje ‘de lieftallige’ Miss Norcott, iets vroeger in je herinneringsgeschriften betrap ik je op andere epitata: Miss Norcott, een lusteloze, zwaarmoedige gouvernante, en die dualiteit was zeker te wijten aan het feit dat je, toen je als beginnend ouderling deze herinneringen opschreef, je wist dat ze in Abbazia plotseling werd ontslagen omdat ze…een lesbische verhouding had.
En daar gingen die ‘zwarte haren en de zeegroene ogen’ en de fijne handjes die in Nice of Beaulieu hun witte glacéhandschoentjes waren kwijtgespeeld en waar jij ‘op het grindstrand tussen de gekleurde kiezels en de van de zee grijsblauw geworden scherven flessenglas vergeefs naar zocht’.

Je was als kind ontroostbaar, inderdaad.
Je treurde ‘als een Babylonische wilg’, en zelfs de chocolademelk van de oude kinderjuffrouw van de Petersons kon je niet troosten.

Vader, die dezelfde voornaam droeg als jij, was nochthans een voorvechter van de vrijheid.
Al was homoseksueel gedrag in het keizerlijke Rusland een misdaad, toch vocht die dappere pa van ons voor de liberalisering en decriminalisatie van ‘sodomie’.
Hij maakte echter duidelijk dat zijn strijd vooral tegen de ‘wettelijke’ argumenten werd gevoerd, op pure grondwettelijke gronden waar vrijheid en privacy voorop stonden.
Want in het echte leven vond hij dit ‘gedrag’, of deze ‘erfelijke ziekte’ zoals jij eens schreef, ‘deeply repugnant’, en toen hij in 1922 stierf nadat hij zich als schild voor een voorname Russische dignitaris had opgeworpen en een kogel in zijn borst kreeg, heeft hij die laatste nacht van zijn leven met jou nog gepraat over mijn ‘strange, abnormal inclinations.’

dyn006_original_231_370_jpeg_20344_ee3b7c8fa5ce971b44df466ed42f3f9a

Mijn vraag naar liefde of begrip was er niet minder om, want zoals ze hier zo prachtig poseren, vader en maman, ik keek naar ze op, en toen jij 16 was en ik vijftien, en je mijn dagboek las en het via onze gouverneur aan papa liet bezorgen, noemde jij de inhoud later:

‘…”abruptly provided a retroactive clarification of certain oddities of behavior on his part.”

Natuurlijk was het duidelijk dat ik terwille van die ‘oddities’ van de progressieve Tenishev jongensschool was weggezonden.
Brian Boyd, jouw biograaf heeft het over “unhappy romances”, en de reactie thuis was inderdaad iets in de zin van ‘don’t ask, don’t tell’.

Ik besefte maar al te goed dat ik mijn ouders verdriet deed, maar ze waren zo fair daar niets van te laten merken.

Toch was onze familie niet onbekend met de ‘mannenliefde’.
De broer van vader, Konstantin Nabokov, zaakgelastigde van de Russische ambassade in Londen, en Vasily Rukavishnikov (oom Ruka), broer van moeder en ook diplomaat, waren beide duidelijk homofielen.

Oom Ruka was duidelijk op jou verliefd, Volodya.
Zijn buitenververblijf dat naast het onze lag liet hij samen met een aanzienlijke som roebels aan jou na bij zijn dood in 1916.
Je was toen zeventien.
Een erfenis die de Sovjets daarna hebben ingepikt.

Ik keek verlangend uit naar oom Ruka, maar hij gaf mij niet de minste aandacht.
Hij hield van muziek, begeleidde zijn eigen gedicht dat ik letterlijk van buiten kende, en zonder te stotteren kon reciteren, maar ook dat bracht hem geen stap dichterbij.

Onze werelden lagen werstenver van elkaar verwijderd.
Eén van de Russische emigré’s schreef over ons:

‘Vladimir was the young homme du monde — handsome, romantic in looks, something of a snob and a gay charmer — Serge was the dandy, an aesthete and balletomane …
[He] was tall and very thin. He was very blond and his tow-colored hair usually fell in a lock over his left eye.
He suffered from a serious speech impediment, a terrible stutter. Help would only confuse him, so one had to wait until he could say what was on his mind, and it was usually worth hearing …
He attended all the Diaghilev premieres wearing a flowing black theater cape and carrying a pommeled cane.’

dyn006_original_231_346_jpeg_20344_2f245ae494fdf9d2a111afe09798e5e7

En neef Nicolas Nabokov, de toondichter:

Rarely have I seen two brothers as different as Volodya and Seryozha.
The older one, the writer and poet, was lean, dark, handsome, a sportsman, with a face resembling his mother’s.
Seryozha … was not a sportsman. White-blond with a reddish tint to his face, he had an incurable stutter.
But he was gay, a bit indolent, and highly sensitive (and therefore an easy butt for teasing sports).

Maar verschillend als we waren gingen we samen naar Cambridge, we behaalden dezelfde graad in Russisch en Frans in 1922, en waar jij het enkele uren op het bankkantoor uithield was het voor mij na een week wel duidelijk dat dit leven ook niet mijn leven zou zijn.

Jij bleef in Berlijn,huwde met Vera en ik trok naar Parijs.
In de winter van 1923 leerde ik er de schilder Pavel Tchelitchev kennen, wiens werk je nu in het New Yorks Museum of Modern Art kunt gaan bekijken.
Hij was net zo gay als ik, en eveneens een Russisch emigré, en we schuilden beiden in het appartment van Tchelitchev’s lover, Allen Tanner.

dyn006_original_328_510_jpeg_20344_17b54154102c561b45f523ab4a16329c

Hierboven een mooi porttret van Tchelitchev’s hand, het portret van Alice B. Toklas, de levensgezellin van Gertrude Stein, 27, Rue de Fleurus waar allerlei artiesten verzamelden zoals Jean Cocteau, de componist Virgil Thomson (langs wie ik Diaghilev leerde kennen) neef Nicolas, en vele anderen.

Terwijl jij heimwee koesterde naar moedertje Rusland, hield ik volop van Parijs.

Men noemde mij ‘an incorrigible dandy’, ik droeg steeds een strikdasje, en woonde wel eens de mis bij in complete make-up, en ik ben Ivan, de zoon va
n Nicolas, dankbaar omdat hij zijn moeder citeert die mij benoemt als:

“the nicest of all the Nabokovs … a sweet, funny man … much nicer, much more dependable and much funnier than all the rest of them.”

Als ik je werk doorneem, Vladimir, dan zie ik dat je gefascineerd was door ‘doubles’, je werk zit vol ‘spiegels’, ‘twins’, ‘reflections’, toevallige gelijkenissen, enz.

Ik was jouw dubbel, of zoals je zelf schreef: “…a shadow in the background”.
Jij was de taalkunstenaar, ik de stotteraar.
Ik vereerde als kind Napoleon, ging slapen met een plaasteren buste van deze griezel.
Ik hield van muziek. Ik aanbad Wagner.
Ik leerde goed piano spelen.
Jij noemde muziek: “an arbitrary succession of more or less irritating sounds.”
En terwijl ik aan de piano zat, kwam jij me storen en aanstoten.

Onze zus Elena (+2000) zei dat we nooit vriendjes waren tijdens onze kindertijd.
‘There was always a sort of aversion.”

En jij schreef over mij als jongen:

“I could describe my whole youth in detail without recalling him once.”

Maar ik schuil in ieder hoekje van je ‘Speak memory’ uit 1951.
“Quiet and listless” noem je mij, en “like a little owl”, of rondjes rijdend op de rolschaatsbaan in Berlijn, terwijl jij mij steeds weer vallen liet.

Jij, die zo te keer ging tegen het anti-semitisme, die toch Proust, Edmund White onder je vrienden telde, waarom was jij toch zo’n homofoob mens?
Na mijn dood beschrijf je mij als:

‘…a harmless, indolent, pathetic person who spent his life vaguely shuttling between the Quartier Latin and a castle in Austria.”

dyn006_original_488_450_jpeg_20344_3ab4d86a2a014cedadf07559a84516c4

Was je een beetje jaloers op het Assepoester sprookje dat ik meemaakte toen ik in Parijs Hermann Thieme leerde kennen?
Hermann, zoon van een grote Oostenrijkse verzekeringsmagnaat, bezat Schloss Weissenstein, een 12de eeuwse burcht in het Oostiroolse dorpje Matrei.

Hermann’s nichtje, Iva Formigoni, die nu in Milaan leeft, herinnert zich mij wel.
En als ik bij de Ledkovsky’s verbleef in Berlijn zette ik de foto van Hermann op mijn nachtkastje.
Hij was de grote liefde van mijn leven, Vladimir.
Bij hem moest ik geen hide and seek spelen zoals Pavel dit prachtige doek noemde.
Aan mama schreef ik:

“It’s all such a strange story, sometimes even I don’t understand how it happened … I’m just suffocating with happiness.”
There are people who would not understand this, to whom such things would be completely incomprehensible. They would rather see me in Paris, barely surviving by giving lessons, and in the end a deeply unhappy creature. There is talk about my ‘reputation’ and so on. But I think that you will understand, understand that all those who do not accept and do not understand my happiness are strangers to me.”

En jij, jij was een van die ‘strangers’, Vladimir.
En toen je Hermann had ontmoet schreef je aan Vera:

“The husband, I must admit, is very pleasant, quiet, not at all the pederast type, attractive face and manner. All the same I felt rather uncomfortable, especially when one of their friends came up, red-lipped and curly.”

Je hield niet van homo’s.
Zelfs na mijn dood schreef je over een plaats waar je de zomer doorbracht:
‘”a dismal hole full of third-rate painters and faded pansies.”

En als je naar de gay-Russische criticus Georgy Adamovich refeerde dan had je ’t over ‘Sodomovich’.

Kon je zonder schroom over het lijden van een kind-molesteerder schrijven in Lolita, je had nooit de moed om toe te geven dat je eigen broer ‘gay’ was.

Daar waar je cliché’ s haatte duiken homo’s in je werk op als cliché’ s van cliché’ s.
Van de giechelende balletdansers in je eerste werk ‘Mary’ tot de buur van Humbert Humberts in Lolita, tot de egomaniakale verteller in Pale Fire zijn ze allemaal verwijfd, oppervlakkig en praatten ze gemaakt.
Niet één keer beschrijf jij, meester-observator, een rijpe volwassen liefde tussen twee mensen van dezelfde sekse, ook al had je daarvan je een voorbeeld ‘right before your eyes’.

In ‘Bend Sister’ is niet de held homo maar wel de verdrukkende dictator die hem ter dood zal brengen.

dyn006_original_350_371_jpeg_20344_5a66ca7c5956c008e14e9f2e78d07598

In Ada probeer je je koers te veranderen.
In deze incestueuze lovestory speelt ook de jongste zus Lucette mee, zij is ook verliefd op haar broer net zoals zus Ada, en ze maakt het leven van het koppel tot een hel.
Was ik het model voor Lucette?

Toen in de lente van 1940 de Duitsers Parijs binnenvielen, waren jij en de jouwen met de laatste boot uit Saint Nazaire naar Amerika vertrokken.
Ik vond jullie appartement leeg.
Ik verkoos in Duitsland te blijven.

Uit voorzichtigheid ontmoetten Hermann en ikzelf elkaar zo min mogelijk.Ik werkte als vertaler in Berlijn.
Ik was doodsbang tijdens de bombardementen.
In 1941 werd ik voor de eerste maal door de Gestapo aangehouden op beschuldiging van homoseksualiteit.
Vier maanden later was ik weer vrij, maar ik werd konstant in ’t oog gehouden.
Ik weet niet waar ik toen de moed vandaan haalde maar ik besloot niet meer te zwijgen.
Tegenover vrienden en collega’ s sprak ik me openlijk uit over de onrechtvaardigheden van het derde rijk.
In 1943 werd ik wegens “staatsfeindlichen Ausserungen” opnieuw aangehouden.

Zo kwam ik in het concentratiekamp Neuengamme terecht waar de homo’s het hard te verduren kregen.
Ik was gevangene 28631.

Na mijn dood telefoneerden medegevangenen naar de Nabokovs (wij waren de enigen met die naam in het telefoonboek) om enigzins overdreven te vertellen over mijn moedig gedrag, over het feit dat ik zoveel mogelijk mensen probeerde te helpen met rantsoenen en kleren die ik aankreeg.

Ook Hermann werd gevangen genomen maar moest in Afrika gaan vechten.
Hij heeft de oorlog overleefd en keerde terug naar Schloss Weissenstein.
Hij stierf in 1972.

Jij begon in Amerika aan een triomfantelijke tijd.
Terwijl ik in 1944 in Neuengamme zat lag jij te zonnen in Wellfleet, Mass.
Je verzamelde vlinders voor het Harvard Museum of Comparative Zoology.
The New Yorker begon je gedichten af te drukken en je kreeg een Guggenheim Fellowship.
Je wist niets van wat er ondertussen met mij in Europa gebeurde.

dyn006_original_800_541_jpeg_20344_2e31a29ff27337a80f1a979f841efad9

In je boek ‘The real life of Sebastian Knight’ heeft de verteller een droom de nacht voor Sebastian sterft.
Hij verbeeldt zich dat zijn halfbroer in een ongeval vreselijk wordt verminkt.
In de vroege lente van 1945 in je appartement in Cambridge, Mass, droom je van mij.
Je zag me in vreselijke pijn liggend in een kooi in een concentratiekamp.
De volgende dag kreeg je een brief van een familielid uit Praag.

Volgens de kamp-administratie stierf “Sergej Nabokoff” (sic) op 9 janauri 1945 door een combinatie van dysenterie, uitputting en honger.
Neugengamme werd vier maanden later bevrijd.

Ledkovsky schreef:

“always a gentleman,” devoted to music but also steeped in Russian, French and English poetry — all languages that, along with German, he spoke fluently. “He could recite anything by heart, and when he recited poetry, he would not stutter at all.” He was also himself a poet, in her opinion a good one, though none of his work survives. “He was a very talented, brilliant man. If he were not so timid and shy, if he didn’t feel so … out of place, who knows? He might have been the equal of Vladimir.”

Geloof hem maar niet, Vladimir, enkele weken voor mijn tweede arrestatie was ik zijn ‘best man’ op zijn bruiloft, en van de doden niets dan goed, nietwaar.

En jij schrijft:

‘Ik heb dikwijls gemerkt dat iets wat ik koesterde uit mijn verleden, nadat ik het aan mijn
romanfiguren had geschonken, verkwijnde in de kunstmatige wereld waarin ik het zo onverhoeds had geplaatst.’

Daarom mijn brief, lieve Vladimir.
Omdat ons voorbije leven nooit mag verkwijnen en niemand nog de pijn mag meemaken die ik zonder enig verwijt aan wie dan ook, heb doorstaan.

Zomer-soemerki-het liefelijk Russische woord voor avondschemer.
Laten we ons daarin baden, Volodya.


VERTELLINGEN, DE PRAKTIJK (2)

angel-boy

Dat hij zo’n mooie engel was, meneer.
Niet alleen door dat kleed, en nog minder door zijn kroon, maar zoals mevrouw Renders zei: ”t Ventje heeft zo’n angelieke uitdrukking!’

Angeliek, van ’t woord angel, engel dus.
Ze had ook ‘engelachtig’ kunnen zeggen, maar ze zei: angeliek.

Maar ge moet eens goed naar die foto kijken.
Valt u niets op?
’t Is een detail, maar in feite is ’t de sleutel.

Hun handen, meneer.
Zijn handjes rond haar hand.
Ik weet het, dat is niks ongewoon, zo is een kind van die leeftijd.
Dat hangt aan zijn moeder, dat weet ik.
Maar hij hing niet aan haar, neen, zij aan hem.

Ge kunt zeggen dat ge zoiets moet begrijpen, jaja, ze heeft er lang op moeten wachten, dat is waar.
Ze hebben jaren gedoktoord na de misval van haar eerste.
En toen hij kwam was ’t toch ook maar op ’t nipperke naar ’t schijnt.

Hij heeft nog maanden in de couveuse gelegen, hare engel.
En zij was niet van hem weg te slagen.
Ze moesten haar buitenzetten, en of haar man nu iets zei of niet, zo van alé Josfientje, laten we nu naar huis gaan, hij wordt hier goed verzorgd, ’t hielp allemaal niks.

Hij zag zijne zoon ook graag, maar was ’t nu uit schrik om hem ook te verliezen, of was ’t om zijn speciale ogen–ja, zijn ogen, dat ziet ge toch ook op die foto– zijn ogen…

Ze staan niet recht zoals bij ons, maar ze lopen een beetje naar boven, en daardoor krijgt zijn gezicht zo’n triestige uitdrukking, en als hij dan lacht, dan is dat een…een..
…een verwarring: ge weet niet wat ge moet denken, meneer.
Sommige filmsterren hebben dat ook, pakt nu James Dean zijn ogen..
Ook niet recht, maar met de ooghoeken naar boven, ik heb dat geheim ontdekt toen ik elf jaar na zijn dood de foto van de muur wilde halen, en ineens wist ik, ik, ik zei: maar dat is het, dat is zijn ‘uitstraling’ gelijk ze zeggen.

Dus versta me niet verkeerd, ik begrijp goed dat ze zot is van ’t kind, dat ze hem niet loslaat, dat hij haar ook niet kan loslaten, tot inde kerk toe, de mensen kijken naar hen zoals ze naar een koppel kijken, en dan glimlachen ze, jaja, dat wel, zeker als ze ’t voor de eerste keer zien, maar als ge daar dag in dag uit mee geconfronteerd wordt, meneer, dan blijft ge niet lachen.
Ge begint zo’n raar gevoel te krijgen in uwe kop, verstade?

En ze zitten in twee missen, elke week. In twee, d’hoogmis en d’ avondmis zaterdag ’s avonds.
Want zei ze: ik weet dat hij een roeping heeft.
Jezus kiest zijn schaapjes zelf.
Hij is de goede herder.
Hij kan een kwartier lang doodstil zitten kijken naar die grote glasraam, links van ’t altaar, en dan begint hij zo heel stillekes te knikken en verschijnt die schone glimlach op zijn lipjes.

Ik was efkes in de hemel, zei hij, ons Hermanneke.
Ik kon u beneden in de kerk zien zitten, en ge waart triestig, mama.
Maar ge moet niet triestig zijn, want ik zal voor u zorgen.

Waar haalt zo’n kind zoiets?


VERTELLINGEN, DE PRAKTIJK (1)

 

dyn002_original_250_393_jpeg_20344_6ce47972915e8bbef9fd4ef691759ac4

De overgrootvader en het achterkleinkind, maar dat beiden kinderen zijn op dit beeld maakt een vreemde verbinding wakker.

Ik heb ze even verwisseld.
Hij, de sepia-jongen uit het verre verleden in de sneeuw, en de witte kuif van vorige week heeft de grote hoed op en leunt lichtjes voorover.

dyn002_original_320_500_jpeg_20344_74014c3439c3e3282ccfc4a2d594db8d

U kunt zich dat voorstellen?

Het kind in het kasteel op de achtergrond?
Het is maar een kleine stap, al liggen er zo’n zevenhonderd jaar tussen toen en nu.

dyn002_original_350_466_jpeg_20344_93a857226da323e5c18ec6c98302cdd4

Deze Katharen-jongen.
Ik weet niet of hij de slachtingen heeft overleefd.

Nu hebben we een driehoek.
De sneeuwwelp, de jongen met de strohoed en het Katharenkind.

Je kunt er makkelijk een foto van jezelf bijvoegen, al naargelang een beetje dichter bij de ene als bij de andere.

En als we ze nu met zijn drieën samenbrengen dan rijst de vraag:
-waar?

Een 19de eeuwse afternoontea, een moment op een speelplaats van een hedendaagse school, een ontvangst op het kasteel.

Heel mooi zou een zwembad zijn.
Want dan vallen de verschillen bijna helemaal weg.

De zee, terwijl het avond wordt en iedereen bij de televisie naar de weerman luistert.

Drie jongens in de zee.
Geen taalproblemen.
Onnozel plezier in de schoonste zin van het woord: rennen, duiken, vallen en weer opstaan.

U laat de sterren boven hun hoofden verschijnen?
Dat is romantisch.

Vooral voor de late wandelaar die de drie jongens verbeeldde.
Ieder zijn ster.
Als er drie sterren aan de hemel staan is de sjabbat begonnen.

Het water is mensenleeg.


TUSSEN GEMEENPLAATSEN EN POETISCHE BEVLOGENHEID

dyn001_original_408_550_jpeg_20344_e6584b98a727eba7c754daa9e11558fe

Uit een artikel van Hilde Heynen:

Aan de gemeenplaatsen ontkomen we niet: gemeenplaatsen vormen een noodzakelijk ingrediënt van het dagelijks bestaan.

In de omgang tussen mensen hebben ze de bedoeling contacten te leggen, gesprekken mogelijk te maken – ook wanneer er niets te zeggen valt.

De formules waarmee we ons beklagen over het weer, of over de gang die het leven neemt, de woorden die we zeggen bij een geboorte, of wanneer iemand sterft, zijn noodzakelijk.

dyn001_original_381_551_jpeg_20344_6ce8d7f5515beb4165337549e17ea677

Ze dienen om van een altijd wijkende, onvatbare, ‘unheimliche’ realiteit een aftreksel te maken dat leefbaar en bewoonbaar is.

In die zin beschemen ze ons tegen een confrontatie met de bodemloosheid van ons bestaan.
Daarom zijn ze niet ‘vals’, ze zijn open: de ervaring van het onvatbare ligt erin verborgen en kan ontsloten worden in de manier waarop de gemeenplaats gebruikt wordt.

Verhulling en onthulling tegelijk.

Als een gemeenplaats ‘juist’ wordt gebezigd kan het gebeuren dat de gekende duizendmaal gebruikte woorden en gebaren opgeladen worden met reële betekenis.

Hilde Heynen, In Nieuw Babylon kun je niet wonen, in Wonen tussen gemeenplaats en poëzie, Opstllen over stad en architectuur, Rotterdam, uitgeverij 010, 1993

Boomkens noemt het laatste, het opladen van woorden en gebaren met reële betekenis, het poëtisch moment.
Hij zegt dat gemeenplaatsen de neiging hebben om door hun permanent gebruik te verslijten, te verstenen (dat hebben ze met dogma’ s gemeen, nvdr) en zo betekenisloos te worden.

happy all dayZe kunnen ook hun betekenis verliezen door de razendsnelle veranderingen waaraan. de alledaagse leefwereld door de moderniteit en de globaliseringsprocessen is onderworpen.

Dan gaan ze automatisch fungeren als dragers van gevoelens van nostalgie, van heimwee naar ‘een voor altijd verloren verleden’.

Zulke cliché’ s kunnen verstenen tot mythes die niet langer gecorrigeerd kunnen worden door de alledaagse ervaring zelf en die zich tegen de alledaagsheid kunnen keren.

(René Boomkens, De nieuwe wanorde, p102, Van Gennep, Amsterdam, 2005)

Met Hilde Heynen vindt hij dat het nu juist kunstenaars, dichters, schrijvers en architecten zijn die naar strategieën moten zoeken om aan die verstening te ontsnappen, om vormen te hanteren die niet zo gemakkelijk verstenen, en die ‘door de intelligentie van hun aanpak, en de gratie van hun spel, erin slagen een contactmoment met die wijkende werkelijkheid te realiseren en – al is het maar voor even- iets te laten aanvoelen wat uitstijgt boven het dagelijkse: een intensiteit in gevoelens, een flitsend inzicht waarvan het beeld in het gebeugen beklijft, het oplichten van een herkenningsmoment dat onmiddellijk daarna gelogenstraft wordt.

Terecht noemt Boomkens die visie van Heynen een soort esthetica van de avant-garde, die ons uit de alledaagsheid tilt, al was het maar voor even.
En daarmee staat ze maar één stap van wat Heidegger doet: de totale negatie van de alledaagsheid.

dyn001_original_550_259_jpeg_20344_e36dfbadad0185938e384605bfe7c73d

Boomkens zegt:

‘Alleen als we erin slagen de alledaagsheid ook te begrijpen als een praktijk, of beter: als een hele reeks praktijken in uiteenlopende materiële en tijdruimtelijke contexten, hoe moeilijk het ook is die praktijk in precieze termen te vangen, hoe vervuld van mythes, dromen en verlangens diezelfde alledaagsheid ook is, hoe impliciet en ongearticuleerd veel alledaagse bezigheden ook zijn, alleen dan valt de heilloze polariteit tussen alledaagsheid en poëzie, tussen ‘das Man’ en ‘het aangesproken worden’, tussen ‘het universum van belevenissen’ en ‘de shockervaring’, tussen routineus gedrag en actief handelen, enz. te doorbreken.

Tussen gemeenplaats en poëzie ligt de vertelling.

(ibidem, 103-104)

En dat is dan weer de volgende stap.