WIE DE PLUIMEN ZIET, ZIET NOG NIET DE KIP

dyn003_original_300_376_jpeg_20344_997095981e7f482b2af51da800addd13

Ik weet zeker dat je zult glimlachen als je deze ‘robe à la française’ ziet, gemaakt rond 1750, en hlemaal geïnspireerd op Versailles en de geplogenheden aan het Lodewijken-hof.

Het keurslijf (corset en onderhemdje) was met stof omspannen, en dat in die breedte zodat de dame in kwestie steeds zijdelings door een deur moest.

De naam keurslijf is hier zeker toepasselijk.
En wat wij nu bespottelijk vinden, was midden 18de eeuw (let wel op: de verlichting, monsieur!) een toppunt van mondainiteit, als dat woord al bestaat.

In een keurslijf is vooral de buitenkant belangrijk: je neemt letterlijk ruimte in naarmate je belangrijk bent of denkt te zijn.

dyn003_original_300_424_jpeg_20344_35c7c89d4038da51f2a64a383a70302d

Aan de andere kant van mijn geschrift vind je een wondermooie tekening van Fouquet, die zo’n 3 eeuwen jonger is dan het keurslijf.
We weten uit het bijschrift dat het om een vertegenwoordiger van de heilige stoel ging maar zijn z’n naam nooit te weten gekomen, noch zijn geschiedenis kwam iemand ter ore.

Fouquet zet het gezicht in een driekwart houding, een nieuwigheid die hij uit Italië had meegebracht, en daardoor komt de innerlijkheid van de geportreteerde veel duidelijker naar voren.

Zijn ogen kijken van ons weg.
Ze zijn op een onbekend brandpunt gericht, maar daardoor wordt de toeschouwer een betere observator.
De kijker hoeft niet deel te nemen aan de handeling.
Dat is nog een eigenschap van de vroegste kunst waar figuren de kijker aankijken, of waar de blik op ht goddelijke is gericht.

dyn003_original_300_345_jpeg_20344_423a45ba3d43f466675669bfae177869

Kijk naar dit beeld uit de zevende eeuw.
We zijn in Byzantium.
We kijken naar een personificatie van wat je in ’t Engels “foundation” noemt, de onzichtbare essentie waarop het verdere gedachtengebouw of geloof zal steunen. (KTISIS)
Ze kijkt je recht in de ogen.
Er is geen ontsnappen aan.

De kunst zal zich weghaasten van de direkte konfrontatie via de personages.
Van de grote symbolen naar de karaktertekening in Fouquets portret tot het keurslijf dat zich vervolgens ook ideologisch laat vertalen: je beweegt je in het gedachtenkeurslijf van het gemeengoed waarin je leeft.

De heiligheid van de ultieme confrontatie, het aanschouwen van aangezicht tot aangezicht is aan een ander, (eeeuwig) leven voorbehouden.
Wij beperken ons tot deelname als ‘gluurders’, als nieuwsgierigen, vergelijkers, spotters of compassionele zielen, we weten dat we alleen maar kunst-matige contacten kunnen maken.

Vreemd genoeg heeft de filosofie nooit veel aandacht gehad voor ‘de omgeving’, en dan bedoel ik vooral de letterlijke betekenis, het leven van alledag temidden van de dingen die er toe doen.

Nog altijd bewegen we ons in de altijd geldende symbolen, in het zoeken naar de grote waarheid terwijl we de scène waarop we ons bewegen meestal als ‘decor’ afdoen terwijl zij ons in hoge mate determineert.

Ik kom terug bij mijn keurslijf: de geldende filosofische en reglieuze abstracties die verstenen in hun algemene geldigheid.
Ze zijn academisch of moeten het van dogma’ s hebben.
Toch kan ook een dogma nog steeds een poging tot ‘anders’ denken zijn, maar dan moet je ook oog hebben voor hetgeen ons dag in dag uit bezighoudt.

Het is een opstapje.
Niemand mag gelijk zijn voor de wet (al geldt hij voor iedereen) tenzij je in een dictatuur zou leven.

Want met die theoretische gelijkheid vul je de kampen van de Goelag en met het recht op ieders alledaagse leven als hoofdspeler begin je aan een totaal ander verhaal: de wortels gaan hun gang, maar ook het weer en mijn woning bepalen mijn leven om maar te zwijgen van mijn werk, mijn lief, mijn …genen.

Het keurslijf van de gelijkheid kan door geen enkele humane deur.
Omdat we immers zo verschillend zijn.