DE DINGEN DIE ER TOE DOEN (7): LICHT EN DONKER

night_sc

Wie van P.P. Rubens alleen maar melancholie van rondborstigen en welgevulde dameshammen verwacht, zal niet alleen zijn verwachtingen moeten bijstellen maar zich meteen afvragen waar die samensmelting van Rubens en welige proporties vandaan komt.

De selectiviteit van het herengeheugen wijst in de goede richting!

Natuurlijk kende hij de spelletjes met licht en donker uit Italië, maar de manier waarop hij het onderwerp aanpakte (1616) maakt duidelijk dat het kleine drama van oude vrouw en kind belangrijker is dan het effect.

Met drama bedoel ik vooral: handeling, het vertelde verhaal.
Want jeugd en ouderdom verenigen was een bekend thema, en de broosheid van het leven verbeelden kon je uit de alledaagsheid van de grote kinderstrfte afleiden.
Niet eens 50% van de kinderen bereikte de leeftijd van achttien.

Zij is bang dat de jeugdige overmoed de kaars zal doven, hij wil ook deelhebben aan het licht.
Verwarmt ze haar oude hand, of belet ze hem zijn kaars te ontsteken?

De gretigheid van zijn gezicht, en de tevredenheid en doorleefdheid van het het hare zijn de centrale thema’ s die uit de donkerte duidelijk worden.

Zijn ze samen op stap?
De korf aan haar arm doet vermoeden dat ze een weg heeft afgelegd terwijl de jongen wellicht nog moet vertrekken.

Zij is gebiologeerd door het licht, hij, vertrouwd legt hij zijn hoofd op haar schouder, kijkt naar haar gezicht, de vraag is duidelijk.

Uit het donker van de tijd blijven ze ons tegemoet komen.
Hun werkelijk wezen is ons onbekend.
Het canvas bewaarde hun gemeenschappelijk belang: het licht.

Voorzichtig, zegt zij.
Hij is ongeduldig, kan niet langer wachten.

Het is een lange weg, en de nacht nog lang.

Twee kaarsjes.
Als ze verder zijn gegaan, wordt het weer donker.

Je hoort alleen nog hun uitstervende voetstappen.


DE DINGEN DIE ER TOE DOEN (6) RUBENS EN HET KIND

0

Ontdekkingen hebben geen aanleiding, anders zouden het geen ontdekkingen meer zijn.
Er was de filmvertoning waarin het ge-animeerde beeld lachte met het perspectief, aangevuld met een dubbelluide klankband, het bezoek aan Mc Donalds waar disco-lichtjes als toegift bij een ‘happy-meal’ duidelijk maakten waarvoor het bedrijf stond, en tenslotte De Slegte waar we enkele mooie albums vonden, en opi, nog wel een leesboekje van AVI 3, wat een code voor het leesniveau was, blijkbaar goed bekend bij het bijna zevenjarige kleinkind.

Toevallig keken we toen naar de nieuwe museumwinkel die voor het Rubenshuis stond en als goede grootvader ga je daar dan ook eens een kijkje nemen.
Tussen de talrijke mooie postkaarten zocht zij er eentje uit waarop een veldslag met steigerende paarden was afgebeeld en een boekenleggertje met de mooie boodschap aan Maria, een mooi evenwicht.

Een beetje uitleg bij de man van wie al dit moois was en een verwijzing naar het huis waar hij leefde en schilderde (of liet schilderen) koppelde de grootvader aan de vraag of ze dat mooie boek met die vele schilderijen van Rubens kreeg.
Ze zouden samen weldra dat huis bezoeken en dan het boek kopen.

Waarop beiden naar het station wandelden, een blauw ijsdrankje kochten waarvan het blauw een tijdje op haar tong achterbleef en dat tot in het station van M. dienst deed als lurk-medium.

Ze wilde onmiddellijk aan het werk.
De grootvader haalde enkele boeken uit zijn bibliotheek en samen keken ze naar wat die meneer Rubens aan het canvas had toevertrouwd.

Ze koos een mooi portretje en je ziet het resultaat hierbij in haar heftige, direkte stijl.
Het portretje is een profiel, een probleem dat zij door de vorm van het gezicht heeft opgelost.

De volgende dag werden er weer plannen gesmeed.
Of ze niet terugkon naar dat schildershuis?
Met haar moeder keerden we door een druilerige regen terug.
De grootvader zorgde voor inkom en audio-gidsen en daarmee draaiden we de klok driehonderd jaar terug en kwamen we langs de spreekkamer binnen in het feestelijk optrekje van deze welstellende kunstenaar.

Musea zouden zonder al te veel moeite een mooie audiotape voor kinderen kunnen maken, maar die was er niet, het geld van cultuur wordt aan de fitheid van de kindjes besteed.
Toekomstige sporttalenten hebben hier een streepje voor op mogelijke toekomstigen met creatieve mogelijkheden.

Ze luisterde heel aandachtig naar de fraaie tape.
Ze keek naar de kamers waar een touw doorliep zodat je zeker weet dat je in een museum bent, ze begreep heel goed dat de grote schilder ook niet van leed werd gespaard bij de dood van zijn twaalfjarig dochtertje en het verscheiden van zijn eerste vrouw, en ze keek tien minuten lang naar de reusachtige doeken in de grote zaal.

We kwamen weer in de museumwinkel terecht en we kochten het boek.
De Nederlandstaligen waren uitgeput.
Er was ook een boek voor kinderen, maar dat kreeg geen blik.
Het moest en zou het boek met de vele prenten zijn.

We draaiden nog twee zilveren munten waarvan zij dacht dat het munten uit Rubens tijd zouden zijn en gingen vervolgens pannenkoeken eten.


ENTR’ ACTE: KAN EEN IMAGO MENSELIJK ZIJN?

dyn006_original_355_570_jpeg_20344_9f5f18123dbcd553be4bcf0c1e9b33da

Toen ik als kleuter naar de ‘papschool’ bij de brave nonnetjes van de Beekstraat ging, keek ik met ontzag op naar deze gekapte wezens in lange zwarte jurken.

Eerst en vooral dacht ik dat deze opvoedsters geen voeten hadden, maar zich op wieltjes voortbewogen als ze door de gangen van de kloosterschool gleden.

Na voorzichtige exploratie maakte ik mijn eerste ontgoocheling door: ze hadden wel degelijk voeten, en wat meer was, die voeten zaten in een soort gegespte schoenen waaruit hun zwart gekouste benen als stevige pilaren oprezen.

Een tweede ontgoocheling was de ontdekking dat deze heilige wezens ook naar het toilet moesten, net zoals wij, gewone stervelingen dat verplicht waren.

Ik leerde al op erg jonge leeftijd dat een imago niet bestaat, er zit altijd een sterfelijk mens onder verborgen.

Onderzoek je het woord imago dan is het woord ‘imaginair’ niet ver weg, maar interessant zijn ook twee andere betekenissen:

1. Bij de Romeinen waren het de portretten van de voorouders (imagines maiorum).
Tenminste dat waren ze bij de voorname Romeinen, zij die het ius imaginum bezaten.
Het waren bustes in was, vervaardigd met behulp van gipsmaskers naar het gelaat van de gestorven pater familias die in de begrafenisstoet werden meegedragen en die in het atrium werden opgesteld.

2. Bij Carl Jung is het begrip ‘imago’ een onbewust geprojecteerde afbeelding van een in de kinderjaren belangrijke sleutelfiguur, zodat er een gevoelsoverdracht plaatsvindt op deze actuele andere persoon: zo kan je toekomstige vrouw als een soort moeder- of zusterimago fungeren, of een dokter kan een vader-imago zijn.

Er is nog een derde betekenis, namelijk imago als volwassen insect maar dat zou ons te ver leiden alhoewel hier ook nog mooie vergelijkingen voor het rapen liggen.

Eens je een bekend of beroemd iemand bent, bezit je een imago.
Dat is soms toevallig, en vaak ook gewild (image building) en kan ten allen tijde gebruikt of misbruikt worden.

Fans of onderdanen houden van iemands imago.
Dat kan vervelende gevolgen hebben, want mensen aanbidders gaan ervan uit dat het imago verwisselbaar is met de mens die zich daarachter al dan niet opzettelijk verschuilt.

Dergelijke ‘liefde’ tref je aan bij stalkers en bewonderaars.
Wij houden niet van de mens met die naam, maar van zijn, haar imago.

Prinsen en koningen zijn ook zo’n imago.
In feite hoort dat bij hun job.
Ze moeten een imago zijn daar worden ze rijkelijk voor betaald.
Wat er zich in hun hoofd en lijf afspeelt mogen ze vaak niet laten zien of horen: een imago immers heeft geen persoonlijke ideeën, geen eigen gevoelens en is dus ook niet onderworpen aan uitingen als boeren of scheten laten, laat staan toiletbezoek.

Eens ze thuis zijn mogen ze hun imago in het atrium achterlaten en zich als stervelingen gedragen.

dyn006_original_500_779_jpeg_20344_3b06607354d2af70e3b97d0b89255c5c

Bekwame ‘imagisten’ weten dat en storen zich er niet aan om te fungeren als lege doos, als huls of volwassen insect waarvan ten onrechte het achtergelaten dekschild voor het beestje zelf wordt genomen.

Echter, in de image building sluipen er vlug gevaarlijke trukjes binnen.
Het versterkt het imago als je aan de buitenwereld mondjesmaat kunt tonen dat je toch ook een mens bent zoals wij allemaal zouden zijn.

In mijn jongenstijd werden er foto’s van voetballende priesters afgedrukt, foto’s waarop de eerwaardes met lichtelijk opgeschorte soutanes zich aan het balspel begaven, of keken we naar prenten waar nonnetjes volleybalden, terwijl filmen met zingende en dansende eerwaardigen ook later nog het menselijk accent moesten leggen.

Natuurlijk weten wij dat er achter het imago een gewone sterveling huist, maar ondanks de Verlichting, het post modernisme en de globalisering WILLEN wij imago’ s hooghouden.

Uitgerekend een krant en een commercieel televisiestation, instellingen die van imago-building via publiciteit moeten leven, bonden gisteren de prinselijk kat de bel aan.

Mij overkwam het onzalige idee te verondersellen dat de functie van VTM-baas erfelijk zou zijn, of die van hoofdredacteur van de Morgen.
Zelfs zonder deze erfelijkheid is het land al in handen van enkele nieuwsdynastieën, dus misschien was dat idee nog niet zo ver naast de werkelijkheid.

Als je zelf al eens in deze media bent opgevoerd en je geen wederwoord kunt plaatsen, iets wat ons allen kan overkomen, weet je meteen dat de hypocriete reactie van Nieuwsland hoogst dubbelzinnig is.

Voor een niet onaardig deel leeft een commerciële omroep van de drang naar koninklijk nieuws, kijkcijfers zijn centencijfers.
Er wordt aan bochtenwringerij gedaan waarbij een circusartiest in het niets verzinkt, om aan ‘informatie’ omtrent het paleis en zijn bewoners te komen, en als we niets vinden maken we het.

De media zouden het paleis dankbaar moeten zijn voor de kopij die dergelijke incidenten opleveren.
Oeverloze gesprekken, een nooit geziene eensgezindheid in de parlementen, artikelen bij de vleet, kortom “stuff” voor de hongerige consumenten.

Want al azen wij op een koninklijke of prinselijke handdruk, op een nieuwtje dat nog niemand heeft, we zijn ook erg tevreden als we mensen achter hun imago zien uitbuitelen.
We houden van voetstuk-vallerij.
Eerst plaatsen we de principes op torenhoge voetstukken, en daarna juichen we als ze in stukken vallen, een vreemde kentrek van het menselijk gedoe.

Ik hoef de circus ook niet, maar als je het in stand houdt, mag je ook niet verbaasd zijn dat er gewone mensen aan de trapezen hangen en bij gebrek aan valnet zijn de gebroken botten op de rekening van het circus te schrijven.

In mijn naïviteit zou ik waarschijnlijk na het standje dat ik van de prins kreeg, hem terzijde nemen, koninklijke vertrekken genoeg, en hem zeggen: F. ik begrijp dat je eens goed van jetje geeft nu je al die serieuze koppen hier bijeenziet die dan achter je rug alles behalve prinselijk weer gaan spelen, maar wat je daarnet tegen mij zei is benenbrekerij in de job die jij moet doen.
Misschien verander je beter van job mocht dit jou niet liggen, misschien zoek je beter eerst vrienden en vriendinnen die je ongezouten de waarheid durven zeggen omdat ze inderdaad je vrienden zijn, maar als ik met dit gegeven naar mijn krant stap, dan is er grote herrie.

‘Errie, welke errie? Tok geen errie omdat ik zei dat kij niet van mij out?’

En dan zou ik hem geduldig uitleggen wat ik als hoofdredacteur weet, wat ik voorzie en in welke valkuilen hij loopt als hij dingen doet zoals hij net gedaan heeft.

Naïef he?

dyn006_original_394_500_jpeg_20344_bc2b823c19f1e115d3da0eca02688b21

Wie weet bied ik hem een column aan in mijn krant want ik weet dat er nog wel eens andere zever onder progressieve vlag wordt uitgestreken.
En als ik VTM-baas zou zijn en hij mij bedreigde (!) me de toegang tot het paleis te ontzeggen, dan zou ik hem gelijk geven.

Inderdaad, monseigneur, dit is geen plaats voor gesprekken van deze aard, veel te riskant.
Wat zou je zeggen van een lekkere couscous-schotel bij de Algerien hier op de hoek en dan leggen we ’t daar eens in ’t lang en in ’t breed uit?

En ik zou me niet verbazen mocht hij dan zeggen dat hij ’t paleis ook niet dadelijk een leuk optrekje vindt, dat de mooiste prinselijke gesprekken in de woestijn plaatsvinden waar een verdwaalde vliegenier een kleine prins ontmoet die voor hem een schaap moet tekenen.

dyn006_original_390_407_gif_20344_a38e9fda508d52993386e9a8a28a12cf

Ik zou hem het mooie stukje van de ontmoeting met de vos voorlezen, creer des liens, banden scheppen, et l’ essentiel est invisible pour les yeux.

Of zou ik hem voorstellen zoals bij de prins en de pauper, even van rol te verwisselen, zodat hij naar mijn televisiestation kan gaan en daar tegen zichzelf van leer trekken terwijl ik vandaag de bittere pillen te slikken krijg?

Als we van een familie verwachten dat ze een job uitoefenen dan moeten we hen ook de kans geven een goede opleiding te krijgen.
School voor gestelde lichamen?
Maar ja, waar leert een hoofdredacteur zijn job, en een VTM-baas?

Dat we met zijn allen geen wonderkinderen zijn, zou ons eerder bij elkaar moeten brengen.
Notre mission, monseigneur.

De tijd die je aan je roos hebt besteed maakt je roos uniek ter wereld.
Maar wie heeft er tijd aan de kleine prins besteed?


INTERMEZZO 4: BEI MIR BIST DU SCHÖN

 

dyn001_original_380_400_jpeg_20344_4820285c2e115745a3a5c119ba566f3e

Natuurlijk kon ik ook de wonden van Berlijn tonen,
en er zijn zeker geen bezwaren
als ik Nagasaki aanhaal.

Maar er is altijd een orde van grootheid
in onze ontkenningen.

Wij worden de beelden gewoon.
Onze hersenen hebben genoeg antistoffen geproduceerd
om hongerige kinderen en kapotte steden te klasseren
bij de ontvangsten op het paleis of de onhandigheid van de prins.

dyn001_original_312_479_jpeg_20344_d7ede3b9cafe8f8ac97860424f9c5f44

Daarom toonde ik het flesje
het flesje met die naam
waarvan de helft gesmolten is in de vuurzee
van de stad
die in februari 1945
alleen nog haar naam bezat.

De smeulende berg lijken zegt ons al evenmin nog iets.
Of we mompelen het woordje ‘waanzin’ als schietgebed.

Maar het flesje met de die naam
wie is van glas?

En laat het vandaag gedichtendag zijn,
en over elf maanden mag je weer zalig kerstfeest zeggen.

Dit is dus gewoon een intermezzo.
Mijn wanhoop in een gesmolten flesje.

De vrolijke oudtantes, de grootvader,
je kunt ze met x in de n-de macht uitdrukken.

In mijn hoofd gesmolten
roepen ze bijna elke nacht
nu ik hun leeftijd nader.

Bei mir bist du schön.

 


INTERMEZZO 3: APPELEN EN SCHITTER-OGEN

dyn001_original_440_240_jpeg_20344_0e29ce0819e3b7d51c151676a0607c17

Lagen op de tafel in de koude veranda.
Wit winterlicht
op hun strakke getinte huid.

Niet geranschikt
niet geregisseerd
om stil-leven te zijn.

Vier appels.

dyn001_original_546_710_jpeg_20344_b0eb84ff580a6b78ca8ac81db8f66c34

Twee van mijn drie jolige groottantes
brachten appelen mee voor het kind
dat mijn vader was.

Vertelden
bij het schillen
en in blokjes snijden
met het alfabet van glitter.

Lieten
ook zijn ogen schitteren.

O, de appel-etende tantes
en mijn vader met de glitter-ogen
langzaam kauwend
de boomgaarden
hingen vol gekleurde veren
de paarden
uit de farwest
zochten tussen het lange gras
naar afgevallen vruchten.

Dresden was een mooie stad.
En de man met snor
kliederde nog met waterverf.

En terwijl de tantes
naar het theater reisden
at hij de schillen.

Sprong op zijn paard
en reed de slechteriken tegemoet.

Mijn kleine vader
met de schitter-ogen.


DE DINGEN DIE ER TOE DOEN (5) : DE LUSTEN EN DE VOORUITGANG

0504041137191

Ook dit is Courbet, en zijn standpunt is duidelijk: de kant van het gevangen, lijdende dier is zijn kant.

Hier geen Diana, godin van de jacht, niet de ‘edele’ strijd van mens tegen dier, geen spannend jachtavontuur, hier gewoon: de vernedering, het machtsmisbruik.

Je zou kunnen zeggen, dit is een schilderij zoals Proudhon het bedoelt, maar de Franse filosoof zoekt het verder, hij kent de enige kreatieve kracht toe aan het volk, aan de massa, la foule.

En Zola repliceert daarop:

‘D’ailleurs, il est franc. “Qu’est-ce qu’un grand homme? demande-t-il. Y a-t-il des grands hommes ? Peut-on admettre, dans les principes de la Révolution française et dans une république fondée sur le droit de l’homme, qu’il en existe ?” Ces paroles sont graves, toutes ridicules qu’elles paraissent. Vous qui rêvez de liberté, ne nous laisserez-vous pas la liberté de l’intelligence ? Il dit plus loin, dans une note : “Dix mille citoyens qui ont appris le dessin forment une puissance de collectivité artistique, une force d’idées, une énergie d’idéal bien supérieure à celle d’un individu, et qui, trouvant un jour son expression, dépassera le chef-d’oeuvre.” C’est pourquoi, selon Proudhon, le Moyen Age, en fait d’art, l’a emporté sur la Renaissance. Les grands hommes n’existant pas, le grand homme est la foule. Je vous avoue que je ne sais plus ce que l’on veut de moi, artiste, et que je préfère coudre des souliers. Enfin, le publiciste, las de tourner, lâche toute sa pensée. Il s’écrie : “Plût à Dieu que Luther ait exterminé les Raphaël, les Michel-Ange et tous leurs émules, tous ces ornementateurs de palais et d’églises.” D’ailleurs, l’aveu est encore plus complet, lorsqu’il dit : “L’art ne peut rien directement pour notre progrès ; la tendance est à nous passer de lui.” Eh bien ! j’aime mieux cela ; passez-vous-en et n’en parlons plus. Mais ne venez pas déclamer orgueilleusement : “Je parviens à jeter les fondements d’une critique d’art rationnelle et sérieuse”, lorsque vous marchez en pleine erreur.’

En laat dat even duidelijk zijn, temperament is hem voorwaar mee te geven, maar zijn respect voor de massa is zachtjes gezegd twijfelachtig, de kreatieve kracht van het volk blijkt hem voorwaar bij het kreatieve haar gegrepen.

courbet_le_sommeil_l

Dit is zijn beeld van ‘le sommeil’, de slaap.

Menig Frans en ander mannenhart is bij deze ‘sommeil’ vlugger gaan kloppen, en nu het beeld als affiche voor de grote Courbet tentoonstelling diende, waren er nog steeds ‘zuiveren-van hart’ die het wilde weren.

Maar dit IS Courbet.
Misschien dat het beeld niet dadelijk dient tot ‘progrès’ van het volk, maar net zoals in het vandaag gepubliceerde scholenrapport blijft de vraag: wat is vooruitgang, meneer?
Is het de kracht om punten te behalen, leerstof te assimileren, of heeft het toch iets met de persoonlijkheid te maken waarin creativiteit een moeilijk te ‘be-punten’ onderdeel zal vormen?

De schoonheid van deze lichamen, deze lijven, deze ineengestrengelde schoonheid waarin de slaap meteen samenvalt met de droom.
Dit is ‘liberté’ van de bigotterie’, de schijnheiligheid waaraan wij deze dagen ook nog ten zeerste lijden.

We hebben het in onze gesprekken via het net al gehad over ‘het numineuze’, de kracht van ‘de klik’, en deze beelden kunnen zo’n klik veroorzaken, kunnen je laten beseffen dat schaamte niet is aangeboren maar door de begijnencultuur is aangeleerd.

Ik heb het altijd een beeld van ultieme schoonheid gevonden, een ‘aanraking’ die je tot op je eigen zielenhuid kunt voelen.

Mille années de peinture, de peinture faite dans votre goût, ne vaudraient pas une de ces pensées que la plume écrit nettement et que l’intelligence retient à jamais, telles que : “Connais-toi toi-même”, “Aimez-vous les uns les autres”, etc. Comment ! vous avez l’écriture, vous avez la parole, vous pouvez dire tout ce que vous voulez, et vous allez vous adresser à l’art des lignes et des couleurs pour enseigner et instruire. Eh ! par pitié, rappelez-vous que nous ne sommes pas tout raison. Si vous êtes pratique, laissez au philosophe le droit de nous donner des leçons, laissez au peintre le droit de nous donner des émotions. Je ne crois pas que vous deviez exiger de l’artiste qu’il enseigne, et, en tout cas, je nie formellement l’action d’un tableau sur les moeurs de la foule.

eernity

Daarom ook nog dit mooie beeld dat hij ‘eeuwigheid’ als titel meegaf, om het ‘vleselijke’ met het tremendum te verbinden.

En nu zijn we dichter bij het numineuze dan we vermoeden.
De combinatie van water, land en wolken, de schakeringen van dit doek, hebben me net zo diep aangegrepen als de prachtige slaap en de lijdende vos in de klem.

Meer dan woorden vertellen ze over de diepe verbanden die er zijn, lossen ze tegenstellingen op, helen ze de pijnen en angsten waaraan wij lijden.

Mon Courbet, à moi, est simplement une personnalité. Le peintre a commencé par imiter les Flamands et certains maîtres de la Renaissance. Mais sa nature se révoltait et il se sentait entraîné par toute sa chair – par toute sa chair, entendez-vous – vers le monde matériel qui l’entourait, les femmes grasses et les hommes puissants, les campagnes plantureuses et largement fécondes. Trapu et vigoureux, il avait l’âpre désir de serrer entre ses bras la nature vraie ; il voulait peindre en pleine viande et en plein terreau.’

En ik zou het niet mooier kunnen zeggen.
Zola schreef het met een zekere woede, met een zekere ‘handen-af’ en misschien moeten ministers van cultuur zich maar met fitheidstestjes bezighouden zo lang ze niet dit numineuze kunnen smaken, deze persoonlijkheden als unieke mensen te ervaren.

Een beetje rock and roll in de kunst?
Niet in de muziek alleen, maar in het zich verzetten tegen de cultuur van de volkstribunen die volop opgeld maakt.
Volk, wees op je hoede, er wordt volop naar je mond gepraat.
Let op voor degenen die beweren dat ze zeggen wat jij denkt, want ze misprijzen je; werkelijke politici zetten het volk aan zelf te spreken, en luisteren zal dan ook weer een kunst zijn.

En als we ontdekken dat de verzameling ‘volk’ vooral bestaat uit een groot aantal verschillende mensen zullen we egalité en liberté verzoenen in de wetenschap dat gelijkheid niet in Procrustes bed plaatsvindt, maar in het wonderlijke spel elkaar aan te vullen.
Een schone liberté!

Amen, vanuit New York.


DE DINGEN DIE ER TOE DOEN (4) PROUDHON EN COURBET

Proudhon-children

Eén van mijn geliefkoosde schilderijen in het Petit Palais in Parijs is het portret van Pierre-Joseph Proudhon et ses enfants en 1853, dat ik je hierbij meestuur.

Proudhon, één van de grondleggers van het Franse socialisme werd in 1809 in Besançon geboren maar vestigde zich in 1847 in Parijs waar hij de schilder Courbet leerde kennen.

Was het nu omdat ze beiden uit dezelfde streek kwamen (Franché-Comté) of omdat ze zo tegengesteld van karakter waren, het klikte meteen tussen hen.

Proudhon stond een geweldvrije revolutie voor en moest voor die overtuiging van 1849 tot 1852 de gevangenis in.

Van zijn hand waren werken als ‘Qu’ est ce que c ‘ est la propriété?’, ‘La philosophie du progrès’, en we vinden hem als bezoeker in het werk ‘L’ atelier du Peintre (1855) terug.

Van hem is de beroemde zin: “Eigendom is diefstal’ en dat hij met Marx correspondeerde zal je dus niet verbazen.

Ook schreef hij een essay over kunst ‘L’ origine de l ‘ art et sa fonction sociale’

Later verbleef hij als banneling in Brussel waar meerdere artiesten uit Frankrijk een tijdelijk onderkomen vonden.

Het vreemde van dit schilderij is dat het pas na de vroegtijdige dood van Proudhon (1865) is ontstaan, als een soort monumentje om zijn nagedachtenis te eren.

Hij heeft een vertrouwde omgeving uitgezocht: Proudhon zit op de trappen van zijn huis naast zijn kinderen, plaats waar hij bij mooi weer zijn intellectuele arbeid verrichtte.

Hij schildert hem met de hulp van foto’ s, een kunst die toen aan een aarzelende carrièrre begon.
Helemaal links staat er op de trappen het jaartal 1853 geschreven, misschien het jaar dat hij de gevangenis verliet, maar dat is slechts een gissing.

Boeken en papieren wijzen naar zijn theoretisch werk en de filosoof zelf zit er nadenkend bij.

dyn003_original_355_450_jpeg_20344_829e10dbfef1408675370bfbd2ac73a8

Hij draagt een ruim overhemd dat hij van een medegevangene heeft gekregen, en dat zoals Mao’ s blauwe kiel, zijn herkenningsitem is geworden.
De vilten hoed op de trappen wijst op zijn provinciale herkomst.

Catherine, zijn oudste dochter, bestudeert het alfabet, en Marcelle, de jongste (die op het ogenblik van het ontstaan van het schilderij al aan cholera gestorven was!) zit zeer verdiept in haar spel met een tol.

Het schilderij kreeg nogal wat kritiek over zich heen tijdens het salon van 1865.
Zowel de compositie als het alledaagse van het tafereel werden als ‘vulgair’ ervaren, en door die kritiek heeft Courbet de zwangere vrouw van Proudhon (die zich oorspronkelijk rechts bevond) vervangen door een ‘korf met handenarbeid’.
Van symbolisme gesproken.

Bekijk met die wetenschap nog eens goed het schilderij en je zult zien dat het een soort gevecht is geworden tussen het idee een monumentje of een tranche de vie te zijn.

Nog een andere eigenaardigheid is de uitvoerige kritiek van Zola op Proudhons werk over kunst en haar sociale functie.

In ‘Le Salut Public’ van 26 en 31 augustus 1865 schrijft hij een artikel: ‘Mes haines, Causeries litteraires et artistiques.’

Het is een merkwaardig, uitvoerig en nog altijd zeer leesbaar gechrift over de doelstellingen van ‘de socialistische kunst’ en het viel mij op dat Zola zijn tijd ver vooruit was door de eenheidsworst van dergelijke kunst al op dat vroege moment te voorspellen.

‘Un jour, la bande des artistes s’est présentée à la porte. Voilà Proudhon perplexe. Qu’est-ce que c’est que ces hommes-là ? A quoi sont-ils bons ? Que diable peut-on leur faire faire ? Proudhon n’ose les chasser carrément, parce que, après tout, il ne dédaigne aucune force et qu’il espère, avec de la patience, en tirer quelque chose. Il se met à chercher et à raisonner. Il ne veut pas en avoir le démenti, il finit par leur trouver une toute petite place ; il leur fait un long sermon, dans lequel il leur recommande d’être bien sages, et il les laisse entrer, hésitant encore et se disant en lui-même : “Je veillerai sur eux, car ils ont de méchants visages et des yeux brillants qui ne me promettent rien de bon.”

Kunstenaars passen immes niet in het wereldbeeld van Proudhon die de kunst dienstbaar aan zijn idëen wil maken.

‘Sa définition de l’art, habilement amenée et habilement exploitée, est celle-ci : “Une représentation idéaliste de la nature et de nous-mêmes, en vue du perfectionnement physique et moral de notre espèce.” Cette définition est bien de l’homme pratique dont je parlais tantôt, qui veut que les roses se mangent en salade. Elle serait banale entre les mains de tout autre, mais Proudhon ne rit pas lorsqu’il s’agit du perfectionnement physique et moral de notre espèce. Il se sert de sa définition pour nier le passé et pour rêver un avenir terrible. L’art perfectionne, je le veux bien, mais il perfectionne à sa manière, en contentant l’esprit, et non en prêchant, en s’adressant à la raison. D’ailleurs, la définition m’inquiète peu. Elle n’est que le résumé fort innocent d’une doctrine autrement dangereuse. Je ne puis l’accepter uniquement à cause des développements que lui donne Proudhon ; en elle-même, je la trouve l’oeuvre d’un brave homme qui juge l’art comme on juge la gymnastique et l’étude des racines grecques.’

dyn003_original_500_332_jpeg_20344_7fa2f6a036ddad534fee13bf5c45b21e

Terecht waarschuwt Zola voor deze vorm van ‘dienstbare’ kunst, of ze nu socialistisch of bourgois moet zijn, maakt hem niets uit.Ze moet vooral de originaliteit behouden, de eigenheid van de schepper.

Zijn ‘avenir terrible’ zou trouwens aardig aan de werkelijkheid beantwoorden in het nieuwe Russisch socialisme en het nazi-tijdperk.
Dus zorgt Zola voor een duidelijk antwoord:

‘Et moi, je crois pouvoir vous répondre, au nom des artistes et des littérateurs, de ceux qui sentent en eux battre leur coeur et monter leurs pensées : “Notre idéal, à nous, ce sont nos amours et nos émotions, nos pleurs et nos sourires. Nous ne voulons pas plus de vous que vous ne voulez de nous. Votre communauté et votre égalité nous écoeurent. Nous faisons du style et de l’art avec notre chair et notre âme ; nous sommes amants de la vie, nous vous donnons chaque jour un peu de notre existence. Nous ne sommes au service de personne, et nous refusons d’entrer au vôtre. Nous ne relevons que de nous, nous n’obéissons qu’à notre nature ; nous sommes bons ou mauvais, vous laissant le droit de nous écouter ou de vous boucher les oreilles. Vous nous proscrivez, nous et nos oeuvres, dites-vous. Essayez, et vous sentirez en vous un si grand vide, que vous pleurerez de honte et de misère.”

Een vreemde vriendschap dus, want Courbet zou je niet dadelijk als ‘socialistisch’ kunnen catalogeren, of trok het anarchistische hem aan, het idee dat de toekomst niet meer aan de geldende regels moest voldoen?

De egalité van de Franse revolutie schijnt dus al vroeg de liberté in de weg te staan.


INTERMEZZO 2: L’ HOMME BLESSé

wounded-manL’homme blessé van Courbet.

Het begon met de droom van
broederlijkheid
gelijkheid
en tenslotte: vrijheid.

Elke droom kost bloed.

Wat men met ijver onthoofdde,
stak sneller nog de kop weer op.

Napoleon rolde over Europa,
deze jonge Corsikaanse oorlogsmisdadiger
die tot op de dag van vandaag vereerd wordt.

Nieuwe rijken met nieuwe titels.
De oude rijken zuchtten opgelucht.

En overal, tot ver voorbij Waterlo
des hommes blessés.

De koningen kwamen terug
en al werd de Europese taart opnieuw verdeeld
des hommes blessés
tot in de uithoeken van de arbeiderscité’s.

Dit werd de eeuw van alles nieuw.
Licht in de straten.
Stemmen langs de draden.

De treinen globaliseerden zonder weerga.

Engeland heerste over de wereld.
Duitsland pompte zich op tot één vader-staat.

En al die nieuwe dingen
werden weldra op de slagvelden van de grote oorlog uitgetest.

O, o, o, les hommes blessés.

Miljoenen liepen het vaderschap mis.
De onbestaande kinderen vonden nergens rust.

En in Oostenrijk loopt alweer een jongen rond
met kunstenaarsdromen, een gesjeesde architect.

Des hommes blessés.


DE DINGEN DIE ER TOE DOEN (3): DE GEZUIVERDE PLEK

40471468

Intermezzi zijn geen rustplaatsen, al doet de titel het wel vermoeden.
In mijn geschrift lopen ze vooruit op allerlei vragen die mij ook voor kennisname van Boomkens werk bezig hielden en die hij, denk ik, eerder wegmoffelt of anders formuleert.

Sprookjes hebben ons lang symbolen aan de hand gedaan waarmee wij op jonge leeftijd ons konden integreren in de maatschappij van goed en kwaad.

Sommigen willen ons laten geloven dat koningen en vooral koninginnen en prinsessen die rol nog altijd moeten vervullen.

Als ik vandaag de bijeenkomst van Zweedse en Belgische gekroonde hoofden mocht zien die in Parijs het hadden over het internet als grote gevarenplaats dan bekruipt mij een licht gevoel van gêne.

Ik citeer nu terug prof. Boomkens:

Dat er ergens nog een nis, een schuilplaats, een hut, een oerbos, of een grot is waar globalisering NIET binnendringt, een GEZUIVERDE PLEK, waar werkelijk kan gewoond worden, waar we de volle honderd procent en meer ECHT THUIS zijn.(…)
Zij die zeker weten dat er een zuivere plaats is, een waarlijke thuis, een genadige en volmaakt rechtvaardige gemeenschap, die aan gene zijde van de moderniteit en de globalisering kan gevonden worden.

Daarmee is de groep bepaalt, het ‘wij’ van het geloof in de droom van de totale revolutie, een droom die de grondslag vormt van de moderniteit.

Een droom die is verwoord in de radicale breuk met de natuurtoestand waarover een filosoof als HOBBES nadacht.

Een andere lijn in deze droom-redenering is de omwerwerping van het kapitalisme en de afschaffing van de uitbuiting en onderdrukking die de kern vormden van het denken van Marx en Engels, en in de totale zuivering van ons denken en ons taalgebruik dat de kern vormde van Wittengensteins beroemde Tractatus Logico-philosophicus (geschreven in de loopgraven van de eerste wereldoorlog!)

De dromen van Hobbes, Marx, Engels en Wittengestein bleven inderdaad dode letter.

8349‘Nog nooit heeft het rationele denken, c.q. de wetenschap, meer invloed gehad op de loop van de geschiedenis als juist de laatste vijf decennia,via technologische innovaties, rationele politieke technieken en strategieën, pedagogische modellen, medische interventies, etc. en tegelijkertijd heeft diezelfde invloed niet geleid tot de gedroomde revolutionaire zuiverheid en rechtvaardigheid waar Hobbes, Marx en Wittengenstein van droomden. (ibidem)

De goede Parijse feeën zouden het dus beter over opvoeding hebben, over wetenschappelijk onderzoek, over relaties tussen volwassenen en minder volwassenen, in plaats van te streven naar de illusie van de grote zuiverheid die terecht de pureté dangereuse mag genoemd worden. (Levi Straus) en die nog maar eens de bozerik stigmatiseren zodat wij van elke verantwoordelijkheid zijn vrij gepleit.

Ik weet het, de ironie zal hier geen goede meester zijn, want ze ontkent ook nog eens de goede bedoelingen, en wij hanteerden haar al veel te vaak zonder na te denken over de kwetsende gevolgen voor degenen die we zo gemakkelijk ironiseerden.

De kinderen van de ze grote familie zijn intussen allemaal dood, hun stof verwaaide onder de moeizame (en bloedige) pogingen van alle mogelijke revoluties en hervormingen.

Maar dat de reusachtige wereld waarin zij woonden tot een dorp zou verschrompelen, een ingewkkeld dorp dat wel, hadden ze nooit durven dromen.

Dat de gedroomde kinderen van de bovenste foto ook niet levensvatbaar zijn voor het leven van alledag mag door de geschiedenis intussen ook bewezen zijn.


Wordt dus absoluut vervolgd.


INTERMEZZO: DE DEUR NAAR NERGENS MEER

16106

Dat jij, mijn grootvader
hier
als blonde kleine prins
in het nog niet gebombardeerde landhuis
ongraag poseert
mag een wonder heten
maar is hier gewoon een foto, kind.

Mijn groottante in spe, maar omgekomen
toen Dresden als wraakfeest ten onder ging
kijkt hier nog naar de lens.

Zoals wij niet weten
wat morgen brengt
staat hier de deur open, naar nergens meer.

Speelgoed netjes voor jullie voeten.
Je trein,
de wagen met de beer.

Familie in de treinen naar een Poolse plaats
met die moeilijke naam.

Beren en ballen bleven achter.

Ondergedoken jongetje
keek met verbaasde ogen
naar de voorbije tijd.

Het meisje en het huis
met de ver open deur
waar was dat dan?

In nergenshuizen, kind.
Thuiskomen was een weelde
voor degenen die na ons geboren werden.


DE DINGEN DIE ER TOE DOEN (2)

theuniverse(1)

Hij is ook een aardige portretschilder en werkt nauwgezet en lange tijd aan zijn onderwerpen waarbij hij een serie zelfportretten niet schuwt.

Kijk naar dit zelfportret dat hij ‘The Universe’ heeft gedoopt.

En al lijkt dat op het eerste gezicht pretentieus, wie in ‘ eigen hart kijkt, en niet alleen voor het slapengaan, merkt dat hij of zij het is vanwaar the universe ervaren wordt, het epicentrum dus, de kern van je eigen ervaringswereld.

Wij zijn ons eigen ‘Rome’, ‘Berlijn’ of ‘Mekka’, wij zijn ‘het Jerusalem’, en nergens anders dan in onze eigen nietige navel vinden wij de navel van de wereld.

Dat is geen hoogmoed, eerder gevangenschap.
De structuren om ons heen worden steeds ingewikkelder, onze plaats steeds minder belangrijk door allerlei virtuele ruimtes waarin wij kunnen communiceren, en ons aanpassingsvermogen (ook wel “beschaving” genoemd) moet zich naar die meer ingewikkelde structuren en netwerken richten.

In werkkledij kijken wij de wereld aan, een leeg doek achter onze rug, de ogen gericht op die onontwarbare kluwen waarin mensen zich met elkaar en de omgeving verhouden.

En vanwaar komt het gevaar?
De tegenstander is niet meer in een of enkele personen te localiseren.
Vroeger had de macht een duidelijke plek.
In het centrum van de wereld, de werkelijkheid, de stad.

Maar nu koningen en tsaren nog alleen exponenten zijn van een voorbije macht, kunnen we ook geen Bastille meer bestormen.
Wij zijn het centrum.
Wij zijn het gevaar.
En met ons al de anderen die in dezelfde situatie verkeren om vanuit die beperkte centrale plaats de wereld te ervaren.

Wij nemen deel aan die macht, aan de politiek die ons vormt of beïnvloedt, we zijn dus allemaal medeplichtig, maar niet allemaal op dezelfde manier en in dezelfde mate.
En precies daar begint het debat.

Ik citeerde René Boomkens in een opstel ‘De mythe van de globalisering’ uitgewerkt in zijn recent boek, ‘de nieuwe wanorde’.

Hij steunde zijn ideeën op filosofen als Antonio Gramsci en Michel Foucault, en met hen zegt hij dat het nu mogelijk is om zoiets als een revolutie in het alledaagse leven mee te maken, te ontwaren, te conceptualiseren, en te onderzoeken.

Zo’n revolutie is niet kleiner als het bekende Franse broertje, haar impact is zelfs groter.
Alleen valt dit soort revolutie minder op.

En dat is wat de revolutie van de globalisering doet: ze voltrekt zich sluipenderwijs, ze beperkt zich niet tot enkele machtscentra, maar strekt zich uit over de meest uiteenlopende sociale en culturele domeinen.

En nog merkwaardiger: niemand heeft dat revolutionair proces ooit gewild, gepland of actief voorbereid..

Zij verrast en overkomt ons.

Het centrum is verlaten.
Niemand trekt zichtbaar aan de touwtjes, en alhoewel wij ons betrokken voelen, toch is onze invloed klein tot zeer klein.

‘Dat lijkt mij tot op grote hoogte een adequate beschrijving van de morele conditie van de Westerse democratieën.’ aldus René Boomkens.


DE DINGEN DIE ER TOE DOEN (1)

philosopherstable(1)

In verwarde tijden zijn de zaken die ons omringen en onze levensgewoonten vaak belangrijker dan de grote doelen waarin wij nog altijd een soort supergeloof pretenderen in ‘de maakbaarheid’ van de mens.

En om onmiddellijk met de schildersdeur in huis te vallen noem ik graag de jonge Schotse schilder Saul ROBERTSON (1978)

Vergis je niet: de dingen die ons omringen zijn niet dadelijk een voorbeeld van simplistische symbolen.
Hijzelf zegt dat er vaak een symbolisch, vaak een esthetisch appel uitgaat van de hem omringende zaken die hij in zijn zgn. stillevens gebruikt.

“The approach can be preplanned or, in contrast, quiteintuitive. I do occasionally seek out specific objects to fit a concept, but I am wary of that because it can lead to rather uninteresting, weak paintings. Most of the objects come from my studio, so I suppose they do have a personal significance, although that isn’t necessarily an important factor.”

Kijk naar dit werk: “The Philosopher’ s Table”.

‘There was a different concept for The Philosopher’s Table. For this painting the objects were arranged around the vase in two concentric circles. I liked the idea that they shared the same centre. As I did for this work, I often stand up to paint and therefore my viewpoint is almost directly above the objects, which are arranged on a stand in my studio. Sometimes the composition comes together almost by accident, without much effort. At other times it takes ages to find a satisfactory arrangement and it can be quite frustrating.’

Over zijn objecten zegt hij:

ReadingWritingArithmetic‘Ik denk dat een schilderij af is als alles samen begint te werken; als het ophoudt een serie vragen te zijn en in de plaats daarvan antwoorden aanbiedt.’

‘Robertson says that he nearly always has a specific reason for including a particular object in a composition, but is wary of disclosing too much information about this choice; the titles of the works, suggestive rather than conclusive, encourage rather than curtail speculation. Starkly lit, unsparingly rendered, the scenes are mysterious, more than slightly sinister, and always executed with studied proficiency.’

Dat klinkt ingewikkelder dan het is, denk ik.
De dagelijkse dingen hoeven niet per se hun geheimen te onthullen, ook al kan hun combinatie voor leuke denkoefeningen zorgen.
Sterker nog, hun alledaagsheid mag gerust primeren op welke symbolische betekneis dan ook.
“DE DINGEN DIE ER TOE DOEN” hebben niet dadelijk een onthullende functie.
Vaak bieden ze veiligheid in hun nietszeggendheid, in hun aanwezigheid zonder meer zoals de stopwoorden die wij gebruiken, het informeren naar het weer, de toestand van het wegennet en de televisieavond betekenis hebben in het graag met elkaar omgaan, deuren openen zonder daarom op zichzelf zwaarwichtige symbolen te zijn.

‘”Once I have started a painting, I either work totally in daylight or totally in artificial light. My preference is daylight, especially now that I have a studio with a north light. Somehow dayligh seems more relevant to the idea of capturing a moment in time – creating something permanent (the painting) out of something that is not (the subject matter). I occasionally make soem preliminary drawings to test out an idea, though as a rule I work directly onto the canvas.”

En met die geheimen raad ik je aan vandaag een aantal stillevens zelf te maken met dingen die je omringen.
Je zult zien dat ze door hun combinatie vaak een verhaal vertellen.
Het is dat verhalen vertellen dat belangrijker is dan hun al dan niet symbolische eigenschappen.

De dingen zijn vaak wat ze zijn, maar daardoor kunnen ze ook hun verhaal kwijt, verhaal dat wij dan op onze beurt verder vertellen, al dan niet aangevuld met eigen inhoud.

Dat verhalen vertellen via de dingen die er toe doen zal in later werk nog duidelijker worden.


DE ZONDIGHEID VAN HET BEELD

22823_368571

Terecht merkte je de onbuigzaamheid van het woord op als het over ‘beelden’ gaat.

De protestanse cultuur heeft een andere relatie met beelden en teksten dan de katholieke.

Tot in de vaak lachwekkende vervolgingswaanzin van allerlei vormen van porno spreekt de schrik voor het beeld.
In het Oude Testament lezen we dat geen beeltenis van god mocht gemaakt worden, en in de Islamitische cultuur trekt men die lijn verder zoals je ook in de Joodse niet vlug menselijke afbeeldingen te zien kreeg.

Het beeld wordt ‘gevaarlijk’ genoemd.
Waarschijnlijk – en ik verwijs hier terug naar onze geschriften over ‘het numineuze’ ontsnapt het beeld aan de wetmatigheden die de basis van ethische stelsels uitmaken.

Juist de aantrekkelijkheid van het beeld, de mogelijkheid om je te identificeren, om direkt betrokken te geraken bij het beeld (denk aan stripverhalen en cinema) gaf het zijn zondig reukje bij allerlei fundamentalistische visies.

Beeldvorming heeft direkt te maken met een ongrijpbaar, niet te verwoorden idee van iemand of een cultuur.
En de stap van beeld naar ver-beelding is inderdaad vlug gezet.

Er zijn brave en stoute beelden, en hoe meer ze de verbeelding prikkelen, hoe gevaarlijker ze worden genoemd, althans door machthebbers van politke en religieuze kunne.

Wetten zijn daarom ook in woorden gemaakt, ze proberen terreinen te omschrijven, grenzen af te bakenen, voorschriften te zijn voor een goede samenleving.

Pogingen om die voorschriften toch in beelden te gieten zie je in glasramen en andere religieuze afbeeldingen uit de tijd dat meer dan drie kwart van de bevolking analfabeet was.
(en in onze hedendaagse pictogrammen)

Beelden zijn numineus, of kunnen dat zijn.
Ze bakenen niet af maar openen het onbewuste, brengen ons dichterbij innerlijke werkelijkheden.

dyn006_original_594_600_jpeg_20344_253586da236e05382a752f9b445b1932

Publiciteit bedient zich vooral van beelden.
Mensen begrijpen beelden vlugger dan woorden, en met begrijpen druk ik niet alleen het cognitieve maar ook het onvatbare uit.

Je merkt dat Franquelin banden heeft met de publiciteit.
Hij kan ‘stroomlijnen’, essenties bundelen, een boodschap van geluk en vrede verpakken.

Dat is hoe dan ook een kunst.
Onze vijandigheid tegenover het beeld bracht ook het wantrouwen mee tegenover publiciteit.
In plaats van de taal van de reclame te leren, wantrouwen wij haar zoals analfabeten denken dat geschreven teksten hen betoveren kunnen. (en dat kunnen ze dan nog ook!)

Beelden hebben met lichamelijkheid te maken.
Ook zo’n terrein van groot westers wantrouwen.

Ze verbeelden de mens met zijn/haar lijf, en geen honderd pagina’ s vrijpartij kunnen teweeg brengen wat enkele mooie beelden in film of grafiek op dat terrein vermogen.

In het consumeren van beelden gebruiken wij vaak regressieve technieken, regressie die bij elke vorm van extase of verzoening van tegenstelling nodig is om het numineuze te bereiken.

De lichten doven in de filmzaal, muziek en compositie zorgen voor je aandacht, kortom je bent vlug een deel van het verhaal, je identificeert je snel door die lagere bewustzijnsdrempel.

En daar hebben machthebbers en ethici het ook moeilijk mee!
Mensen die via die lagere drempel het bewustzijn kunnen verruimen worden bijna dadelijk met drugs geassocieerd, en laat het nu ook nog zo zijn dat heel wat kunstwerken onder allerlei invloeden van diverse genotsmiddelen zijn ontstaan.

We zullen het verder moeten hebben over verschillen tussen kijken schouwen, over het verslinden met je blikken en het peilen, net zoals je dat verschil tussen fijnproevers en slempers kunt waarnemen.

Het beeld.
Hij schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis.

Nog niets van gezien?
Misschien hebben wij een schromelijk tekort aan verbeelding.


DEEL VOOR HET GEHEEL

dyn001_original_500_365_jpeg_20344_4389d5a7c7aaa0841e51cdc0d551bbd7

Een ander familieportret.
Van Marcel Franquelin, geboren in Frankrijk, gestudeerd in USA en werkend oa. in New York.

Pars pro toto.
Een deel voor het geheel.

dyn001_original_500_357_jpeg_20344_f63ca91a181797b073e8b5cf1ebb3df5

Zijn ze boven?
Slapen ze?

Of gewoon naar school?

Ook de bril op het handboek voor lithografie (steendruk) vertelt iets over de eigenaar.
Zeker als je naar de weerspiegeling in het brilglas kijkt.

De schilder en zijn model.

dyn001_original_500_339_jpeg_20344_58ab226e4705967a783ef24ed7c1af8f

La nuit.
De nacht.

Twee stillevens.

Waar is iedereen?

Ik gaf vandaag een groep volwassenen de opdracht hun dag in deze pars pro tot samen te vatten:

Beschrijf vijf denkbeeldige doeken waarin delen van het geheel beter het onderwerp weergeven dan het geheel, plaats laten aan de kijker dus.

Als jij hetzelfde zou doen?

dyn001_original_471_400_jpeg_20344_69f792c1079cdaaabb9f558b2652f05e


Waarde vriend,

Ziehier:

Doek 1: mijn beroemd plat dak (foto’s intussen bij jou in de gallerie X te NY) met daarop de rest van een stevige regenbui: blaadjes, takjes, een pluimpje.
Achteraan zie je de diepte van de tuin.
In de plas de weerspiegeling van de hemel.
Het is negen uur ’s morgens.

Doek2: Aangebroken pak chocolade (Aldi) daarop resten van bananenschil, kruimels van toast: voorbij ontbijt.

Doek3: De kapstok in de hal: tussen de volwassen spullen hangt een winterjasje van het kleinkind.

Doek 4: Opengescheurde doos waaruit goedkope pop is gekomen: oude slaappopje op de rand van de doos.

Doek 5: Tussen grote schoenen de laarzen van het kleinkind, alles met de nodige wanorde.

Je merkt dadelijk dat woorden NIETS of bijna niets kunnen zeggen als je ’t over grafisch werk hebt, dat heeft het gemeen met de liefde.


SPUWEN

galerie-membre,mystere,photo-mystere-01

Spuwen.

Braakballen.
Het nieuws van de dag.

Wat vind je op internet als je zijn naam intikt?

Spuwen.

Verfrissing voor steriele geesten
Koppen kappen.

We hadden het wel gedacht, en is dit niet het topje van de ijsberg?

Je moest eens weten.
Ik heb het uit betrouwbare bron.
En wij maar werken voor meneer.

Spuwen,
is de nationale sport.

Hoe kleiner het land,
hoe groter zijn spuwkracht.

Camera’s zuigen je beeld op.
Handige harries verknippen het
tot spuwsel voor het verdroogde volk.

Nog voor je dood bent, ben je duizend keer gestorven.
Het recht op informatie.

Geef ons te drinken.
Laaf onze geilheid met het eeuwig water
uit de leeuwenkop van de media.

Geef ons elk detail
leer ons haten en verwensen
want voor de liefde zijn we mierenklein.

Verwenste,
wat je ook gedaan hebt
ik zie je in de armen van je moeder liggen.
Je knuisjes samengeknepen,
je oogjes voor het harde licht gesloten.

Hij schreef in het zand, en zweeg.
In hun harde hoofden hoorden zij zijn woorden,
dat wie nooit een fout begaat, de eerste steen mocht werpen.

Spuwen,
het zure water van steriele zielen.

Als kind was iedereen prins of prinses.

Met tederheid en mededogen
wordt later ook de koning zichtbaar.