Proudhon-children

Eén van mijn geliefkoosde schilderijen in het Petit Palais in Parijs is het portret van Pierre-Joseph Proudhon et ses enfants en 1853, dat ik je hierbij meestuur.

Proudhon, één van de grondleggers van het Franse socialisme werd in 1809 in Besançon geboren maar vestigde zich in 1847 in Parijs waar hij de schilder Courbet leerde kennen.

Was het nu omdat ze beiden uit dezelfde streek kwamen (Franché-Comté) of omdat ze zo tegengesteld van karakter waren, het klikte meteen tussen hen.

Proudhon stond een geweldvrije revolutie voor en moest voor die overtuiging van 1849 tot 1852 de gevangenis in.

Van zijn hand waren werken als ‘Qu’ est ce que c ‘ est la propriété?’, ‘La philosophie du progrès’, en we vinden hem als bezoeker in het werk ‘L’ atelier du Peintre (1855) terug.

Van hem is de beroemde zin: “Eigendom is diefstal’ en dat hij met Marx correspondeerde zal je dus niet verbazen.

Ook schreef hij een essay over kunst ‘L’ origine de l ‘ art et sa fonction sociale’

Later verbleef hij als banneling in Brussel waar meerdere artiesten uit Frankrijk een tijdelijk onderkomen vonden.

Het vreemde van dit schilderij is dat het pas na de vroegtijdige dood van Proudhon (1865) is ontstaan, als een soort monumentje om zijn nagedachtenis te eren.

Hij heeft een vertrouwde omgeving uitgezocht: Proudhon zit op de trappen van zijn huis naast zijn kinderen, plaats waar hij bij mooi weer zijn intellectuele arbeid verrichtte.

Hij schildert hem met de hulp van foto’ s, een kunst die toen aan een aarzelende carrièrre begon.
Helemaal links staat er op de trappen het jaartal 1853 geschreven, misschien het jaar dat hij de gevangenis verliet, maar dat is slechts een gissing.

Boeken en papieren wijzen naar zijn theoretisch werk en de filosoof zelf zit er nadenkend bij.

dyn003_original_355_450_jpeg_20344_829e10dbfef1408675370bfbd2ac73a8

Hij draagt een ruim overhemd dat hij van een medegevangene heeft gekregen, en dat zoals Mao’ s blauwe kiel, zijn herkenningsitem is geworden.
De vilten hoed op de trappen wijst op zijn provinciale herkomst.

Catherine, zijn oudste dochter, bestudeert het alfabet, en Marcelle, de jongste (die op het ogenblik van het ontstaan van het schilderij al aan cholera gestorven was!) zit zeer verdiept in haar spel met een tol.

Het schilderij kreeg nogal wat kritiek over zich heen tijdens het salon van 1865.
Zowel de compositie als het alledaagse van het tafereel werden als ‘vulgair’ ervaren, en door die kritiek heeft Courbet de zwangere vrouw van Proudhon (die zich oorspronkelijk rechts bevond) vervangen door een ‘korf met handenarbeid’.
Van symbolisme gesproken.

Bekijk met die wetenschap nog eens goed het schilderij en je zult zien dat het een soort gevecht is geworden tussen het idee een monumentje of een tranche de vie te zijn.

Nog een andere eigenaardigheid is de uitvoerige kritiek van Zola op Proudhons werk over kunst en haar sociale functie.

In ‘Le Salut Public’ van 26 en 31 augustus 1865 schrijft hij een artikel: ‘Mes haines, Causeries litteraires et artistiques.’

Het is een merkwaardig, uitvoerig en nog altijd zeer leesbaar gechrift over de doelstellingen van ‘de socialistische kunst’ en het viel mij op dat Zola zijn tijd ver vooruit was door de eenheidsworst van dergelijke kunst al op dat vroege moment te voorspellen.

‘Un jour, la bande des artistes s’est présentée à la porte. Voilà Proudhon perplexe. Qu’est-ce que c’est que ces hommes-là ? A quoi sont-ils bons ? Que diable peut-on leur faire faire ? Proudhon n’ose les chasser carrément, parce que, après tout, il ne dédaigne aucune force et qu’il espère, avec de la patience, en tirer quelque chose. Il se met à chercher et à raisonner. Il ne veut pas en avoir le démenti, il finit par leur trouver une toute petite place ; il leur fait un long sermon, dans lequel il leur recommande d’être bien sages, et il les laisse entrer, hésitant encore et se disant en lui-même : “Je veillerai sur eux, car ils ont de méchants visages et des yeux brillants qui ne me promettent rien de bon.”

Kunstenaars passen immes niet in het wereldbeeld van Proudhon die de kunst dienstbaar aan zijn idëen wil maken.

‘Sa définition de l’art, habilement amenée et habilement exploitée, est celle-ci : “Une représentation idéaliste de la nature et de nous-mêmes, en vue du perfectionnement physique et moral de notre espèce.” Cette définition est bien de l’homme pratique dont je parlais tantôt, qui veut que les roses se mangent en salade. Elle serait banale entre les mains de tout autre, mais Proudhon ne rit pas lorsqu’il s’agit du perfectionnement physique et moral de notre espèce. Il se sert de sa définition pour nier le passé et pour rêver un avenir terrible. L’art perfectionne, je le veux bien, mais il perfectionne à sa manière, en contentant l’esprit, et non en prêchant, en s’adressant à la raison. D’ailleurs, la définition m’inquiète peu. Elle n’est que le résumé fort innocent d’une doctrine autrement dangereuse. Je ne puis l’accepter uniquement à cause des développements que lui donne Proudhon ; en elle-même, je la trouve l’oeuvre d’un brave homme qui juge l’art comme on juge la gymnastique et l’étude des racines grecques.’

dyn003_original_500_332_jpeg_20344_7fa2f6a036ddad534fee13bf5c45b21e

Terecht waarschuwt Zola voor deze vorm van ‘dienstbare’ kunst, of ze nu socialistisch of bourgois moet zijn, maakt hem niets uit.Ze moet vooral de originaliteit behouden, de eigenheid van de schepper.

Zijn ‘avenir terrible’ zou trouwens aardig aan de werkelijkheid beantwoorden in het nieuwe Russisch socialisme en het nazi-tijdperk.
Dus zorgt Zola voor een duidelijk antwoord:

‘Et moi, je crois pouvoir vous répondre, au nom des artistes et des littérateurs, de ceux qui sentent en eux battre leur coeur et monter leurs pensées : “Notre idéal, à nous, ce sont nos amours et nos émotions, nos pleurs et nos sourires. Nous ne voulons pas plus de vous que vous ne voulez de nous. Votre communauté et votre égalité nous écoeurent. Nous faisons du style et de l’art avec notre chair et notre âme ; nous sommes amants de la vie, nous vous donnons chaque jour un peu de notre existence. Nous ne sommes au service de personne, et nous refusons d’entrer au vôtre. Nous ne relevons que de nous, nous n’obéissons qu’à notre nature ; nous sommes bons ou mauvais, vous laissant le droit de nous écouter ou de vous boucher les oreilles. Vous nous proscrivez, nous et nos oeuvres, dites-vous. Essayez, et vous sentirez en vous un si grand vide, que vous pleurerez de honte et de misère.”

Een vreemde vriendschap dus, want Courbet zou je niet dadelijk als ‘socialistisch’ kunnen catalogeren, of trok het anarchistische hem aan, het idee dat de toekomst niet meer aan de geldende regels moest voldoen?

De egalité van de Franse revolutie schijnt dus al vroeg de liberté in de weg te staan.