OUDE EN NIEUWE WIJN IN DITO ZAKKEN

image-675

Natuurlijk gebruiken alle kunstvormen voortdurend citaten van elkaar.
De Mona Lisa is veelvuldig gebruikt, en de heer Dali komt in menig spotprent met zijn eigen manier van schilderen naar voren.

De veelvuldigheid van hun aanrekkingskracht is tegelijkertijd een schijnbare ontzieling van hun geleverde prestatie.
Eens je Mozarts muziek hebt gehoord, kan iedere amateur-pianist à la Mozart spelen en daar in verre landen nog succes mee oogsten ook.

In vroegere tijden ‘ontleende’ men van elkaar fragmenten of afbeeldingen, en ook de imitatie kreeg zijn eigen supporters zoals de geschiedenis van Van Megeren bewijst.

Er waren ‘scholen’ of men noemt ze nu, een kunstenaar ‘uit de omgeveving’ van Titiaan, of à la mode de.

Op de wijze van.
In deze tijden kunnen we imitatiekunst alleen nog gebruiken om het oorspronkelijke een aardige neus te zetten, kijk en luister naar de typetjes en stemmen-imitatoren.

Als kind verlangde ik naar hedendaagse componisten die op de wijze van de mij bekende barokmeesters eigen nieuwe melodieën zouden maken en had ik een (vaak begrijpelijke) afkeer van modernisten die onwille van het nieuwe, wegen insloegen waar geen luisteraar of kijker hen nog volgde.

De ‘oorspronkelijkheid’ moest het hebben van nieuwe zakken, maar menigmaal was hun oude wijn zo versneden dat er de here Jezus aan te pas moest komen om met een mirakel hun brouwsel weer tot wijn te verheffen.

Het werk van de jonge Sanna Tonac (USA, 1973) komt er rond voor uit dat ze haar klassiekers kent.
Toch imiteert ze niet.
Ze schildert ook niet à la mode van of zet zich niet ‘in de omgeving van’, maar heeft de spiritualiteit van menig grootmeester meegenomen in haar vormgeving zonder hem daarom oneer aan te doen.

Ze beweegt zich daarbij vaak op de rand van hedendaagse kitch en antieke overdaad, maar neemt dan weer kleurrijk gas terug om haar palet aan toon op toon-kleuren te wijden.

dyn005_original_580_440_jpeg_20344_48f88c1ab8400a861a82b16194959d99

Voor sommige ‘artiesten’ is hun kijk op de wereld belangrijker dan de vormgeving van die kijk, maar als dat gekijk op een reeks oppervlakkige of gemakkelijke formuleringen neerkomt, zal ook hun vormgeving van dezelfde slapte en déjà vu getuigen.

Anderzijds zie je bij andere kunstenaars de drang terugkomen om technieken onder de knie te krijgen, om onderzoek te doen naar samenstelling van eigen verven of toch weer eens een boek kunstgeschiedenis open te slaan om met de nederige moed van de wanhoop te bekennen dat hun ‘visie’ ook al eens getoond is, en laat het dan nog op een ‘magistrale’ manier zijn.

Wij kregen vroeger een copie van een tekening of schilderij voor onze neus en moesten die zo getrouw mogelijk weergeven, en daar bleef het bij.
Jaren later was er het bekende St-Lucas instituut waar een leerlinge zachtjes om enkele lessen anatomie vroeg en door leraar en medeleerlingen werd weggehoond.

Je zou denken dat de bronnen-bereikbaarheid via het internet iedereen zou wakker schudden zoals Gutenberg dat deed toen hij zijn eerste houten letterblokken sneed en daardoor geschriften voor massa-consumptie ter beschikking kon stellen.

Schreven in de 18de eeuw nog ware geleerden aan de encyclopedie nu waagt zich de eerste en beste geroepene op het net om via Wikipedia (ik moet altijd aan hekserij denken) zijn schrale kennis nog eens over te doen.
Onze kennis ‘democratiseert’ heet dat dan.
Ik heb je al eens gewezen hoe voortdurend fouten worden gecopieerd in besprekingen en bio’s en je mag werkelijk ver zoeken om oorspronkelijke gefundeerde visies te ontmoeten die je in dat ouderwetse gedrukte medium niet zult ontdekken.

Onze tijd weergalmt van de slappe echo’ s.
Bij gebrek aan eigen stem (of durf om ze te laten horen) wordt er op alle manieren nagebauwd.
Dat is zo in de ethische als in de esthetische benadering.

De zwijgende meerderheid is een weergalmende meerderheid geworden en de hysterische lawines die ze daardoor kan ontketenen maken de nodige slachtoffers.

Wij hebben van niemand nog iets te leren.
Dat schaadt onze oorspronkelijkheid.

dyn005_original_591_585_jpeg_20344_11033bb45a5e340014066bd77cad9f2c

Het verleden is zelfs geen ‘burden’ geen last meer, meestal bestaat het niet eens tenzij we het kunnen hanteren om onze eigen fouten te verdoezelen en de schuld op de schouders van de gepasseerden te schuiven.

De kennis van het verleden is dan met de kennis van ‘het schone’ een bleek weeskindje dat uit de gezwollen wiskundige buik van de schoolmoeder komt gekropen.

Dada, zegt het kindje, dat wel.
Het is industrieel gericht, het wil werk en als het kan goed betaald werk, daar is niets mis mee.

Maar de noodkreet om creatieve krachten uit diezelfde industrie bewijst de bleekzucht van het kindje.

We zullen moeiteloos geloof en ongeloof, goed- en afkeuring van de meesters overnemen om vooruit te komen ook al leidt de richting van dat vooruitkomen naar een afgrond waarin prestatie en productie het zullen halen op de wrakkige kennis van de waardevolle dingen zoals daar zijn filosofie en schone kunsten, wijsheid die er toe doet, die ons inderdaad ‘neen’ laat zeggen of waarmee we een eigen levensweg kunnen zoeken zonder kontlikken of je voeten op het hoofd van je collega te moeten afvegen.

Ja, we kennen nog armoede, dat is juist, maar de armoede van de geest is nog veel groter.
We beroemen ons op het beste onderwijs van Europa, maar onderwijs dat niet gelukkig maakt, verdient die term niet.

Ik weet het, de lange werkdag, met zijn twee het huis uit, de steeds zwaardere afbetalingen, het pseudo-optimisme waarover de premier het heeft in zijn geschriften, het zijn dingen die ons inderdaad tot nieuwe proletariërs maken.

Welstellende proletariërs die lang, zeer lang zullen werken, met goed gevulde magen, maar met lege hoofden.

We gaan gebukt onder die leegte.
De nood aan zin-geving wordt niet in één twee drie opgelost, maar vereist een persoonlijke zoektocht.

barmhartigheid en mededogen, is het weer die oude wijn in allerlei nieuwe zakken, of blijven we haken bij de druiven van de gramschap?

Ik zal een glas champagne uit Zuid-Afrika (Groot Geluk) op je heffen, goede vriend.
Diep ademen en nu en dan eens omkijken, Euredice zal niet verdwijnen.


DE ONNOEMBARE

beautifulboy

De geest van de Onnoembare hield zich graag op boven de wateren.
Solutio.
De oplossing, het vervloeien in elkaar van verschillende substanties, en de dichters onder u zouden het over de oermoeder van het aardse leven kunnen hebben.

Omdat hij onnoembaar was, kreeg hij duizend namen.
Onder iedere menselijke projectie van het hogere ging hij gebukt.
In zo ver dat de Onnoembare gebukt kan gaan natuurlijk.

Het feit dat ik de Onnoembare in mijn arme geschriften al als ‘hem’ aanduidt, wijst op mijn beperkingen, op mijn geconditioneerde geest die het hogere en het mannelijke onbewust onder één noemer brengt terwijl de Onnoembare mannelijk en vrouwelijk is, groot en klein, donder, bliksem en zoel avondwindje, en ga zo maar door.

De godsgeleerden benoemden hem met moeilijke woorden, probeerden zijn, haar wezen te vatten in bewijzen uit het ongerijmde terwijl de Onnoembare geen bewijzen nodig heeft.
De Onnoembare is.

Hij is opperste Schoonheid en Siddering.
Tegelijkertijd.

Zoals het lam en het jongetje.
Agnus Dei.

Al neem je de projecties weg van de moderne mens, dan nog is er het grote rijk van de Onnoembare in de diepe zalen van ieders ziel.

Het vraagt enige moed om die ondergrondse af te dalen want naast de siddering en de schoonheid is er ook allerlei ongedierte en rommel uit de voorbije tijden aanwezig.

Meestal versteent zijn beeld.
Zijn bedienaars hebben het vleesgeworden woord weer woord en wet gemaakt, en schuld en boete over de mensheid afgeroepen.

Maar de onnoembare is het lammetje en het jongetje.
Hij weet dat we allen gekwetst zijn door onze tijdelijkheid.
Hij herkent onze angsten voor pijn en dood.
Hij openbaart zich bij voorkeur aan de armen van geest, want de onwetenden hebben nog veel plaats voor de grootte van zijn Onnoembaarheid.

Boven de wateren zweeft hij.
Misschien dat wij daarom zo graag aan zee zijn, of door het geluid van een murmelend beekje ontroerd worden.

Zijn duizend menselijke namen verdampen door zijn Schittering.
Als een zee van tranen heft hij onze ellende even op en als een kind speelt hij met de golven van ons ongeloof.

Ons planeetje liet hij ons aarde noemen.
En de naam God klinkt hem als een krakkemikkig speeltje in zijn gemoed.

Maar hij is het lam.
Hij huist in het heelal maar ook de veldbloemen herkent hij als woning.

In de ogen van de geliefde spiegelt hij zich graag.
En dat hij wij hem de gestalte van een kind hebben gegeven, begrijpt hij volkomen.

En als wij in het andere leven oplossen
is hij de geduldige om ons kleine klankje bij zijn Naam te voegen.

De uiteindelijke solutio.


WAITING FOR SPRING

waiting_for_spring

Waiting for spring, zo heet het hierbij links afgebeelde werk van David Schofield.

Er wordt wat afgewacht.
De wereld als wachthuisje.
De winterkooi verwacht de lente.
Het leven na de dood.

Aan de andere kant ‘white as snow’.
Kerstmis, I’m waiting for a white christmas.

Mooie vondst, hoe dan ook.
De doordruk van de uiterlijke verschijning vormt het verlangen, of de ware aard.

En nu komen de klassieke vragen:
Wat is dan het wezenlijke?
L’ essentiel est invisible pour les yeux, naar de wijze van de kleine prins.

Maar wat zie je dan wel?
Is hetgeen wij waarnemen dan altijd bedrog, of keren we terug naar Winnicots bepaling: zonder illusie kan een mens niet bestaan?

dyn007_original_403_500_jpeg_20344_18c61e30015e5df63b0358398d1c0eb1

Het is edel om te zeggen dat je de kooi wel verdraagt, wachtend op de lente.
En net zo edel is het je af te jakkeren voor de medemens met de hoop op de witte sneeuw van het eeuwige leven.

Maar waarom wantrouwen wij het zichtbare zo zeer?

Scio expertum, meneer.
Jaja, ik weet bij ondervinding.
Het zichtbare heeft ons al vaak bedrogen, maar lag dat aan het zichtbare of aan ons tekort aan onderscheid?

Zijn de dingen in hun uiterlijke verschijningsvorm niet voldoende?
Waar halen we de pretentie om ze als wazige spiegel te bekijken in de hoop op het ware gelaat?

dyn007_original_411_500_jpeg_20344_500c67bf5f6189604d359105e814be89

‘Lighthouse’ noemt de schilder dit werk.
De vuurtoren.

Laten we een oefening doen in zichtbaarheids-bepaling.
Vanuit de zee bekeken hebben we te doen met een half-mens.
Vanuit de tegenvoeters zouden we de hele mens kunnen beschrijven.
En zei zijn moeder niet:
‘Stop met dromen jongen. Blijf met je twee voeten op de grond.’
Terwijl de juiste bepaling eerder ‘Kom eindelijk uit de grond, ventje.’ zou moeten zijn.
‘Verhef je, kruip te voorschijn.’

Toch wordt hij als een lichtbaken gezien.
Zijn kijken is een richtsnoer.
Onze wortels in de materie zijn een gegeven.
Ook al roept de moralist:
‘Maar hoe kun je zo materialistisch zijn ingesteld?’
Alsof Icarus nooit heeft bestaan.

En zijn blik is op de zee gericht.
Naar het verlies van de zwaarte.
Naar het loskomen van de aarde.

Wij, westerlingen, wantrouwen de materie.
Zij zet aan tot zonde.
We wauwelen over norm-vervaging, terwijl de term norm-bevraging op zijn plaats is, maar we zijn bang.
Bange konijntjes, noemde een goede vriendin het deze dagen.
In elke firma van belang wordt geld en tijd gespendeerd aan risico-analyse.

Hellevuur en eeuwige verdoemenis waren mooie termen voor de vroegere risico-analyse.
Het leven was lijden, zong Robert.

Als ik sommige mensen hoor praten, de mond vol over normvervaging, dan hoor ik weer dat heimwee naar het lijden, naar het verlies door hen als ‘loslaten’ vertaald.
Maar het zand waarin wij wortelen, de klei waaruit wij getrokken zijn, is in de oude verhalen het symbool van de schepping zelf.
Als man en vrouw schiep hij hen.
De tuin van eden was zeker geen kloostertuin. (al kunnen sommige kloostertuinen model staan voor de lieve lust van het leven)

Konijntjes, het gras wordt weer groen.
Maar wachtend op de lente is het zomerhooi ook niet te versmaden.
En samen-knabbelen verhoogt de eetlust.


VERLOREN IN DE MASSA

seatedcrowd

Seated crow, een schilderij van de Schotse jonge schilder David Schofield. (1972)(er was ook nog een Walter Schofield, Schots landschapsschilder maar die is in 1944 overleden.)

Het thema is duidelijk.De veelheid en wijzelf, of beter, ikzelf om die pluralis majestatis te vermijden.

Ook gezien dat de medemens zwart is?
Het mag dus duidelijk zijn: de bange blanke man wordt hoe dan ook omringd.

dyn004_original_426_310_jpeg_20344_7de79147c07d4f6089b2fa64f535772e

De veelheid is macht.
De veelheid is angst.
De veelheid confronteert je met je eigen weinig-heid.

Het meest gehoorde woord bij de nazi’ s en aanverwanten was ‘schnell, schnell!’
Zodat je geen tijd had om stil te staan bij een mens.
Je moest iemand van de onderlaag blijven.
Je identiteit was de verworpen identiteit van de groep.

dyn004_original_630_635_jpeg_20344_fb80805bb163619073a70533e9942457

Bezette stad.
De arena waarin je jezelf met jezelf confronteert.

Hier ben je veilig.
Denk je.

Hier kan de deur dicht.
De gordijnen voor het venster.
Ik ben eindelijk alleen.

We kennen allemaal deze verzuchtingen.
Mochten we foto’s maken van mensen die de deur dichtdoen eens ze thuis aankomen dan zouden we verschillende emoties te zien krijgen.

Voor velen begint hier een nieuwe drukte.
Voor enkele een andere eenzaamheid.
Voor sommigen een gevoel van je m’ enfous.
Cocon.

De schilder stelt vragen.
Of we als groep anders reageren dan alleen.
En waarom dan wel?

Zijn de muren hoog genoeg?
Moet ik nog naar buiten om boodschappen te doen?

De angst voor de anderen die ook een plaats willen.
De boot is vol, roepen we.

De verbeelding arabisch of swahili te moeten leren om straks een beetje eten te kunnen vragen.

dyn004_original_400_493_jpeg_20344_a6e45f124dc41f3fcf612bf36d8c16f2

Gestrand.
Aangespoeld. (soms letter-lijk)

Zoals wij allen, de drenkelingen
in dit veel te grote, te korte, te drukke, te vieze, te moeilijke
leven.

De muren zijn hoog.
De ingang klein.

We dreigen.
Gevaarlijke woorden als heilige grond
Eigen volk.

We moeten ons verschansen.
Vrienden verraden elkaar.
De hanen kraaien tevergeefs.


EEN STADSMENS EN HET LANDSCHAP

dyn006_original_580_378_jpeg_20344_b3165ad9ff89b08a8462f734f54aa68e

Laten we dus een beetje emotioneel antwoorden,nu jij, in naam van Martha Nussbaum zo mooi en degelijk de kwaliteit van het emotionele hebt verdedigd.

Ik gebruik daarvoor enkele mooie landschappen van de in 1953 geboren Kevin Fitzgerald, werkzaam in Washington en ondanks de eerder klassieke vormgeving zeer gegeerd ook bij jongere stadsmensen.

Ik hoor al de schampere lach als je met zonsopgangen of ondergangen te voorschijn komt.
Een zondsondergang is not done.
Hij roept iets in ons wakker dat blijkbaar te herkenbaar is, en dat willen we wegmoffelen.

Nochthans zal ieder mens door dergelijke zonsondergangen ten zeerste worden aangesproken, zal hij of zij de tover herkennen die er uitgaat van dat late licht dat in schemer en dan in de donkerte overgaat.

Net zo min als jouw kleinkind wist dat er ook appelbomen bestonden, kennen de meeste stadsmensen zonsondergangen vooral uit filmen, posters, schilderijen.

Bij een verblijf aan zee, een avond in de bergen (het Alpenglühen) of op een gelukkig moment waarin de ogen een grote oppervlakte kunnen bestrijken, kun je bijna ongeweten zo’n ondergang meemaken.

We hebben het al eens over het blauwe uur gehad, bijna een jaar geleden, en het is blijkbaar in die overgangssfeer tussen dag en nacht, dat mensen erg gevoelig zijn voor allerlei onderliggende gevoelens die in de loop van de dag weinig of niet worden aangesproken.

De twilight zone is bij uitstek de achtergrond voor science-fiction, voor romantische wandelingen, voor stilte en inkeer.

dyn006_original_580_381_jpeg_20344_f6eca64f08ca400242defa53614833fd

Waar we het meeste heimwee naar hebben zullen we vaak verraden of verwerpen.

Kijk naar de zee.
Het beeld zal vlug vakantie-herinneringen oproepen, vermengd zijn met je kinderjaren, maar tegelijkertijd ervaren we het als een cliché, als een oord waar je eventueel in je jonge jaren hebt gewandeld en gevrijd, maar dat daarna geklasseerd is bij de jaarlijkse bedevaarten.

Een verklaring daarvoor is wellicht het veelvuldig gebruik, het hanteren in verhalen en filmen van deze plaatsen voor de net beschreven activiteiten zodat ze onpersoonlijk worden, maar er is nog iets anders aan de hand.

We kunnen nog zoveel zonsondergangen of zeezichten bekijken, ze zelfs verzamelen, erover lezen in de literatuur, tenslotte raken ze wel ons netvlies, maar daar blijven ze hangen zoals de meeste mooie en verdiepende waarnemingen.

In ons drukke leven, of het leven dat wij als druk ervaren, worden we gebombardeerd met informatie zodat er na enige tijd een soort blind-en doofheid optreedt die een zekere eeltlaag op onze verdiepende mogelijkheden legt.

Zagen we vroeger al eens film één keer in de maand of per drie maanden, nu is het best mogelijk om op één dag zo’n vier tot vijf filmen te consumeren voor degene die ’s morgens de zenders aftast en tot middernacht aan de buis wil hangen.

Het is een mooie oefening om na te gaan hoeveel speelfilmen je deze maand december hebt gezien en wat daarvan is bijgebleven.
De inflatie aan beelden, want we hebben het dan nog niet over documentaires, emo-uitzendingen en andere goed bedoelde jaaroverzichten, we komen heel vlug tot de zen-staat die Enzberger aanhaalde als hij zei dat zappen tot een soort leeglopen van de geest kan leiden die daarna met belangrijkere stuf kan worden gevuld.

Dat is weer zo’n mooie theorie waar in feite niks van in huis komt.
We bedoelen het allemaal heel goed, we willen het bewuster en anders doen, maar als de klassieke punt bij het even klassieke paaltje komt, wachten we niet eens het einde van het verhaal af en vallen midden in de volgende film binnen om via de korte inhoud in het programmablad ook deze story bij te benen.

dyn006_original_580_437_jpeg_20344_d14c42fa9128bb965062a4f9c0ca9621

En kijk dan naar dit wazige beeld van Fitzgerald.

Painting is at its best when functioning without verbal support. Communication with words as often as not shuts us out from that which we ought most to know. Painting is a solitary communication and strives to go beyond words.

Wantrouw ik dus de beeldenstoom, hij doet er nog een schepje bij en zet ‘de woorden’ inderdaad tussen aanhalingstekens.

Solitary communication.
Ja.
Maar voor we zover zijn, is er een verbinding nodig met de eigen centrale.

Het is een nobel doel om ACHTER de woorden te geraken, om door te dringen in de wereld van het numineuze, het onzegbare, maar met zoveel eelt op onze ziel zal het waarschijnlijk bij woorden of voornemens blijven.

Er is immers tijd nodig voor het nutteloze.
Tijd die je wil verliezen.
Waarvan je niet weet of hij iets zal ‘opbrengen’.

Ikzelf kijk.
Naar prenten of schilderijen.
Uit mijn raam.
Op straat, in het park.

Ik neem me niets voor.
Ik wil gewoon de tijd nemen.

Voor een novice in tijd-verliezen is dat niet makkelijk.
Je zult nog geen dertig seconden ver zijn of je begint al te denken wat je met die beelden kunt doen, of je die gedachte niet te gelde kunt maken, of je…

Tijd verliezen is moeilijk aan te leren, maar als je’t blijft volhouden, lukt het.
Denk vooral niet dat je ’t de eerste weken of zelfs maanden iets opbrengt.
Neen, het is nutteloze tijd.

Tot op het moment dat je voelt dat het afkikken heeft geholpen, dat je niet meer moedeloos wordt van die enkele minuten niets doen, dat half uur buitenlucht, het kwartier bladeren in een kunstboek, het naar buiten kijken, het waarnemen van kleine veranderingen in het landschap, en ga zo maar door.

dyn006_original_580_454_jpeg_20344_bc05aad5226aca5c67646032797ed3b5

Het kan best zijn dat je hervalt.
Dat de dagelijkse drukte het haalt op het nutteloze.
Het kan zijn dat je te vlug iets wil meemaken, dat je denkt dat de schellen van je ogen zullen vallen terwijl ze dichtslibben met valse verwachtingen.

Natuurlijk is het mogelijk om een schrift aan te leggen met elke dag één kleine waarneming die je is opgevallen.
Met plaats voor een prent of foto of tekening.

Jouw getijdenboek.
Maar het is maar één mogelijkheid om nutteloos te zijn want je zult al vlug het idee hebben dat het elke dag MOET, terwijl het mag.

We verzamelen geld, meubelen, een huis of twee, hebben de handen vol om kinderen groot te brengen, willen hoger op in of met de zaak, en dat is op zichzelf allemaal best mooi en zeker niet te misprijzen.

Maar al die schoonheid die daar elke dag in mateloze volumes en uitgestrekte hoeveelheden ligt te wachten om waargenomen te worden.
Help je geheugen.
Richt één keer per week een monumentje op voor een kostbare herinnering, hoe pietluttig ze ook mag zijn voor de buitenwereld.
Maar laat die buitenwereld buiten, en open de deurtjes, ramen en luikjes van je binnenwereld.

Mocht ik een zoon of docher hebben, dan zou ik hen deze boodschap trachten mee te geven, maar ik zie ze nu al glimlachen, hun schouders ophalen en vrolijk naar buiten rennen om te gaan spelen.

Want tenslotte is het intense leven de broedplaats voor elke prachtige of mysterieuze herinnering.


INTELLIGENTIE VAN EMOTIES

image-2698

Goede Vriend in de Big Apple,

Bestookt met emoties worden we.
Denken we.
Of zijn het sentimenten?
Aandriften?

Filosofen zagen emoties als blinde impulsen, lijfelijke oprispingen, of sprongen van het hart die ons niets zinnigs te vertellen hadden.

Nussbaum echter vindt emoties juist intelligent.
Zij ziet emoties als een soort moreel perceptievermogen.

In ‘The therapy of desire’ voert ze de lezer mee langs de griekse scholen als die van Epicurus, de sceptici, de Stoa om hun conceptie van emoties opnieuw te actualiseen.

Trots, respect, verliefdheid, maar ook woede, verdriet, jaloezie of angst, het zijn volgens haar geen domme passies: zij kunnen ons informatie verschaffen over de dingen die er voor ons toe doen.
Het is zaak om ze niet weg te vegen, maar er nauwkeurig aandacht aan te besteden.

Emoties veranderen naarmate wij er mee omgaan.
We kunnen cultiveren, of zoals Plato ze afstompen en wegdrukken.
Dat heeft gevolgen voor ons morele perceptievermogen: dit kan slecht functioneren, waardoor iemand totaal ongevoelig wordt voor zijn eigen leed en dat van anderen.

Maar we kunnen ze ook zo cultiveren dat ze ons beter van dienst zijn.
We moeten dus niet alleen ons verstand onderwijzen, maar ook onze emotionele capaciteiten, we moeten dus onze morele sensibiliteit leren ontplooien.
En, zegt Nussbaum, daarbij is literatuur bij uitstek geschikt.

In ‘Oplevingen van het denken’ werkt ze die visie op de intelligentie van emoties verder uit.
Zo onderzoekt ze in dit boek de rol van het voorstellingsvermogen in verschillende soorten emoties, maakt ze onderscheid tussen algemene en specifieke emoties, tussen emoties die zich in situaties voordoen, en emoties die op de ‘achtergrond’ invloed uitoefenen op de hele wijze waarop iemand in het leven staat.

En het spreekt vanzelf dat de rol die emoties spelen in onze morele reflectie nauw samenhangt met Nussbaums visie op de kwetsbaarheid.

Goed oordelen kan men volgens Nussbaum alleen als men emoties toelaat, want ze verwijzen naar waarden die van cruciaal belang zijn in een mensenleven.

Als je je voorstellingsvermogen bevriest, dood je ook vormen van mededogen, kun je je niet inleven in wat anderen denken en voelen.

In ‘Hiding from humanity’ onderzoekt ze de rol van emoties in de rechtspraak.
Tijdens een rechtzaak moet worden vastgesteld of de emotie die de verdachte tot handelen aanzette berustte op een redelijke inschatting van de situatie.

dyn004_original_580_432_jpeg_20344_64224810c65e59745a9df90a943910cf

Om dat te beoordelen gaan rechters uit van conventionele opvattingen over wat ‘goed leven’ inhoudt, en wat kan worden gezien als bedreiging of juist als steun bij het streven daarnaar.
Volgens Nussbaum is dat soms problematisch: dit uitgangspunt strookt immers niet met het uitgangspunt van een liberale samenleving, die ieder juist het recht garandeert om een eigen visie op het goede leven na te streven.

Ze concentreert zich daarbij op onderwerpen die met seks en pornografie te maken hebben.
Conservatieven -en zij niet alleen- laten hun emoties vaak leiden in deze onderwerpen door schaamte en walging, maar Nussbaum noemt dat slechte raadgevers.

Deze emoties immers drukken de wens uit om puur en onkwetsbaar te zijn, om ons te verstoppen voor onze eigen menselijkheid die juist feilbaar en broos is.

En al zijn schaamte en walg onontkoombare psychologische reacties als we dierlijk gedrag herkennen in onszelf of anderen, toch moeten we weerstand bieden aan het verlangen om deze emoties ook een plaats te gunnen in de rechtspraak.

Het risico is namelijk dat we deze kanten van onszelf liever niet zien en ze projecteren op groepen die gestigmatiseerd worden in de samenleving: zoals homoseksulene, vrouwen, zieken, of invaliden.
Dat is onverenigbaar met een liberale samenleving waarin iedereen respect verdient op grond van zijn menselijkheid.

Ik kan mij voorstellen dat de ideeën van deze wijze en moedige vrouw in de States aardig wat stof doen opwaaien.
Als ik hier de kranten lees en een zekere wetenschapper die de homofobie prijs kreeg, woedend zie reageren, “dat ze geen kritiek verdragen die groep” dan glimlach ik en denk ik aan de vergelijking waarop die stomme Polen toch dat grote Duitsland niet moesten aanvallen, volgens de Duitsers dan.

We zouden ons wat minder boos op de anderen moeten maken, en met Nussbaum nagaan hoe we deze gevoelens naar een meer deugdelijke zelf-ananlyse kunnen ombuigen.


ROBERT

dyn003_original_488_736_jpeg_20344_5919cb88b5d5b0ae62406367d00f036f

Je was nog jong.
Ik ook.

Je kreeg de televizier-ring.
Ik was de verslaggever uit België.

Of je even tijd had?
Al de tijd van de wereld, zei je gul.

Ik wist nog niet wie je was, en ik had vaag een liedje gehoord.
Maar toen nam ik Vroeger of Later mee naar huis.

Jij zong waar wij mee bezig waren in ons hoofd.
Duidelijk. Zonder omwegen.
Maar eindeloos muzikaal.

Je muziek is ons zoals je wezen lief gebleven.


Toe, huil maar uit mijn schat, dat geeft toch niks
Kom hier, dan kus ik alle tranen van je wang
Heus, de bomen zullen weer opnieuw ontluiken
Straks, geloof me, zul je de sering weer ruiken
Kijk, je ziet al kleine knopjes aan de struiken
Echt, het komt wel goed

Toen jij bij me wegging was je nog steeds
Mijn allerliefste
En nu jij hetzelfde meemaakt
Kan ik jou toch troosten

Toe, huil gerust m’n schat, dat mag toch best
Kom hier, dan kus ik alle tranen van je kin
Goed, hij heeft je zomaar in de steek gelaten
Nee, dat valt natuurlijk ook niet goed te praten
Maar, m’n lief, je schiet toch ook niks op met haten
Kom nou maar bij mij

Toe, huil maar lieveling, ik snap het best
Kom hier, dan kus ik alle tranen van je mond
Ja, de liefde kan je hart in stukken breken
Maar, die pijn zal op den duur vanzelf verbleken
En, als ik misschien nog iets voor jou beteken
Zijn we niet alleen

 


Wat eens zijn pen was
wordt nu zijn vleugel

Onvindbaar voor de geliefden
zingt hij ons leven verder open.

Nog even, Robert,
en de dagen lengen weer.


KWETSBAARHEID ALS THEMA, EEN TUSSENSTOP

image-2761

In 1986 wordt Martha Nussbaum op slag beroemd met haar boek The fragility of goodness’, een boek over de menselijke onmacht in de creatie van geluk en goedheid, zoals Simone van der Berg dat zo mooi zegt in haar artikel over haar in ‘Denkers van Nu, Veen magazines B.V. Diemen, 2005)

Nussbaum symphatiseert sterk met de ethiek van Aristoteles die het over een grote variëteit van onderwerpen heeft, dus tegen Kant en Plato en hedendaagse volgelingen want daarin zijn moraal en kwetsbaarheid onverenigbaar.

‘Wat wij als goed ervaren is niet altijd te plannen.
Vaak valt ons bij verrassing iets goeds ten deel, of valt het juist toevallig weg zonder dat we er iets aan kunnen doen.
Ethiek moet deze aspecten vanhet leven niet negeren, sterker nog: dat verlies is zelfs de kern waarom haar ethiek draait.

De ethiek noemt ze ‘technè’, een klassiek Grieks begrip dat je nu als ‘ambacht’ of ‘kunst’ zou kunnen vertalen: dingen die door mensen worden bedacht en door hen worden voortgezet.

‘Tuchè’ daarentegen zou je met ‘toeval’ kunnen vertalen.
Het woord verwijst naar alles wat effect heeft op het leven van mensen zonder dat zij zelf er controle over kunnen op uitoefenen.

Kou, noodweer, ziekte, voedselgebrek of een nachtmerrie zijn enkele voorbeelden van tuchè.
Technai (meervoud van technè) zijn dan huizenbouw, weersvoorspelling, geneeskunde, landbouw, jacht en droomduiding en bevatten een vorm van kennis die mensen weerbaar maakt tegen de effecten van tuchè op hun leven.

Ethiek is dus een manier om onszelf te beschermen tegen beschadiging, en juist daarom is ze ook noodzakelijk.
En deze behoeftigheid is bij Nussbaum niet per se een negatieve toestand: onze meest gewaardeerde technai komen eruit voort.

‘Onze kwetsbaarheid en onze behoeften zijn dus ook de oorsprong van datgene waarop we het meeste trots zijn, de ethiek incluis.’ aldus Simone van der Berg.

Plato dacht dat de mezns zich kon immuun maken voor kwetsbaarheid.
Met behulp van de tragediën identificeert Nussbaum drie bronnen van kwetsbaarheid waarop de ethiek zich richt.

Pluraliteit van waarden, passies en hechting.

Die kwetsbaarheidsbronnen zijn herkenbaar voor iedereen mits we er aandacht aan besteden.

dyn002_original_421_580_jpeg_20344_4bedf803dc2d742c47501c417a41f4db

Het risico van hechting maakt het al vlug duidelijk: de persoon waaraan we ons hechtte kan emigreren, in de gevangenis belanden, doodgaan of op een ander vallen.

We kunnen ons ook aan bezittingen hechten die kunnen gestolen worden, of in verbranden.
Hechting maakt ons dus kwetsbaar: ze maakt het slagen van ons levensplan afhankelijk van factoren die we niet zelf in de hand hebben.

Bij de pluraliteit van waarden komen we misschien voor een dilemma te staan.
Zal ik mijn vriend verraden die mij een geheim toevertrouwde als dit voor de wet ‘medeplichtigheid’ zou betekenen?
Zo kun je geen gastvrije vriend zijn en tegelijkertijd iemand die de deadlines moet halen om voor Artsen zonder Grenzen te werken en in te staan voor je zieke ouders.

Maar ook de passie is een zelfstandige bron van kwetsbaarheid.
De bestuurbaarheid daarvan is beperkt en in sommige gevallen totaal afwezig: het ontbreken ervan is soms even raadselachtig als het moment dat ze zich in alle hevigheid opdringen.

Met zoveel kwetsbaarheid voor de boeg zou je je toch bij Plato’ s ideeën kunnen aansluiten (of die van Spinoza).
Plato wil zich immuun maken voor kwetsbaarheden. Hun belang negeren.
Dat is ook nu een bekend fenomeen.

Ziin ethisch perspectief overstijgt de menselijke werkelijkheid.
In het dagelijkse leven waarderen mensen allerlei dingen die voor Plato geen waarde hebben: zij willen liefde, vrienden, raken aan een huis gehecht, en nemen hun passies serieus als wegwijzers op de levensweg.
Maar al deze objecten kunnen we ook kwijt geraken, en daarom keurt Plato ze af.

‘Het oog van onze menselijke ziel ligt normaal begraven in ‘barbaars’ slijm en dat ontneemt ons het uitzicht op het goede.’

We moeten volgens hem onze ziel instrueren anders te kijken.
Daarvoor heb je een geleidelijk ontwikkelingsproces nodig waarin je onthecht raakt en leren streven naar veiliger hartstochten zoals kennis en waarheid.

Je voelt duidelijk dat het Christendom niet geheel onbekend was met deze platonische wijsheden!

Nussbaum begrijpt Plato maar keurt zijn denkwijze af.
Immers op die manier kun je niet compassioneel zijn, kun je geen mededogen opbrengen.
Socrates komt te voorschijn als een mens die boven de werkelijkheid staat.
Hij heeft het nooit koud, hij kan drinken zonder dronken te worden, kent geen passies, heeft geen bezit.
Hij is het summum van de onkwetsbare.

Nussbaum verwacht weinig medeleven van iemand als Socrates.
Als wij zelf de ethiek vormen als een technè dan kunnen haar ook naar eigen goeddunken wijzigen.
Nussbaum komt op voor een ethiek waarin we dit inlevingsvermogen moet kunnen waarderen en stimuleren.
Deze ethiek negeert de bronnen van de kwetsbaarheid niet.
Kwetsbaarheden leveen ons namelijk belangrijke informatie over dat wat we goedkeuren.
Daarom richt ze zich naar Aristoteles die deze bronnen niet elimineert, hij geeft ze integendeel een centrale plaats.
Zijn ethisch onderzoek start hij vanuit het perspectief van het dagelijks leven.

En dan zijn we terug waar we gisteren zijn aangeland, bij de emoties.


Deze bijdrage was een redactie van Simone van der Burgs artikel in het reeds geciteerde boek.

De schilderijen zijn van de jonge Amerikaanse Jenifer Balkan (1970)


BODEMVERHEFFINGEN IN HET BREIN

dyn003_original_413_550_jpeg_20344_9cfd47a3c1fa3e313c9a810ecf198c3c

Het is niet te bevatten hoezeer die bange onzekerheid M. de Charlus in opwinding bracht en juist daardoor zijn geest voor het moment had verrijkt.
De liefde veroorzaakt aldus ware bodemverheffingen van het brein.
In dat van M. de Charlus, dat een paar dagen tevoren op een zo effen vlakte leek dat er wijd en zijd geen denkbeeld boven de grond te ontwaren was geweest, had zich plotseling, hard als steen, een gebergte opgericht, maar bergen ban een sculptuur alsof een beeldhouwer het marmer, in plaats van het mee te nemen, ter plekke had bewerkt, en aldaar, groepsgewijs, gigantisch, titanisch, wringend en kronkelend, de Razernij, de Jaloezie, de Nieuwsgierigheid, de Nijd, de Haat, de Smart, de Trots, de Ontzetting en de Liefde stonden uitgehouwen.

Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd: Sodom en Gomorra.

Met dit citaat opent MARTHA NUSSBAUM haar boek “OPLEVINGEN VAN HET DENKEN, over de menselijke emoties. (Ambo, A’dam 3de druk 2006)

dyn003_original_348_550_jpeg_20344_96014e7f81191acf1d7796b77e2159ac

Martha Nussbaum is hoogleraar recht en ethiek aan de universiteit van Chicago en eredoctor aan de universiteiten van Utrecht en van Leuven.

Misschien heeft U haar nog gezien in de mooie serie van Wim Kayzer, Van de schoonheid en de troost waar ze hoofdzakelijk over haar ouders en de dood van haar moeder vertelde, verhaal dat ook het kernpunt vormt in dit lijvige boek.

Proust is een belangrijke bron voor haar studie over de menselijke emotie, en ikzelf plaatste twee werken van Kirstin Hassenfeld bij de tekst.
Links, de Vulkaan, en rechts Suite.

Want wat koop ik voor al die mooie woorden over mystiek en tegenstellingen als ik het niet over ‘de emotie’ kan hebben, dit verwaarloosde kind, dit vagebondje van de moraalfilosofie en ontheemd zielepootje bij Spinoza en andere grote denkers die met dit jochie geen weg wisten.

dyn003_original_367_550_jpeg_20344_76d32022f6048b8ce13d8b820f01a9d6

De koude generatie van de dertiger jaren en wellicht de verwende generatie van einde 20ste, begin 21ste eeuw, hadden en hebben het moeilijk de emotie als een onderdeel van het menselijke denken te ervaren.

dyn003_original_356_550_jpeg_20344_90b486dab544cbe442e0b128e09f7b47

En dan moet ik toch even het tweede citaat aanhalen waarmee haar boek begint:

Doordat we geboren worden hebben we dus de stap gezet van een absoluut onafhankelijk narcisme naar de perceptie dat de wereld buiten ons verandert en beginnen we objecten te ontdekken.
En een feit dat hiermee verband houdt is dat we deze nieuwe toestand niet lang kunnen verdragen.
We vallen regelmatig, in onze slaap, terug in onze vroegere toestand, waarin prikkels afwezig waren en objecten vermeden werden.

Sigmund Freud, Groepspsychologie en analyse van het ego.

En daarmee zijn de twee spanningsvelden duidelijk.
De bodemverheffingen van het brein en het verlangen om deze verheffingen te vermijden en terug te keren naar het narcisme van de babytijd, kortom de totale afhankelijkheid.

Emoties bevatten een oordeel, het zijn intelligente reacties op de inschatting of iets waardevol is.
Je kunt er dus niet omheen in de filosofie en de ethiek.
De ethiek bestaat niet alleen uit een aantal principes die het onthechte intellect moet begrijpen.
Emoties zijn daardoor ook meer dan drijfveren die onze keuze om volgens die principes te handelen steunen of ondergraven..
Emoties moeten een essentieel onderdeel van onze ethische redenaties worden.

Ze hebben daarnaast ook een ingewikkelde cognitieve structuur die deels narratief van aard is zodat we ons dus ook tot litteraire teksten kunnen wenden.

‘Als we emoties beschouwen als wezenlijke elementen van menselijke intelligentie en niets slechts als pijlers die de intelligentie ondersteunen, is dat met name een sterke reden om in een politieke cultuur de voorwaarden voor emotioneel welzijn te benadrukken, want deze opvatting houdt in dat zonder de emotionele ontwikkeling een deel van ons redeneervermogen als politieke schepsels ontbreekt. (pagina 17)

Dat is nogal wat, en een goed vertrekpunt om emoties verder te onderzoeken als essentieel onderdeel van ons denken.


HET RADELOZE

dyn004_original_405_550_jpeg_20344_d4182be24106b3c8424bd582aa2962ac

KIRSTEN HASSENFELD noemt het mooie voorwerp hiernaast links: the sweet nothing, het zoete niets.
Aan de andere kant haar ‘cameo-egg’.

Het is uiteraard een mooie benadering van luxe: het zoete niets.

dyn004_original_358_550_jpeg_20344_f66bd8a8b2519ee96be701832e19fa6a

En zoals een camee een duur voorwerp is, verbind ik het mythische verhaal van Eros aan dit beeld.
Eros die uit het ei kwam en ‘epifanein’, het geschapene belichtte, de epi-fanie, het mooi licht, de openbaring dus.

Bijna vanzelfsprekend verbind ik het zachte licht van vandaag aan dit beeld, want niets is zo onvangbaar als wat wij het ‘niets’ noemen en dat ‘niets’ staat in ons westers denken voor nutteloosheid, voor het redeloze en het …radeloze.

Laten we bij vandaag blijven.
Het bericht dat de door ons geliefde Robert Long op sterven ligt, nauwelijks nog twee weken te leven heeft terwijl het ontzielde 91jarige lichaam van dictator Pinochet met militaire eer begraven wordt, maakt het ‘niets’ erg voelbaar.

Aan den lijve.

Wat heb je aan ‘het licht’ als je op 63jarige leeftijd, een hoofd vol plannen en uitdagingen, beseft dat het voorbij is?

De radeloosheid van het eindige.

Hiervoor kun je bij niemand te rade gaan.
Elke projectie van een troostend opperwezen schiet schromelijk tekort.

We kennen allemaal dit pad maar al te goed.
Het zal hoe dan ook het onze zijn.

Ik schreef je al eerder over het tremendum et faciosum, en het is deze eenheid, dit samengaan van het schrikwekkende en het fascinerende dat ik om mijn povere woorden probeer te wikkelen.

In een Sufi-gedicht spreekt de goddelijke stem:

Vernietig jezelf vol glorie en vreugde in Mij, en je zult in Mij jezelf vinden.
Zo lang je niet je niets-zijn beseft,
zul je nooit de hoogten van de onsterfelijkheid bereiken.

dyn004_original_466_550_jpeg_20344_aa1147b43a1b547438b66a59a71b9f01

Dat vernietigen van jezelf om de unio mystica (mystieke eenheid) te bereiken vind je terug in het Westerse Christendom, maar ook als ‘moksa’ de redding, in het Hinduïsme en als ‘Nirvana’ (staat van genade) bij de Boedhisten en als ‘fana (het verliezen van jezelf) in de Islam.

Het prentje hiernaast van Kirsten Hassenfeld kreeg als titel ‘Offering’ mee, het offeren.
Ze gebruikt voor dat oude begrip geen mythische vormgeving, geen bekende symbolen, maar ze hanteert met opzet het kitscherige zoals wij dat in de luxe-industrie kennen.

Moet je het offeren?
Moet je verliezen als je de essentie wil terugvinden?

Nikolaas van Cusa een scholastieker uit de middeleeuwen hanteert het begrip coincidentia oppositorum’, de vereniging van de tegengestelden.

En Heracleitus noemt God de dag en de nacht, de winter en de zomer, oorlog en vrede.
En de 5de-6de eeuwse Dionysius de Aeropagiet adviseert:

‘Ontdoe je van alle vragen in die zin dat we een naakte kennis van het Niet-Weten bereiken en dat we het superessentiële Donker mogen beginnen te zien dat door het licht der bestaande dingen is verborgen.’

Dit een dichotomie die we in oude mythes wel meer tegenkomen, zoals de gnostici spreken van Christus en Satan als broeders.
In de Veda’s zijn de goede en kwade geesten (de suras en de asuras) neven van elkaar.
Het Ying en Yang, dat de Tibetanen Yab en Yum noemen.

In een kennis-maatschappij zijn dergelijke tegenstellingen niet wetenschappelijk, maar in religieuze projecties, of in het zoeken naar innerlijkheid zullen ze ons waarschijnlijk een weg kunnen wijzen die niet met kennis van de leer of dogma’ s is aan te duiden maar die ons dichterbij het numineuze zou kunnen brengen.

Maar ik kan ze niet als zin-geving hanteren, want het lijden en de dood zijn zin-loos.

Met het wetenschappelijke denken vind ik geen verklaring voor dit bewustzijn van onze eindigheid.

De redeloosheid en de radeloosheid zijn bleke broertjes van elkaar.
Met dat dilemma worstelde Carl Jung als hij zegt niet aan metafysica of aan theologie wilde doen, het ging hem op de eerste plaats ‘om psychologische feiten op de grens van het kenbare’

‘Psychologie is beslist geen theologie; ze is een natuurwetenschap die waarneembare psychologische verschijnselen probeert te beschrijven.
Maar als empirische wetenschap heeft ze het vermogen noch de competentie over kwesties van waarheid en waarde te oordelen, die aan de theologie zijn voorbehouden.’

Je zou van minder radeloos worden, maar waarschijnlijk is die radeloosheid een voorwaarde om ‘anders’ te leren denken en voelen.

Of dachten we dat de empirie ons van die radeloosheid zou kunnen verlossen?

We zoeken verder.


DE REDELOOSHEID

hassenfeld06

Luxe goederen, u kent ze?

Als kind was Luxe een zeepmerk, en de zwart-wit publiciteit in o.a. Zondagsvriend toonde al dan niet beroemde sterren van het witte doek die een deel van hun schoonheid aan deze zeep hadden te danken.

De dames in kwesties keken een beetje ‘redeloos’ naar de lens en produceerden daarbij een glimlach die bij mij eerder het gevolg van het aflikken van deze welriekende luxe producten dan wel het verschonen van het lichaam moest uitdrukken.

Lux aeterna was iets helemaal anders.
Die eeuwige spaarlamp, dat licht waarin de doden zich baden (en lange tijd verwarde ik de verleden tijd van bidden met die van een bad nemen) verwees nergens naar een lijfelijkheid en was eerder een mannenzaak of van de zuivere geesten die engelen waren.

Ook hier was de rede uitgeschakeld.
Eens men zich baadde in het lux aeterna, bleek denken overbodig.
God had alles al bedacht, en mijn eerste geloofstwijfels hadden net te maken met het feit dat iemand die alles kan voorzien, zelfs de zondeval, het nog eens nodig acht om al die ongelukken met zijn geliefde schepsels te laten gebeuren, je zelfs zijn enige zoon naar de aarde stuurde waarbij hem de afloop al lang voor Bethlehem moest duidelijk zijn.
God weet alles.

Ook dat was een redeloosheid waarbij ik moeilijk het goddelijke licht met mijn aardse redelijkheid kon verenigen, maar dat bleek overbodig want god weet niet alleen alles maar hij is ook de onnoembare wiens eigennaam zelfs geen klinkers telt en wiens roepnaam dus op een Poolse of Finse lijfeigene leek eerder dan op de naam waarmee men een majesteit zou aanspreken.

De magie was dus niet aan mij besteed.
Ik werd verondersteld, na de klassieke studies, een redelijk mens te zijn.
De uitdrukking, een redelijke prijs, een redelijk voorstel maakten duidelijk dat hem om voorwerpen ging die door de menselijke rede te bevatten waren.

De eerste ontsporingen van de rede na de goddelijke vragen, begonnen uiteraard bij de eerste verliefdheden.

Waarom verloor ik elke redelijkheid bij het denken aan het geliefde wezen?
Waarom was de aanwezigheid van de geliefde een bron waaruit domme besluiten en verkeerde beslissingen welig opborrelden?

Kom niet af met het cliché dat liefde blind is, want ik heb nooit zo helder gezien als in die tijden, maar het soort helderheid was van een andere orde dan die klaarte waarmee de oppervlakte van een trapezium moest worden berekend.

Laten we nu, op ‘rijpere’ leeftijd die twee tegenstellingen proberen te verzoenen en je zou uitkomen bij een goddelijk wezen dat een onredelijke liefde koesterde voor zijn eigen schepping, in casu de mens.

Dat komt al aardig dicht bij mijn bevattingsvermogen.
Je hoopt dat elke liefde in lux aeterna zou aflopen, maar je weet (scio expertum) bij ervaring dat zoiets aan het droomwereldje is voorbehouden.

Toch weerhoudt die teleurstelling, die met lijfelijke pijn kan gepaard gaan, je niet om bij een volgend stralend geliefd wezen dankuwel te zeggen en je overige tijd aan het zoetwatervissen of de botanica te wijden.

Neen, je denkt telkens weer dat hij of zij het is waarop je een leven lang (en dat wordt steeds langer naarmate je ouder wordt!) hebt zitten of liggen wachten.

Deze redeloosheid is eigen aan de liefde of iets wat daarvoor moet doorgaan.

Naarmate de liefde minder het eigen genot en gesnot en meer het genieten van elkaar begint te worden, weet je dat die redeloosheid minder beroep op radeloosheid doet maar meer op het redeloze ontdekken van het opgaan in anderen.

Een ‘schone’ redeloosheid is het, een vage afspiegeling van iets goddelijks mocht je daar nood aan hebben.

Ik vermoed dat ik de eerste aarzelende stapjes heb gezet op een moeilijk pad, maar vermits er luid en helder consolamini, troost jullie, gezongen is tijdens de derde zondag van de advent, wil ik toch verder gaan zonder te weten waar ik zal uitkomen.

Stel je voor dat God zijn almacht kon opzij zetten en even rede- en radeloos zijn zoon naar de mensen stuurde?


Het mooie kunstwerk is van de artieste HASSENFELD, momenteel in Brooklyn werkzaam, morgen ook daarover meer.


DE HEILIGE MAN

stnico

We bouwden onze stand rond een rijke, nog te dekken tafel.
De feesttafel, de tafel van sinterklaas.

Herinner je de morgenden waarop die tafel was gedekt met chocolade figuurtjes, mandarijntjes, boeken en speelgoed, met het nieuwe.

Je hebt vast nog de geur van speculaas, sinaas en chocolade in je geheugen om de numineuze momenten van dit feest in je op te roepen.

Het is een van de weinige illusies waaraan de volwassenen -hun kindertijd in gedachten- blijven meewerken.

Op de postkaart links zie je trouwens dat de kerstwensen zich uitstrekten van Sinterklaas tot en met het eindejaar.
De kerstman was ‘heidens’, daar deden we niet aan mee.
Net zoals de kerstboom ‘heidens’ was, als hij niet van een uitvoerige kerststal was vergezeld.
Als troost kwam het ‘kindje Jezus’ nog wat snoep brengen op kerstmorgen.

dyn004_original_450_671_jpeg_20344_d1ea30ddbae94b3a9f5d6fee577cfd31

Lang geleden?
Niet eens. We spreken van 1950-1958.

Toen kwam de wereldtentoonstelling.
De splijtzwam die verder zette wat de Amerikaanse bevrijders niet hadden gekund: de import van het materiële als nieuw kindje Jezus, de Victoriaanse vooruitgang van de middenklasse, het heilige woord ‘economische expansie’ dat in alle spreekbeurten opdook.

Voor die tijd was Nicolaas het verlengde van de ouderlijke (lees staatkundige) rol, hij beloonde de goeden en strafte de bozeriken.

dyn004_original_350_494_jpeg_20344_084d318467c98b031f3ff19f04d74280

Als mensen het materieel beter krijgen komt de klad in de mythologie.
Moralisten zouden een oorlog ontketenen om de kerken weer vol te laten lopen.
Maar ons wezen houdt de ramen open als het de deuren naar de mythologie denkt te sluiten.

dyn004_original_264_400_jpeg_20344_ffcb3b980dd059f481796959e750487a

Een van die ramen is Sinterklaas.
De tegenstellingen stapelen zich onmiddellijk op.
Er zijn de drie kinderen die aren lezen op het veld, de weg niet terug naar huis vinden en bij een slager terecht komen die hen berooft, doodt, in stukjes snijdt en pekelt.
Maar de heilige bisschop herstelt de orde.
De kindjes verrijzen uit de pekel en wees ervan overtuigd dat de slager net zoals de boze wolf een vreselijk einde te wachten stond.

In Tjechië is de heilige man vergezeld van engelen en…duivels.
Wij maakten er zwarte pieten van.
Het gekke en het heilige zijn steeds in elkaar verweven, net zoals het boze en het goede.

Deze combinatie maakt ons bang.
Uit deze schrik ontstaat de moraal en het dogma.
Iets of iemand is daardoor goed of slecht.
Helemaal goed (heilig) of helemaal slecht. (verdoemd)
De status van heilige ontmenselijkt de betreffende figuur.
Het heilige rukt zich van het heidense los en wordt inderdaad een versteende staat van genade die wij, zondigen, nauwelijks kunnen aanvoelen, laat staan bereiken.

In onze mythologische verdwazing diaboliseren wij de medemens of we verheffen hem tot idool.
Ook al sta je met je neus bij het feest van een god die als klein kind op de wereld komt, die als beminde zoon de slavendood zal sterven, we verheffen hem onmiddellijk tot de wonderdoener en vergeten zijn liefde voor de vrouwen die hem volgden, voor de kinderen die bij hem werden gebracht.

Wij zijn slecht in het verzoenen van tegenstellingen bij gebrek aan filosofische opleiding.
Een of andere schoolmeester laat horen dat het opdoen van ‘kennis’ schromelijk tekort schiet in de lagere school en dat we die door ervaring hebben vervangen, en daar schiet Vlaanderen wakker en al de schoolmeester-zielen in ons (hij heeft toch huiswerk genoeg, he meneer?) gaan aan het werk om de frustratie van je emoties te tonen eindelijk te kunnen wegvegen onder het tapijt van feitenkennis en spellingsregeltjes, zeg niet maar wel…

Kennis kan niet zonder ervaring, en ik ben er zeker van dat het dagelijkse ook niet zonder de zin voor het wondere, het mysterie kan.
Laten we die tegenstelling opheffen nu het sinterklaas is.
Wie de meester liefheeft, zal er voor zorgen dat hij/zij zonder fouten schrijft, want liefde is de enige drijfveer tot kennis.

dyn004_original_287_264_gif_20344_9cf0251be333f6ff96ab04f7e5f818ee

En als je nu aan allerlei andere dingen denkt, dan duidt dat op de eerste plaats op je eigen donkere geest die blijkbaar steeds weer op zoek is naar een nestje om zijn stink-eitjes in uit te broeden.

Dat we dus wetenschap ten zeerste kunnen gebruiken om onze drang naar diaboliseren en idiolatrie te leren herkennen en in goede banen te leiden, mag duidelijk zijn.

Tenslotte zijn we het stadium voorbij dat oerangsten de wetgeving bepalen, dat heksen sowieso bestaan en dus verbrand worden, dat duivels op de loer liggen, dat kardinalen zelfs niet meer blij zijn als de mensheid nog ‘iets’ ziet in het goddelijke in plaats van ‘niets’.

Dat ‘iets’ is niet onbelangrijk en moet niet dadelijk met een naam worden beklad.
De onnoembare is ook een mooie naam voor de goddelijke presentie.
Maar we vertrekken steeds weer van ooit opgedane ‘kennis’ terwijl we de ervaring vergeten waarin mensen op zoek kunnen gaan naar de aspecten van dat ‘iets’ en het dan telkens weer een naam mogen geven waarin ze zich erkend voelen.

Sinterklaas heeft nog veel werk.
Hij hoeft niet terug naar Spanje.
Hij mag tot lang na driekoningen voor het wonderlijke een dankbare aanleiding zijn.

Dek dus rijkelijk de tafels deze donkere dagen.
brand kaarsen, hang de boom vol lichtjes, vertel verhalen, zing liedjes, luister naar de wind in de bomen, en zie de maan door hun kale kruinen schijnen.


EEN GOEDE VRIENDIN

cover-savonnieres_sous_la_neige_05-03-06_004

Een goede vriendin, wie zal haar vinden?

Zij praat je niet naar de mond,
maar ze houdt ook haar mond niet als je in nood bent.

Haar woorden zijn bescheiden
maar haar blik scherp.

Haar wijsheid is trefzeker
en haar glimlach spreekwoordelijk.

Steeds op tocht
wordt zij door de stand-vastigen gevreesd.

Zij haalt met liefde de grond onder je voeten weg
en haar vraagtekens zijn kogelgaatjes
in je jas van onverschilligheid.

Ze moet het niet hebben van uiterlijk vertoon,
maar haar verschijnen maakt de minzaamheid wakker.

Haar vriendschap is een kogelvrije vest,
voor de giftongen heeft zij een kranig woord.

Zij draagt het leven op het verhoogje van haar humor,
je verlatenheid versiert ze met een zoete lauwerkrans.

Ze gelooft in haar ervaring,
en voor de schamperen heft ze haar schouders op.

Ze plundert de banken waarin wij het groot gelijk verzamelen,
en deelt de overschot ervan uit aan de behoeftigen.

Een goede vriendin,
ik heb haar gevonden,
en weet dat ik nooit alleen mijn paard moet zadelen.