EEN NUMINEUS MOMENT IN BRUGGE

swan

Op weg naar mijn werk, nog vroeg in de morgen naar mensenmaat, zag ik in de stilte van de toeristloze stad vier zwanen op een rij naar mij toe zwemmen.

Ik stond op de brug.
Ze gleden geluidloos onder me door.

Het was koud maar zonnig.

Ze keken me even aan en vervolgden dan ongestoord hun weg.

Het water rimpelde.
Daarna weerspiegelde het opnieuw de kille blauwe lucht.

Er komen weer duizenden mensen langs.
Vaak zijn de voorwerpen van mijn collectie een vertrekpunt om over het verleden te babbelen.

De voorouders vergezellen ons.
Ze kijken over onze schouders mee naar al het moois dat ze aan ons hebben doorgegeven.

Zoals de zwanen op een rij in minder dan enkele seconden tot het verleden behoorden, blijft hun beeld in mijn dag gebrand om het daarna in de kleine schatkamer van het numineuze op te slaan.

Het verleden kent geen tijd.
Wij vergissen ons als we denken dat het ‘voorbij’ is.

Ook de doden zijn niet voorbij.

Ze zijn bij ons.
Koester daarom de schoonheid die we mogen doorgeven, zei de antiquair wijs.

De geboorte van een kind is een merkwaardige gebeurtenis.
Kerstmis.

Dat kind dat ook niet voorbij is.

Ik koester het in mezelf.

De poorten zwaaien open.White Christmas bij vijftien graden celsius.

De zwanen waren wit.

Het sschilderij is van de New Yorker Luke Dougherty

Ik hoop dat je ook een moment van dergelijke diepe rust magmeemaken in je New Yorks leven.


EEN GLIMLACH VAN EEN ENGEL

17_faces.L

Ik stuur je de glimlach van een engel die dicht bij jouw werkplaats in New York verblijft (Metropolitan!) net zoals onze houten engel hier de collectie introduceert.

Die glimlach betekent al een zekere waarborg op de hemelse kwaliteit, of hoort hij helemaal bij ons, en gaven wij hem vorm in de hoop dat onze illusies werkelijkheid worden zoals het houten jongetje van Gepetto een heus knaapje werd?

Deze engel zou uit de Notre Dame van Parijs komen, maar ik denk eerder dat hij met zijn geschonden gezicht ons wil bewijzen dat de glimlach het blijft halen op de schone schijn waarin we ons wentelen.

Drieduizend mensen per dag trekken hier voorbij.
Ik leer veel van hen, ik wou dat ik mijn schetsboeken bij had en de tijd om hun blikken en levens in een schets bij te houden.

Die glimlach mag je begeleiden bij al je werk, want een engel die glimlacht weet dat god van humor houdt.

De eerste bezoekers komen binnen!


EEN ZWERVEND BESTAAN

apple blossomseed travellersDeze appelbloesem van Yvette Molina kondigt mijn zwervend bestaan aan.
Het zal wel sinterklaas (6december) zijn eer ik weer terug in de veilige schuilplaats ben van waaruit ik de innerlijke reizen onderzocht en jouw New Yorkse brieven las.

Molina schildert op aluminium.
Haar appelbloesems zijn zoals mijn gedachten: in de knop.

De nachten zijn koud, het weer is guur, het is november, een slechte tijd om te reizen dus.
Maar ik wil mijn collectie graag ten toon stellen, ik wil, met de nodige angst, ervaren of wat ik koester, ook door anderen wordt gekoesterd.

Het andere werkje heet: seed travellers.
Uit de mist komen de zaaddragende uitgebloeide bloemen, klaar om op reis te gaan, om waar de aarde genadig is, weer wortel te schieten.

Dat is de ultieme reductie.
Het sluiten en heropenen van een kringloop.

De eerste dagen zijn hectisch, het opbouwen van een stand, de voorbereidingen, weer wennen aan het nomadenbloed.

Mijn berichten zullen dus even uitblijven of op onverwachte tijdstippen je bereiken.

Nu en dan breekt de lage novemberzon door het grijs.
Waar ben je thuis?


FILOSOFIE VAN HET LANDSCHAP

road to weatherhillDe titel is ook de titel van het gelijknamige boek van Ton Lemaire, en de schilderijen zijn van de Amerikaan Brett Osborn (1963), ook in de hedendaagse kunstscene van New York nog steeds aanwezig.

‘Wijsbegeerte en vergezichty, beide ontmoetingen met de horizon van ons bestaan, zijn uitoefeningen van de zin voor het algemene, het omvattende, het universele; ze vragen van ons dat we de beperkte kring van onze dagelijkse praktijken overschrijden.
Hij die bevangen blijft binnen de ruimte van zijn arbeid heeft geen oog voor het landschap en geen zin voor filosofie.’

(Ton Lemaire, Filosofie van het landschap, Ambo Bilthoven, 1970

En in combinatie met Osborns werk:

‘Brett Osborn paints landscapes from memory. The artist grew up in rural Wisconsin where he felt the presence of latent energies and the rooted histories of forebears. These haunting experiences left an indelible impression and guided the creation of these paintings. Scenes of rolling hills, a cloudy grassy plane or a wooded lake are reminiscent of the Midwest. Yet, as layers of experience influence memory, each painting shows Osborn’s visceral response to the remembered landscape without being overly nostalgic or specific.

Het landschap als ruimte waar steeds nieuwe horizonten ons dieper in zijn schoot laten komen, het numineuze door toedoen van de open ruimte, en het landschap als geheugen, als constante in de tijdelijkheid waarin onze levens zich voortbewegen.

En zijn we dan vergezeld van Petrarca die in 1336 de Mont Ventoux beklimt, de opgang van de kristenheid naar een nieuwe wereld, een heroriëntatie van het oude Europa zoals Lemaire het uitdrukt?

Hier wordt de berg beklommen uit esthetische, filosofische redenen, niet alleen om praktische.

dyn005_original_640_465_jpeg_20344_006bd301df7866b3dfbce281d3032f46

En steeds vindt op de top die ontmoeting plaats tussen Augustinus en Petrarca, tussen de oude wereld die we net verlaten hebben en de nieuwe die we overschouwen.

‘In de westerse schilderkunst is de eksplosie van de besloten middeleeuwse ruimte af te lezen uit de ontwikkeling van de landschapsschilderskunst; het verschijnen van het landschap op de 14de-15de-eeuwse schilderijen is symptoon van een diepgaande verandering van de westerse ruimte en dus van de kristelijke levensvorm in zijn geheel.
Het zal mijn tese zijn dat met deze verschijning van het landschap in beginsel de verdwijning van het kristendom als levensvorm heeft ingezet, omdat de zichtbaarmaking van de horizon-waarin het schilderen van het landschap bestaat- in feite de transcendente god zal doen vervagen, en dat de westerse god tenslotte zal verdampen inhet felle licht van het impressionisme en ekspressionisme.’

(Ibidem, p14-15)

Niet alleen de stugge vertaling dateert uit 1970, maar ook de beperkte horizon die bij het expressionisme ophoudt, en waar de vraag naar de voortdurende terugkeer van het landschap niet eens gesteld wordt.

Wellicht zijn we intussen verder gevorderd in het denken of aanvoelen dat de transformatie van de cultuur eerdere begrenzingen of deelgebieden heeft laten vervagen, al zag ik tot mijn verbazing dat in ‘Morgen beter’ bepaalde wetenschappers nog altijd met de vraag van Gods bestaan of niet bestaan zijn blijven worstelen.

Ik vermoed dat we toch weer eens de volgende heuvel moeten beklimmen, niet om ter eerst boven te zijn, maar met de wetenschap dat het vergezicht elk ogenblik van de dag veranderingen ondergaat terwijl ons denken en aanvoelen diezelfde flexibiliteit schijnt te ontberen.

Gij bad op enen berg alleen, die prachtige tekst van Guido Gezelle, is daarvoor een mooie motivatie.

We denken dat er per se iets op die berg moet gebeuren.
Wij willen zo graag tot inzicht komen, maar het is juist die wil die dat inzicht in de weg staat.
Laat het landschap gebeuren.

farm fieldsTelkens ik de weg naar het landhuis indraai is er dat moment van het totale overzicht, een reminiscentie met Florence, heuvels die weer andere heuvels verbergen en zichtbaar maken.

Ik kan dat beeld niet beschrijven.
Ik ken het al jaren.
Ergens in die schoonheid staat het huis waarin we weer verder leren kijken (dan de eigen vrij dikke neus lang is)

En daar denk ik aan Gezelle of aan Lemaire, of aan zovelen die de heuvels als uitgangspunt of toegangsdeur voor hun kunst hebben gevonden.

Nog jonger verbaasde ik mij er over dat het mij niet altijd gegeven was om enig verheven idee bij deze waarnemingen te ontwikkelen.
Dat was ons zo geleerd.
Alles had zijn nut.
Ook de moraal en de religie.

Veel ouder leerde ik de waarde van het onnutte kennen, het be-schouwen.
Dat is niet zo makkelijk als ik het hier voorstel.
Het is ook niet het boedhistische leeg laten lopen om je met het goddelijke t vullen.
Klinkt allemaal heel mooi, maar begin er maar eens aan!

Het is deel worden van dat grote lichaam, dat mystieke lichaam waarin wij als bewegende vlekjes de pretentie hebben dat we de wereld naar onze hand kunnen zetten.

Het is gewoon kijken.
Deel worden.
En als je deze week geen tijd of rust vindt, kijk dan naar deze schilderijen.

En het feit dat je nog bezig bent met de voorbije zondag of de vuilniszak die je vergeten bent buiten te zetten, mag geen bezwaar zijn om te kijken.

Wat daarna kan gebeuren is een geschenk.
En ik ben nu eenmaal sinterklaas niet.


DE TUSSENWERELD

erick_swenson_untitledDe combinatie van de Texaanse kunstenaar Eric Swenson (1972) en mijn betoog over de ‘tussenwereld’ is net zo toevallig als de brug tussen de fotomontages van Castellanos en de numineuze ervaringen van Nescio en Bomans.

Want Swenson wil helemaal niet de weg van het ‘heilige’ of het mythologische opgaan.
Hij noemt zijn werk ‘an advocate of a sad song’.

Swenson has a keen sense of realism as labor-intensive artifice. He also describes himself as “an advocate of the sad song.” When pressed, his definition of a “sad song” was “those songs that are ridiculously true.” That’s a phrase that neatly captures the experience of his installations. I think of those songs that teeter on the edge of mawkishness but are rescued by superlative technique. Swenson’s always vulnerable creatures may play out their extreme dramas in a realm that draws equally from the Discovery Channel and Cartoon Network, but they embody good stories well told, and I always find myself rooting for them.

Het banale, maar dan geloofwaardig gemaakt in een verfijnde techniek.
Anderzijds de verwantschap tussen een goed verteld verhaal, ook al hebben ze dan een tekenfilmallure of horen ze thuis bij Discovery Channel.
Het gaat duidelijk om het ‘goed’ vertelde, de story.

Je hebt hoe dan ook te doen met het bevroren sneeuwwitte hert, zijn kwetsbaarheid mag inderdaad met Bambi verwant zijn, maar de verfijnde techniek van de installatie verheft het tot een indringend beeld.

Met Tjeu van Den Berk schakel ik nu over naar de Britse dieptepsycholoog en kinderpsychiater Winnicott.

Winnicott ziet een alledaagse objectieve werkelijkheid, die correspondeert met een dito subjectieve werkelijkheid en daarnaast plaats hij een derde werkelijkheid, de werkelijkheid die bestaat in de verbeelding, de illusie.

Dat woord illusie roept inderdaad weerstand op.
Zijn leermeester Freud maakte er zijn levenswerk van illusies te ontmaskeren, maar Winnicott kwam tot de overtuiging dat de illusie de motor vormt van de geestelijke gezondheid van een mens.

dyn002_original_510_371_jpeg_20344_9bd8a55af6a77800e640c82373869ef6

Tussen de buiten- en de binnenwereld creëert de mens, zeker als kind, een overgangswerkelijkheid.
Kinderen kunnen ten zeerste gehecht zijn aan triviale voorwerpen zoals een doekje, een knuffel waartegen ze zich aanvleien, aan wie ze alles vertellen.

Hij noemt die tussenwereld ‘ a transitional sphere’.
Via het object maakt het kind een ruimte vrij tussen de werkelijkheid en haar subjectiviteit.

Winnicott zegt dat dit projecteren van zo’n illusionaire werkelijkheid niet aan kinderen is voorbehouden.
In onze volwassen wereld werken wetenschap, kunst en religie met gelijksoortige ruimtes, in die zin dat ze voortkomen uit de illusie.

Hier betekent ‘illusie’ dus niet vergissing of dwaling, maar een werkelijkheid die een symbolische betekenis heeft, een overgangssfeer die tegelijkertijd rationeel en irrationeel is.

‘Het was een imaginatieve prestatie zonder weerga van Copernicus te beseffen dat de zware aarde bewoog, van Newton dat zwaartekracht de hele kosmos bijeenhield en van Darwin om tot het bestaan te concluderen van een selectiecriterium dat miljoenen jaren van evolutie verklaarde.’

(Tjeu van den Berk, Het numineuze, p244)

De illusie als drijvende kracht, als pijler van het innerlijke leven.
En je begrijpt al dadelijk dat onze opvoeding vaak ver van deze impulsen vandaan blijft.

Ons wantrouwen voor de fabel, het fabuleren en de mythologie maakt ons tot angstige wezens, want de werkelijkheid zoals we denken dat de wetenschap ze heeft vast gelegd is in zoverre onbeweeglijk dat ze als uitkomst geldt van een onderzoeksproces, als impuls om verder te gaan terwijl wij haar ‘van buiten’ leren als fait accompli zonder haar verder te bevraghen of de verbanden te ontdekken die er bestaan tussen de uitkomsten van deze zoektocht en datgene wat de hedendaagse mens drijft.

Onze onderwijsinstellingen zitten nog volop in de 19de eeuw, en al zijn er hier en daar gebouwen gemoderniseerd, het schoolse denken zit nog steeds geklemd tussen ideologische muren, de leer van de religie of het atheïsme, twee religies die het filosofisch onderzoek grondig in de weg staan omdat ze vanuit dogma’s vertrekken, god bestaat, god bestaat niet, en wie mag god dan wel zijn vroeg mijn zesjarig kleinkind zich terecht af.

dyn002_original_510_391_jpeg_20344_504c541d5a5f8a1726eeeba6207de1a6

‘Viewers may now project at will onto this image of a young buck spoiling the carpet. I, for one, am on his side. In two separate incarnations, the little fawn Muncie was seized by that sinister opera cape, as if in some Draculean variation on the story of Zeus and Ganymede. Now nature has its revenge on culture, and mating season is just around the corner.’

En daarmee zijn we terug bij Eric Swenson.
Zijn beeld van de jonge herten roept bij de kijker bijvoorbeeld het gevecht tussen cultuur en natuur op, en hij verbeeldt dit in die derde wereld, de overgang tussen werkelijkheid en subjectiviteit.

Hoe je ook deze werkelijkheid probeert te beschrijven, de beelden die Swenson hanteert doen beroep op ons vermogen tot ‘diepte-denken’, tot ‘aanvoelen van de diepste werkelijkheden’ zonder dat er één woord bij te pas komt.

Het is bij uitstek een vermogen dat kinderen eigen is maar dat we zonder schaamte laten afsterven en vervangen door dorre gegevens en werkelijkheden die op zichzelf kostbare schatten kunnen zijn, maar die in de handen van de verkeerde tovenaar het jonge hert bevriezen en voor geestelijk dood achterlaten in de grote sneeuwvlakte.

En dat die verbeelding net zoveel werk en inspanning kan vragen als het goed je best doen op school mag blijken uit dit citaat omtrent Swensons werk:

‘While the creatures often look manufactured, in fact Swenson himself has done all of the work by hand. Using anatomical books as research material, Swenson adjusts and readjusts steel armature until the figure looks as it does in his mind’s eye. He then sculpts a model, makes a mold, and casts the piece in plastic. Each work is brought to life through the application of paint (and in the past hair and costumes), and through theatrical presentations in the gallery.’

Ook de verbeelding heeft zijn prijs, al kan het urenlang spelen met kartonnen dozen temidden van het dure speelgoed een aanwijzing zijn dat het ware spelen zich in het hoofd afspeelt, de tussenwereld als speelplaats.
Ze zichtbaar maken is de taak van de kunstenaar, de sjamaan, de wetenschapper.


KLEINE MOMENTEN VAN VERRUKKING

dyn003_original_258_271_jpeg_20344_e2a5b324e1815ef86c7193b36f1482ed

Hier staan ze met zijn allen.
Als kind vond ik dit vooruitzicht van een eeuwig loven en prijzen van mijn ‘Schepper’ niet dadelijk een leuk vooruitzicht.
Ik zie al een kringetje rond mijn heilig hoofd getrokken als ik dan een kaartje zou sturen naar het vagevuur waar de minder gelukkigen hun beurt afwachten om eeuwig heilig, heilig, heilig te komen zingen.

 

Ik verklaarde dus mijn voorkeur voor de hel want daar was dan toch nog iets avontuurlijks te beleven, dacht ik.
Wacht maar tot je er bent, zei mijn moeder.
Je zult eeuwig spijt hebben.

Het was dat ‘eeuwig spijt hebben’ dat bij een baten en kostenanalyse wel even doorwoog en mij de witte vlag deed hijsen, dan maar het loven en prijzen waarmee ik als koorzangertje intussen wel enige ervaring had opgedaan.

dyn003_original_229_304_jpeg_20344_5e264b92df367c4003fe926db73471f5

Van je paard gebliksemd worden was er echter niet bij.
Ik keek gedurende de vele heilige missen naar de gebrandschilderde ramen, zag hoe Jezus de heilige Pettrus uit het water viste toen hij zijn stunt van over het water lopen wilde herhalen (bij tekort aan geloof) en zuchtte diep.
Het heilige was niet erg uitnodigend.
Maar de hel als alternatief trok me ook niet aan, zeker niet na de griezelverhalen van zuster Anna die ons de hel zo kleurrijk voorstelde dat ik met open mond zat te luisteren en haar daarna onschuldig vroeg:
‘Hoe weet u dat zo goed, zuster? Is u daar zelf geweest?’

We leefden in de jaren vijftig.
Ik vond het kerkgebouw zelf wel bijzonder.
Zeker als er geen erediensten waren.
De grote ruimte, het licht en donker.
Een groot gevoel voor drama van al die voorouders sprak ook mij wel aan.

dyn003_original_392_500_jpeg_20344_09de43033d308ac804e207cb16ba6033

Mijn vader verzamelde Soubry-punten waarmee hij dan ‘reproducties’ bestelde.
Hier ging de hemel voor de eerste keer open.
Van Dijck was mijn eerste ervaring, zijn vrouwelijke mannelijke portretten vond ik mooi.
En Rembrandt.
Donkerte waaruit een mysterieus licht de heilige familie zichtbaar werd.
Jozef is aan ’t werk, Maria geeft het kind de borst, geassisteerd oor haar moeder Anna.
Het huis, een zinnebeeld van de wereld is veilig maar tegelijkertijd met mysterie gevuld.

En uit Vondels lucifer las ik de voor mij toen onbegrijpelijke woorden:

Wie is het die zo hoog gezeten,
Zo diep in ’t grondeloze licht,
Van tijd noch eeuwigheid gemeten,
Noch ronden, zonder tegenwicht,
Bij zich bestaat, geen steun van buiten
Ontleent maar op zich zelve rust.

Het was een boek van mijn vader.
Met rode letters liet de naam LUCIFER iets heel anders vermoeden dan die dingen waarmee een sigaret ontstoken werd.

En Jozef in Dothan lag er ook:

De zon verlaat de kim veel schoner dan zij plag.

Onbegrijpelijk voor een jongen van elf.
Maar het drama van Jozef kende ik wel.
De broers die papa’ s lieveling in de droge put dumpen.
Het zou enkele jaren later in het schooltheater worden opgevoerd, met de zes sprekende en de zes zwijgende rollen, en het jongetje als Egyptisch slaafje.

Het leven was immers drama.
Het verstoren van de orde.
En het metafysische werd onbewust geleefd als je door de bossen liep, of als je naar de sterrenhemel keek, of bij een zomerse regenbui de boomgaard rook.

‘ ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat nooit in een mensenhart is opgekomen, heeft God bereid voor hen die Hem liefhebben’

Dat metafysische, datgene wat huivering verwekt, zoals Paulus het hier uitdrukt, dat besef je niet in het paradijs van je jongenstijd.
Je moet eerst uitgedreven zijn, de tuin van eden achter de rug hebben, en dan pas begrijp je waarom Proust zoveel woorden nodig had om de weg terug te vinden.

Dennenbomen, de wind in hun kruinen (naar wat de dennen fluisteren…) dat moment dat hij het, liggend op zijn buik in het buntgras, hoorde, voor de eerste maal de stem van de wind hoorde spreken, was al een benadering, een rimpel op het water, het meer uit zijn kinderdromen dat hij later Saiwa zou noemen.

En waartoe zijn wij op de aarde?
Kijk naar het mooie werk van David Janssen, ‘Destination’ en vermoed het antwoord: op zoek naar een bestemming.

Het is lopen in de mist.
Het beroemde ochtendgrijs.

Tot de dagen dat je begon te vermoeden dat liefhebben ook aanraken was.
Strelen.
Kussen.
Gestreeld worden.
Gekust worden.

De naam van de geliefde schrijven en herschrijven.
Zijn foto koesteren.
Opgetild worden, en weten dat het tremendum et faciosum je voortdurend als tweelingen vergezelden.

Het zijn enkele aanduidingen die me verbinden met de teksten die we bespraken.

De schoonheid, het moment van van vervloeien.
De stilte.
Maar boven al liefhebben.


‘ K WEET NOG HEEL GOED HOE ‘T BEGON

Weather_SignTjeu Van den Berk begint zijn boek ‘Het Numineuze’ met een lang citaat uit Nescio’ s ‘Verzameld Proza’, Nijgh & Ditmar A’dam 1996, p158

‘God erbarme zich over de cynici. Ik ben nu cynicus. Misschien was ’t beter als ik maar helemaal gek geworden was of overreden door de tram, wat dikwijls bijna gebeurd is.
Vroeger was ik dichter. En als cynicus zeg ik: ’t was geen lolletje, voor mij niet en voor niemand.

‘k Weet nog heel goed hoe ’t begon. ’t Was in de eerste week van October, tegen half zes. ’t Is daarna nog vele malen October geworden en ontelbaar vele malen half zes geweest.
‘k Was toen vijftien jaar en zat op een bank in Artis met korte broek aan.
Dat moet mij als cynicus nu juist gebeuren, dat ik ’t over Artis moet hebben.
Maar zoo was ’t toch.
Ik zit op een bank in Artis. Er was niemand meer, ’t was er zoo stil en de bladeren van de boomen ritselden.
In de verte kraakte ’t grint, ergens werd een emmer neergezet op een houten vloer, ik hoorde’ t maar zag ’t niet.

Langs de stam van een hoogen boom keek ik naar boven en zag dat de avond niet viel, want ’t was boven lichter dan beneden. De bladeren trilden en draaiden heel even en een geel blad liet los en viel op ’t grasveld. Toen voelde ik dat alles goed was en dat er nog iets komen zou, later.
‘k Voelde tegelijk een groote tevredenheid en een groot verlangen. En de zekerheid dat deze dag nooit terug zou komen.

Toen kraakte ’t grint harder en een man zei: “Jongeheer, U moet eruit, we gaan sluiten.’

God erbarme zich over de cynici. ‘k Wilde dat ik nog eens bijna kon grienen zonder te weten waarom en hopen op iets, dat nooit komt.”

Dat was zijn numineuze ervaring

De kern is niet te beschrijven, is irrationeel en zijn naam Nescio -ik weet het niet- is al een programma-verklaring.

Certral EnclosureLangs de ene kant de nauwkeurige waarneming van plaats, geluid, details van het moment, en langs de andere kant het niet kunnen duiden van het moment en zijn impact.

Kun je zelf ook zo’n moment uit je kinder- of puber-tijd voor de geest halen?
Ik denk dat er vele mensen zijn die dat kunnen.

Godfried Bomans beschrijft ook zo’n moment (Werken VII)

‘Ik liep langs het water van de Spaarne. Het sneeuwde en het was vijf uur. Ik zelf was zeven. Je kon nog alles zien: de witte daken, de grijze hemel, een man in een portiek, de fijn getekende ophaalbruggen.
Er was de verschrikkelijke, ademloze stilte, die er alleen is als het sneeuwt. Die paar geluiden die er nog waren, klonken gewatteerd, alsof de wereld in een doos met houtwol lag opgeboren.
De bomen stonden spookachtig om me heen en er krijsten wat meeuwen. Ik stond aan de rand van het water en opeen gebeurde het.
IK WAS VERBIJSTERD.
Ik zag geen bomen, maar groene pilaren met een pluim erop. Ik zag geen water, maar een plaat van grijs staal. Alles was nieuw. Alles was totaal onbegrijpelijk. Ook ikzelf. Ik keek langs me heen. Ik zag twee benen, die in stukken leer eindigden en dacht: zo ver loop ik nog door.
Ik zag twe ehanden en dacht: IK BEN IK. Maar wie ik?
Plotseling stond een wezen, dat op de griffeldoos met G.B. werd aangeduid, in een volkomen onbekende wereld. De dingen hadden geen naam meer, de etiketten waren afgevallen, de naambordjes stonden niet meer op de bomen, de meeuwen, de daken en de wolken. Ik zag alles voor het eerst, als een pasgeborene. Waarvoor diende het allemaal, wat was de betekenis van de dingen? En vooral: waarom ben ik er en wat doe ik hier eigenlijk? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik heen? Uit die panische radeloosheid wordt elke godsdienst geboren.

Enkele dagen na mijn geboorte, op 8 februari 1944, schrijft Pavese aan zichzelf dit:

‘Het moderne begint bij jou in je gevoel voor het irrationele.’
En een dag eerder: ‘Jouw probleem is dus het waarde verlenen aan het irrationele. Jouw dichterlijke probleem is er waarde aan te verlenen zonder het te ontmythologiseren.’

Als bij toeval stelt de jonge Bradley Castellanos zijn werk nu in New York ten toon, werk dat naar mijn mening grote overeenkomsten vertoont met de inhoud van onze gesprekken.

Schrijf me maar wat je denkt, al weet ik dat er drukke dagen voor je aankomen nu je je huis gaat verlaten om als antiquair op een beurs aanwezig te zijn.
Of die ervaring ook zo ‘numineus’ is, kan ik je niet voorspellen!


TUSSENTIJDS

Half-Way

Half-Way heet deze collage van Bradley Castellanos.

Ik breng je maandag meer beelden en een verhaal daaromtrent.


Was uit beton ontsproten
de bloem van onvolkomenheid,
maar met dat rood
waaruit soepen
en klaprozen zijn bedacht,
of het vergoten bloed
van alle heilanden samen(maggi en magie)

Mocht ik halfweg
je op een avond onder de spoorwegbrug
kussen
mijn god, terwijl de orient-express
boven onze hoofden dondert
en de magazijnen van ons hart
met manna voor de woestijndagen
worden gevuld.

Is dit het razen van de tijd?
Dit luxueus vergeten (mag ik deze dans van u?)
dit voortijdig al begraven
van ongedroomde dingen
zoals daar zijn: het afgebladerd geel
van de loodsen waarin wij schuilden
toen de straten ontploften
en het weldoende oog van oude zeden
zelfs de betonnen bloemen besmette.

Ooit was ons Manhattan
een feest van stoeten
(de oude dranghekken staan werkeloos)
en zelfs de middernachtelijke treinen
hadden de smaak van San Francisco
in hun hijgend stampen verborgen.

Nu is er nog die ene bloem.
Flora vulgaris.

Wie haar niet ziet,
kent het geduldige lied niet
van het tedere asfalt.

Zit je in de Orient Express,
terwijl ik onder de brug
al eeuwen
op je wacht?

Half Way, hoor ik je zeggen,
toen ik in je armen woonde.


HET LANDSCHAP VAN DE ZIEL (4)

Dead_Island

‘Hier terug zijn, tegenover en te midden van mijn heuvels, is iets wat me altijd, maar deze keer meer dan ooit, diep beroert.
U moet weten dat bepaalde oerbeelden zoals de boom, het huis, de wijngaard, het pad, de avond, het brood, het fruit, enz. me op deze plaatsen voor het eerst zijn geopenbaard, of liever dat op deze plaats op een zekere tweesprong waar een groot huis staat, met een rode traliedeur die knarst, met een terras waarop het kopergroen terechtkwam waarmee de pergola werd bewerkt, en waar mijn knieën altijd vuil van waren; en daarom geeft het terugzien van deze bomen, huizen, wijnstokken, enz. me een gevoel van buitengewone verbeeldingskracht, alsof het absolute beeld van deze dingen nu in me geboren wordt, alsof ik een kind ben, maar dan een kind dat in deze ontdekking een rijkdom aan echo’ s, aan situaties, aan woorden, aan terugkomstgen, aan verbeelding kortom met zich meedraagt, die werkelijk mateloos is.’

(Cesare Pavese, Leven als ambacht. dagboeken en brieven, met een voorwoord van Patricia de Martelaere, vertaling Anton Haakman, De Bezige Bij, A’dam 2003)

Vind je het werk van Bradley Castellanos (1974) hierbij ongepast?
Je vertelde mij dat hij op dit ogenblik in New York tentoonstelt, dus vond ik zijn schilderijen (of beter zijn fotocollages met allerlei andere media aangevuld) een treffende tegenstelling -als ze dat zouden zijn- met de stellingen van Pavese die eerder een beeld van gisteren zou oproepen, even terug dus naar de doeken van John Beerman.

Pavese schrijft zijn tekst op 25 en 27 juni 1942 aan een jonge studente, Fernanda Pivano die hij al van 1939 kent en met wie hij (ik citeer Tjeu Van den Berk) intiem bevriend is.

Het landschap is niet alleen een verzameling fysische elementen, maar hij noemt het een mythe, naar het voorbeeld van de Oude Grieken. (later zullen uit die mythe-opvatting zijn Gesprekken met Leuco verschijnen).

Het is een personage, een absoluut beeld van de dingen die hij in zijn kinderjaren heeft opgedaan en die hij nu als volwassen man uit zijn onderbewustzijn terughaalt en bewust ervaart.

‘We hebben universele mythes van de verbeelding nodig, om deze ervaring die mijn plaats is op de wereld op grondige en onvergetelijke wijze uit te drukken.’

En nu naar Tjeu Van den Berk:
Voor de moderne mens, ook al kan die niet langer meer in de mythen geloven, blijft in de kern die werkelijkheid echter nog even onbegrijpelijk en onuitsprekelijk als zij voor de ‘ouden’ was.
Daar hij geen sacrale antennes meer heeft uit staan, wordt hij ironisch, sceptisch, ja cynisch.
Pavese stelt dat ironie voor de oude moderne mens, die het oude geloof in de mythen als bijgeloof heeft afgezworen, onontkoombaar wordt.
“De grote moderne kunst is altijd ironisch zoals de antieke religieus was.”
(en dat was dan een citaat van Pavese uit 1942)

(Tjeu van den Berk, Het Numineuze, Meinema, Zoetermeer, 2005)

Je hebt dus aan de ene kant het irrationele van de mythe en aan de andere kant de logos, het proberen bewust te worden van de kern der dingen.

Nu en dan gebeurt dat op een onverwacht moment, een van je paard gebliksemd worden, een moment dat alles samenvalt.
Niet dat je plotseling grote inzichten krijgt, neen, het is een niet verklaarbaar gevoel van diep geluk, een samenvallen van ratio en irrationaliteit, zonder concrete aanwijzing, vaak in je kinder-puberjaren, omdat je dan nog openstaat voor dit eidetische waarnemen.
Bijna iedereen van ons kan zo’n herinneringen oproepen denk ik.
En het is zo’n moment dat we “Het Numineuze” noemen, een woord dat is uitgevonden door Rudolf Otto, een groot denker die we later zeker nog zullen terughalen in ons discours.
Maar nu eerst Van Daele:

Numen: onpersoonlijke hogere macht, knik, goddelijke openbaring als afkomstig van wat totaal anders is.
En citeert dan Gerard Reve:

“Vandaar dat zij, als een immer wenkend en immer dreigend numen, hem fascineerde en obsedeerde.”

Otto schrijft:
‘Wanneer men van omen omineus kan maken, dan ook van numen numineus.”

Laten we dus maar even huiveren, beetje de wenkbrauwen fronsen mag ook al, maar we zijn nu eenmaal deze weg opgegaan, en dan is het inderdaad omijken in verwondering.


HET LANDSCHAP VAN DE ZIEL (3)

donkere wolkenGraag open ik met een fragmentje van Komrij ook geciteerd in het boek van Tjeu Van den Berk ‘Het Numineuze’.

‘Het is alsof de mens er maar niet aan kan wennen, er over één en hetzelfde meerdere, vaak tegengestelde opinies op na te houden-vandaag deze, morgen die.
De dood mag voor hem niet verschrikkelijk en geruststellend tegelijkertijd zijn. Hij kan de walging niet als aangenaam ervaren. Of omgekeerd.
Hij is, als volgeling van links, niet in staat te accepteren dat rechts verstandiger is. Of omgekeerd.
Hij kent de mogelijkheden niet om de intense schurkachtigheid van de mens te bewonderen en te honen. Een goddeloos geloof in God is hem vreemd.
Hij beschouwt zoiets niet als zijn natuurlijk staat.
Hij wil een systeem. Hij wil harmonie. Dus plakt en lijmt hij koortsachtig.’

(G. Komrij, De gelukkige schizo, Arbeiderspers A’dam 1985)

Zo hoorde ik enkele dagen geleden een zekere wetenschapper in het televisieprogramma ‘Morgen Beter’ vrij onaardig plakken en lijmen.

De stelling dat vooral jonge mensen homofoob waren, werd door hem aarzelend bijgetreden maar het was duidelijk dat de bebaarde denker niet het achterste van zijn onfrisse tong wilde laten zien.

‘Ze mogen homosexualiteit toch niet opdringen. Je mag niets opdringen. Opdringen is altijd verkeerd,’ zei de wetenschapper.
‘Je mag toch blijven zeggen dat je het vreemd vindt, enfin twee mannen die…’

Lachen was hier op zijn plaats, en in het teken van de paradox zou ik tegelijkertijd bittere tranen kunnen plengen.

Het was alsof een druppeltje van een tsunami werd beschuldigd.
Wie de media één of meerdere dagen volgt, van nieuwsgaring tot reportages en speelfilmen, zal als zgn. hetero best aan zijn trekken komen.
Dat ‘opdringen’ klinkt dus dubieus zeker met de bekentenis dat je het vreemd mag blijven vinden, dat (cursivering van mij’) “tegennatuurlijke gedrag”.

dyn003_original_640_445_jpeg_20344_ff587120316973e3f5b65209644144c8

De onfrisse wetenschapper neemt mij niet kwalijk dat ik het gesmek, gefrazel en kontengeschud van de heterofiele medemens inderdaad ook vreemd mag vinden, of minstens not done zoals ik de ‘andere kant’ ook niet dadelijk een warm hart toedraag als hij/zij verkleed of niet voor zijn zogenaamde geaardheid zie uitkomen in welke parade dan ook.

Al worden we als mannetje vanaf onze kleutertijd geacht een vriendinnetje te hebben, zijn er programma’ s die ernstig op zoek gaan voor een hetero- lief voor de elfjarige medemens, en verschijnt er nu en dan een stel brave homo’ s om de vertederingsgevoelens van oudere dames te strelen, toch zal ik niet vlug het woord ‘opdringen’ in de mond nemen.
Er bestaat nu eenmaal zoiets als mannetje-vrouwtje en je wordt geacht ook als niet-wetenschapper na te denken en je eigen gevoelens van lust of walging aan dat nadenken te onderwerpen.

Ik zou kunnen poneren dat ik ten allen tijde mag zeggen dat wetenschappers niet ongewassen op de buis mogen verschijnen, maar weer steekt het nadenkende refleksje in mij de kop op en na enkele seconden denkwerk besluit ik dat gevoel niet aan de massa prijs te geven wegens totaal onbelangrijk en naast de kwestie.

Dus ja, je mag het vreemd vinden, je mag zelfs zeggen dat je ’t vreemd vindt, waarde wetenschapper, de gedachte is vrij, maar dan zou je, als mens en als wetenschapper aan het werk moeten gaan en besluiten dat er toch its schort met je wetenschappelijkheid en je medemenslijkheid, en daar iets aan verhelpen.

En wat die homofobie van de jonge keutels betreft, er was een tijd dat een handboek psychologie duidelijk poneerde dat homo-erotische ervaringen erg gewoon waren voor 11-18 jarigen, het waren zelfverkenningen waarna 9/10 van deze tijdelijke homo eroten tot de bekende club der hetero-geaardheden overging.
Men leze er het prettige boek van Dree Steemans op na en zal dan bemerken dat zijn vrijmoedige geest het niet heeft over een verzameling overtuigde ‘anders’ geaarden waartoe hij zichzelf rekent, maar dat de meesten van zijn al dan niet kortstondige partners nu door en door brave huisvaders zijn waarbij dus ook een of meerdere huismoeders zijn gaan behoren.

Dat was toen zo, en zal nu niet anders zijn al zal de aard van het puberale beestje zich nu niet meer zo vrij kunnen uiten wegens sociale controle en klimaatsveranderingen in het sociaal-ethische landschap.
En ja, niets wordt zozeer gehaat als eigen onderdrukte gevoelens.
De heer Hoover van de CIA kon er over meespreken.
Wat de mens ten allen tijde moet onderdrukken zal hij uitstorten op het hoofd van de anderen, want die zijn dan de schuld van zijn verboden gevoelens.

Daarover werd gezwegen en alleen de verstandigste van het viertal de Heer van Wallendaal (verstandige mensen mogen met naam genoemd worden) probeerde voorzichtig Nobelprijswinnaar Gide ten berde te brengen, maar werd zedig weggelachen door de moderatrice die als moeder overste met ‘…maar dat is toch heel wat anders,’ ieder denkend wezen het zwijgen oplegde.

Waarde soortgenoten van de menselijke soort, we zullen toch dat meervoudigheidsdenken moeten aanleren.
Stel je voor dat homo’s en hetero’s een soort uitvinding zijn van de classificatie dictatuur (wat je niet kunt classeren bestaat niet), stel je voor dat we allemaal een beetje van ’t een en een beetje van ’t ander zijn, en de ene een beetje meer van ’t een en de andere een beetje meer van ’t ander, tja dan zitten we bij de kern van het probleem.

Dan hoeven we niet meer te lijmen of te slijmen.
Maar dan zijn we op het gebied van het na-denken beland, en het citaat dat je een paard moet laten denken omdat het een grote kop heeft, doet mij alleen maar verlangen naar de tijd dat deze edele dieren ons hun herseninhoud laten delen.


De twee mooie schilderijen zijn van de Amerikaanse schilder John Beerman (1958)
Licht en donker, en toch zijn we op dezelfde planeet.


HET LANDSCHAP VAN DE ZIEL (2)

koe close

Eindigde ik gisteren met de contrejour waarop de koeien stonden, vandaag trek ik ze even dichtbij, laat ik ze binnenkijken.

Koeien zijn mooie dieren.
Ze hebben verschillende karakters.
Ze hebben een groot gevoel voor elkaar.
Er zijn heel wat vriendschappen in de kudde, en de dames weten met wie ze graag omgaan.

Voor ons zijn koeien in het beste geval degenen die bij het weide-landschap horen.
Ze verzekeren de melk- en vleesproductie.
Als we even nadenken beseffen we dat het niet dezelfde koeien zijn die jaar in jaar uit de weides bevolken.
Koeien verdwijnen.
Ze moeten naar het slachthuis.
Ze krijgen dan zo’n pin door hun prachtige kop, en ze worden met hun poten omhoog opgetrokken, gevild, geleegd, gespleten, kortom de vleesproductie gaat zijn gang.

Over kippen, konijnen, reeën, patrijzen en fazanten (de jacht is open!) zal ik wijselijk zwijgen.
Mijn grootvader was een fervent jager.
Van die soort die terug kwam met verhalen maar zonder wild.

Ik kan dus niet naar een koe kijken zonder dat ik de plek waar de revolver met de pin komt te staan kan vergeten.

Elk koeienhoofd heeft zo’n plek.
Als ik ’s nachts aan het open raam de grazende kudde hoor, zou ik ze willen toeroepen: hou op, je hoeft je voor mij niet vol te vreten, er is ook soja en er zijn weidepaddestoelen en brood met zeventwintig granen, en…

Of koeien ook in de hemel kunnen komen?
Koeien wel, lief kind, maar wij, daar twijfel ik aan.

Maar jij twijfelt (nog) niet.
Je zette je schoen want je moeder had je gezegd dat de heilige man op weg was.
Je maakte een tekening, je schreef in je eerste studiejaar-letters: ‘sinterklaas’ en vanuit mijn bed hoorde ik je ’s morgens vroeg naar die plaats trippelen en hoorde ik je stem:
‘Hij is geweest.’

Is er een mooiere metafysische uitspraak dan ‘hij is geweest’ en dat voor iemand die nog moet komen op 6 december en er nooit geweest is, maar altijd zal zijn?

dyn003_original_539_852_jpeg_20344_368c363cf8c696a73a1a9acc11141e76

Natuurlijk bestaat Sinterklaas.
Zoals God bestaat.
Natuurlijk geloven wij niet meer in Sinterklaas en God.
Daar zijn we te oud voor.
God en Sinterklaas moet je laten sterven als de tijd daar is.
Maar we weten waar ze voor staan, en daar leven we ook voor: het heilige zowel in het zwerk als op de materiële aarde.

Sinterklaas kan best Marcel heten of zelf Maria, maar dat zijn toch maar helpers, al dan niet gediplomeerd.
De echte Klaas komt niet via de stoomboot of Ketnet, maar hij is, net zoals het goddelijke, gelukkig onzichtbaar.
Jaja, ze laten wel tastbare sporen na.
De verrukking en het speelgoed, de mystiek en de morgenden die naar mandarijntjes en chocolade ruiken.

Hiernaast zie je, naar ware grootte, het witte chocoladen ventje dat de heilige man in het landhuis had achtergelaten.

Opi, kun je het fotograferen, dan kan ik het zo dadelijk bij het ontbijt opeten?

Dat is haar metafysica.
Als ze een leuk taartje kiest, of een bijzonder snoepje met een speelse vorm dan wil ze het eerst tekenen (of ze vraagt het aan haar moeder) of moet opi er een foto van maken zodat het blijft bestaan.

Dat hebben we haar niet geleerd.
Dat is een van die ‘altijd-al-bestaande-gevoelens’ waarover Rilke het had in zijn gedicht dat ik je gisteren stuurde en dat Jung daarna met ‘archetype’ ging benoemen.

Er blijft een beeld bewaard van hetgene sowieso zal verdwijnen.
De koe.
Het chocoladen ventje.

Misschien dat ze het pas veel later zal terugvinden.
Als jonge vrouw of grootmoeder.
Ze zal haar kinderen vertellen wat dat vreemde fotootje betekent en ze zal ze weer aanzetten om in de vroege novemberavond hun schoen te zetten of stil te staan bij de koeien, als er dan nog weides zijn.

Dat begrip van voorbijgaan kunnen we niet bevatten.
We roepen beelden ter hulp.
We vragen dat zij onze angsten en vraagtekens kunnen verminderen, of ons de moed geven om er mee om te gaan.

Daarom dat het heilige geen morele code is, geen voorbeeldig leven moet voorstellen.
Het sacrale is er om die tegenstellingen tegemoet te komen.
De smaak van een runderlapje en de ogen van de weide-vriendinnen.
De smaak van chocolade en de eindigheid der dingen.

Dat kunnen we zonder het sacrale niet aan.
Tegenstellingen, of zeg ik paradoxen zijn eigen aan het bestaan, maken het bestaan tot een zoektocht naar de verzoening, naar het heel-maken, heilen zegt men zo mooi in het Duits, en heiligen is ook een mooi woord als je de dagen van Allerheiligen nog in je voelt natrillen en je bij de steen stond die een bestaan niet afsloot maar transformeerde.

En het klinkt misschien een beetje raar, maar ik hoor Carl Jung heel duidelijk zeggen:
De beslissende vraag voor de mens is:
ben ik op het oneindige betrokken of niet?
Dat is het criterium voor mijn leven.

Of hoe de koe en een chocoladen ventje ons naar de ‘subjectwording’ brengen.
Een woord waar de westerse mens het moeilijk mee heeft!
Wij dus ook.
Dat probeer ik je morgen te vertellen, als je je schoen hebt gezet


HET LANDSCHAP VAN DE ZIEL (1)

0

Carl Jung beschrijft het domein van ‘de ziel’ als het psychisch gebied tussen het bewuste en het onbewuste, als een psychische werkelijkheid dus die empirisch is vast te stellen.

In zijn mooi boek ‘Het numineuze’ schrijft Tjeu van den Berk:

Tussen de laag van het zuiver onbewuste en die van het zuiver bewuste bestaat volgens Jung een verbindingslaag, een overgangsgebied.
Daar wordt het onbewuste zich bewust van zichzelf en komt het bewuste in aanraking met zijn onbewuste wortels.

Jung herhaalt meermaals dat de ziel ‘een autonome factor’ is.

‘De ziel is voor mij iets objectiefs van waaruit werking uitgaat naar mijn bewustzijn.’

(C.G. Jung, ANTWOORD OP JOB)

Verwar haar dus niet met het bewustzijn want de ziel spreekt geen logische taal, zij spreekt in beelden.
Ook is zij niet met het onbewuste gelijk te stellen, al staat ze in direct contact met “de duistere roerselen, gevoelens, notities, gewaarwordingen en intuïties ervan’.

Uit haar ziet Jung zowel de droom als de psychose voortkomen, mysterium fasciosum et…tremendum dus.
Fascinerend en huiveringwekkend.

Een lange aanloop naar het beeld van het bos dat ik via de digitale werkelijkheid vrijdag laatsleden in het objectief kon vangen en hier weergeven.

Je zou het in allerlei woorden kunnen vangen maar het grootste deel van mijn ervaring zit net in het woorden-loze.
Je zou het kunnen hebben over de omvang van de ‘bewusten’ zoals wij de mensen noemen, tegenover de grootheid van het anders-bewuste, al zal die tegenstelling beter als eenheid begrepen worden.

Ik wist meteen dat het beeld alles zou vertellen waar ik taalkundig tekort schoot.
Het was moment en eeuwigheid, licht en donker.
Degenen die ik intens liefheb staan er als kleine mensjes.
Het kleinkind is zelfs onzichtbaar.
Maar ze horen bij het geheel ook al zullen ze even later verdwijnen net zoals dit moment van licht en schaduw terwijl het bos wezenlijk aanwezig blijft.

‘De uitspraken van de ziel verwijzen naar werkelijkheden die ons bewustzijn te boven gaan.
Deze werkelijkheden zijn ‘complexen’ die in de ziel voorstellingen veroorzaken, voorstellingen die niet worden bedacht, maar die we innerlijk waarnemen in de vorm van beelden, symbolen en mythologische motieven.’

(Jung, Antwoord op Job)

dyn003_original_540_405_jpeg_20344_8477f41697f3a58a177e9d1d9ccea042

Ik laat je met deze foto in het Feeëndal kijken.
We zijn uit het bos gekomen en wandelen nu terug naar het landhuis.
Aan onze rechterkant zie je het bewuste dal, met daarboven de herfstwolken.
het strijklicht van de voorbije dagen heeft plaats gemaakt voor het grijze waarin zilveren tonen en donkere partijen het blauw langdurig durven bedekken.

Ik liep zo terug mijn kindertijd in.
Toen ik ’s avonds Pavese las, wist ik dat we een gemeenschappelijke ervaring deelden.

‘Soms wanneer ik deze streek nader, geeft dat mij een hevige schok die mij als vloedgolf overvalt en overstelpt.(…)
Ik hou stil bij een veld, gedachteloos, onder een heldere hemel, bij een stroompje, bij een bosje, en opeens word ik aangegrepen door dat radeloze gevoel dat ik niet meer ik ben, dat ik mijzelf verander in dat veld, die hemel, dat bosje, dat ik zoek naar het woord dat het allemaal vertaalt, tot de grassprietjes toe, en de geur, en de leegte. Ik besta niet; het veld bestaat, de hemel bestaat.’

(Cesare Pavese, Beroepskwaal In ‘Stilte in augustus, verzamelde verhalen. Samenstelling Hein Aalders. De Bezige Bij, A’dam 2004, 414)

En daarmee is de band gelegd tussen de onbewuste ervaring van de kindertijd met de vervoering van de volwassene, een band die Pavese als ‘mythisch’ omschrijft, en (ik citeer Van den Berk)

…Hij kiest dat woord omdat de intense gevoelens die worden opgewekt door plaatsen of voorwerpen uit de kindertijd, net zo’n gewijd karakter hebben als in de klassieke mythen bepaalde plaatsen, personages of gebeurtenissen een sacrale dimensie krijgen.’

We reizen straks verder in dit innerlijke landschap.


OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Ik voel mij als iemand
die u aan uw kindertijd moet herinneren.
Nee, niet alleen aan de uwe:
aan alles wat ooit kindertijd was.
Want het gaat er om
herinneringen in u op te wekken,
die niet de uwe zijn,
die ouder zijn dan u.

Verhoudingen moeten worden hersteld
en samenhangen vernieuwd,
die van ver voor uw tijd zijn.

Rainer Maria Rilke