koe close

Eindigde ik gisteren met de contrejour waarop de koeien stonden, vandaag trek ik ze even dichtbij, laat ik ze binnenkijken.

Koeien zijn mooie dieren.
Ze hebben verschillende karakters.
Ze hebben een groot gevoel voor elkaar.
Er zijn heel wat vriendschappen in de kudde, en de dames weten met wie ze graag omgaan.

Voor ons zijn koeien in het beste geval degenen die bij het weide-landschap horen.
Ze verzekeren de melk- en vleesproductie.
Als we even nadenken beseffen we dat het niet dezelfde koeien zijn die jaar in jaar uit de weides bevolken.
Koeien verdwijnen.
Ze moeten naar het slachthuis.
Ze krijgen dan zo’n pin door hun prachtige kop, en ze worden met hun poten omhoog opgetrokken, gevild, geleegd, gespleten, kortom de vleesproductie gaat zijn gang.

Over kippen, konijnen, reeën, patrijzen en fazanten (de jacht is open!) zal ik wijselijk zwijgen.
Mijn grootvader was een fervent jager.
Van die soort die terug kwam met verhalen maar zonder wild.

Ik kan dus niet naar een koe kijken zonder dat ik de plek waar de revolver met de pin komt te staan kan vergeten.

Elk koeienhoofd heeft zo’n plek.
Als ik ’s nachts aan het open raam de grazende kudde hoor, zou ik ze willen toeroepen: hou op, je hoeft je voor mij niet vol te vreten, er is ook soja en er zijn weidepaddestoelen en brood met zeventwintig granen, en…

Of koeien ook in de hemel kunnen komen?
Koeien wel, lief kind, maar wij, daar twijfel ik aan.

Maar jij twijfelt (nog) niet.
Je zette je schoen want je moeder had je gezegd dat de heilige man op weg was.
Je maakte een tekening, je schreef in je eerste studiejaar-letters: ‘sinterklaas’ en vanuit mijn bed hoorde ik je ’s morgens vroeg naar die plaats trippelen en hoorde ik je stem:
‘Hij is geweest.’

Is er een mooiere metafysische uitspraak dan ‘hij is geweest’ en dat voor iemand die nog moet komen op 6 december en er nooit geweest is, maar altijd zal zijn?

dyn003_original_539_852_jpeg_20344_368c363cf8c696a73a1a9acc11141e76

Natuurlijk bestaat Sinterklaas.
Zoals God bestaat.
Natuurlijk geloven wij niet meer in Sinterklaas en God.
Daar zijn we te oud voor.
God en Sinterklaas moet je laten sterven als de tijd daar is.
Maar we weten waar ze voor staan, en daar leven we ook voor: het heilige zowel in het zwerk als op de materiële aarde.

Sinterklaas kan best Marcel heten of zelf Maria, maar dat zijn toch maar helpers, al dan niet gediplomeerd.
De echte Klaas komt niet via de stoomboot of Ketnet, maar hij is, net zoals het goddelijke, gelukkig onzichtbaar.
Jaja, ze laten wel tastbare sporen na.
De verrukking en het speelgoed, de mystiek en de morgenden die naar mandarijntjes en chocolade ruiken.

Hiernaast zie je, naar ware grootte, het witte chocoladen ventje dat de heilige man in het landhuis had achtergelaten.

Opi, kun je het fotograferen, dan kan ik het zo dadelijk bij het ontbijt opeten?

Dat is haar metafysica.
Als ze een leuk taartje kiest, of een bijzonder snoepje met een speelse vorm dan wil ze het eerst tekenen (of ze vraagt het aan haar moeder) of moet opi er een foto van maken zodat het blijft bestaan.

Dat hebben we haar niet geleerd.
Dat is een van die ‘altijd-al-bestaande-gevoelens’ waarover Rilke het had in zijn gedicht dat ik je gisteren stuurde en dat Jung daarna met ‘archetype’ ging benoemen.

Er blijft een beeld bewaard van hetgene sowieso zal verdwijnen.
De koe.
Het chocoladen ventje.

Misschien dat ze het pas veel later zal terugvinden.
Als jonge vrouw of grootmoeder.
Ze zal haar kinderen vertellen wat dat vreemde fotootje betekent en ze zal ze weer aanzetten om in de vroege novemberavond hun schoen te zetten of stil te staan bij de koeien, als er dan nog weides zijn.

Dat begrip van voorbijgaan kunnen we niet bevatten.
We roepen beelden ter hulp.
We vragen dat zij onze angsten en vraagtekens kunnen verminderen, of ons de moed geven om er mee om te gaan.

Daarom dat het heilige geen morele code is, geen voorbeeldig leven moet voorstellen.
Het sacrale is er om die tegenstellingen tegemoet te komen.
De smaak van een runderlapje en de ogen van de weide-vriendinnen.
De smaak van chocolade en de eindigheid der dingen.

Dat kunnen we zonder het sacrale niet aan.
Tegenstellingen, of zeg ik paradoxen zijn eigen aan het bestaan, maken het bestaan tot een zoektocht naar de verzoening, naar het heel-maken, heilen zegt men zo mooi in het Duits, en heiligen is ook een mooi woord als je de dagen van Allerheiligen nog in je voelt natrillen en je bij de steen stond die een bestaan niet afsloot maar transformeerde.

En het klinkt misschien een beetje raar, maar ik hoor Carl Jung heel duidelijk zeggen:
De beslissende vraag voor de mens is:
ben ik op het oneindige betrokken of niet?
Dat is het criterium voor mijn leven.

Of hoe de koe en een chocoladen ventje ons naar de ‘subjectwording’ brengen.
Een woord waar de westerse mens het moeilijk mee heeft!
Wij dus ook.
Dat probeer ik je morgen te vertellen, als je je schoen hebt gezet