22823_368571

Terecht merkte je de onbuigzaamheid van het woord op als het over ‘beelden’ gaat.

De protestanse cultuur heeft een andere relatie met beelden en teksten dan de katholieke.

Tot in de vaak lachwekkende vervolgingswaanzin van allerlei vormen van porno spreekt de schrik voor het beeld.
In het Oude Testament lezen we dat geen beeltenis van god mocht gemaakt worden, en in de Islamitische cultuur trekt men die lijn verder zoals je ook in de Joodse niet vlug menselijke afbeeldingen te zien kreeg.

Het beeld wordt ‘gevaarlijk’ genoemd.
Waarschijnlijk – en ik verwijs hier terug naar onze geschriften over ‘het numineuze’ ontsnapt het beeld aan de wetmatigheden die de basis van ethische stelsels uitmaken.

Juist de aantrekkelijkheid van het beeld, de mogelijkheid om je te identificeren, om direkt betrokken te geraken bij het beeld (denk aan stripverhalen en cinema) gaf het zijn zondig reukje bij allerlei fundamentalistische visies.

Beeldvorming heeft direkt te maken met een ongrijpbaar, niet te verwoorden idee van iemand of een cultuur.
En de stap van beeld naar ver-beelding is inderdaad vlug gezet.

Er zijn brave en stoute beelden, en hoe meer ze de verbeelding prikkelen, hoe gevaarlijker ze worden genoemd, althans door machthebbers van politke en religieuze kunne.

Wetten zijn daarom ook in woorden gemaakt, ze proberen terreinen te omschrijven, grenzen af te bakenen, voorschriften te zijn voor een goede samenleving.

Pogingen om die voorschriften toch in beelden te gieten zie je in glasramen en andere religieuze afbeeldingen uit de tijd dat meer dan drie kwart van de bevolking analfabeet was.
(en in onze hedendaagse pictogrammen)

Beelden zijn numineus, of kunnen dat zijn.
Ze bakenen niet af maar openen het onbewuste, brengen ons dichterbij innerlijke werkelijkheden.

dyn006_original_594_600_jpeg_20344_253586da236e05382a752f9b445b1932

Publiciteit bedient zich vooral van beelden.
Mensen begrijpen beelden vlugger dan woorden, en met begrijpen druk ik niet alleen het cognitieve maar ook het onvatbare uit.

Je merkt dat Franquelin banden heeft met de publiciteit.
Hij kan ‘stroomlijnen’, essenties bundelen, een boodschap van geluk en vrede verpakken.

Dat is hoe dan ook een kunst.
Onze vijandigheid tegenover het beeld bracht ook het wantrouwen mee tegenover publiciteit.
In plaats van de taal van de reclame te leren, wantrouwen wij haar zoals analfabeten denken dat geschreven teksten hen betoveren kunnen. (en dat kunnen ze dan nog ook!)

Beelden hebben met lichamelijkheid te maken.
Ook zo’n terrein van groot westers wantrouwen.

Ze verbeelden de mens met zijn/haar lijf, en geen honderd pagina’ s vrijpartij kunnen teweeg brengen wat enkele mooie beelden in film of grafiek op dat terrein vermogen.

In het consumeren van beelden gebruiken wij vaak regressieve technieken, regressie die bij elke vorm van extase of verzoening van tegenstelling nodig is om het numineuze te bereiken.

De lichten doven in de filmzaal, muziek en compositie zorgen voor je aandacht, kortom je bent vlug een deel van het verhaal, je identificeert je snel door die lagere bewustzijnsdrempel.

En daar hebben machthebbers en ethici het ook moeilijk mee!
Mensen die via die lagere drempel het bewustzijn kunnen verruimen worden bijna dadelijk met drugs geassocieerd, en laat het nu ook nog zo zijn dat heel wat kunstwerken onder allerlei invloeden van diverse genotsmiddelen zijn ontstaan.

We zullen het verder moeten hebben over verschillen tussen kijken schouwen, over het verslinden met je blikken en het peilen, net zoals je dat verschil tussen fijnproevers en slempers kunt waarnemen.

Het beeld.
Hij schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis.

Nog niets van gezien?
Misschien hebben wij een schromelijk tekort aan verbeelding.