The Overpass. West Berlin, near Nestorstrasse

“But whatever the truth may be, we shall never forget, you and I, we shall forever defend, on this or some other battleground, the bridges on which we spent hours waiting with our little son (aged anything from two to six) for a train to pass below.

I have seen older and less happy children stop for a moment in order to lean over the railing and spit into the asthmatic stack of the engine that happened to pass under, but neither you nor I is ready to admit that the more normal of two children is the one who resolves pragmatically the aimless exaltation of an obscure trance.

You did nothing to curtail or rationalize those hour-long stops on windy bridges when, with an optimism and a patience that knew no bounds, our child would hope for a semaphore to click and for a growing locomotive to take shape at a point where all the many tracks converged, in the distance, between the blank backs of houses.”

Speak, Memory, XV, 2.

“Maar wat de waarheid ook mag zijn, nooit zullen we vergeten, jij en ik, eeuwig zullen we verdedigen, op dit of enig ander slagveld, de bruggen waarop we urenlang hebben staan wachten met ons zoontje (in elke leeftijd tussen twee en zes) tot daar een trein onderdoor kwam.

Ik heb oudere en minder gelukkige kinderen gezien die even bleven staan om zich over de leuning te buigen en in de astmatische pijp te spugen van de locomotief die beneden juist voorbijkwam, maar jij en ik zijn geen van beiden bereid om toe te geven dat het normaalste van twee kinderen datgene is wat de doelloze vervoering van een duistere trance pragmatisch oplost.

Jij deed niets om dat urenlange oponthoud op winderige bruggen te bekorten of rationaliseren, als onze zoon met een optimisme en geduld dat geen grenzen kende, hoopte dat er een seinpaal zou klikken en een groeiende locomotief vorm zou aannemen op een punt waar al de vele rails samen kwamen, in de verte, tussen de blinde achterkanten van de huizen.

Vladimir Nabokov, Geheugen Spreek, vertaling Rien Verhoef, De Bezige Bij, A’dam 2001