DE HORIZON STAAT STIL

The_Railway_Carriage_Blackout_284

‘Kijk,’ zei de man die tegenover mij zat. ‘De horizon staat stil.’
Ik keek uit het treinraampje en probeerde te ontdekken wat hij bedoelde.
Hij tikte op het glas, maakte met zijn wijsvinger een lange streep op het raam en begon opnieuw te tikken.
‘Kijk maar eens naar de draden boven het andere spoor.’
De draden vlogen in een snelle golvende beweging voorbij.
‘En kijk nu naar de horizon.’
Hij wachtte even en knikte dan:
‘De horizon staat stil.’

Wijsneuzig wilde ik hem uitleggen dat die stilstand slechts schijn was, dat naarmate de dingen van ons verwijderd zijn, ze ogenschijnlijk ons trager voorbijtrekken, maar mijn medereiziger was me voor.

‘Het mooie is, dat vanuit een trein op die horizon ginder, wij schijnen stil te staan, terwijl we met een aardige snelheid door het landschap bewegen.’
‘Zo is het,’ dacht ik luidop, klaar om een betoog over de relativiteit van de snelheid te ontwikkelen.

dyn002_original_330_480_jpeg__16ef801638171452e0fb4befd7d51a5b

‘Maar heeft u hier al eens over nagedacht…’
Hij haalde een sinaasappel uit zijn reistas en hield hem op ooghoogte.
‘Hier rijdt onze trein.’
Hij ging met zijn wijsvinger langs het midden van de vrucht.
‘En hier de trein op de horizon.’
Zijn vinger klom ietsje naar boven en maakte daar een omtrekkende beweging.
Als we eerlijk zijn, moeten we zeggen dat de verste trein minder afstand moet afleggen om de wereld rond te rijden.’
Hij bekeek me om te controleren of ik nog volgde.

dyn003_original_500_354_jpeg_20344_f70eefa38d6b65d47ba943f9b6c15db7

‘Dat is logisch, geef ik toe. Maar dat de tijd in die andere trein iets sneller vooruit gaat dan in onze trein, gewoon door de plaatsbepaling, vindt u dat niet vreemd?’

‘De reizigers verouderen sneller dan wij,’ vulde ik zijn stelling aan.
Zijn ogen lichtten op.
‘U is dus een Albertijn,’ glimlachte hij.
‘Een Albertijn?’

Hij wuifde mijn verbazing weg.
‘Oder sagen wir “ein Einsteiner”?’ waarbij hij de ij-klank zo ijzig Duits liet klinken en de eind-r nauwelijks uitsprak dat ik uit gewoonte mij een beetje achteruitzette en naar mijn paspoort begon te zoeken.

‘Goede vriend, mensen met Alberts hersenen behoren niet tot één nationaliteit, ze zijn van ons allen. Net zoals de Albertijnen of de Einsteiners, u zegt het maar.’

dyn002_original_270_400_jpeg__51479deb83b1cfe494f8b272918030a8

‘Ik weet niet of hij met een soort geestelijke orde die naar hem vernoemd zou worden, gelukkig zou zijn,’ probeerde ik een opening te maken.
Mijn medereiziger keek me streng aan.
‘Ik bedoel…’
Nog even keken zijn grijze ogen recht in de mijne en dan barstte hij in lachen uit.
‘Zeker niet, waarde man, zeker niet. En zo zouden er meer zijn die hun nakomelingen naar de spreekwoordelijke bliksem konden verwijzen. Ik hoef maar de naam van Jezus, ook Christus genoemd, te citeren of ik zie een wat te ernstige man voor zijn leeftijd die door het vermogen in de toekomst te kunnen schouwen, het uitroept in de woestijn. “Pa,” roept hij, “pa, dit is niet grappig meer!”
Want hij ziet de scharen gemijterden en geleerden, de gehelmden en gekroonden, die in zijn naam de gruwelijkste misdaden zullen begaan.’

De trein raasde een tunnel in.
De gelige schijn van de binnenverlichting verplaatste mijn gezel naar een onbestemde eeuw waar of de brandstapel of een heiligverklaring op hem wachtte.

‘Maar denk aan de vrouw die zijn gezicht droogde toen hij bijna onder het kruishout bezweek, aan de leerling die hij liefhad, aan de bangeriken die na zijn dood op het dak klommen en beweerden dat hij leefde, aan de naamloze nonnen die stront en braaksel uit de ziekenlakens wassen, de man die zijn verloren zoon verwelkomt, dat is van zo’n dwaze schoonheid waarbij de donkere dingen verbleken.’

‘Al denk ik wel dat we de inzichten van de heer Einstein ook zonder een orde van Albertijnen kunnen verwerken,’ probeerde ik mijn reiziger te overtuigen.
Hij knikte.
‘De Albertijnen zijn en blijven mijn denkbeeldige broeders en zusters, waarde. Ze houden van de relativiteit, dus denk niet dat zij een kloosterregel of andere wetmatigheden klakkeloos kunnen aanvaarden. De ware Albertijn past stilte en studie, en…alle intonaties van lachen uiteraard!’

De trein kwam kreunend in het station van Ulm tot stilstand.
Mijn reiziger gaf mij de sinaasappel, nam zijn reistas en viste uit het bagagerek nog een vioolkist op.
‘Het was mij bijzonder aangenaam, beste medereiziger. En denk eraan: de horizon staat stil!’

Ik bleef zijn bulderend gelach nog horen toen de trein vertrok.
Op het perron wierp mijn compagnon zich in de armen van een liefelijke vrouw.

Sinds dat moment herken ik de Albertijnen bij de eerste oogopslag.