The_railway_station,_Lille,_France.jpg

13.

Nog voor het nieuwe jaar begon, kwam er in Lille, begin december, onverwacht bezoek. Vader Jean Philippe vergezeld van echtgenote Paula en de reeds eerder genoemde zakenman Simon Philippart nodigden ouders en jonge ouders uit tot het genieten van een diner in de Lion d’ Or op de Grote Markt.  Vrouwelijke paniek omtrent het ontbreken van het juiste avondtoilet of een tekort aan tijd om zich uit de kledij van alledag in robe de soirée te wurmen, mochten niet baten. Geen garnitures ‘style tapissier’, geen opgeblazen tournure, deze ‘faux-cul’, -uitdrukking die Jean graag en luid in de mond nam-, geen bottines à talon, maar een eenvoudige ‘dinner dress’ waarin eten en praten opgewekt en vrijelijk mogelijk is, aldus Jean Philippe.

Monsieur Philippart herinnerde het gezelschap aan de geslaagde verkoop van de ‘société des chemins de fer belgo-luxembourgeois, troostte publiekelijk de minder fortuinelijke beleggingen van zijn goede vriend Jean Philippe, een gevolg -of was het een list- van de in één keer betaalde oorlogsherstelbetalingen, vier miljard marken plus interest, zodat baron Bethel Strousberg in Berlijn  luidop kon dromen van spoorlijnen in Duitsland en Oost-Europa en met hem vijfhonderd bedrijven met een kapitaal van duizendvijfhonderd miljoen mark waarvan nog niet de helft betaald bleek te zijn. Het gevolg liet zich raden. Natuurlijk waren er lieden die graag Joodse bankiers en scrupuleuze liberale kapitalisten als aanstichters van deze handel brandmerkten terwijl de hebzucht en de drang om zonder inspanning schatrijk te worden in ieders ziel was ingebakken, in schril contrast overigens met de bezadigde belegger die zijn vermogen spreidt en weet dat gokken in het casino thuishoort en niet bij de belegger.

Jean Philippe knikte, dankbaar voor de doorzichtige tegemoetkoming, op zoek naar een bon mot dat en zijn regelmatig bezoek aan voornoemde instellingen en zijn vrij zware verliezen verder kon omzwachtelen. Hij hief het glaasje champagne richting spreker, wachtte tot iedereen de coupe in de hand had, wenste monsieur Philippart proficiat met zijn heldere analyse, en wilde met zijn wijsheid ook het werk van weduwe Clicquot waarderen.

Intussen hadden de gasten zich afgevraagd wat de ware reden van deze samenkomst was. De aanwezigheid van zakenman Philippart die bij de burgerlijke stand als beroep het woord ‘eigenaar’ had opgegeven, gecombineerd met een niet zo feestelijk verlies van vader de Lunden, liet hen vermoeden dat er zich waarschijnlijk zakelijke belangen achter dit onverwachte dîner verscholen.

‘Was dit niet alleen het jaar van nieuw leven, nieuwe kansen voor de jeugd, nieuwe moed voor de ‘iets-ouderen’, het was ook een jaar waarin de nieuwe tijd op durvers wachtte,’ vervoilgde Simon Philippart. ‘Een eer is het om hier kunst en kapitaal te mogen verenigen met de zekerheid dat de toekomst in persoon van de kleine Léon al aanwezig was.  Slapend wellicht, maar opgroeiend in een gezin dat diezelfde combinatie in hem zal wakker maken. Was het ook niet het lot dat steden als Brussel en Lille samenbracht nu afstanden verkleinen en wij beseffen dat we buren zijn?’
De aanwezigen knikten instemmend. Jean Philippe en Louis hieven het glas in elkaars richting.

 Het was hem dan ook een eer in de intimiteit van deze bijeenkomst te mogen meedelen dat hij enkele weken geleden de concessie had verkregen om twaalf paardentramlijnen in deze stad te mogen uitbaten, initiatief dat hij niet tot Rijsel wilde beperken zoals de naam ‘Compagnie des Tramways du Nord‘ die in de eerste maand van het nieuwe jaar het daglicht zou zien, liet vermoeden. En of het hierbij zou blijven, of hij ook in Brussel plannen in die richting had, dat kon hij alvast bevestigen al was dit initiatief nog beperkt tot besprekingen die later mogelijke fusies konden bewerkstelligen. Hier wilde hij hulde brengen aan Jean Philippe die ondanks de pas geleden verliezen klaarstond om niet alleen met zijn collega’s Dansaert en Moselli intens samen te werken, maar verdere invloed aan te wenden om ten gepaste tijd de nodige toestemmingen te verkrijgen en zelfs persoonlijk kapitaal in te brengen bij de Banque belge du Commerçe et de l’ Industrie.

‘Nu de stad Lille de zetel zal zijn van de Tramways du Nord, en deze families intens met deze en de Belgische hoofdstad verbonden zijn, zie ik hen als het symbool van de toekomstige samenwerking waarmee we de afstand tot elkaar verkleinen in een gedurfde onderneming met hen en hun nakomelingen aan de historische basis.  Laten we daarop drinken.’