daum 03.jpg

44.

‘Halve maan-profielen, zonder groef noch tegenrail, langsliggers en dwarsliggers, draaibare houten latten voor de ventilatie, Laken-Anderlecht rijdt ’s avonds met rode lichten, en de rijtuigen die Laken met het Zuidstation verbinden rijden met een groen licht, en wie er dan nog met een zwart bord en een oranje licht rijdt mag God weten al was het paus of zijn het de boswachters van het Zoniënwoud. Nooit meer, Emile!  En als ik zeg nooit meer -de spreekster zwaaide hier met een kristallen vaas om haar woorden kracht bij te zetten- dan is het nooit meer!’ De vaas belandde met een plof op het buffet in de eetkamer.
‘Beschouw het als een tegenprestatie.  Voorzichtig met die lamp, let op de…’
De glazen koker kon nog net door haar snelle reactie worden gered.
‘Dit “lieftallige wapen’, om de woorden van de heer Simon Philippart te gebruiken, weigert om zich gewillig voor zijn zakenkar te laten spannen, Emile. Niet alleen wil ik op voorhand weten wat er gaat gebeuren en wil ik daarover mijn eigen mening kunnen formuleren, maar zelfs al zou hij jou nog een straat huizen cadeau doen, dan nog wens ik mijn eigen leven te kunnen leiden en verlang ik dat jij me naar mijn mening vraagt zoals ik dat doe als het over belangrijke zaken gaat. Duidelijk?’ De lampenkoker benadrukte haar stelling als een lange gesticulerende glazen  vinger.daum gavarni.jpg
‘Maak je toch niet zo druk, we…’
‘Ik ga mij nog veel drukker maken, meneertje. Jij begrijpt het niet, hé? Jij denkt nog altijd  “c ‘ est blanc bonnet et bonnet blanc,” zoals je dat zo mooi formuleerde als je mij hoorde zuchten, maar mijn wit hoedje is een ander dan jouw wit gekalkt petje. Ik ga niet met Philippart meekakelen omdat hij voor dit nest heeft gezorgd, zij het dan in innige financiële samenwerking met je vader.  En wij, beste Emile, zijn niet in alles twee koppen onder dezelfde “bonnet”, ik verkoop deze Rijselse kop niet voor een smak zilverlingen en een huis dat als een veel te grote mantel over mijn smalle schouders hangt! Ik ben geen lieftallig wapen, d’ abord l’ étable, ensuite la vache! ‘
‘Pas op, ma chère, dat is zilver, en…’
‘Is dit zilver?  O, zilveren bestekken voor het veel belovende koppel uit het kat- en katerhuis.’
Ze strooide lepels, vorken en messen over de parketvloer, gooide het etui op tafel, keek de verbouwereerde Emile enkele seconden aan, draaide zich fiks om en liep bijna tegen een van de verhuizers. De man wilde opzij springen maar zou dan op het kostbare bestek trappen, dus maakte hij enkele dwaze sprongetjes om het zilver te ontwijken, en botste tegen de heer des huizes waarna beiden tussen het tafelgerei belandden.
In het trappenhuis hoorden ze iemand ‘opzij, opzij!’ roepen, en een deur dichtsmakken.
‘Ach, meneer, dat is de drukte,’ zei de verhuizer terwijl hij Emile rechtop hielp.
‘De drukte?  Ja natuurlijk, de drukte.’
‘Eens dit mooie huis helemaal is ingericht valt alles in zijn plooi. En temperament heeft zijn goede en zijn slechte kanten zullen we maar denken. Mijn vader was een smid en ik hoor hem nog altijd zeggen: “Les enfants du forgeron n’ ont pas peur des étincelles. Enfin, u begrijpt wat ik bedoel.’
Ze raapten samen het tafelzilver op.