2.15

45.

Net als ze buitenkomt, leest ze de gele, met rood onderstreepte letters: ‘Belgian Railways and Omnibus Company Limited.‘ Daarboven op een geel bord aan de dakbeglazing van het rijtuig vastgemaakt ‘Laken – Zuidstation‘. De koetsier stopt enkele meter verder. De begeleider roept ‘Boulevard du Nord’.  Ze stapt in. Ze zet zich middenin.  Voor haar zegt een jongetje: ‘We zitten in de mooie tram, mama. Zoals op de kermis!’
De conducteur vraagt waar ze naar toe wil. Als ze haar schouders ophaalt, vraagt hij haar 20 centiem, dat is tot aan de terminus. De Onze-Lievevrouwekerk in Laken. Ze betaalt. Ze krijgt een klein vierkant ticketje. Ze ziet een dame wuiven op het Natiënplein.  Bij het Noordstation loopt de het rijtuig bijna leeg en weer half vol.
‘Mooi is dat,’ denkt ze, ‘op de vlucht met de vijand.’

1.52
Ze glimlacht als ze het tafereel met lamp en zilver terugspeelt.  Ze ziet zijn verbaasd gezicht, de twee mannen tussen het tafelgerei op de grond. Tegelijkertijd neemt ze zichzelf in beeld. Haar ontploffende woede. Natuurlijk heeft ze te lang gezwegen, beseft ze dat hun levens zich maar enkele maanden onder één dak hebben afgespeeld. ‘We wonen nog in Nergenshuizen,’ zal ze straks zeggen als ze het incident hebben uitgepraat.
‘Dat ik dan buitenkom, en  zo’n vervloekte tram zie stoppen, enkele meters van onze woning. En erger nog, ik ben opgestapt. Als dat geen straf uit de hemel zal zijn, weet ik het niet meer.’
Ze herinnert zich dat ze ook als kind de zinnen repeteerde die ze ging gebruiken om een probleem of een misverstand op te lossen. Ze voorzag zelfs meerdere mogelijkheden zodat ze met een gerust hart de gevreesde confrontatie kon klasseren tot ze zou plaatsvinden. 

2336674795
Langs de Vooruitgangsstraat kwamen ze op het Masuiplein. Ze wilde best de rit ook in de omgekeerde richting doen, kon ze de houding van een ervaren passagier aannemen als ze weer thuiskwam. Voor iemand die een fiacre gewoon was, mocht een tochtje met de ‘Amerikaanse spoorweg‘ best meevallen, al zou ze die positieve kijk met een vrolijk gemoed afzwakken en het hebben over de verschrikkelijke traagheid waarmee de lange Paleizenstraat aan de reizigers voorbijtrok. Ze kon haar fantasie best voor andere taferelen gebruiken want het werd inderdaad eindeloos wachten voor de neergelaten slagbomen die de overweg van de lijn naar Oostende beveiligden. Daarna nog de hindernis van de kanaalbrug voor ze langs de Koninginnelaan reden, en toen ze zag dat de sporen van de terminus tot op korte afstand van de trap naar het portaal van de O.-L.-Vrouwkerk kwamen, wilde ze even pauseren en dit nieuwe nog niet geheel voltooide kunstwerk van de Brusselse architect Poelaert bezoeken.

Natuurlijk viel haar de gelijkenis met de Saint Clotilde op. Vreemd genoeg ontbrak hier nog de toren en bleek het portaal een houten constructie die duidelijk op een waardige neogothische vervanging wachtte. Toch was de kerk al in dienst want hoe dichter ze de voorlopige ingang naderde hoe duidelijker een lang aangehouden orgeltoon hoorbaar was. Met dat aanzwellende geluid herinnerde ze zich plots het gesprek met haar vader bij het orgel van de Saint Cathérine. Pierre Schyven was in Laken aan het werk, had hij gezegd.

879020155
Ze hoorde een melodie-fragmentje dat met verschillende registers werd herhaald. Eens in de kerk, zag ze een jongen van een jaar of vijftien, zestien die aandachtig naar de muziek luisterde.
‘Montre en Bourdon zestien, maitre. Iets te laag gestemd. Trompette en Cor anglais klinken nu perfect.’
‘Ik ben bang dat we enkele pijpen van de Clairon moeten vervangen, Jean-Emile,’ klonk het antwoord op het doksaal.
Emilie kwam voorzichtig richting  jongen gewandeld.
‘Mon Dieu, zie ik de engel uit Lille of …’
Ze draaide zich naar de verbaasde man waarvan alleen het hoofd boven de console zichtbaar was.
‘Als dit geen toeval was, monsieur Pierre.’
‘Jean-Emile vraag de engel om met jou naar deze eenzame wanhopige ziel op te stijgen.’
De jongen glimlachte, gaf haar verlegen een hand, en vroeg of zij hem wilde volgen.
Hij liep met nog een kinderlijke huppelpas voor haar uit, en keek even om.
‘Monsieur Pierre is een tovenaar, mademoiselle. Deze kant op, asjeblief.’