1.53

47.

Fragment uit een brief van Berthe Morisot vanuit Maurecourt, zomer 1874

Spreek je over die zelf-herkenning, chère Emilie, dan deel ik met jou het inzicht dat niet de spiegel het juiste medium is, maar eerder de ervaringen die anderen met je hebben en die ze soms via een gesprek, of in mijn geval langs een tekening of schilderij, meedelen. Enkele maanden geleden schilderde mijn goede vriendin Marcello mijn portret. ( Ze houdt van deze mooie jongensnaam, zeker als het over haar beeldhouwwerken gaat waarvoor ze ‘Adèle’ te wekerig vindt) Ze heeft haar atelier dicht bij dat van Manet geïnstalleerd, rue de Saint-Petersbourg, 47. Daar ontstond mijn portret, zittend op een stoel die met de leuning naar de kijker is gekeerd, naakte armen, frivole lange jurk vooral onderaan, voor de rest het lichaam à demi dénudé, haren slordig door elkaar, en je zou de pose best provocerend mogen noemen. Na enkele sessies kreeg ik het doek te zien en ik moet toegeven dat de zogenaamde wellust van ‘zelfherkenning’ uitbleef. Was ik dat? Marcello zag mijn afwijzende reactie.  Natuurlijk ben jij dat, zei ze.  Berthe, jij bent een vrouw geworden. Jij bent niet meer dat angstige en sprietige meisje van voor de oorlog.  Jij straalt. Ze gaf me datzelfde gevoel dat ik in jouw aanwezigheid mocht meemaken.

1415425041
Eugènes broer, Eduard, werkt nu aan een portret waarop ik met mijn linkerhand  mijn bebloemde waaier verder openduw. Ik kijk vanuit mijn standpunt ver naar links zoals mensen die iemand verwachten.  Ik ben helemaal in het zwart, ja zelfs de waaier is zwart zodat mijn vingers en de onderarm duidelijk zijn afgetekend. Ik hoop dat hij het portret niet meer te veel verandert want ik ben inderdaad de jonge vrouw die uitkijkt naar mijn eigen zelfstandig leven vanuit de donkerte van het verleden.
Omdat we vaak voor elkaar poseren krijg ik telkens weer een andere kijk op mezelf, een beeld dat vooral anderen van mij hebben en waardoor ik afstand kan doen van mijn eigen zelfbeeld dat vaak door eenzaamheid en angsten is vervormd, of zeg ik beter ‘beperkt’.

Eugène houdt van aquarellen, het vluchtige van het licht. Edgar Degas heeft hier intussentijd ook Eugènes portret geschilderd.  Het portret van een man die nonchalant op het gras ligt, voorzien van een zwarte hoed. Hij wil er in Parijs verder aan werken om het dan bij ons huwelijk cadeau te kunnen doen. De herinnering aan een zomer waarin ik definitief heb gekozen voor een ander leven. Een leven dat mijn liefde voor het kleine niet zal veranderen, chère amie.

portrait-d-eugene-manet

Daarom heb ik zusje Edma en haar twee kleine meisjes  onder de seringen-boom geschilderd, met dank aan Monet die enkele jaren geleden een doek met ditzelfde thema uitwerkte. Ik kan het moeilijk beschrijven, maar ik hoop het je later te laten zien: Edma, zittend onder de seringen-boom. Ze vouwt een wit doek open terwijl de twee kleine meisjes wachten op een stuk brood. Zij is in het zwart gekleed, witte hoed, links de toegevouwen witte parasol, haar zomerhoed en rechts de lichtende picknickmand, boven hen allen geuren de seringen, waaieren ze als een dak uit de gekromde stengels van de stam achter hen.
Ik hou het bij Eugènes woorden toen ik hem vroeg of hij een wens wilde doen.
‘Je serais bien embarassé de faire un voeu.  Oh, si, à vous pourtant, oui, celui de vous rendre la femme la plus adulée, la plus choyée de la terre.’

1.54
Herken je die woorden? Je beschreef ze mij in je brief waarin je je thuiskomst vertelde. En je weet terecht niet wat je ermee moet doen. Faire son devoir zou maman zeggen. Misschien dat ik daarom straks weer naar de haven ga. Kijken naar de boten in opbouw. Of hoe je van de boomstronken waaronder wij als kind rondliepen vaartuigen kunt maken.  Hun lange masten, nog zonder zeilen steken als dunne vingers in de lucht.
Of moet ik naast Eugène in het gras gaan liggen en zwijgen tot de avond over Maurecourt trekt? De kunst van het kijken, zoals jij de kunst van het luisteren naar de wind kent. Schrikt de leegte jou af?  Blanche en Jeanne willen met mij nog eens naar de seringenboom. Hij is al lang uitgebloeid, maar dat weet de verf op het doek nog niet.

Ik kom terug op de spiegel waarmee ik begonnen ben. Wat betekenen wij in hun ogen zou je kunnen vragen. In de ogen van onze welgezinde en hard werkende mannen waarmee wij ons voor het leven hebben verbonden? Getuigt het verdragen van een soort gemeenschappelijke eenzaamheid  van dapperheid of wordt van ons verondersteld dat wij naast het feit van voortplanting en nestzorg ook nog een eigen leven kunnen leiden waarin we die dapperheid bewijzen door hoe dan ook onze eigen weg te gaan?

Groet degenen die je lief zijn.