l__impressionisme_by_uzume666777333-d541ux6.png

54.

Eens de tantes naar de verschillende abdijen in de nabije omtrek waren uitgezwermd, de toekomstkwesties van de Brugse firma niet dadelijk bij haar gehoor hadden gevonden, lagen de dagen open waarin de uren zelf hun eigen verloop konden bepalen.
De Engelse ambassadeur wilde nog een bezoek brengen aan baron Stanislas de Broqueville die hem graag in zijn optrekje dichtbij de Postelse abdij zou ontvangen. Politiek zei hem niet veel al was hij al eens in de jaren vijftig-zestig voor de katholieken in de Oost-Vlaamse provincieraad verkozen. Hij liep graag langs zijn uitgestrekte bezittingen, geweer in de hand. Een buitenmens met een minzame vrouw die hem een kroost kinderen had geschonken. Dit alles volgens de bondige beschrijving uit de mond van Jean Philippe, kennis en jachtgezel van de net beschreven baron.

De avond voor het vertrek van vader en zoon barstte er een onweer los. In minder dan een kwartier trokken zwarte en zilver gerande wolken samen boven het landhuis, schudde de wind hevig met de overhangende kruinen en boorden zich de eerste bliksemschichten in de westelijke weidegronden terwijl de ruiten trilden bij de bijna gelijktijdige donderslagen.
Verhalen over dood gebliksemde runderen, vuurbollen die door schoorstenen het huis binnendrongen en roetvlekken op de muren hadden achtergelaten, de bange boeren die met palmtakjes en gewijd water hun schamele goed dachten te beschermen, de grote heidebranden uit de jaren zestig: verhalen bij het dansende olielicht  in de donkere eetkamer wilden het lot bezweren alsof het vertellen ervan een werkelijke ramp kon afwenden.
‘Het kind?’

3749433366.2

Ze wist dat Jeanne vroeg te bed was gegaan en zelfs niet door nabije kanonschoten  zou gewekt worden, een eigenaardigheid die ze zelf aan haar toenemende ouderdomsdoofheid toeschreef.
Toen ze voorzichtig de deur van de kinderkamer opende, zag ze Léon rechtop in zijn spijlenbedje staan, zijn gezichtje naar het raam. In het overdadige licht van de volgende bliksemschichten en bij het lawaai van de krakende donderslagen ging er een nauwelijks merkbare rilling langs zijn ruggetje.
‘Léon!’
Hij draaide zich niet om maar wees met zijn vingertje naar buiten.
‘Mooi, mama.  Mooi.’
Ze tilde hem uit het bedje, wilde hem mee naar beneden nemen, maar hij bleef naar het raam wijzen.
‘Onweer,’ zei ze.  ‘Het ergste is voorbij.’
Hij hoorde haar niet. Zijn mondje viel open bij de volgende bliksem die achter de beek insloeg terwijl het huis bewoog bij het donderend geluid.
Ze wilde hem beschermend tegen zich aandrukken maar hij maakte zich onmiddellijk los uit haar armen en herhaalde het woord ‘mooi’ en beschreef met zijn armpje de koers van de vurige lichtstreep naar de aarde. Bij het narommelen van de donder begon hij te lachen. ‘Oh, oh,’ riep hij luid.
De eerste regendruppels trommelden tegen het  glas terwijl de horizon oplichtte.
‘Zie je, Léon, nu wordt alles buiten weer heel fris. Kun je morgenvroeg door de plassen lopen.’
De fascinatie van het kind voor het onweer maakte haar rustig. Ze ging met hem voor het grote raam van hun slaapkamer staan. Bij de volgende bliksems riepen ze samen bewonderende kreetjes alsof ze naar een feestelijk vuurwerk keken.
‘Hij leert me opnieuw kijken,’ dacht ze. ‘Hij heeft al mijn angsten weggenomen.’
Op dat ogenblik werd de oude beukenboom bij de stallingen getroffen. In vurige pracht viel zijn kruin op grond terwijl de onthoofde stam als een fakkel oplichtte.
Het kind kraaide het uit.
‘Nog, nog!’ riep het luid terwijl de donder het huis schudde.
Voor de eerste keer zag ze de vreemde gloed in zijn oogjes. Verrukking en boosaardigheid, dacht ze later, maar dat zou wel haar interpretatie geweest zijn van zijn bizarre reactie.