WINSLOW HOMER.jpg

Wat betekent dit nu, wat kan de betekenis van dit alles zijn? vroeg Lily Briscoe zich af en omdat ze alleen was gelaten wist ze niet of ze naar de keuken moest gaan om nog een kopje koffie te halen of hier moest wachten. Wat betekent het? – dat was een stopwoord dat ze ergens in een boek had opgepikt en dat aan haar gedachten enige speling liet; want ze kon die eerste ochtend bij de Ramsays haar gevoelens niet definiëren, ze kon slechts één uitdrukking steeds weer herhalen om de leegte in haar hoofd te verhullen, net zo lang tot die nevels opgetrokken zouden zijn.  Want wat voelde ze eigenlijk, nu ze na al die jaren weer terug was en Mrs. Ramsey dood was?  Niets, niets-niets, dat ze ook maar enigszins onder woorden kon brengen.

Ik herken deze situatie.  Er zijn jaren voorbij gegaan.  Tien jaar in dit verhaal ‘To the Lighthouse’  (Naar de vuurtoren) van Virginia Woolf, geschreven in 1927 en vertaald in 1980 door Jo Fiedeldij Dop, uitgegeven door Trouw bibliotheek juni 2006 en door mij achteloos meegenomen op een tweedehands boekenbeurs.

Lily Briscoe is een jonge single schilderes die met de familie Ramsay bevriend is als ze op het eiland Skye hun vakanties doorbrengen.
Nu de familie na tien jaar afwezigheid terug is, probeert ze aansluiting te vinden bij het vroeger doen en laten van de familie.

Toen ze vorige avond laat arriveerde, was alles geheimzinnig en donker.  Nu was ze wakker, op haar oude plaatsje aan de ontbijttafel, maar alleen.  Het was bovendien erg vroeg, nog geen acht uur.  Dat kwam door die expeditie -Mr.Ramsay, Cam en James gingen naar de vuurtoren. Ze hadden al lang weg moeten zijn, het getij waarnemen of zoiets.  En Cam was niet klaar en James was niet klaar en Nancy had vergeten de boterhammen te bestellen en Mr. Ramsey was driftig geworden en had de deur achter zich dichtgeslagen.

Die belofte om naar de vuurtoren te varen opent het boek, tien jaar terug:

‘Ja, natuurlijk, als het morgen mooi weer is,’ zei Mrs. Ramsey. ‘Maar dan moet je wel voor dag en dauw opstaan,’ voegde ze eraan toe.

De aangesprokene, zoon James Ramsey is dan zes jaar en…

‘Omdat James Ramsey zelfs al op zesjarige leeftijd tot die grote groep van mensen behoorde die hun gevoelens niet uit elkaar kunnen houden maar die nu eenmaal hun toekomstverwachtingen, met alle vreugde en verdriet hun schaduw laten werpen op wat er op dat moment gebeurt en omdat voor zulke mensen zelfs in hun prille jeugd iedere omwenteling in hun gewaarwordingen de macht heeft elk moment in zijn somberheid of stralend licht te kristalliseren en vast te leggen – daarom was voor hem het plaatje van een koelkast dat hij zat uit te knippen uit de geïllustreerde catalogus van de Army and Navy Stores een bron van intens geluksgevoel toen zijn moeder dat zei.’

De grote groep die hun gevoelens niet uit elkaar kan houden. Je zou een waardering verwachten voor de dagelijkse dingen: de kruiwagen, de grasmachine, het geritsel van populieren, het verbleken van bladeren voordat het gaat regenen, het krassen van kraaien, het kloppen van bezems, het ruisen van japonnen…

Ze zijn al duidelijk in zijn geest geprent al kijkt hij streng, zelfs zo onverbiddelijk dat zijn moeder hem als rechter ziet zitten in rood en hermelijn aan het hoofd van een netelige en gewichtige onderneming in een of andere regeringscrisis.
Maar er is ook de vader die voor het raam van de zitkamer stil bleef staan, ‘morgen is het geen mooi weer.’

Het is een man die er alleen al door er te zijn hevige emoties bij zijn kinderen oproept waarbij het woord ‘bijl’, ‘een pook of welk wapen dan ook’ niets aan de verbeelding overlaten.
Mager als een lat, scherp als een mes, en in die hoedanigheid en uiterlijke verschijning sarcastisch staan te glimlachen omdat hij het leuk vond zijn zoon een illusie te ontnemen en zijn vrouw in de maling te nemen die (naar de mening van James) in ieder opzicht duizendmaal beter was dan hij, maar ook omdat hij in stilte prat ging op de juistheid van zijn oordeel.

Ik geef je graag zijn verdere karakterbeschrijving te lezen die hierop volgt en waarin het feit dat wat uit zijn lendenen was voortgesproten van kindsbeen af moesten beseffen dat het leven moeilijk is; dat feiten niet met zich laten spotten en dat de overtocht naar het legendarische land waar onze vurigste verwachtingen worden gedoofd, waar onze zwakke scheepjes in duisternis vergaan (hier strekte Ramsey altijd zijn rug en tuurde hij met zijn kleine blauwe ogen naar de horizon), een tocht die bovenal moed, oprechtheid en uithoudingsvermogen vereiste.

En Mrs. Ramsey?
‘Maar het kan morgen best mooi weer zijn – ik geloof het vast,’

En terwijl breit ze hartstochtelijk aan de roodbruine kousen voor het vuurtoren-wachters kind dat tuberculose heeft waarbij een beschrijving hoort van het eenzame bestaan op een rots.
Ze is dan vijftig, haar haren al grijs, de wangen ingevallen, maar biedt ‘een geduchte aanblik’. Ze zou nooit moeilijkheden uit de weg gaan en al wilde haar dochters waarschijnlijk een heel ander leven dan het hare, een wilder leven -waarop een prachtige beschrijving van het Engelse publieke leven waarover ook zijzelf haar vragen en twijfels heeft- echter met het nodige respect voor haar wonderlijke strengheid, en haar buitengewone hoffelijkheid,  -als van een koningin die de smerige voet van een bedelaar uit de modder tilt en wast- waarna Charles Tansley wordt voorgesteld.

En nu zijn er tien jaar voorbij, nu eindelijk de tocht naar de vuurtoren kan plaatsvinden: Mrs Ramsey is dood, haar zoon Andrew kwam in de Grote Oorlog om, de kleine en de grote wereld zijn danig onomkeerbaar veranderd.
Dochter Cam zit in het bootje:

‘Ze voelen daar totaal niets, dacht Cam terwijl ze naar de kust keek, die rijzend en dalend, steeds onbereikbaarder en vrediger werd.  Haar hand trok een spoor in de zee en ondertussen maakte ze in gedachten patronen van de groene draaikolken en strepen en dwaalde ze, verdoofd en omsluierd, in haar verbeelding in die onderwereld van water waar de parels in trossen aan witte takken hingen, waar in het groene licht je hele gedachtenleven veranderde en je lichaam halfdoorschijnend glansde in de omhulling van een groene mantel.’

Met deze enkele lijnen hoop ik je nieuwsgierig gemaakt te hebben naar dit wonderlijke boek waarvoor je hoe dan ook een zekere levenservaring nodig hebt.
Lees je in besprekingen of berichten over ‘het kunstmatige’ of over het ontoegankelijke dat dit verhaal zou kenmerken, weet dan dat je deze mensen levenslang moet mijden. Niet omdat ze beter of slechter zouden zijn, maar je zult hoe dan ook vaststellen dat hun levensbeeld pijnlijk ver van het jouwe is verwijderd of dat ze nog door een tekort aan jaren en ervaring van jouw innerlijkheid zijn gescheiden.
Anderen die te juichend of zuchtend hun lof prijsgeven mag je met dezelfde afstandelijkheid links of beter nog rechts laten liggen, beste vriend.
Schrijf enkele zinnen geduldig over, met de computer, of beter nog met een vulpen. Herlees ze een tiental keer en herbegin het boek telkens als het grote zwijgen komt opzetten.

‘De zee was nu belangrijker dan de kust. Overal om hen heen waren golven, ze deinden op en neer; van één golf rolde een stuk hout omlaag, op een andere dobberde een meeuw.  Ongeveer hier, dacht ze terwijl ze met haar vingers in het water roerde, was een schip gezonken en ze mompelde dromerig, half in slaap: ‘We zijn vergaan, ieder in eenzaamheid’.

 

sailor suit boy.jpg