miro39.jpg

Lazen we gisteren het portretje van Mirjam, de vrouw waar zoon Rico op zijn ‚vlucht’ in Bengalen bij terecht komt, vandaag: de eerste relatie van Nadia, overleden vrouw van Albert Danon, hoofdpersonage in dit mooie boek van Amos Oz.

Vlinders aan een schildpad

Ze was zestienenhalf en werd in een provinciestadje uitgehuwelijkt aan een welgesteld familielid.  Een weduwnaar
van dertig.  Het was gebruikelijk dat vrouwen met familieleden
trouwden.  Haar vader was goud- enz zilversmid.  Een van haar broers werd
naar Sofia gestuurd, om farmacie te studeren en met een diploma
thuis te komen.  Nadia zelf leerde van haar moeder koken en bakken,
borduurtradities, cakejes maken en kalligraferen.  De aanstaande
bruidegom, weduwnaar, stoffenhandelaar, kwam op sjabbat en
feestdagen bij haar op bezoek.  Als je hem vroeg, zong hij prachtig,
een rijke, galmende tenor.  Een beleefde, elegante, grote man, die
altijd wist wat je hoorde te zeggen en waarover je beter kon zwijgen.  Nadia trouwde hem niet van harte, want een goede vriendin had haar fluisterend onthuld hoe de liefde was,
dat je niet mocht opwekken voor je begeerde.

Maar haar ouders, gematigd, verstandig, brachten haar op andere gedachten:  het was immers ook voor haar eigen bestwil.  En ze stelden een datum vast, niet te dichtbij, ze vonden het beter haar voldoende tijd te gunnen
om langzaam te wennen aan de weduwnaar, die bij elk bezoek
een cadeautje voor haar meebracht.  Elke sjabbat
leerde ze meer te houden van de klank van zijn stem. Die aangenaam was.

Na de bruiloft ontpopte haar echtgenoot zich tot een attente man die
hield van vaste rituelen bij de kleine dingen. Avond aan avond kwam hij,
gewassen, geurig en blij, op de rand van het bed zitten.  Hij begon met aangename woorden van liefkozing, deed het
licht uit om haar niet in verlegenheid te brengen,
sloeg het laken terug, streelde voorzichtig, legde een hand op haar borst.  Zij lag altijd op haar rug
haar nachthemd omhoog, hij altijd boven op haar, en
aan de andere kant van de deur sloeg traag
een pendule met goudgraveringen.  Stotend.  Kreunend.
Desgewenst had ze elke nacht zo’n twintig
kalme stoten kunnen tellen, de laatste geaccentueerd door de tenornoot.
Dan rolde hij zich in zijn deken en sliep in.  In de dichte duisternis
lag ze nog minstens een uur hol en verbijsterd.  Soms bij zichzelf
met haar vinger.  Fluisterend vertelde ze het haar beste vriendin,
die altijd zei: Als je van elkaar houdt lijkt het anders maar
hoe leg je vlinders aan een schildpad uit?
Vaak werd ze om vijf uur wakker, trok een ochtendjas aan
en ging het dak op om de was binnen te halen. tegenover haar
waren lege daken, een bosrand, een verlaten vlakte. Daarna
stonden haar vader en haar man op en gingen samen weg
om te bidden.  Elke dag deed ze boodschappen, maakte schoon en bakte.
Op vrijdagavond kwamen er gasten, ze dronken, aten, knabbelden, kibbelden.
Lag ze na dit alles op haar rug in bed,
dan dacht ze soms aan een baby

De (mooie) vertaling is van Hilde Pach.
Het boek in 2000 eerst verschenen bij Meulenhoff en nu, de tweede druk,  bij de Bezige Bij, A’dam.
Oorspronkelijke uitgave: Oto hajam, uitgeverij Keter, Jerusalem 1999
En zoals gezegd nu al voor 4,99 euro als e-book te koop bij bv. bol.com.
ISBN 978 90 234 8861 3
NUR 302

Niet ver van de zee, in de Amiriemstraat
woont meneer Albert Danon, alleen. Hij houdt van olijven
en zoute kaas.  Een zachtaardig man, belastingsadviseur, onlangs,
op een ochtend, overleed zijn vrouw Nadia aan eileiderkanker.  Ze liet
jurken na, een make-uptafel, kleedjes, geborduurd met dunne zijde.                        

De enige zoon, Enrico David, is op reis, beklimt een rotswand in Tibet.

(gelieve zelf te vervolgen)

Bat-Yam.jpg