Albert_Gleizes,_1912-13,_Les_Joueurs_de_football_(Football_Players),_oil_on_canvas,_225.4_x_183_cm,_National_Gallery_of_Art

Lang geleden, de dieren spraken niet meer, maar toch nog lang genoeg geleden toen ik  de letters van de Franse literatuur leerde proeven, kocht ik in een antiquariaat ‘LES ONZE DEVANT LA PORTE DOREE’ geschreven door Henri de Montherlant, in de serie Les Cahiers Verts, Grasset, Paris 1924.
Het boekje waarvan er zesduizend zevenhonderdveertig genummerde exemplaren gedrukt werden (dit is nummer 6531) moest nog voor de helft opengesneden worden, de lezer(es) was bij Deuxième Olympique gebleven. (Poemes, et l’ histoire de la Petite) Deuxieme Olympique verwijst naar de Olympische spelen die in 1924 in Parijs plaats vonden.
De inhoud bestaat uit twee delen: Deuxième Olympique, en Les onze devant la porte dorée.
Een jonge auteur (Montherlant is dan 29) die over ‘sport’, inzonderheid over voetbal schrijft.
Dat hebben de Franse auteurs Jacques Perret, Albert Camus, Georges Perros en de Uruguaan Eduardo Galeano ook gedaan: voetbal beschouwd als een van de zeven kunsten!

football-art-adidas-59220

In mijn jonge jaren was ‘voetbal’ een van de meest gehate bezigheden: een dertigtal dertienjarigen rennen achter een sponsen bal aan, terwijl nog zo’n honderd andere dertienjarigen dat tegelijkertijd ook doen en dit in allerlei richtingen. Zoiets noemden ze toen ‘speeltijd’, en voetbal was ‘verplicht’. Welbevinden of niet.

Dat ik nu een boek uit 1924 over sport, inzonderheid over voetbal beschrijf mag dus wijzen op een lang verwerkt jeugdtrauma. Gedichten over ‘voetbal’ blijven mij echter verbazen.
Ik citeer uit ‘Sur des souliers de foot’ (p82)

‘Gros souliers, base de la jeune jambe, cuir de vache à peine dégrossi,
seule épaisseur sur ce corps qui n’ a contact que de légèretés,
je vous tire du sac en pagaïe, où vous dormiez sous la culotte salie:
sifflets de l’ arbitre dans l’ air coupant, terrain qui claque… je tire tout l’ hiver.
Entre mes mains, outils de la victoire, vus de si près, un peu diminués,
inertes, vous qui voliez, frappiez, vivants et sous les ordres de l’ esprit,
à la fois durs et enfantins, grands et petits, grands et petits,
tels lui-même qui sait bien les larmes à ses yeux bridés de petit condottière!

En dat is nog maar één derde van de lofzang op de voetbalschoen die poisseux de bonne huile; encore croûtés de paquets de terre, force fumante avec votre odeur d’ algue, votre élégance fait de brutalité, zelfs een ‘mystère’ mag genoemd worden.

il_570xN.1335054460_2nho

Het volgende gedicht: Un allier (vleugel-speler, rechts of links buiten heb ik mij laten onderwijzen) est un enfant perdu, een uitdrukking die de auteur uit het voetbal-manuel heeft gehaald.
Ik weet niet wie er bij de Belgen deze rollen vervult, maar hij is volgens de auteur:

‘O majesté légère comme s’ il courait dans l’ ombre d’ un dieu !’
En:
‘Devant lui sautille la bête perfide, à demi-captive, irritée,
qu’ on mêne à coups de caresses rageuses et de l’ interieur du pied,
et ses pieds sont intelligents, et ses genoux sont intelligents.’
En:
‘Ses yeux sont baissés sur le ballon comme sur la page de Virgile.’

maar…
‘Soudain lui qui s ‘ envole; ses omoplates comme la naissance d’ ailes coupées.
Et le claquement musical du cuir, comme le rire de la bête perfide,
parce que c ‘est loupé, loupé, loupé.

Un geste dominateur de l’ arbitre.
Un coup de sifflet plein d’ étendue.
Je songe à une phrase du manuel:
“Un ailier est un enfant perdu…”

adel abdessemed qui a peur du grand mechant loup2012

De voetbaldeskundigen onder ons mogen uitleggen wat er gebeurd is. (buitenspel?)
Maar ik zal dus met andere ogen naar voetbal kijken deze dagen, met ogen die opnieuw ‘On va jouer’ ontdekken, het speelse uit de vroege jaren.
‘Allons, ne pleure plus, bébé. On va jouer.’ zegt Peyrony in het korte toneelstukje Les onze devant la porte dorée.’
Een mooi klein gedichtje, bijna Japans om af te sluiten:

‘La balle frappe contre la barre du haut mouillé de pluie.
Des gouttes me tombent dans les cheveux.

Les Onze hoorde thuis in een groter werk uit dat jaar: ‘Les Olympiades’.
De uitgever Gallimard:
‘De tous ses livres, c’est celui que Montherlant préfère. Il y chante avec un bonheur constant d’inspiration, une grande fraîcheur de ton, les sentiments les plus purs qui soient au cœur de l’homme : la joie de l’effort physique, la camaraderie, le sens de l’équipe. (Galimard bij het her-verschijnen van Les Olympiques’)
Over het korte toneelstuk met die naam misschien later nog een keer, nu tijd voor voetbal!

‘La balle entre en traînant une petite poussièrre.
J’ ai gardé les mains sur les genoux.’

(Uit ‘Fleurs de la Fatigue)

R_Delaunay_La_Relève_du_matin

En uit een klassieker van de Uruguaanse auteur Eduardo Galeano: El futbol a sol y sombra, of Soccer in Sun and Shadow deze mooie quotes:

In soccer, as in everything else, consumers are far more numerous than producers. Asphalt covers the empty lots where people used to pick up a game, and work devours our leisure time. Most people don’t play, they just watch others play on television or from stands that lie ever farther from the field. Like carnival, soccer has become a mass spectator sport. But just like the carnival spectators who start dancing in the streets, in soccer there are always a few admiring fans who kick the ball every so often out of sheer joy. And not only children. For better or for worse, though the fields are as far away as could be, friends from the neighborhood or workmates from the factory, the office of the faculty still get together to play for fun until they collapse exhausted, and then the winners and losers go off together to drink and smoke and share a good meal, pleasures denied the professional athlete.
— Galeano Eduardo  describing how consumerism has transformed the game, and how it hasn’t. (Soccer in Sun and Shadow)

Years have gone by and I’ve finally learned to accept myself for who I am: a beggar for good soccer.I go about the world, hand outstretched, and in the stadiums I plead: ‘A pretty move, for the love of God.’ And when good soccer happens, I give thanks for the miracle and I don’t give a damn which team or country performs it.
—Galeano Eduardo on his love for the sport exceeding his love for any one team. (Soccer in Sun and Shadow)

neo rauch

En in onze eigen taal Nico Scheepmakers in 1955:

In het Stedelijk Museum
hangt een Klee

Ik vind het mooi
maar ik kan er niets mee doen
Een warme violist
speelt Händel
in ’t Concertgebouw

Ik vind het mooi
maar ik kan er niets mee doen

En midden in het Vondelpark
een beeld,
in een vogelvrije boom
in de natuur

Ik vind het mooi
maar ik kan er niets mee doen

Alleen als Abe Lenstra
zwijgend speelt
met tegenstanders en een
oerbesef, –

laat ik een traan
op ’t asfalt van de kunst

Want ik vind het mooi
ik kan er niets aan doen.

bary pirovano

En vergeet zeker Willem Wilmink niet in 1971:

eens toen ik in floodlight
voetballers een doelpunt
zag spinnen zich bewegend
als elven over het gras,
wist ik dat uit deze hoek
de verlosser ophanden was
 en zie: Johan Cruyff de danser
de faun de adelaar
der dalen
 maar toen we zijn bergrede kwamen halen
had hij het over belasting betalen.

Henri_Rousseau_-_The_Football_Players

Uit 2000 een prachtig lang artikel te vinden in bnl, bibliotheek voor de Nederlandse letteren: Literatuur met een doel.  Schrijvers over voetbal, auteurs: Erik Brouwer, Aad Meinderts, Henk Spaan, Erna Staal.

http://www.dbnl.org/tekst/mein002lite01_01/index.php

kunstwerken:

Boven: The football-players van de kubistische kunstenaar Albert Gleizes (1881-1953) Inderdaad American football, maar zo mooi en intens dat het best bij onze ‘voetbal’ kan horen.

Midden: voetbalhemel van Adidas

Originele tekening uit La releve du Matin van Montherlant.

Een zwevende keeper van de Russische kunstenaar Aleksandr Deyneka (1899-1969)

Het beeld: De kopstoot van Zidane, een reusachtig beeld (5m hoog!) van de boeiende Algerijnse kunstenaar Adel Abdessemed (°1971) waarover later zeker een bijdrage.

Een werk van Bary Pirovano

Onderaan: De voetbalspelers van Henri Rousseau. (1844-1910)