f22a1f435aa17d78e4b381fa9067340d

Ze was al heel erg oud. Daar riep een meisje:
‘Kijk, oma, het is winter!’ En zij zei:
‘Ik zou zo graag gaan spelen, weer spelen
in de sneeuw.’ De lente kwam, een lente
later zou ze sterven. Maar ze zei:
“Ik zou zo graag gaan lopen, lopen door
de regen, al die druppels op mijn gezicht,’

De zomer was voorbij, voorbij. Ze zei:
‘Die appeltjes rook ik zo graag, vooral
wat in het gras lag, in de grote tuin van
mijn pa. Dat rook zo goed, zo goed.’ Haar rimpels
betoveren haar glimlach, het verleden
staat op een kier. Heel even kijkt een meisje
naar een oude meisje in een hof van Eden.

Geert van Istendael (Het geduld van de dingen, 1996)

6de2a-709274700

1
Als ik vanavond thuiskom ben je weg.
Ik zal de tuin inlopen rokend en verdrietig
om al het liefs dat ik je wilde zeggen.
Je zwarte stoel staat in het erwtenbed.

Je zat er vaak tussen twee beurten in
nog met je handen aan de groene lussen
een uur vol gras en vogels uit te rusten,
de druppels zweet al haastig weggewist.

Een fijne sluier zand ligt op je stoel.
Ik zal hem in spiraaltjes openblazen.
Want je bent weg, ik moet mij nooit meer haasten.
Voor hoeveel jaren is dat nu voorgoed.

II

Ik keek door het venster maar je was er niet.
De kamer schijnt eensklaps te groot geworden
met weggeschoven stoelen, lege borden.
Je bril ligt in je boek, vergeet hem niet.

Van ergens dringt je stem nog tot mij door.
Ik weet het al, je bent waarschijnlijk boven,
ik zal het kraken van de treden horen,
je woorden zijn je altijd even voor.

De deur staat op een kier, je komt terug
je was alleen maar weg om iets te halen.
Het duurt wel lang, mijn ogen staan vol tranen,
een onverdacht verdriet achter je rug.

Anton van Wilderode
uit: De dag van Eden.
Hasselt: Heideland 1964

b7f2b5e1655d94be5101bcaedda6f678

Dat uw gebeente werd verzameld,
uw bekken dat mijn slaapplaats was,
het hoofd dat zong en heeft gestameld
dat ik uw allerliefste kindje was.

Uw armen waarin ik woonde,
uw schouderblad waarop ik sliep,
uw vingers die de wereld toonden,
uw stem waarop ik angstig riep.

Dat uit uw dodenwieg geschud,
gij in de aarde moet verdwalen.
Verschuil u dan in mij en stut
mijn woorden in al uw moedertalen.

gmt 2008

6889d-1141728185