Kabouters, een kortverhaal

Zwergkönig und sein Gefolge, lithographie de Fritz Rehm, 1915

Papa, bestaan kabouters echt?’ vroeg Hazel.
Haar vader schrok wakker uit zijn middagdutje.
’Wie?’
’Kabouters, papa?’
‘Je bent er bijna twaalf, Hazel. Hoog tijd om te beseffen dat kabouters verzinsels zijn.’
’Ik heb een kabouter gezien, papa.’
‘In een boek, of in een film zal je bedoelen?’
‘In het echt, papa. Achter in de tuin.’
‘In onze tuin?’
‘Ja, in onze tuin.’
’Misschien was het de mist, of je hebt een poes of een hond gezien. . .’
’Dragen poezen en honden rode mutsen, papa?’
’Hazel, hou op met die onzin!’
’Toch heb ik echt een kabouter gezien, papa. Gisteren, net voor het donker werd.’
‘Haas, je hebt een levendige verbeelding, dat weten wij. Je hebt ooit Sinterklaas ook echt gezien, weet je nog?’
’Toen was ik zes jaar, papa. Nu word ik er bijna twaalf.’
Hazels vader nam haar op zijn schoot.
‘Word je op school geplaagd misschien?’ vroeg hij zachtjes.
‘Wat heeft dat met kabouters te maken, papa?’
’Kom je in je moeilijke jaren? Droom je over mooie jongens?’
‘Papa!’ riep Hazel. ’Waarom zou ik over mooie jongens dromen?’
’Als het lichaam van een meisje volwassen wordt,’ begon de vader.
Ik weet wat er gebeurt in de puberteit. Ik heb het over kabouters! Ik heb echt een kabouter gezien. Heel duidelijk, in de tuin.’
Hazels vader zuchtte.
’Ik heb mezelf ooit als een beroemd voetballer gezien, liefje,’ zei hij toen. ’Echt waar, ik dacht dat ik door Argentinië zou worden aangekocht.’
’Ik heb mezelf niet gezien, papa. Ik heb een kabouter gezien.’
’Misschien verlang je weer een baby te zijn, wil je terug naar je kleine-kindertijd. En dus zie je kabouters!’
’Ik verlang helemaal niet terug naar mijn kleine-kindertijd. Ik voel me best zoals ik nu ben. Maar ik heb een kabouter gezien. Heel duidelijk.’
Weer zuchtte Hazels vader.
’Kom, meid. We gaan naar de tuin. ]e zult zien dat het een fata morgana was.’
’Een wat?’
’Een fata morgana. Een luchtspiegeling. Reizigers die in de woestijn verdwalen, zien soms prachtige steden of oases.
‘We zijn in het hartje van de winter, papa. En we zijn niet verdwaald.’
Ze liepen de tuin in. Het was een mistige avond.
‘In de mist kan een boom op een spook lijken,’ probeerde Hazels vader.
‘Het was een heldere avond, papa. Het ventje liep naar de tuinmuur, draaide zich om, keek me glimlachend aan en verdween toen met een fikse reuzenzwaai over de muur.’
’]aja!’ zuchtte haar vader.
Nu kwamen ze bij de muur.
’Kaboutertjes!’ riep Hazels vader. ’Kom eens even wuiven!’
’Kijk hier!’ riep Hazel.
Ze zagen vage afdrukken van erg kleine voetzooltjes.
’Een kindervoetje !’
‘De buren hiernaast zijn negenenzeventig en ze haten kinderen. Aan de andere kant wonen An en Bram. Die zijn vorige maand getrouwd.’
’Een hond of een konijn,’ probeerde haar vader zich nog te verdedigen.
’… die schoenen dragen. Grappig hoor.’
‘Of een grapje van een zekere Hazelmans die haar arme vader wil verontrusten.’
’]e bent wiskundeleraar, papa. Als ik je zou willen verontrusten moet ik bewijzen dat de aarde de andere kant uitdraait.’
’]uist. Feiten zijn feiten. Kabouters bestaan niet. Kom nu, ik wil je huiswerk nog nakijken.’

Lennart Helje

De volgende morgen toen de Hazels vader de vuilnisbakken buitenzette, zag hij twee kabouters op het tuinmuurtje zitten. Ze bengelden met hun beentjes en
wuifden.
Toen hij zijn arm half had opgeheven om terug te zwaaien, waren ze verdwenen.
Hij bleef twee minuten sprakeloos staan, botste toen tegen de vuilnisbakken en rolde over het natte gras.
‘Papa!’ riep Hazel.
’Niets aan de hand. Ik gleed uit. Glad dat gras.’
’]e ziet zo bleekjes.’
’Ik? Och. Niet te best geslapen, denk ik.’
Diezelfde avond vond Hazel haar vader in zijn werkkamer.
Hij las een groot boek over kabouters.
‘Heb ik even in de bibliotheek gehaald. Als je dochter een probleem heeft, dan moet je proberen je in haar situatie in te leven.’
’]e hebt ze ook gezien!’ zei Hazel.
’Wie?’
‘De kabouters, of één kabouter.’
’Ik? Ach wat. Als je er nog veel over zeurt, beginnen we allemaal kabouters te zien. Dag en nacht. Dat heet: ‘collectieve waanzin.’
Ze hoorden een licht getik op het raam.
Toen ze de gordijnen wegschoven, dachten ze nog een zilveren belletje te horen, achter de tuinmuur.
’Dat dragen ze op hun puntmuts,’ zei Hazel, en ze wees naar een plaatje in het boek.
‘Begin maar aan je rekenwerk en laat daar je belletjes rinkelen!’

Tekening Kristien Aertssen

‘U ziet dus kabouters,’ zei de dokter.
Hazels vader knikte.
’Vanmorgen ook weer. Nu waren ze met zijn vieren. Ze sleurden met hout en restjes afval.’
De dokter glimlachte.
‘Als wiskundeleraar zou u moeten weten, dat dergelijke waarnemingen zinsbegoochelingen zijn. Rust u wel genoeg?’
’Ik ben leraar,’ zuchtte Hazels vader.
Hij kreeg een middeltje tegen stress en hartkloppingen, samen met de goede raad op tijd het toilet te bezoeken.
Toen de dokter de volgende patient wilde binnenlaten, verscheen er een klein ventje met een rode puntmuts op.
’Keelpijn,’ zei de kabouter.

Rien Poortvliet

De eerste krantenartikelen over kabouters hadden het nog over sprookjes, over crisistijden en de nood van de mens aan wonderen, maar daarna begonnen er getuigenissen te volgen van mensen die de bedoelde sprookjesfiguren echt hadden gezien.
Een uitgever gaf zijn baan op om zich volledig aan de studie van kabouterachtigen te wijden, en zelfs een minister vond op een morgen een nieuw vijfjarenplan op zijn tafel, terwijl hij nog net het ruggetje van een kleine gestalte zag verdwijnen.
De militairen begonnen ongerust te worden en ook de bisschoppen raadden hun gelovigen aan voorzichtig te zijn bij het ‘waarnemen’ van deze wondere wezentjes.
Parken en bossen werden op onverklaarbare wijze in één nacht netjes gemaakt. Voorbereidende werken voor nieuwe kerncentrales verdwenen van de aardbodem. Kanonnen vuurden confetti-granaten af tijdens grootscheepse oefeningen terwijl de geweren met zuurtjes waren geladen.
Eenzame kinderen kregen een vriendje dat hen bij het huiswerk hielp. Nurkse leerkrachten werden rose geschilderd en vastgebonden teruggevonden. Fabrieksschoorstenen bleven heuse zuivere,wierook de hemel insturen. Watervervuilers kregen dat giftige water in hun eigen thee.

Kabouter van Ottmar Hörl

’Dat kan zo niet langer!’ schreeuwden de generaals. ’Als wij met groene confetti en zuurtjes schieten, Wat zal dan het oostblok doen?’
’Het oostblok schiet met rode confetti en met nougat, dat hebben onze satellieten waargenomen,’ zei het hoofd van de spionage-afdeling.
’Wij zijn een leger, geen winkel van feestartikelen,’ brulden de generaals.
‘We kunnen misschien onze zuurtjes vergiftigen en onze confetti ombouwen tot kleine gevaarlijke mijntjes!’ stelde een raadgever voor.
’Het gezag! Waar is het gezag?’ riepen alle gezagsdragers die door kabouters bij de neus waren genomen.
‘Hier moet een einde aan komen.’
En omdat gezagsdragers elkaar altijd goed kunnen vinden in tijden van nood, kwam er een campagne om de kabouters te vernietigen.
Voor elke gedode kabouter mocht je één jaar belastingvrij leven.
Dat was natuurlijk een erg aanlokkelijk voorstel. Weldra werden er speciale kabouterjachten georganiseerd.
Wetenschapsmensen publiceerden lijvige rapporten over de schadelijkheid van dit vreemde wezen. Het duurde niet lang of kabouters waren bij wet verboden. Wie een kabouter hielp of verborg, kreeg een gevangenisstraf van minstens zeven jaar.
In minder dan drie maanden waren de kabouters van de aardbodem verdwenen.
De legers schoten weer met echte kogels en granaten, de schoorstenen braakten hun vieze rook de hemel in, en de gezagsdragers konden weer hun gezag uitoefenen zonder dat er iemand lastige vragen stelde.
Alleen Hazel had nog een kabouter thuis. Hij woonde in de speelgoedkast. Als hij ontdekt zou worden, kon hij zich dood houden, alsof hij een stuk speelgoed was. Die kabouter vertelde over de ware bedoelingen van zijn uitgeroeide collegaatjes, over hun plannen om de mensen weer naar het werkelijke leven te brengen. Ook kende hij prachtige verhalen over de oertijden, over heksen en kobolden.
Maar hij treurde. Hoe goed hij ook verzorgd werd, hij rniste zijn vriendjes. En op een morgen was hij verdwenen. Er lag nog een papiertje:
Misschien is er nog een vrouwtjes-kabouter overgebleven. Dan trekken we ons terug in het diepste woud, en over vierhonderd jaar proberen we het nog eens.’
’Vierhonderd jaar. . .’ zei Hazels vader.
Met de hele familie verhuisde hij naar een groot bos, ergens in Zweden. (Hun kabouter had duidelijk een Zweedse tongval gehad!) Ze leefden van de natuur, trokken in de zomer als zangers en toneelspelers langs steden en dorpen en waren helemaal niet verbaasd toen ze op een morgen het belletje hoorden dat eens achter de tuinmuur had geklonken.
Eén belletje? Drie belletjes!

Tekening van Kristien Aertssen

Nawoord:

De dames en heren die we hier onder de noemer ‘kabouters’ ten tonele hebben gevoerd verzochten mij vriendelijk hun huidige verblijfplaatsen niet bekend te maken. Dat ik in mijn verhaal ‘Zweden’ noem is net zo verzonnen als het woord ‘kabouter’ dat inderdaad vaak voor verkeerde wezens wordt gebruikt. In allerlei literaturen zijn de ware kleine wezens al lange tijd aanwezig. Hazel zag ze op haar ‘elf-de’ en dat is niet toevallig omdat elfen nauw verwant zijn met deze wonderlijke figuren. De illustraties geven hier dus eerder een richting dan een werkelijkheid aan, maar dat is zo met alle wonderlijke verschijningen.

L. Helje

Mijn vader vertelde mij als kind een sprookje waarin het de bedoeling was om een kaboutermuts in handen te krijgen omdat volgens de overlevering kabouters hun mutsjes vaak de lucht insmeten bij feestelijke gelegenheden. Wie zo’n mutsje kon pakken voor het op de grond kwam…
In het sprookje werd je dan met rijkdom en macht beloond maar in feite verdiende je een paspoort om in hun wonderlijke streken rond te reizen en verslag uit te brengen eens weer terug in het mensendal.
Maar dat is dan weer een ander sprookje.

L. Helje

Nog even verwijzen naar mijn vorige bijdrage. Ik heb ze intussen verder uitgewerkt en verschillende bronnen samengebracht zodat er een beter beeld van deze boeiende schilder beschikbaar is. Giovanni di Paolo werd eeuwenlang doodgezwegen en pas in de jaren 1920 herontdekt toen de tijden het expressionisme en het surrealisme en aanverwanten herkenden als signaal van een veranderende maatschappij. Een echte ‘voorloper’ dus.

Giovanni di paolo, paradiso 23 dante, beatrice e santi