‘Spring with a difference’

Claude Monet (1840–1926), Spring, 1886, oil on canvas, 64.8 x 80.6 cm, (detail) The Fitzwilliam Museum, Cambridge. Public domain image

Spring
Louise Imogen Guiney (1861-1920)

With a difference —Hamlet.

Again the bloom, the northward flight,
The fount freed at its silver height,
And down the deep woods to the lowest,
The fragrant shadows scarred with light.

O inescapable joy of spring!
For thee the world shall leap and sing;
But by her darkened door thou goest
Forever as a spectral thing.
Lente
Louise Imogen Guiney

Met een verschil - Hamlet.

Opnieuw de bloei, de vlucht naar het noorden,
De bron bevrijd op zijn zilveren hoogte,
En door de diepe bossen naar het laagste,
De geurige schaduwen, littekens met licht getekend.

O onontkoombare vreugde van de lente!
Voor jou zal de wereld springen en zingen;
Maar door haar verduisterde deur ga jij...
Voor altijd als een spookachtig ding.
“Lente” staat in Louise Imogen Guiney's eerste dichtbundel Songs at the Start (Cupples Upham and Company, 1884). In zijn essay “The Poetry of Louise Imogen Guiney”, noteerde dichter, toneelschrijver en scenarioschrijver George O'Neill in 1931: “Miss Guiney's schrijven toont een uitmuntend oor. Ze vocht compromisloos tegen de tirannie van de Engelse sibilantie (sissende s-klanken): haar succes in deze strijd noemde ze ooit (in een brief aan de huidige schrijver) 'mijn kleine geheim'; het zal in feite een grote rol spelen in haar beste vers-muziek. Ze tolereerde geen slechte rijm, rijm om het rijm, kakofonie, slechte grammatica, geforceerde constructies, spreektaal of stereotype. 

(Poem-a day)

Lees de bundel on line:
Maurice de Vlaminck. (1876-1958) Kasstanjebomen in bloei. 1905-1906

Het gedicht ‘Lente’ van Louise Imogen Guiney heeft duidelijk een ondertitel, een verwijzing naar Hamlet: ‘with a difference‘.

Aan koningin Gertrude biedt Ophelia wijnruit-bloemetjes aan, een symbool van verdriet en berouw, die door de koningin “met een verschil” (…wear you rue with a diffrence) moeten worden gedragen. Ophelia kan niemand viooltjes aanbieden omdat er geen trouw is aan dit hof. Is dat het verschil?. (en volgens Luk 11:42 zouden die zgn. viooltjes inderdaad eerder ‘ a bitter-tasting garden herb (Ruta graveolens) zijn)

Hoewel Ophelia gek is, lijkt het erop dat haar bloemen een niet zo gekke betekenis hebben.

Ten eerste heeft Ophelia de betekenissen van de bloemen niet verzonnen; ze zijn allemaal traditioneel. Shakespeare’s publiek zou bekend zijn met het idee dat rozemarijn “ter herinnering” is en viooltjes “voor gedachten”.

Ten tweede lijken de betekenissen van de bloemen te passen bij de personen in de scène. De rozemarijn voor herinnering en de viooltjes voor gedachten zouden bijvoorbeeld naar Laertes kunnen gaan, die zich zijn vader herinnert en aan zijn zus denkt. De venkel voor vleierij en de akeleien voor ondankbaarheid zouden naar de koning kunnen gaan. Ophelia heeft wat wijnruit, voor verdriet en berouw, en misschien geeft ze wat aan de koningin, met de opmerking dat “je je wijnruit met een verschil moet dragen” (4.5.183), omdat het verdriet en de berouw van de koningin niet hetzelfde zijn als die van Ophelia. Er is een madeliefje voor bedrog, dat ook naar de koningin zou kunnen gaan, of misschien naar de koning. Tot slot zijn er viooltjes voor trouw. Ophelia zegt over hen: “Ik zou je wat viooltjes willen geven, maar ze zijn allemaal verdord toen mijn vader stierf: ze zeggen dat hij een goed einde heeft gehad.” (4.5.184-186).

“Ophelia:
There’s rosemary, that’s for remembrance.
Pray you, love, remember. And there is pansies,
that’s for thoughts. . . .
There’s fennel for you, and columbines.
There’s rue for you, and here’s some for me; we
may call it herb of grace o’Sundays. You must wear
your rue with a difference.
There’s a daisy. I would
give you some violets, but they withered all when
my father died. They say he made a good end."

En laat dan ook nog eens Alicia Andrzejewski beweren dat :

Rue is a plant with yellow flowers that “emit a powerful, disagreeable odor and have an exceedingly bitter, acrid and nauseous taste” (“rue” Botanical.com). According to John Gerard’s The Herball or Generall Historie of Plantes (1597), rue has a wide range of medical uses, one of which is as an abortifacient. Provoking an abortion was its “most recognized use in classical antiquity and the Middle Ages,” as John M. Riddle argues in Eve’s Herbs: A History of Contraception and Abortion in the West. (Synapsis aliciaandrzejewski)

En , ik citeer uit de onderstaande tekst: ‘Terwijl de Latijnse wortels voor ‘rue’ negatieve connotaties hebben betekent het Griekse reuo, een andere oorsprong van de naam, bevrijden. (Brewer 1082). Of: de veelvuldige mogelijkheden tot interpretaties ontdoen hem van de tijdelijkheid en plaatsen het werk van dichter en dichteres in de tijd waarin gisteren en morgen ook vandaag aanwezig blijven.

Lees:

Harold Harvey. Cornish Children

Maar…het is hoe dan ook lente. Te koud, te warm, te droog. Maar dat licht! “De geurige schaduwen, littekens met licht getekend.” En er is in hand- en oorbereik het Allegro van Händel ‘Sweet Bird’ Uitvoering met Amanda Forsythe, Emi Ferguson & Voices of Music in 4K video. Met de vermelding: ‘NB: During filming, birds gathered outside the window and started singing! You can hear them in the video.’

Je kunt het transcript volgen, gewoon genieten van deze heerlijke uitvoering en zachtjes of luidop meezingen is wellicht hier en daar toegelaten, maar...with a difference. De levenden en…hij of zij die nog als ‘geest’ in de herinnering verblijft, en tot in de schoonheid van deze muziek aanwezig blijft.

Geniet!

Sonnet 98. William Shakespeare

From you have I been absent in the spring,
When proud-pied April, dressed in all his trim,
Hath put a spirit of youth in everything,
That heavy Saturn laughed and leapt with him.
Yet nor the lays of birds nor the sweet smell
Of different flowers in odor and in hue
Could make me any summer’s story tell,
Or from their proud lap pluck them where they grew.
Nor did I wonder at the lily’s white,
Nor praise the deep vermilion in the rose;
They were but sweet, but figures of delight,
Drawn after you, you pattern of all those.
 Yet seemed it winter still, and, you away,
 As with your shadow I with these did play.

In ’t voorjaar ben ik van je weg geweest,
toen bonte April, op zijn paasbest gekleed,
nieuw leven bracht, dat met verjongde geest
Saturnus zelfs van vreugde dansen deed.
Toch liet mij vogelzang er niet toe komen,
noch bloem die door haar geur en tint verrukt,
dat ik ’t verhaal verteld heb van de zomer,
of uit die schoot haar trotse bloei geplukt.
Geen lelie die mij in extase bracht,
geen rozen prees ik om haar vermiljoen,
zij, zoet alleen en zinnebeeld van pracht,
stonden slechts jou, hun voorbeeld na te doen.
Maar het leek winter, toen jij weg was en
als met jouw schaduw speelde ik met hen.

(vertaling H.J. de Roy van Zuydewijn)

Foto door Roman Kaiukud83cuddfaud83cudde6 op Pexels.com

Kleine en grote bezieling voor donkere dagen (3) Drie zussen geportretteerd.

Ze kijken je aan, drie zusjes, three Bohemian Noble Sisters in the Emperor’s Court, en met enige verbazing lees je dat ze ‘AI generated’ zijn. Niet helemaal, wellicht hun kledij, de compositie…? Ja, en? Alsof AI niet als onderdeel van je technische mogelijkheden gebruikt kan worden. Illustratie? Ja, en? Kortom, laten we samen door de kunstgeschiedenis wandelen, op zoek naar hun soortgenoten. Drie zusjes, tot bij Tsjechov waar de drie generaalsdochters Olga, Masja en Irina hun heimwee naar Moskou proberen te overleven.

Bruno Cerboni. Three Bohemian Noble Sisters in the Emperor’s Court AI generated


Bruno Cerboni Bajardi was born in 1969. He lives in Urbino where he specialized in engraving at the Istituto Statale d’Arte “Scuola del Libro”.

He perfected his skills under the ‘maestros’ Calavalle, Bruscaglia, Quieti, Cionini and Peral, and since 1990 has been working for KBA-Notasys on the production of international banknotes, teaching the technique of engraving in both burin and digital form.

He combines his engraving work with constant painting, exhibiting as a painter, engraver and copyist at numerous group and solo exhibitions.


Three Sisters, 1922
George Harcourt RA (1868 – 1947)
George Harcourt exhibited this painting at the 1922 Royal Academy Summer Exhibition, where it was reproduced in the illustrated catalogue.  The ‘Three Sisters’ of the title may be his daughters, Mary Edeva Harcourt (1901-1984), Elizabeth Aletha Harcourt (1903-1985) and Dorothea Anne Adelene Harcourt (1907-1985), all of whom became artists. 
Henri Matisse
Les Trois Soeurs
1917
huile sur toile
H. 92 ; L. 73 cm avec cadre H. 112 ; L. 93 cm
Succession H. Matisse © RMN-Grand Palais (Musée de l’Orangerie) /

Ce portait de trois sœurs est l’une des œuvres magistrales de Matisse. Trois jeunes femmes brunes assises prennent place sur un fond bistre. Deux des jeunes femmes nous regardent tandis que la dernière est absorbée par sa lecture. Le peintre réussit ici l’équilibre parfait entre différents éléments apparemment inconciliables : la variété des attitudes des trois sœurs, des couleurs discordantes, l’impression de la juxtaposition de plusieurs niveaux de perspective. De multiples sources ont été invoquées pour la réalisation de ce tableau, la peinture de Manet (1832-1883), l’estampe japonaise ou encore la toile Les dames de Gand conservée au musée du Louvre et attribuée à l’époque à Jacques-Louis David (1748-1825), ont pu constituer une inspiration pour Matisse. 

(Musee Orangerie Paris)

Sofonisba Anguissola The Chess Game. c. 1555

Op dit schilderij zie je de drie zussen bij het schaken, , Minerva(rechts) en de jonge lachende Europa in het midden.
Een dienares vult de compositie aan en kijkt verbaasd hoe Lucia net de koningin van Minerva heeft genomen die van alteratie de arm opheft terwijl je de jongste hoort lachen.

Je merkt goed de Vlaamse invloed op dit doek.
Het landschap op de achtergrond, het sfumato waarin het tafereel zich baadt, de kleuren, de Vlaamse meesters zijn niet ver weg, en ook Corregio niet, schilder naar wiens werk Sofonisba’ s leermeesters vaak verwezen.

Bzoek ook:

(Three Sisters- A study in June Sunlight) Edmund Charles Tarbell. 1890

The subtitle of this first important Impressionist work by Edmund Tarbell is a clear indication of his interest in the new French style just recently introduced in America. The painting’s dappled light, brilliant palette, and short, textured brush strokes caused a sensation when it was exhibited in Tarbell’s hometown of Boston. The transient light and undiluted color create a warm atmosphere in which the figures are more solidly drawn. Posing his wife, her sisters, and his baby daughter in a lovely garden setting, Tarbell did not attempt probing portraits but instead sought to portray an affluent and tranquil way of life. The inclusion of the American colonial chair implies their New England heritage that underlies this seemingly French aesthetic.

Excerpt from Collection Guide: Milwaukee Art Museum, Milwaukee: 2004.

De ondertitel van dit eerste belangrijke impressionistische werk van Edmund Tarbell is een duidelijke indicatie van zijn interesse in de nieuwe Franse stijl die net in Amerika was geïntroduceerd. Het gedempte licht van het schilderij, het briljante palet en de korte, textuur-penseelstreken veroorzaakten een sensatie toen het werd tentoongesteld in Tarbells geboortestad Boston. Het voorbijgaande licht en de onverdunde kleur creëren een warme sfeer waarin de figuren steviger zijn getekend. Door in zijn werk zijn vrouw, haar zussen en zijn babydochter in een mooie tuin te plaatsen, probeerde Tarbell geen indringende portretten te maken, maar probeerde hij in plaats daarvan een welvarende en rustige manier van leven uit te beelden. De opname van de Amerikaanse koloniale stoel impliceert hun New England erfgoed dat ten grondslag ligt aan deze schijnbaar Franse esthetiek.

Uittreksel uit de Collectiegids: Milwaukee Art Museum, Milwaukee: 2004.

Léon Frederic. 1856-1940 Les 3 soeurs. 1896

In the 1890s Frederic’s paintings of impoverished workers and peasants in his native Belgium were celebrated for their forthrightness and arresting intensity. Here, the humdrum activity of peeling potatoes is vivified by the girls’ bright red dresses and gleaming red-gold and blond hair. Their downcast eyes and serene expressions recall representations of the young Virgin Mary in sixteenth-century Flemish art, which Frederic greatly admired. Nothing is known of the sitters beyond the painting’s title, which identifies them as sisters; the two eldest are so uncannily alike that they appear to be twins. (The Met Gallery 827)


In de jaren 1890 werden Frederics schilderijen van verarmde arbeiders en boeren in zijn geboorteland België geroemd om hun openhartigheid en pakkende intensiteit. Hier wordt de saaie bezigheid van het aardappels schillen verlevendigd door de felrode jurken en het glanzende roodgouden en blonde haar van de meisjes. Hun neergeslagen ogen en serene uitdrukkingen doen denken aan voorstellingen van de jonge Maagd Maria in de zestiende-eeuwse Vlaamse kunst, die Frederic zeer bewonderde. Er is niets bekend over de geportretteerden behalve de titel van het schilderij, die hen identificeert als zussen; de twee oudste lijken zo griezelig veel op elkaar dat het wel een tweeling lijkt.

(The Met Gallery. 827)
Portrait of the Three Egerton Sisters by Marcus Gheeraerts the younger. The sisters are Elizabeth, aged 6; Vere, age 5; and Mary, age 3. daughters of Thomas Egerton (d. 1599), elder son of Thomas Egerton, 1st Viscount Brackley and Lord Chancellor.

Mooiër kun je niet worden uitgewuifd. Of…als we als afscheid de laatste scene van ‘De drie zusters meegeven?

Irina legt haar hoofd tegen Olga’s borst :
Er komt een tijd dat iedereen weet waar het allemaal goed voor geweest is, dit lijden, dit verdriet, dan zijn er geen geheimen meer en tot zolang moeten we leven, moeten we werken, werken, anders niks.
Morgen ga ik weg, alleen, ik ga lesgeven op school en ik ga mijn hele verdere leven wijden aan degenen die het misschien nodig hebben. Nu is het herfst, het is zo winter, alles zal onder de sneeuw liggen en ik zal werken, werken…
(Olga omarmt haar beide zusters )
De muziek speelt zo vrolijk, zo opgewekt, dat een mens ernaar verlangt om te leven! O, mijn God!
De tijd gaat voorbij en we zullen voor eeuwig verdwijnen, ze zullen ons vergeten, onze gezichten, onze stemmen, ze zullen vergeten met hoevelen we waren, maar ons verdriet zal in vreugde veranderen voor ons nageslacht, er zal geluk en vrede zijn op de wereld en men zal degenen die nu leven met een goed woord gedenken, en ze zegenen. O, lieve zusters, ons leven is nog niet voorbij. We zullen leven! De muziek speelt zo vrolijk, zo blij, nog maar even, denk ik, en we zullen ontdekken waarvoor we leven, waarvoor we lijden… O, als we dat eens wisten, als we dat eens wisten.

De muziek klinkt hoe langer hoe zachter. Koelygin komt blijmoedig lachend met de hoed en de sjaal aanzetten, Andrei duwt de kinderwagen voort, waar Bobik in zit.
Tsjeboetikin zingt zacht
:
Tarara-boem-di-jee… wie zit, doet niet meer mee…
leest in zijn krant Wat maakt het uit, wat maakt het uit!
Olga: Als we dat eens wisten, als we dat eens wisten!

(vertaling en bewerking Chiem van Houweninge en Ton Lutz)

Foto Theater Zuidpool

Georg Johan Elser: “Ik wilde de oorlog tegenhouden.”

Mijn zoon Georg Johann is op 4 janauri 1903 in Hermaringen, district Heidelhem, geboren.  Hij is de oudste van mijn kinderen.

Mijn moeder woonde toen nog bij haar ouders; die waren wagenmakers en ze hadden ook een klein boerenhof. Een jaar na mijn geboorte zijn ze getrouwd. Ja, toen werd ik wettelijk.

Een volgzame jongen, zorgde nooit voor problemen.  Tamelijk rustig - volgens ons te rustig.

Mijn hele jeugd heb ik in Köningsbronn doorgebracht. Met vijven waren we.


Ook op school heeft mijn broer zelden vrienden gehad. Eén keertje maar: de blinde pianospeler van de dansschool. Waarschijnlijk voor de muziek.

Toen Georg nog naar school ging, heeft hij eens een dorsmachine gebouwd en die dan aan de naaimachine van moeder gekoppeld. We hebben er koren in gedaan en echt gedorst.

Ik ben in april naar de Bodensee getrokken. Ik had in de fabriek waar ik eerst werkte een schrijnwerker leren kennen. Leo. Hij speelde klarinet in zijn vrije tijd. In feite wou hij naar Konstanz; daar kon hij dan lid worden van een muziekvereniging. Zo begonnen we in augustus 1925 beiden in de uurwerkfabriek in Konstanz te werken. Als schrijnwerkers natuurlijk. Ik heb toen ook een cither gekocht. Voor 20 Mark. Ik werd lid van de volksdansgroep ‘Obereinthaler’. Elke zaterdag oefenden we in het stamcafé ‘Zum Kratzer”.

In Konstanz leerde hij nogal wat meisjes kennen.  Mathilde.  Een dienster. Ja, dat had ook gevolgen.  Er kwam een kind van.  Een jongen.  Manfred.  Nu 9 jaar.  Ik heb altijd gewild dat hij later bij mij zou komen wonen.

Ik heb altijd voor de KP gestemd. Van in het begin had ik niet veel sympathie voor de Nazi’s. Ik dacht, de KP dat is een arbeiderspartij. Op bijeenkomsten die ik meemaakte werd er alleen over loon gesproken- dat het hoger moest zijn, en over betere woningen en van die dingen.

Als Ortsgruppenleiter heb ik meegemaakt dat Elser bij de 1ste mei-parade zich vlakbij de vlag omdraaide en wegliep.  Dat zegt nog niet weel maar ik dacht toen al:  dat is geen man voor het Derde Rijk.

Sedert de machtsovername door de Nationaalsocialisten liggen de lonen lager. Zo lang ik in de uurwerkfabriek in Konstanz werkte, kreeg ik gemiddeld 50 Mark per week. Van die 50 werden er 5 afgetrokken voor belastingen, ziekenfonds, werklozensteun en het invalidenfonds. Wie in 1938 25 Mark per week verdiende moest echter evenveel inleveren. In 1929 kreeg een schrijnwerker één Mark per uur. Vandaag verdient hij 68 Pfennig per uur.

Over politiek heeft mijn broer Georg nooit gesproken.  Maar Hitler kon hij niet verdragen.  Als Hitler in de radio sprak, verliet hij de kamer.

Sinds Hitler aan de macht is gekomen staan de arbeiders onder dwang. Zij mogen niet meer van werk veranderen als zij dat willen. Door de Hitlerjugend zijn zij ook geen baas meer over hun kinderen. En ook op godsdienstig vlak doen zij niet wat zij goeddunken. De arbeiders zijn woedend op de regering. In 1938 waren de arbeiders ervan overtuigd dat er een oorlog zou komen. Met de Sudeten-crisis heb ik dat ook gedacht, dit loopt slecht af. Ik was er zeker van dat het niet bij het verdrag van München zou blijven en Hitler tegenover andere landen ook nog eisen zou stellen. Hij wou meer landen inlijven. Een oorlog was dan niet meer te vermijden. Ik heb altijd met die gedachte geleefd. Ik heb er dus over nagedacht hoe men de situatie van de arbeiders zou kunnen verbeteren en hoe we de oorlog zouden kunnen vermijden. Ik ben tot het besluit gekomen dat er alleen iets kan veranderen als het huidige bewind verdwijnt. Hitler, Göring en Goebbels. Hoe er dan plaats is voor een andere regering. Een regering die aan het buitenland geen onmogelijke eisen zou stellen, die geen vreemd land wil inlijven. Een regering die meer bekommerd zou zijn om de sociale situatie van de arbeiders. Ik kon het niet meer uit mijn hoofd zetten. Uiteindelijk besloot ik zelf het driemanschap te liquideren.

Mijn broer heeft zich altijd met problemen beziggehouden die bij een ander nooit zouden opkomen.  En hij loste ze ook op, dat wel.

Ik nam mijn beslissing in de herfst van het jaar ’38.

Als Georg iets in zijn hoofd had, dan moest dat ook gebeuren.  Of dat moeilijk was kon hem niet schelen.  Hij was een keikop.

Ik las in de krant dat de volgende bijeenkomst waar de Führer bij zou zijn in de Bürgerbräukeller plaats vond. Op 8 en 9 november. Een herdenkingsfeest voor de oud-strijders. Daarom reed ik op de 8ste november naar München. Met de trein. ’s Namiddags was er gelegenheid om de Bürgerbräukeller te bezichtigen. Ik ging er naartoe. Ik bekeek de zaal en kreeg te horen waar het spreekgestoelte stond.

Het vaandel hing altijd aan dezelfde zuil waar Hitler zijn toespraak hield.  Het zag er al jaren ongewassen uit. Vaak kwamen er vrouwen om bloemen op de vlag te steken of om de vlag te kussen.  Wij, diensters, wij stonden er dikwijls mee te lachen.  Er zijn ook wel eens vrouwen die het glas wilden kopen waaruit Hitler had gedronken.  Ik had er een fortuin mee kunnen verdienen.

In de loop van de volgende weken bedacht ik dat het goed zou zijn springstof te bevestigen in de zuil die achter het spreekgestoelte stond. Die springstof moest ik dan met de hulp van een of andere installatie op het juiste moment tot ontploffing brengen. Toen het ongeveer duidelijk was hoe de constructie van het apparaat er moest uitzien -ik had al een schets gemaakt- wist ik dat ik ook de juiste maten van de zuil moest hebben. Daarom ben ik in april nog eens naar München gereden. Terwijl ik in het Bürgerbrau-restaurantje iets at kwam ik in gesprek met de knecht van de Bürgerbräukeller. Hij vertelde mij dat hij waarschijnlijk zou opgeroepen worden voor zijn militaire dienst. Ik moest niet lang nadenken om te beseffen dat, indien ik zijn job kon overnemen, het mijn plan zou helpen slagen. Daarom heb ik hem meer dan eens gevraagd met mij een biertje te drinken op mijn kosten. Hij zou mij schrijven, zei hij. Maar ik heb nooit nog iets van hem gehoord. Enkele dagen na mijn terugkeer uit München kreeg ik een job in de steengroeven van Köningsbronn.

Het heeft mij verbaasd dat hij, die toch een degelijke stielman was, als gewone arbeider in de steengroeven is gaan werken.  En hij had nog net zo'n prachtig naaikastje voor mij gemaakt.

Het was voor mij de plaats waar ik springstof zou kunnen vinden voor de aanslag. Ik wist dat men daar ging dynamiteren.

Mij persoonlijk is het niet opgevallen, maar mijn ploegbazen is het wel opgevallen dat Elser veel interesse had voor het dynamiteren.

De springstof werd in een betonnen huisje vlakbij de steengroeve bewaard. Met een sleutel uit het huis van mijn ouders in Köningsbronn geraakte ik binnen . Ik ben ’s nachts -ik geloof zes keer- springstofpatronen en capsules gaan halen, ze in een rugzak naar huis gedragen. Daar heb ik ze in een houten koffer met dubbele bodem bewaard. Hij stond naast mijn bed en was altijd op slot. De sleutel droeg ik steeds op zak. De zestiende mei had ik in de steengroeve een arbeidsongeval.

Elser stond aan de band.  Ik heb gezien dat hij een zware steen optilde en dat hij die op zijn voet liet vallen.

Mijn voet zat tot boven de enkel in het gips maar ik moest niet opgenomen worden. Tijdens mijn herstelperiode heb ik mij vooral beziggehouden met de constructie van mijn apparaat; ik tekende de hele tijd. Ik heb alle mogelijkheden van zo’n ontploffing bestudeerd. Daarna heb ik in een afgelegen boomgaard in Köningsbronn een experiment gedaan en vastgesteld dat ik met de patronen een capsule kon aansteken. Ik heb het experiment regelmatig herhaald. Pas wanneer het drie-vier maal na elkaar lukte, was ik tevreden. De vijfde augustus kwam ik in München aan. Ik huurde een kleine kamer in de Türkenstrasse 94/11. Bij behanger Lehmann. Ik betaalde er 17,50 Reichsmark voor, zonder ontbijt. Ik vertelde de familie Lehman dat ik aan een uitvinding werkte en dat ik daarom naar München was gekomen.

Hij had een paar zware kisten meegebracht.  Mijn man heeft hem nog geholpen om ze in de kelder te dragen. Eén houten kist moest naar boven. Maar ze kon niet in zijn kleine kamer, daarom hebben ze wij ze op de overloop gezet.

Ik zei dat er tekeningen voor mijn uitvinding in zaten en dat ik bezig was met een soort uurwerk dat ’s morgens niet alleen wekt maar ook het licht doet aangaan. De derde of vierde nacht na mijn aankomst in München ben ik in de zaal aan het werk gegaan. Tussen 20 en 22u. ging ik naar gelagzaal van de Bürgerbräukeller. Ik gebruikte er mijn avondmaal.

Ja, meneer Elser was een stamgast.  Hij at elke avond maar dronk er nooit iets bij. Hij was nogal armoedig gekleed.  De dagschotel kostte bij ons 60 reichspfennig.  Daar liet hij altijd nog een portie van over.  Meestal van het vlees of van de worst.  Dat gaf hij dan aan de waakhond Ajax waarmee hij vriendschap had gesloten.

Rond 22 uur betaalde ik meestal en verliet ik de gelagzaal. Ik ging naar de garderobe in de grote zaal die nog niet afgesloten was. Langs de trap achteraan kwam ik op de galerij en daar verstopte ik me in een bergplaats. Ik bleef er zo lang tot de grote zaal gesloten werd. Meestal tussen 22.30 uur. en 23.30 uur. Voordien had de toiletjuffrouw nog de katten eten gegeven maar op de galerij kwam ze nooit. Daarop draaide ze de sleutel drie keer om.

Ik bleef de hele nacht in de zaal. Tussen 7 en 8 werd ze weer opengemaakt. Tussen twee en drie uur stopte ik meestal met mijn werk. Daarna ging ik naar de bergplaats om er op een stoel wat te knikkebollen. Ik was meestal tamelijk moe omdat ik de hele tijd -verstopt onder een tafel- op mijn knieën moest werken.

Op een morgen kon meneer Elser niet opstaan.  Ik vroeg of ik een dokter moest halen. Maar hij zei dat zijn knieën alleen maar een beetje ontstoken waren.  Dat zou overgaan.  Ik heb te veel gelopen, denk ik, zei hij.

Eerst zaagde ik een deel van een plank van de zuilbekleding zodanig uit dat ik er een deurtje van kon maken. Je kon niet zien waar ik had gezaagd. Daar had ik drie nachten voor nodig. Het had echter het voordeel dat ik altijd direct met mijn werk kon beginnen als ik het deurtje had geopend en dat ik bij het einde van mijn nachtelijk werk de deur maar hoefde te sluiten om mijn bezigheden binnen in de zuil volledig te verbergen. Het overige werk voerde ik met de beitel en de beitelboor uit want binnenin was de zuil uit baksteen. Eerst moest ik de bepleistering verwijderen op de bakstenen. Omdat het minste gerucht in de lege zaal ’s nachts geweldig weergalmde, moest ik zeer voorzichtig zijn. Daarom duurde het werk ook zo lang. Wilde ik er een steen uitnemen dan wachtte ik tot ik in het toilet van de Bürgerbräukeller de automatische spoeling hoorde. Dat was ongeveer om de tien minuten het geval en het duurde maar enkele seconden. Daarna moest ik weer wachten tot het spoelsysteem werkte. Pas op het eind van oktober was ik met het uitbreken klaar. Ik kon trouwens maar werken bij het licht van een afgedekte zaklamp. Puin en stenen heb ik opgevangen in een zak die ikzelf had gemaakt van een handdoek. Was de zak vol dan heb ik de inhoud in een kartonnen doos gekieperd die ik altijd in de bergplaats op de galerij liet staan. Die valies maakte ik leeg op een terrein achter het zwembad aan de Isar. Overdag werkte ik aan de definitieve en precieze constructie van mijn machine. Eind oktober kon ik pas de precieze grootte ervan vaststellen na het beëindigen van het breekwerk.. Het was voor mij duidelijk dat ik een klok nodig had om de ontsteking op een vooraf bepaald tijdstip te kunnen vastzetten. Een paar van dergelijke klokken had ik bij mijn weggaan uit de firma in Konstanz in het voorjaar van 1932 mee gekregen.. Eén klok was niet genoeg, dus om het welslagen van mijn plan niet aan het toeval over te laten heb ik nog een tweede klok aangesloten. De twee klokken hadden elk een looptijd van zeven dagen. Ik kon dus 144 uur op voorhand het moment van de explosie vastleggen op een kwartier na. De eerste november bracht ik het ontstekingsmechanisme en de springstofhouder in de zuil aan. De tweede november vulde ik die met springstof. De derde november had ik de twee klokken ingepakt en wou ik ze naar de zuil brengen, maar op die avond was de ingang die ik altijd gebruikte gesloten. Ik bleef dus maar de hele nacht in de tuin van de Bürgerbräukeller onder een afdak waaronder ook biervaten waren opgestapeld. De volgende nacht, het was een zaterdag, vond ik de Bürgerbräukeller een dansavond plaats. Ik kocht een toegangskaartje, ging de zaal in en trok recht naar de galerij waar ik de klokken in de bergplaats verstopte, vlakbij het muziekpodium en vandaar bekeek ik de dansers. Na afloop trok ik mij weer in mijn schuilplaats terug en wachtte ik een half uur tot er zeker niemand nog in de zaal was. Toen ik echter de klokken in de zuil wilde inbouwen stelde ik vast dat de ruimte daarvoor te smal was. Ik heb mijn klokken maar weer ingepakt en gewacht tot het morgen werd. Thuis heb ik de klokken dan afgerond en geveild. Op zondag 5 november terug naar de Bürgerbräukeller waar weer gedanst werd. ’s Nachts plaatste ik de klokken die deze keer pasten. Tot slot moest ik de klokken die bij het transport waren blijven staan weer op gang brengen en juist afstellen. Op 6 november was ik daarmee klaar, ’s morgens om zes uur.



Mijn man en ik hebben Georg gevraagd wat hij eigenlijk van zin was. Hij zei alleen dat hij vlug weg moest zijn. Waarschijnlijk naar Zwitserland. Toen we het hem vroegen waarom, heeft hij alleen maar gezegd:"Ik moet." Dan heeft hij nog gezegd: er is niets aan te doen.

Van het station ben ik regelrecht naar de Bürgerbräukeller gegaan. Ik heb ’s nachts alleen alles nog eens gecontroleerd. De klok werkte. De volgende morgen kocht ik een reiskaartje derde klas naar Friedrichshafen. Ik kon niet langer in Duitsland blijven. Ik wou in Zwitserland zijn voor mijn klokken het ontstekingsmechanisme in gang zouden zetten. Zwitserland. Ik kende de. grensovergangen naar Zwitserland sinds ik in Konstanz had gewerkt. Ik bereikte Konstanz met de stoomboot. Het was acht uur.


Toen Hitler zijn redevoering begon stond ik met een paar collega's buiten aan het toilet een sigaret te roken. We bleven staan ook toen het Deutschlandlied werd gezongen. Pas toen we hoorden dat er stoelen werden verschoven zijn we weer in de zaal gegaan. Vroeger ging Hitler na zijn redevoering naar boven, naar de kleine zaal waar er veel van zijn oud-strijders zaten -ongeveer vijfhonderd- die hadden zijn redevoering alleen via de luidsprekers gehoord en ze hadden hem dus niet direct kunnen zien. De 8ste november 1939 trok Hitler echter niet meer naar boven. Hij verliet direct na de redevoering die veel korter was dan anders de grote zaal door de hoofdingang. Hij had haast, zeiden ze later. Hij moest zo vlug mogelijk met de trein naar Berlijn en dat hij eigenlijk niet naar München had willen komen deze keer omdat de generaals moeite hadden met de aanvalstermijn in het Westen. Daarom was hij ook vroeger met zijn toespraak begonnen en had hij zo snel gesproken. Toen hij met zijn staf weg was, wilde ik net de tafel afruimen, vlak voor Hitler zijn zuil. Toen ik tien kruiken wilde meenemen was er een luchtverplaatsing die mij naar de uitgang smeet. Stenen vlogen boven mijn hoofd, overal puin en een stofwolk liet mij bijna stikken. Achter mij was het hele plafond ingestort. Acht doden waren er en meer dan zestig gewonden.

Dat heb ik niet gewild- dat heb ik niet gewild!

Het was ongeveer 20.45u.  We zaten voor het open raam van het Wassenberghuis toen we de man zagen.  Mijn collega sprong recht en riep naar de man.  Die deed nog een paar stappen van de perelaar tot aan de appelboom en dan bleef hij staan.  Mijn collega vroeg wat hij hier te zoeken had.  De man zei dat hij verdwaald was. 

Ik werd door een ambtenaar die mij eerst alles afnam wat ik bij had naar een dienstvertrek gebracht. Daar werd ik gearresteerd.

In de zakken van de gearresteerde werd het volgende gevonden:  1 nijptang, 1 harde worst, enkele muntstukken, enkele stukjes metaal, spiraalveertjes, bouten en schroeven en ook een onbeschreven prentkaart van de zaal van Bürgerbräukeller in München.

Wat ik toen heb gedaan weet ik niet meer

Hij zat in het midden van de kamer op een stoel.  Ik zou hem nauwelijks herkend hebben.  Zijn gezicht was gezwollen en bont en blauw geslagen.  Ook zijn voeten waren gezwollen en ik denk dat hij daarom op een stoel zat.  Hij kon bijna niet meer staan. Een ambtenaar ging achter hem staan en gaf hem voortdurend een stomp in zijn nek of in zijn rug om hem te doen spreken.  Ik ben ervan overtuigd dat hij alleen gesproken heeft omdat hij bang was voor slagen.

Ik wou de leiding raken maar dat is mij niet gelukt.

Reeds drie dagen na de aankomst van Elser in het kamp van Dachau bezorgden wij hem een cel die eigenlijk tot een kleine schrijnwerkerij werd omgetoverd.  Dat moest zo van hogerhand.  Er werd gezegd dat Elser na de 'Endsieg" als kroongetuige zou moeten optreden in een monsterproces tegen de Engelsen.  Men wilde niet geloven dat hij de aanslag alleen had gepleegd; ze wilden hoe dan ook de aanslag in de schoenen van de Britse geheime dienst schuiven.  Tot dan moest Elser goed geconserveerd worden.  Twee dagen na zijn aankomst kreeg hij de cither die hij reeds in Sachsenhausen had gemaakt.  Hij bleef de hele dag in zijn cel, sneed figuren maakte poppenkamers voor de kinderen van de bewakers.  's Avonds speelde hij altijd cither.  Huiveringwekkend was het als hij speelde.  Liederen uit Wenen.  " Irgendwo, auf der Welt, gibt's ein kleines bisschen Glück. Ein bisschen Seligkeit."

Ik moet u toch eens iets vragen, meneer Lechner. U zult het zeker weten. Wat is er nu eigenlijk beter: het vergassen, ophangen of een nekschot?

Op een dag toen ik weer dienst had en mijn rondgang deed kwam er een bode aangelopen.  Elser moet verhoord worden, en hij knipoogde.  Ik wist het direct.  Dat is het einde.
Berlijn 5 april 1945.  Een schrijven van de Gestapo aan de commandant van het concentratiekamp Dachau.  Betreft onze begunstigde gedetineerde Georg Elser.  Bij de volgende terreuracties in de omgeving van Dachau is Elser blijkbaar dodelijk verongelukt.  Ik verzoek u Elser op een zeer onopvallende wijze te liquideren.
Ik opende de cel van Elser en ik zei:  mijnheer Elser, u moet verhoord worden.  Hij draaide zich om en vroeg heel onschuldig:  moet ik iets meenemen meneer Lechner?  Ik zei hem:  U hoeft niets mee te nemen, u bent dadelijk weer terug.  Ja, zei hij, dat is goed.  Zo ging hij weg.  Hij nam geen afscheid van mij en ik ook niet van hem want dat zou hem direct opgevallen zijn.

Elser werd langs de elektrisch geladen omheining weggeleid, voorbij de poort van het kamp; hij stak de kampplaats over. Dan kwam er een stenen muur, daarin een kleine ijzeren deur, daarachter bevond zich een crematorium, een heel onopvallende bouw. Als je de ijzeren deur opende kwam je in een kleine bureau, een soort ontvangstkamer zodat de gevangene het gevoel had dat hij voor een verhoor kwam. Hier zat de onderofficier die tegen de gevangene zei: ‘Komt u mee.” En hij leidde hem dan naar een executieruimte. Iedereen die bij ons geëxecuteerd werd, moest zich uitkleden. ‘U moet eerst een bad nemen want u wordt naar een ander kamp gebracht,’ was de uitleg. Als de gevangene dan naakt was en onder de douche ging staan werd hij -zonder het te vermoeden- neergeschoten. Nekschot. Elser zal op deze manier zijn omgebracht.

Georg Johan Elser stierf op 9 april 1945. Twintig dagen voor de bevrijding van Dachau door de Amerikanen.

Georg Johan Elser
Deze tekst is gebaseerd op de Radio-drama productie van Sender Freies Berlin 'Ein Deutsches Schicksal' geschreven door Valerie Stiegele.  Marc Colpaert maakte de vertaling van de oorspronkelijke brochure.

Bezoek:

https://www.georg-elser.de/georg-elser/georg-elser-lebensdaten



Befehl zur Ermordung Georg Elsers, Schreiben des Chefs der Geheimen Staatspolizei Heinrich Müller an den Kommandanten des Konzentrationslagers Dachau, Berlin, 5. April 1945.

Georg Elser wird am 9. April 1945 erschossen. Am selben Tag werden im KZ Flossenbürg Dietrich Bonhoeffer, Wilhelm Canaris, Karl Sack und andere Widerstandskämpfer sowie im KZ Sachsenhausen Hans von Dohnanyi ermordet. Die NS-Führung will nicht, dass ihre schärfsten Gegner überleben und die Zukunft mitgestalten können. Georg Elser wird erschossen, weil er als erster dem Ziel, Hitler zu töten, denkbar nahe gekommen ist.

Quelle: Institut für Zeitgeschichte, München, ZS/A-17/5

Op zoek naar de vijand? Het verhaal Saul en David

Een vrolijk begin is het niet, maar als einde van het verhaal door niemand te ontlopen. Händel componeerde het oratorium ‘Saul’ in de zomer van 1738. Nog geen jaar daarvoor was het door hem geleide en gefinancierde operagezelschap ten onder gegaan door de enorme concurrentie van rivaliserende operahuizen, werd hij door een beroerte getroffen, zodat hij door uitval van zijn rechterarm moeilijk kon componeren en er werd zelfs bijna luidop gefluisterd dat hij ze niet allemaal meer op een rijtje had. Een kuur in Aken zal hem echter deugd hebben gedaan want daarna zette de intussen 52-jarige Händel zich aan het componeren, ongeveer vier jaar voor hij zijn meesterwerk ‘Messiah’ zou creëren.

‘Saul’. Het is een verhaal over oorlog waarin de jonge herder David een reus van een tegenstander doodt en het leger van Saul de overwinning bezorgt. Het is een verhaal van Davids vriendschap met Jonathan, de oudste zoon van koning Saul. Was deze vorst ooit een wijze man, met de jaren verandert hij in een jaloerse gek die David naar het leven staat. In een gevecht met de de Filistijnen sneuvelt Saul en zijn drie zonen, Jonathan inbegrepen. Davids klaagzang eindigt met deze zinnen:

 Dochters van Israël, weent over Saul,
die u kleedde met scharlaken, met weelde,
die gouden sier bracht op uw gewaden.

Hoe zijn de helden gevallen in het heetst van de strijd !
Jonathan, op uw hoogten doorboord

Het beklemt mij om u, mijn broeder Jonathan, dierbare vriend !
Wonderbaarlijker was mij uw liefde
dan de liefde der vrouwen.

Hoe zijn de helden gevallen
verloren gegaan, het oorlogstuig.
Lucas van Leyden, David Playing the Harp before Saul, c. 1508

En wie is de vijand? Een herdersjongen – eerst een bondgenoot, schakelt de gevaarlijke reus Goliath uit en wordt ook nog de beste vriend van ’s konings oudste zoon Jonathan. Een gedroomde opvolger. Tokkelt aardig op de lier, noem het gitaar en bedwingt daarmee de ziekelijke melancholie van de oude Saul, maar krijgt als beloning bijna een speer door zijn nog jonge lijf. Wordt ook nog eens ’s konings oudste dochter verliefd op het joch en van die gelegenheid maakt Saul gebruik om hem haar hand en bijbehoren te schenken als hij de gevaarlijke reus doodt. De afloop van die ’tweekamp’ is bekend maar ’s konings dochter wordt aan een ander uitbesteed en David mag in dienst van de vorst ten oorlog trekken maar overleeft glansrijk die boosaardige missie en keert terug als een toegejuichte held met nijdig koninklijk tandengeknars op de achtergrond. Luister hoe Händel het muzikaal verwoordt, het machteloze gevoel van de jonge David met de liefdevolle vraag: ‘…heal his wounded soul.’ Medelijden dat in medevoelen verandert.


David:
O Lord, whose mercies numberless
O'er all thy works prevail:
Though daily man Thy law transgress,
Thy patience cannot fail.
If yet his sin be not too great,
The busy fiend control;
Yet longer for repentance wait,
And heal his wounded soul.
Saul en David Rembrandt

David:
O Heer, wiens barmhartigheden talloos
Over al Uw werken heersen:
Al overtreedt de mens dagelijks Uw wet,
Uw geduld kan niet falen.
Als zijn zonde niet te groot is,
De drukke duivel onder controle;
Wacht nog langer op berouw,
En genees zijn gewonde ziel.
Guercino Saul wil David doden 1646

Bij het verzameld werk deel 3 van auteur Arthur van Schendel (1874-1946) las ik ‘Saul en David’, (Bijbelse verhalen). Vergeten wij te vlug, zijn we alleen op het allernieuwste uit? Een fragment:

“Maar hij verdroeg niet dat zijn onderdaan meer bemind en meer geprezen werd dan hijzelf, de ijverzucht begon hem weer te steken en menig keer brak zijn woede razend uit. Eens, toen hij op zijn troon zat met gebogen hoofd vol grimmige gedachten, loerend naar David, die aan de wand tegenover op zijn citer speelde, greep hij plotseling zijn speer en wierp die met sterke hand om David aan de muur vast te steken. David week al spelend terzijde, de speer drong in de wand. Toch sprong hij ijlings de zaal uit voor de razernij en van dit ogenblik begreep hij dat de koning hem naar het leven stond.”

Lees 'Saul en David' en op de volgende pagina 'David en Jonathan'

https://www.dbnl.org/tekst/sche034verz04_01/sche034verz04_01_0077.php

Otto Dix Saul and David 1958 lithografie

De verhaallijnen blijven actueel: een machtige man (koning) heeft met de hulp van een aankomend talent allerlei bedreigingen overwonnen. Talent huwt met (tweede) dochter van de machtige en vindt bij de bewonderende oudste zoon innige vriendschap. Maar…De jaloezie. En ’s konings donkere gedachten.

"Hij begon hem te vrezen en te haten tegelijk en wanneer David in zijn zaal de citer voor hem speelde zag hij hem aan met ogen fel van wrok. Hij had hem gemakkelijk kunnen doodslaan, maar David was bemind bij het volk. Toen Saul bemerkte dat hij zich niet langer kon beheersen verwijderde hij hem uit het koningshuis door hem het bevel over een leger te geven en hem in de oorlogen te zenden." (Arthur van Schendel Saul en David)

Maar ook in het Engeland van toen waar het oratorium ‘Saul’ van Händel werd opgevoerd bleek het niet alleen om een bijbels gebeuren te gaan:

Het verhaal van Saul riep, zoals gezegd, overduidelijk vaderlandse associaties op. Ook in Engeland verdwenen officieel gezalfde koningen van het toneel.

In 1649 was Charles I door het Parlement afgezet en terechtgesteld. Elk jaar werd deze aanslag op een wettige koning op de dag van zijn executie in kerken over het hele land en in het Parlement herdacht met een plechtige dienst. De voorgeschreven Bijbellezing tijdens deze herdenkingsdienst was de klaagzang van David bij de dood van Saul en Jonathan uit het Oude Testament.

Tijdens de zogenaamde ‘Glorious Revolution’ werd in 1688 de katholieke koning James II, de tweede zoon van Charles I en de laatste Stuart (die in eigentijdse geschriften met Saul werd vergeleken), opzijgezet voor de gezagsgetrouwe Nederlandse stadhouder en protestant Willem III van Oranje (die gehuwd was met James’ dochter Mary), ter herstel van de ‘ware religie’.

In 1739, toen Haendels Saul in première ging, was Georges II koning van Engeland, de vroegere keurvorst van Hannover bij wie Haendel enige tijd in dienst was geweest. Georges was in feite slechts de 58ste in de rij van troonpretendenten! Het gevaar voor rebellie vanuit de in ballingschap verkerende Stuarts was dan ook reëel. Enkele jaren nadien sloegen die inderdaad toe: in 1745 leidde een van de verbannen Stuarts vanuit Schotland de katholieke Jakobitische opstand, die echter fataal afliep in de slag van Culloden. De overwinning inspireerde Handel in 1746 tot het patriottische oratorium Judas Maccabaeus.

(Kunstontmoetingen 28 januari 2021)

Saul eindigt echter niet zoals in de Bijbel met de klaagzang en de daaropvolgende burgeroorlog in Israël. Zoals in de opera was in het oratorium een happy end wenselijk – en verdedigbaar –  om te kunnen afsluiten met een positieve boodschap. Het slotkoor is een oproep tot de rechtmatige strijd om de natie in haar waardigheid te herstellen en te behouden. (ibidem)

Raadpleeg:

https://www.kunstontmoetingen.com/haendel-rembrandt-saul-david

David & Koning Saul ca 1891 John William Brown Glas in lood St Andrew’s Church, Ashburton, UK

Een mooie uitvoering met het Rias kamerkoor en Concerto Köln olv. Rene Jacobs. (1/46) Voor een innige avond.

Ook in het theater zichtbaar, en misschien helaas wel live in datzelfde land waar het ooit werd opgetekend, met dezelfde vragen en eerder twijfelachtige oplossingen, … voorlopig. 


Laat niemand nog in eigen zwaard
zijn einde vinden;
elkanders armen
zijn een beter plaats
om eens wij de laatste reis beginnen
het eeuwig licht
te delen,
zoals land en graan
van ons allen was
en wij kinderen
als broers en zussen
mogen achterlaten.

Saul’s zelfmoord, Engelse Bijbel 13de eeuw Angers Bibliotheque municipale

IFIGENEIA CONTRA EURIPIDES, met Dora van der Groen

dora2

In de KVS Brussel gaat morgen 15 november 2023 ‘Ifigeneia’ in premiere, een voorstelling van Maaike Neuville & Tessa Hall.

Maaike Neuville en Tessa Hall gaan aan de slag met het verhaal van Ifigeneia, een van de meest tragische figuren uit de Griekse mythologie. Zij wordt door haar vader geofferd opdat het Griekse leger de wind in de zeilen krijgt en zij de gekaapte Helena terug kunnen halen uit Troje, in een tien jaar durende oorlog. Zo gaat het verhaal. Maar wat als Ifigeneia zelf haar verhaal had kunnen schrijven? Wat als ze zich niét had opgeofferd voor haar vader, voor haar vaderland? Wat als ze vrouw had mogen zijn – een jonge vrouw, met een stem, met woorden. Meer woorden dan: ‘Ik bied mijn lichaam voor mijn vaderstad en voor heel Griekenland vrijwillig aan’. Wat dan? (KVS)

Voor dit blog de gelegenheid om hetzelfde thema te hernemen met een radioproductie uit 1987.  

Voor Dora Van der Groen schreef ik drie radio-monologen rondom de menselijke stem. -‘Een dame speelt toneel’, tekst en uitvoering vind je al op dit blog. (titel gewoon intikken in de zoekfunctie) -‘Euredice verbreekt het stilzwijgen‘. En

‘’Ifigeneia contra Euripides

Euripides, Grieks toneelschrijver, schreef vlak voor zijn dood een toneelstuk (406 voor Chr.) ‘Ifigeneia in Aulis’.

De Griekse vloot wacht in Aulis op gunstige wind om onder leiding van Agamemnon naar Troje te vertrekken. Maar die wind blijft uit en daar zou Agamemnon zelf de schuld van zijn omdat hij een offer aan Artemis verwaarloosd had. Alleen als hij zijn dochter Ifigeneia offert kunnen de troepen naar de oorlog. Het meisje en haar moeder Klytaimnestra worden onder voorwendsel van een huwelijk met Achilles naar Aulis gelokt. In het stuk zal de dochter zich uit intense vaderliefde als offer aanbieden. Hier, in dit radiodrama uit 1987 neemt Ifigeneia het op tegen de Griekse auteur. Ze vertelt het verhaal vanuit haar persoonlijk standpunt. Dora Van der Groen speelt de rol van Ifigeneia. Ze vertelt haar versie met de afstandelijke intensiteit haar eigen. Het blijft voor mij, ook na 36 jaar een mooie herinnering aan een actrice die vanuit de tekst haar eigenzinnigheid durfde tonen zonder ook maar één ogenblik de essentie uit het oog te verliezen. Dora ter ere. Nog steeds.

Je kunt tekst en uitvoering steeds terugvinden  bij 'Radiowerk', maar degenen die dadelijk willen luisteren vinden hieronder  de tekst.
Iphigenia_in_Tauris_by_V.Serov_1893

Druk op pijltje, even wachten en je bent In Griekenland of…

34’16”

-Muziek, dan alleen de zee.-

Ifigeneia:

Euripides heeft mij ten hemel laten varen.
Mijn spel is uit.
Ik ben Ifigeneia, dochter van Agamemnon en Klytaimnestra.
Ik ben geofferd door mijn vader
zodat de Grieken de wind in de zeilen kregen van de goden.
Over de Egeïsche zee bereikten ze Troje
en daar stonden dichters en dramaschrijvers klaar
om hun verdere belevenissen te vertellen.

Jaja, ik mocht nog even meespelen in de Krim.
Daar moest ik als priesteres van Artemis iedere Griek doden
die Taurus bezocht.
Toen m’n broer Orestes en zijn vriend voet aan wal zetten,
worden ze naar mij gebracht.
Ikzelf, geofferd door mijn vader moest nu mijn broer offeren.

130312001_13001

Meneer Euripides wat heeft u bezield bij het schrijven van deze stukken?

Ok. U is tweemaal getrouwd, zegt men.
Al gaf uw eerste vrouw u drie zonen, nog meer zorgen kreeg u van haar.
En de tweede vond vooral de andere mannen heel aantrekkelijk.

Inderdaad, al schreef U tweeënnegentig stukken,
slechts vier maal was de eerste prijs voor u.
Roddels in de stad bleven beweren dat uw moeder een groentevrouw was,
terwijl u uit de upper class geboren werd.

U had de goden niet erg lief. De mens als maat der dingen,
schreef uw vriend Protagoras.
Het koste hem verbanning net zoals Anaxagoras verbannen werd
toen hij de goddelijke zon degradeerde tot een vurige massa “spermata”.
Een andere vriend, Sokrates, kreeg enkele jaren later de gifbeker
omdat hij de jeugd bederven zou met het oprecht losmaken van de waarheid.

U had een uitgebreide bibliotheek, en kwade tongen
fluisterden dat u de boeken meer liefhad dan de vrouwen.

En ook uw levenseinde kwam meer uit een saterspel
dan dat het zou afkomstig zijn uit Sofocles’ pen.
Wilde honden van uw hoge gastheer koning Archelaos
hebben u verslonden, net vijfenzeventig geworden en uit Athene weggevlucht.

Ja, Euripides, wat op papier komt schuwt het leven niet, en vaak
overtreft de kleine dramatiek de wildste fantasie.
Maar waarom mij dan offeren? Een mooi meisje verruilen voor wind?

-wind hoorbaar-

sacrifice-of-iphigenia

We zijn bijna tweeduizend vijfhonderd jaar verder.
Jij een marmeren buste en leerstof voor uitgegroeide pubers.
Ik een naam, een inspiratiebron voor de heren Racine, Goethe, Gluck
en goden van minder allooi.
Feministen kunnen mij als slachtoffer vereren,
en het duurt niet lang of er zal een schrijver zijn
die mijn rituele dood als incest weet aan te grijpen.
Rechtse rakkers kiezen mij als modelmeid. Zij die het vaderland
verkoos boven haar eigen levensdrift.
Genoeg daarvan.

Ik vertel mijn verhaal, meneer Euripides.
Voor dramaschrijvers is het ongeschikt, maar dat zal mij een zorg zijn
Ik gebruik uw eigen woorden, Agamemnon in de mond gelegd:


“Ik wil u eens flink de waarheid zeggen.
Met korte woorden en zonder al te driest op u neer te zien,
doch met mate, omdat gij mijn broeder zijt:
een fatsoenlijk man immers hoeft zich niet te schamen.”

-muziek-

Helena! Mijn tante.

Uitzonderlijke schoonheid verdwaast de mannen.
En ze was mooi. De perfectie. Zonder de koelheid van het volmaakte.
Verder een domme meid.
Maar haar borsten en haar lippen verdreven de vraag
naar kunst of wetenschappen.
De honger van de man vergeeft de domheid tot op ’t moment
dat het bedplezier routine is geworden en ’t lijf de sporen
van de hollende tijd vertoont.
De leegte die dan overblijft, drijft hen naar kroegen of bordelen,
waar hij opnieuw de honger stilt zonder de smaak te proeven.
De gulzigheid van een man beent een vrouw uit tot op het bot.

-muziek-

Helena’s vader, Tundareos, wilde niemand voor het hoofd stoten.
Gaf hij haar als bruid aan de ene held dan was de andere zwaar beledigd,
en schonk hij haar aan de andere dan zwoer de eerste eeuwige vijandschap!
Hij besloot dus een club op te richten van al degenen die Helena’s hand
en hart bedongen .De vurige hengsten die ieder hun eigen weg wilden gaan,
spande hij voor zijn eigen kar!
De slimmerik baatte hun hartstochten uit om zijn rijk te verdedigen.
Want wie één vinger naar de schone Helena uitstak,
kon rekenen op de wraak van ’t vrijersgild.

-muziek-

Nog maar net zijn ze terug van de notaris of Menelaos, vaders broer,
mag zijn aanspraak op Helena hard maken. Wat een stel!
Hij, een pronkhans, zij een dwaze schoonheid.
Als Menelaos naar Kreta moet, laat Tundareos de mooie meid ontvoeren,
en verdwijnt met haar naar zijn weide op de Ida.
Menelaos roept de bondgenoten bij elkaar. Wapens en schepen,
schilden en paarden komen in de nauwe zeestraat van Aulis aan.
Om Menelaos te plezieren kozen ze zijn broer , mijn vader dus, Agamemnon tot baas.

-muziek-

Als iedereen klaar is om af te varen, blijft het windstil.
Hoe zijn soldaten! Ze willen zo snel mogelijk vechten
om de dwingende gedachte aan een spoedige dood te verdringen.
Ze beginnen te rumoeren, hebben de mond vol over een teken van de goden
en besluiten Kalchas, de ziener te raadplegen.
Artemis vraagt een offer, zegt deze.
De godin van de jacht wil een meisje als buit.
En die buit zou ikzelf zijn, Ifigeneia, de dochter van Agamemnon.
Dat was natuurlijk een handige zet om mijn vader in diskrediet te brengen.
De goden hebben al wel eens meer gediend om menselijke belangen te
verdedigen.
Achter de Olympus houdt Menelaos zich schuil. Hij wil de baas zijn.
Hij weet dat Agamemnon zijn dochter niet zal slachtofferen.
Hij kent het gepeupel.
Ze houden aan de goden omdat ze zichzelf niet vertrouwen.
Eerst wilde m’n vader het leger naar huis sturen.
Maar Menelaos, niet om een woordje verlegen
overhaalde hem om het staatsbelang boven zijn privé-geluk te verkiezen.
Dus stuurde hij een brief en schreef daarin dat de held Achilles
mij wou huwen nog voor hij naar de oorlog zou vertrekken.
Mama die wist dat deze held niet alleen zijn goede naam
maar ook een flinke bankrekening bezat, aarzelde geen moment.
Het werd inpakken en wegwezen geblazen.
Familiezaken! Geen enkele staat zou ooit slecht worden gediend
als hij met de ijver van kapitaal vergarende clans omgeven werd.
Vaders.
Hun carrière verslindt hun eenzame kinderen.
Nooit thuis dienen zij het hoger belang,
en dat alles tot eer en geluk van het eigen kroost.
Zo ver gaat hun verblinding dat zij ons offeren
want welk kind kan aanspraak maken op een helden—verering?

Moeders.
Hun bezorgdheid verlaagt de kinderen tot piepkuikens.
In hun bittere angst hen tegen de vaderlijke wereld te beschermen
drukken zij ze plat in een comfortabel nest waarin de toekomst
tot de aspiraties van een damesblad is teruggebracht.
De warmte van hun vleugels verstikt elke drang tot vliegen.

-muziek-

En vader. De martelaar. De schouders geschaafd door het gezag.
Nog voor hij de aanvoerder was, ontving hij iedereen op elk moment.
De boulevardpers was net zo welkom als de bourgeoiskranten.
Maar eens hij benoemd werd, sloot hij zich op en kende hij niemand meer.

Je eigen officieren, vader, wilden iedereen naar huis sturen
toen men mij als offer vroeg.
Je had je broer niet nodig om je te laten overtuigen, want zonder mij
werd je een aanvoerder zonder oorlog, een generaal
die alleen nog in de wapenindustrie zijn belangen kon verdedigen.
Voor de schone schijn verzon je het huwelijk met Achilles,
en wellicht had je slimme plannetjes om mij en je oorlog te redden.
Je projecteerde je schuld op Menelaos. Je riep dat hij de troon wilde.
Er kwam een heuse broederruzie van die niet op bloedvergieten uitliep
omdat men onze komst meldde.
Wij dan, de vrouwen en mijn jonger broertje Orestes.
Toen we aankwamen begrepen we niets van de bedrukte gezichten.
Soldaten houden van feesten, en hier zag ik rijen bekenden
die me hoofdschuddend aankeken, sommigen met tranen in de ogen,
anderen wendden het hoofd af en keken naar de zee.

b9a552d9ac25cc9770f98b52bd4a960e

Menelaos speelde echter zijn nummertje als een volleerd politicus.
Meneer Euripides laat hem spijt hebben van zijn ruzie met mijn vader.
In feite echter maakte hij met honing de punt van zijn pijlen zoet
zonder dat ze iets aan scherpte zouden inboeten.
Wie het opneemt voor de zwakken vindt allicht genade
eens de geschiedenis haar koers gelopen heeft
en de nakomenden hun oordeel over onze daden vellen.
Hij stelde mijn vader voor de ziener Kalchas om te brengen
zodat niemand zijn droevige boodschap zou vernemen,
terwijl hij natuurlijk wist dat ook Odysseus op de hoogte was.
En wie Odysseus zegt, moet niet meer verder spreken
want die man kan pas het volk mennen zonder dat het de littekens
van de teugels herkent. Hij weet ze zo naar de mond te praten
dat de bloedigste striemen als geboortevlekken worden weggewuifd.

De kleine Orestes was in slaap gevallen. Mijn moeder wuifde,
vroeg vriendelijk om hulp om ons uit de koets te helpen.
Ze liet de geschenken uit de wagens halen, begon heel druk te doen
zodat ik niet meer wachten wilde en naar m’n vader liep.
Hij was heel lief maar kon zijn verdriet natuurlijk niet verbergen.

Meneer Euripides is een man. In zijn stuk laat hij mijn vader
heel listig antwoorden op mijn onschuldige meisjesvragen.
Als ik hem smeek om thuis te blijven, laat hij hem zeggen:
“Ook jou wacht een reis, kind. Een reis die je aan je vader zal doen
denken.”
Waarop ik, heel literair, nietwaar meneer Euripides,
“Zal ik met moeder meevaren of alleen reizen?”
En zijn antwoord:
“Alleen, ver verwijderd van je vader en je moeder.”
En om het helemaal fraai te maken legt meneer Euripides mijn vader
deze zin in de mond eens ik gezegd heb
graag bij het te brengen offer aanwezig te willen zijn:
“Jij zal het dichtst bij het wijwater staan.”

Men kan de stilte in het theater horen, nietwaar.
Iedereen weet immers wat er mij te wachten staat.
Als ik dan, bijna een kind nog, mijzelf aanbied
en mijn vader wenend de scene verlaat, is het hek van de dam.
Slim gedaan, meneer Euripides.
Want medelijden bevangt de toeschouwer. Medelijden voor vader EN dochter!
Dat is een knap staaltje van mannen—schrijverij.
De dochter gebruiken om de misdaden van de oorlog goed te praten.
Hier stelt meneer Euripides het onafwendbaar lot ten toon.
Mijn vader, een rasechte schurk wordt verheven tot de uitvoerder
van bevelen. Heilige bevelen. Innerlijke bevelen.
Zou men niet één vrouw kunnen slachten om het vaderland te redden?
Laat het dan zijn eigen dochter zijn zodat de vader zichtbaar lijdt
en wij als toeschouwers hem troostend op de schouders kunnen kloppen.
Gelukkig komt dan mijn moeder binnen. Met haar domme praatjes
verstoort ze het mannentafereel. Ze wijt Agamemnon’s verdriet
aan het uithuwelijken van zijn geliefde dochter. U kent dat wel:
vaders die hun dochters mishandelen en dan in tranen baden
als datzelfde kind voor het altaar staat.
Hij probeert haar naar huis te sturen en gebruikt daarvoor
al zijn mannenmacht. Maar ze weet van geen wijken.
Zelfs als ze verneemt dat het feestmaal voor de vrouwen
bij de schepen zal plaatshebben, een armoedige bedoening dus,
is ze vastbesloten. Ze wil het feest meemaken, zeker nu ze
vernomen heeft dat Achilles van goede huize is.

-muziek-

Meneer Euripides!
Ik kan begrijpen dat boeken u liever dan vrouwen waren.
Maar de waarheid heeft haar rechten.
We kwamen aan. Mijn moeder wist onmiddellijk dat er iets fouts ging.
Haar druk gedoe was nog niet zo dom.
Vaak hebben vrouwen geen andere uitweg voor hun leed
dan dagelijkse beslommeringen.
Ze speelde het spel van aanstaande schoonmoeder
tot ze dicht genoeg bij mijn vader was om hem recht in de ogen te kijken.
Weinig mannen spelen zo goed toneel dat ze daaraan kunnen ontkomen.
Hij begon te stotteren, had het nog over Achilles,
excuseerde zich voor de spoedbestelling,
mummelde dat de bruiloft best nog wat kon wachten,
informeerde naar onze gezondheid, keuvelde over het weer
en liep dan de tent uit.

Achilles, door allerlei geruchten nieuwsgierig gemaakt,
botst bijna tegen hem op. Hij begroet ons vriendelijk.
Een zachte macho. Stoer gedoe om een marsepeinen hart te camoufleren.
Mijn moeder stelt mij voor als zijn toekomstige bruid.
Hij glimlacht.

Meneer Euripides laat de man verontwaardigd doen
eens hij vernomen heeft dat hij, als man, zo maar is uitgehuwelijkt.
Hij begint bijna te razen en neemt het dan heel lankmoedig op voor mij.
In feite speelde hij het spelletje mee omdat hij van Odysseus had gehoord
dat hij als lokaas dienen moest.
Ook laat meneer Euripides mijn moeder Achilles knieën omvatten
alsof zij het was die dit slecht scenario had geschreven.
Ach, meneer Euripides. Ik weet hoe leuk het is je woede naar papieren
tegenstanders om te buigen. Heel hygiënisch voor je eigen geest,
maar de toeschouwers krijgen een dwaze vrouw te zien
die zich voor een halfzachte superman vernedert.
En dan zegt het koor der vrouwen:
“Moederschap is iets wonderbaars.
Allen bedeelt het gelijk met een liefde zo machtig
dat men voor zijn kinderen wil lijden.”

Dat ontken ik niet, meneer Euripides, maar lijden is daarom nog niet
de mannenspelletjes spelen. De werkelijkheid was heel anders:

“Ik kan haar redden.” zei die slimme Achilles. En hij keek me aan.
Wij vroegen hem welk gevaar ons dan wel boven het hoofd hing.
Hij legde het hele spelletje uit en herhaalde dan dan hij mij redden kon.
Meneer Euripides laat hem meer dan honderd verzen in de mond nemen
om zijn moed te bewijzen. Hij wil haar redden, met het zwaard,
niet om haar daarna te trouwen want zo zegt de held:
“Duizend meisjes willen mij als echtgenoot.”
Maar hij komt voor mij op omdat hij notabene beledigd is!
Agamemnon heeft niet eens zijn toelating gevraagd
om zijn naam te gebruiken. En dat moet gewroken worden.

Horen jullie dat allemaal goed.
Al eeuwen hebben jullie de overigens fraaie tekst
van meneer Euripides bewierookt
en niemand heeft het ooit voor de vrouwen opgenomen
en die kakjanus op zijn plaats gezet.

Ten onrechte beschuldig ik meneer Euripides, want hij heeft Achilles
ten voeten uit geschilderd.
Hij laat hem zelfs verklaren dat hij later
nog wel eens een grote god kan worden. Wij kennen zijn lot.
Maar is letterkunde dan een plaats voor onkwetsbaarheid
zoals de net genoemde held onkwetsbaar was?
Of heeft ook meneer Euripides een kwetsbare hiel vrijgelaten
omdat hij hoopte dat iemand zijn geschriften zou doorzien?
Te veel eer voor deze mooie trukendoos.
Want in feite zei Achilles dit:
“Ik kan haar redden als ik haar als maîtresse mag hebben.
Dan zorg ik voor een fraaie verdwijn-act
zodat de soldaten hun amusement hadden
en ook Kalchas zijn eer niet is gekrenkt.
Want wind komt er toch. Dan hebben mijn kabinetsmedewerkers mij voorspeld.
En al vertrouw ik hen niet meer dan een dwaze goochelaar,
ik heb al genoeg politieke spelletjes gespeeld
om de afloop niet zelf in de hand te houden.”

image-20150611-11437-8wcchq

Mijn moeder schrok. Had ze tegen een wettelijk huwelijk geen bezwaar,
het vooruitzicht van een weinig winstgevende relatie redde haar moraal.
Ze begon te roepen en te schelden. Achilles kon de pot op!
Nog liever zou ze mij, haar oogappel, overleveren
aan de ambitieuze plannen van mijn vader.

Aan mij werd niets gevraagd.
Nog voor het offeren was ik al offerdier.
Zonder één steek was ik al neergestoken. Zonder één klap al doodgeslagen.
Mijn broertje kwam binnen en vroeg of ik met hem wilde spelen.
Ze spelen nu met mij, zei ik. En hij vroeg lachend welk spel dan wel.
Diefje met verlos, zei ik hem. Hij vroeg of hij mee mocht spelen.
Liever niet. Het is een ernstig spel. Degene die verliest wordt geslacht.
Hij begon te lachen. Tot hij de tranen in de ogen van moeder zag.

Meneer Euripides. In jouw toneelstuk laat u nu de moeder klagen.
Ze verwijt haar man alles wat een vrouw een man verwijten kan.
Ikzelf doe er nog een schepje boven op en smeek mijn vader als een slaaf.
Bang voor de dood heeft u mij gemaakt.
Ik die sterven als een verlossing zag.
Natuurlijk een vrouw heeft alleen maar haar sentimenten als reddingsboei.
Een man kan zich op nobele daden beroepen, of op krijgersfaam.
In werkelijkheid droogden beiden hun tranen, trokken ze zich terug
en kwamen dan bijna opgewekt mij troosten.
Achilles was toch een knappe man, zei vader.
Misschien zou hij zich bedenken en mij werkelijk als bruid kiezen,
en deed hij dat niet dan bleef ik toch nog vrij
om zelf een wettig huwelijk te sluiten dat voor mijn inkomsten zou zorgen
Dat was moeders taal.
We hebben geen andere keuze, begon mijn vader weer.
De Grieken wilden een offer.
Of moest hij soms zijn carrière offeren voor een ideaal vaderbeeld?
Wie politiek bedrijft, moet zich aan de omstandigheden kunnen aanpassen.
En ik kon beter de maîtresse van een held zijn
dan de wettige vrouw van een nulliteit.
Mijn moeder zei dat liefde hier niet ter sprake kwam.
Mijn aandeel was het nu om zonder morren het lot te dragen.
Achilles kende een bekwame vuurwerkmaker die voor spektakel zou zorgen.
Ik bleef ongedeerd, net als mijn vaders reputatie en het oorlogsdoel

Meneer Euripides, hier laat jij mij kiezen voor de offerdood.
Jouw fraaie zin zou nog door menig dictator worden geciteerd:
“In zekere zin past het trouwens niet dat ik te veel van het leven houd.
Want dit leven dat jullie mij geschonken hebben is niet van mij alleen
maar is gemeengoed van alle Grieken.”
Einde citaat.
Ik koos de dood, inderdaad. Maar niet uit vaderlandsliefde of ouder-eer.
Ik zei:”Bespaar mij het vuurwerk. Als ik dan het offer ben,
laat me dan ook helemaal het offer zijn. Ik wil dood.
Want nog voor de ziener mij doorsteekt ben ik al door mijn ouders geofferd.

Pieter Aertsen. circa 1555-1560

Als kind offert men zijn persoonlijkheid voor melk en liefde.
En is men aangepast en ingevuld begint men op zijn beurt
zijn eigen kinderen op te offeren.
Verbaas je daarom niet, vader, dat je soldaten een offer vragen.
Ze weten dat ze op hun beurt een offer voor jouw ambities zijn.

Mijn besluit is geen wraak, noch minder een wanhoopsdaad.
Ik wil sterven omdat een leven met deze ouders geen leven is.
Mijn toekomst is al opgeofferd, waarom dan niet het lichaam laten volgen?
Laat de Grieken geloven dat ik voor het vaderland mijn leven geef.
Voor jullie kan mijn motief ouderliefde zijn.

Ze werden boos en jammerden. Heel erg overtuigend klonk het niet.
Zoals de storm vlug gaat liggen na de eerste aanval,
zo veranderden hun klachten in twijfels,
en die gingen over in goedkope sentimenten
waardoor tenslotte hun goedkeuring klonk voor mijn besluit.

Meneer Euripides. In uw stuk klinkt de heldhaftigheid van het offer
boven het innerlijk verdriet. Men blijft waardig.
Ik zeg zelfs: Voedt Orestes op tot een ware man.
U zult u nu verdedigen dat u de inhoud van het begrip “ware man” openlaat.
Maar ook hier zal stoer gedoe boven persoonlijkheid staan.
De buik van de aarde barst open: de dode geofferde mannen kijken ons aan.
Ze hebben geen boodschap meer aan een bloemenhulde.
Elke siersteen is tevergeefs, meneer Euripides.

-muziek-

De bode komt het verhaal vertellen van mijn wonderlijke redding.
Eerst worden mijn schouders gekromd onder nationalistische gevoelens,
en sta ik op de dunne lijn die het leven scheidt van de dood
dan grijpen de goden in en word ik gered.
Ik weet het, meneer Euripides. Dat verlangt het publiek.
Iemand die zijn leven voor de staat wil geven, mag niet verdwijnen.
Zij moet bij de goden eeuwig verder leven zodat de jonge mannen
voor wie zij haar leven veil had zonder schroom de dood kunnen ingaan.
Het voorhang valt. Gesterkt voelen de krijgers hun wapens.

muziek verder-

Toen ik buitenkwam was er van al dat feestgedoe niet veel te zien.
Soldaten lopen samen. Een grote stilte.
Mijn vader stelt zich rouwend op. Hij heeft gevoel voor pathetiek.
Men hoort mijn moeder krijsen in haar tent.
Ook haar hysterie dient de goede zaak.
Zelfs mijn broertje heeft men in het wit gekleed.
Hij kijkt wat nukkig omdat hij zijn speeltjes mist.
Achilles schudt zijn krullen.
Zoveel heldhaftigheid staat zijn stierenlust in de weg.
Odysseus buigt het hoofd. Hij bekent zijn nederlaag.
De anderen zijn geil op bloed en wachten.
De goden blijken voor hun sadisme een dankbaar alibi.
Als Kalchas het ritueel begint, laat ik mijn wit gewaad vallen.
Naakt kijk ik de mannen aan. Niemand durft dichter komen.
Heel langzaam dan het mes dat ik verborgen hield.
Het mes van schitterend metaal, sierlijk van lemmet
schuift traagjes in mijn buik.
Niet de goden, noch de herinneringen vullen mijn laatste blik
Ik zie soldaten braken, net voor het donker m’n ogen bereikt.

-wind is opgestoken over grote droge vlakte-

Wie in Aulis komt, hoort geen schallende klaroenen.
Noch zal het koor der dapperen tegen de bergen weerklinken.
Het geluid van de oorlog is het braken van bloed.
Bloed dat uit de prachtige mannen gulpt: deze steriele poging
van het offer om zichzelf te bevruchten.
Meneer Euripides.

-wind overstemd door zeegolven op de kust.-

augustus 1987
met Dora van der Groen
7-10 september 1987 opgenomen.
Radio-3 Dienst drama

IPHIGENIE--4-

After “song of songs”, een hedendaagse foto-collage

Onder het lawaai van sirenes en gedreun van vliegtuigeskaders heb ik onbewust de eerste jaren op deze planeet doorgebracht. Mijn jonge ouders hadden een kist klaarstaan die in het dagelijkse leven voor schoolboeken was bestemd, en daarin werd de baby kelderwaarts een verdieping lager in vermeende veiligheid gebracht. Eens de jaren van het biografisch geheugen begonnen, was die oorlog al even voorbij en alleen waarneembaar in de schaarse verhalen van volwassenen, vooral bij gezeur wanneer de jochies een duidelijke afkeer voor een bepaald gerecht lieten horen.

In de zogenoemde laatste levensfase (wie bepaalt waar die begint?) beleef ik die taferelen in de dagelijkse berichten helemaal niet onbewust en zie ik mezelf aan de hand van mijn moeder op de vlucht gaan. Dagelijks.

Opgroeiend dacht je dat zo’n oorlog nooit meer zou plaatsvinden. Op schoolreis naar Aken stonden we als knaapjes te gapen naar de anti-tank-bouwsels, de laatste ruïnes, en de begeleidende onderwijzende zei ons: ‘…alsof zo’n dingen de oorlog konden tegenhouden.’ Dat er weinig was dat een oorlog kon tegenhouden kon ik dagelijks bij mijn grootvader observeren. Waren de forten rond Namen bedoeld om de vijand op enige afstand te houden, een stevige obus van dezelfde makers als de wapens waarmee die forten waren uitgerust liet de boel ontploffen. Zijn zwarte bril verborg zijn voor altijd beschadigde ogen en zijn kromme hand met stramme vingers was voor mij een warme vertrouwde hand als we samen naar het stadspark wandelden waar een helikopter van Sabena de post kwam ophalen. Maar als we thuiskwamen waren onze huizen er nog. Binnen brandde een gezellig licht.

Toch duurde het lang eer de voorbije tweede wereldoorlog tot de werkelijkheid van het dagelijks leven, begon door te dringen. Eerst na de Frankfürter Auschwitz-processen tussen 1963-1965 begonnen de ware verschikkingen zichtbaar te worden. De processtukken die Peter Weiss in zijn toneelstuk ‘Die Ermittlung’ gebruikte waren duidelijk. Ze zijn mij levenslang bijgebleven. Dit zou nooit meer gebeuren!

Het verhaal vertelt zichzelf deze dagen. Wij zien ze voor onze eigen ogen gebeuren of horen hun verhaal vertellen. Ik verzamelde foto’s van grote internationale nieuwsagentschappen en de foto’s die eerder in dit blog verschenen, foto’s van Nadia Sablin en Lida Suchy, fotografen geboren in Rusland en Oekraine en later uitgeweken naar de Verenigde Staten. Daar woont en werkt ook fotografe Sarah Blesener die Russisch leerde om foto’s te maken in jeugdkampen in Rusland en Oekraine en ook in eigen land, USA waar het patriotisme een leidraad was. Te herlezen en te bekijken in dit blog. Met die foto’s, aangevuld met landschappen uit Oekraine, heb ik een week gewerkt, ze geschikt en herschikt om ze als collage te gebruiken op de bezwerende muziek en tekst van David Lang (USA) naar de Song of Songs, het Hooglied, te vinden in het Oude Testament waarin op een erg zinnelijke wijze de liefde tussen een man een vrouw wordt beschreven.

Song of Songs Marc Chagall
De Hebreeuwse naam שִׁיר הַשִּׁירִים, Sjir ha-Sjirim betekent letterlijk "lied der liederen". De uitdrukking is een voorbeeld van een Hebreeuwse genitief, waarmee een overtreffende trap aangeduid wordt: 'het mooiste van alle liederen'. Deze betekenis zette zich voort in de Griekse Septuaginta Ἄσμα Ἀσμάτων, ásma asmátōn en in de Latijnse Vulgaat Canticum canticorum, wat beide ook "lied der liederen" betekent.

Maarten Luther vertaalde de titel als Hohes Lied en daaruit ontstond de gebruikelijke Nederlandse naam "Hooglied". 

Met die tekst ging Lang aan het werk. Zijn compositie duurt ongeveer 12″, ik heb er de eerste acht minuten en enkele seconden van gebruikt. De betekenis echter van de woorden ‘beloved one’ en andere tedere benamingen verandert duidelijk door ze te mengen met de beelden waarover ik hierboven sprak. De woorden krijgen iets bezwerend, ze roepen herinneringen op, zoeken naar het duiden van verlangens, naar onzegbaar spijt, pijn en verlangen.Verlatenheid. Op YouTube is de beeldkwaliteit natuurlijk een stuk minder dan de hoge resolutie van de computermontage, maar die was praktisch in een blog niet te gebruiken om niet in één klap al mijn geheugen-reserves te verliezen. Ik hoop dat ze nog even blijft staan en zichtbaar is. Hier vind je ze, ook via kijken op You Tube zelf in iets groter formaat nog kwalitatief te bekijken.

"Just (After Song of Songs)" is a 2014 song written by composer David Lang. The song was performed by the Norwegian vocal group Trio Mediaeval, violist Garth Knox, cellist Agnes Vèsterman, percussionist Sylvain Lemêtre. In 2015, it was adapted for use in the soundtrack for the comedy-drama film Youth, directed by Paolo Sorrentino.

The song is based on language from the Song of Songs in the Old Testament. It has received widespread acclaim from various news sources and music review websites, including The New York Times, The Guardian, and New York Public Radio.

Bij Apple music te koop voor…1,49 euro!

‘Sisyfus spreekt’ (5) een monoloog (slot)

Arthur B. Davies Elysian Fields Vergroot door op tekst te klikken
SISYFUS:

En tenslotte, de verschrikkelijke theorie van het hellend vlak.

(hij laat een vrij grote bal van een hellende vlak rollen, loopt nog voor de bal beneden is naar het einde van het vlak, vangt de bal op, speelt een moment met de bal als een volleerd basketter of volleyballer, of...en legt dan de bal weer boven op het hellend vlak.)

En tenslotte, de verschikkelijke theorie van het hellend vlak.

Sisyfus bedroog de goden, moet nu een eeuwigheid lang, een zware ronde rots de  helling oprollen in de Tartaros, -zo'n beetje de vieze hoek voor schurken en schavuiten in de onderwereld-, en bijna boven, rolt dat ding weer naar beneden en is het herbeginnen tot in de eeuwigheid amen. 

(hij heeft terwijl met de grote bal, een demonstratie gegeven)

Als we dus toelaten dat A gebeurt -de goden bedriegen- dan zal onvermijdelijk ooit Z gebeuren -de morele chaos zal niet te vermijden zijn--, en daarom mag A niet gebeuren, ziedaar de theorie van het hellend vlak of het ontstaan van de drogreden, ons allen wel bekend. 
Mag een elfjarig wonderkind nog uitroepen dat hij de onsterfelijkheid wetenschappelijk wil mogelijk maken, eens zijn vroege slimmigheid in het schaaltje ligt naast de reuzeschaal met de menselijke paringsdrang, blijkt duidelijk dat een bachelor in fysica ook een buis in verbeelding verdient en de universiteit die hem het ene verleende best enkele jaren mijn rotsblok de helling mag opduwen of......    (-stilte-) 

...terwijl zijn hang naar kennis best de belangstelling van de nu nog sterfelijke machtigen zal krijgen:  bij afwezigheid van een god is dat vacuum een fraaie aantrekkingskracht voor een onsterfelijke wereldse dictator. Een oude droom in zeeën bloed verdronken. Een onsterfelijke mythe.

Terwijl ik waarschuw voor het hellend vlak -ik weet waarover ik spreek na al die eeuwen- kan ik toch weer een gaatje maken in ons aller rugzak zekerheid. 

Twee keer teruggekomen uit de onderwereld is niet iedereen gegeven maar kan makkelijk belachelijk worden gemaakt met het woord 'mythe', -geef ik toe- maar dat ik in diezelfde mythes dan wel tot het onophoudelijk rotsblok-zeulen ben veroordeeld draagt niet dadelijk bij tot 'godes goede naam', of juist wel?  

De liefhebbers van een straffende God kunnen toch niet alleen in Polen, Tjechië en Hongarije wonen? Ze huizen nog in de diepe krochten van onze voorvaderlijke hersenstam waar het hellend vlak  een schavot was en de hemel en de machtigen een samenwerkende vennootschap vormden die na enig opzoekwerk een eenmanszaak bleek te zijn.
Etruskische lierspeler wandschildering graf van het triniiclinium Tarquinia
Had ik voor de Elyseïsche velden kunnen kiezen toen ik de derde keer Hades 'dodenrijk bezocht?  Dat kon.  Maar als kind reeds vond ik een eeuwigheid zweven -tussen vallen en opstaan- niet zo aantrekkelijk.  Hermes beloofde mij de mogelijkheid van een onsterfelijk bestaan als ik in de Tartarus mijn rotsblok tot aan de top de helling kon opduwen om dan wellicht eeuwig Olympische luchten  in te ademen.
Mijn hoogmoed is intussen bekend net zoals de drang naar eeuwig leven niet alleen wonderkinderen bezielt.

Toen jullie mijn verhaal de eerste keer lazen of hoorden vertellen, wisten jullie toch dadelijk dat het een leugen was, die eeuwigheid op mensenmaat?

Je liet mij nu al meer dan tweeduizend vijfhonderd jaar mijn steen de helling opduwen.  'Absurd' was ongeveer de beste term die ik hoorde.  Dat was het ook.  Maar dat jullie je daarbij neerlegden, dat je niet zei:  je mag ophouden, Sisyfus, het is genoeg geweest.  Of gewoon:  hou op!  Neen, jullie wilden moedig het lot ondergaan en in het beste geval elkanders steen helpen opduwen.  Alvast in gedachten.  Angstig als wij zijn. Nietwaar heer Thanatos?

Jouw hellend vlak.
Na enkele eeuwen had ik naar mijn niet altijd bescheiden mening vergiffenis genoeg verzameld om iets anders te mogen verzinnen.  Vergiffenis voor mijn schromelijk tekort aan liefde.  Vergiffenis voor de ondoorgrondelijke haat.  Voor het overschot aan gelijk, het vanzelfsprekende van het bezitten, de dwaasheid van mijn gulzigheid, de drang naar steeds meer macht. 

Voor het bedrog waarmee ik de goden om de tuin leidde legde ik het gewicht bij de manke voorstelling waarin zij aan ons werden beschreven.
Ze bleken inderdaad onze eigen verzinsels te zijn, goed bedoeld maar slecht uitgevoerd. Soms vemakelijk, vaak met alleen het oergevoel in de wijsvinger opgevoerd. 

Toch kan ik moeilijk zonder, want juist met hun menselijke gebreken  herkende ik ze als het betere 'ons' dat vaak in tijden van nood en eenzaamheid zichtbaar en voelbaar is. 
Dus kan ik niet anders, ondanks het hellend vlak, dan vertellen wat ik probeerde om aan de dwang van het dagelijks duwen te ontsnappen. Hoe dwaas en onvolkomen mijn pogingen ook waren.

Natuurlijk wisten de zaligen uit de Elyseïsche velden wat er in de Tartarus gaande was. Ik had ze stiekem al zien gluren eens ik halfweg  met mijn rug tegen de rots ging zitten om even uit te blazen. Luidop klagen en om hulp smeken kwam nooit in mij op.  Integendeel.  Ik maakte van de rotsduwerij een aantrekkelijk gebeuren.  Van Hermes kon ik een chrono lenen, het maakte mijn sterfelijkheid alleen maar duidelijker, (dacht hij) en als boeteling kwam hij mij graag tegemoet.
Hermes
Beneden schreef ik op een vlakke rots de tijd  van de vorige beklimming:  44' 08", een nieuw record.  Het duurde dan wel zes, zevenhonderd pogingen om de drieënveertig minuten te halen, maar met moed en volharding lukte dat.
Applaus. Eerst nog verborgen glurend, daarna openlijk aanmoedigend.  Tenslotte met de vraag of zij het ook eens mochten proberen.  Dat mocht.

O, die edele zielen die levenslang de goden hadden geëerd, hun lusten hadden bedwongen, hun zinnen van het bezittelijke hadden verlost,  hun kinderen tot rechtvaardige burgers hadden opgevoed, je moest hen zien duwen!

Het duurde wel enkele maanden voor ze in de buurt van de 43' kwamen, en toen een jonge sterke vrouw uit Kreta zelfs bij 42' 55" op de top stond, was het feest.

Ik hoef je niet te vertellen dat het dringen was om dat record te breken.  Aanschuiven werd het.  Bijna elke dag wel eens een ruzie wiens beurt het was.
Ik noteerde de tijden, zette me gemakkelijk op de top en genoot van hun inspanningen. Voor de buitenwereld rolde Sysifus zijn steen  dat beroemde hellend vlak op, zuchtte als hij fluks naar beneden donderde en hij hijgend aan een nieuwe klim begon.
Napleskrater Sisyfus
Terwijl ik toekeek gleden er allerlei andere ideeën door mijn hoofd.  Was nu nog de reusachtige bal van steen, stel dat we een klein metalen  handzame bal maakten die je zo ver mogelijk weg moest weggooien.  Zo ontstond het kogelstoten, gevolgd door een succesrijke bowling-baan en allerlei andere balsporten.  
Ontstellend  hoe competitief een balvormig voorwerp het centrum werd van het schimmenrijk. Zelfs het biljarten kwam aan bod, het golfen en tenslotte trapten we de bal het veld op en vierden we de eerste matchen tussen de gelukzaligen en de zondaars.  Met zes nul door de ... gewonnen.  (zelf invullen, juist ja die!).

Het met een rotsblok de helling op zeulen kreeg nu in allerlei speelse vormen een vrolijke betekenis, al moest ik nu en dan bij te felle betwistingen modererend ingrijpen. 

Tot op een dag Zeus zelf verscheen, net bij het tweede doelpunt tijdens de voetbalmatch Invloedrijke Dokters-Welstellende Patiënten. (afgekort als ID-WP) Nul voor ID en twee voor WP! 
Wie denk je dat er arbiterde?  Inderdaad.  Sisyfus.

Zeus wilde naar oude gewoonte een donderwolk lanceren gevolgd door een aantal hevige maar onschadelijke bliksems (het bekende weerlichten) maar bleef toch even toekijken en stond enkele miuten later de Welstellende Patiënten aan te moedigen omdat hij zijn collega Asclepius nooit erg had gemogen. (De man was tenslotte ook maar een halfgod, verpleegsters weten waarom!)
Ik legde het spel stil en we bewezen de vader van het al de eer die hem toekwam.
'Je weet dat een vader niet van geruzie houdt, noch minder van gefluister-achter-de rug en helemaal niet van slaafse verering, al mag ik wel graag een diepe buiging en een op-de knieën-zinken zien zonder te vervallen in het plat-op-de-buik -gaan.  
Sisyfus weet dat wij streng maar rechtvaardig  optraden en onze straffen wel eens het redelijke overschreden. Maar de opgewekte atmosfeer, het zingen van liederen-langs-de-lijn, het voortdurend in de handen klappen en aanmoedigen, ja zelfs het gemodereerd uitfluiten,  de waaier aan beweging en competitie zonder bloedvergieten, het bekoort ons en ....'

Kijk, dat is het andere hellende vlak.  Het vlak van het spelen.  Klinkt het een beetje oneerbiedig dat ik Zeus' stem heb geïmiteerd?  Het hoort bij het spelen dat mij van de dodelijke zeulpartij met de ronde rots bevrijdde.
Het is soms niet erg vredevol en de uitdrukking 'uit de bol gaan' heeft ook nog zijn oorsprong in mijn oud verhaal.

Ook dat verhaal bleek een spel.
Ik wilde niet op het hellend vlak. 
Het spel waaiert uit, opent andere deuren, maakt vreemde combinaties.

Of het te maken heeft met bewegen, sporten, vertellen, verhalen maken, schilderen, een huis inrichten, de jurk van je leven knippen, en ga nog maar een eindje verder, het spel verzoent ons soms even met het eindige.  

Er zullen dagen zijn dat ik weer de berg op moet met de ronde rots.
En de hemel is niet altijd met vriendelijke goden gevuld, maar trilt van intense herinneringen aan degenen die voor wij er waren het leven mochten meespelen, al was het spel vaak ver te zoeken.

Uit de dodencultus ontstond het theater. Herinner elkaar zonder ophouden.
'Vaag zie ik hem, in mist, de steen opduwen.
 Mijn vader Sisyfos. Het brein. De sluwe.
 Hij wist te veel. Geen god die dat vergeeft.
 Verstand is het waarvan de goden gruwen.'

(herdichting van de Odyssee in kwatrijnen, hier kwatrijn 34, H.J. de Roy van Zuyderwijns In wat de zee verzwijgt, 1988)
foto van Frank O’ Connor

De speeltekst ‘Sisyfus spreekt’ is als monoloog geschreven voor theater, podcast, hoorspel, of welke dramatische vorm dan ook waarin hij tot leven kan komen. Scenografie en regie kunnen naar alle kanten uitwaaieren als ze het contact met de toeschouwer verstevigen. Ook allerlei vormen van poppenspel kunnen dienen. Wij zullen hem weldra op een afzonderlijke pagina invoeren zodat je hem in volgorde van aansluiting kunt lezen en gebruiken. Er zullen de volgende weken nog allerlei wijzigingen in aangebracht worden.

Zeus als stier die Europa ontvoert Peter Paul Rubens

‘Sisyfus spreekt’ (4) een monoloog

Gustave Doré De aankomst van Charon, illustratie bij ‘Divina Commedia Dante Alighieri
Sisyfus:

Bij de Styx-rivier keek Thanatos mij hoofdschuddend aan.
Zoals een hopeloze vader zijn puberzoon bekijkt.
Hij ziet nog een vleugje van het vrolijk kind
dat in het 'te -vlug-uitgegroeide' zichzelf begraven heeft
en door eigen scha en schande moet wijzer worden. 
Zegt men.

Bevrijd van mijn boeien wacht ik op Charoon,
de veerman die de schimmen naar de andere oever brengt.

Zijn hand duidelijk uitgestoken om een obool te ontvangen
maak ik het hopeloos gebaar van sukkelaars
die, vergeten door de wereld, niets en niemand betalen kunnen.
Hij duwt mij ruw het water in en verdwijnt, de andere oever tegemoet.
José Beniliure Gli la barca de caronte 1919 Vergroot door op onderschrift te klikken
Ik roep, maar smaak  het vieze vocht van de Styx, 
voel het bijten waar het een zwak plekje vindt,
en als ik, druipend de andere oever opklim,  
ben ik een uitgediende verschrikking,
een walm verspreidend onding, 
waarvoor medelijden gelukkig nog in enkele grammetjes beschikbaar is.

Helemaal de man die ik nu, volgens mijn plan, wilde worden:  
zielig overschot,  waarin de woede van een vrouw zonder begrenzing had huisgehouden,
de onderdanen het stoffelijk overschot van hun koning eindelijk
met vuisten vol wraak en jalousie bewerkten en
zelfs kinderen met fikse schopjes hem de tanden uit de mond 
en de ogen uit hun kassen trapten en daarmee hem, het monster, 
en hun eigen wrede soort  hun verwilderde eerbied  bewezen.
Persefone
Zo zocht ik Persefone op, godin van het dodenrijk en van de lente, 
die in godentijden bij het bloemenplukken van haar eigen moeder Demeter werd weggerukt en daarna zes maanden in de onderwereld bij Hades moest verblijven, tijd waarin de aarde elke jaar verdorde en nauwelijks een sprietje gras de winterkoude overleefde, maar de volgende zes maanden, teruggekeerd op aarde, haar met groeien en bloeien overstelpt, wisseling die in eeuwige herhaling van seizoenen zichtbaar bleef.

In haar ogen zag ik dat mijn vrouw zich duidelijk aan mijn instructies had gehouden. En blijkbaar wisten ook mijn onderdanen van wanten toen ik als naakt dood lijf op straat te vinden was.
  
'Ik weet, majesteit, mij bekijken is pijnlijk voor uw goddelijke ogen, 
wend uw blik af maar open nog even uw oren voor mijn verhaal.'

Ik vertelde haar dat ik door een gierige aardse helleveeg in deze toestand voor haar moest verschijnen omdat na mijn sterven mijn lichaam door dat monster  van een echtgenote schaamteloos op straat was gegooid om begrafeniskosten uit te sparen.
Voer voor honden.  
Dat waren haar woorden. 
Voer voor honden. Kijk toch maar even.
En de offerdieren die ik tot de laatste dag had verzorgd en vetgemest om ze na mijn dood dankbaar aan Hades en Persefone aan te bieden, dienden nu voor een schranspartij waar niet alleen het wild consumeren van liters wijn maar ook pure verwensingen aan het adres van de goden ieder godvrezend schepsel tot tranen zou bewegen, om van diepe schaamte maar te zwijgen.
Persefone wilde onmiddellijk Zeus' schietkraam en zijn dodelijk vuurwerk activeren, een idee dat ik dankbaar begroette maar zachtjes afremde door haar een heel eigen wraakmethode  voor te stellen.
'Stel nu, begon ik voorzichtig.  Stel nu dat u mij levend en een beetje opgekalefaterd, terug naar de bovenwereld stuurt?  
U kunt zich haar gezicht voorstellen als ik daar in levende lijve voor haar sta, ja?
Kijk, vrouw, zal ik zeggen.  Dit is hoe een godin antwoordt op jouw walgelijk gedrag.   
Ik zal ervoor zorgen dat ze elke dag gebeden lang Uwe hoogheid prijst, uw genade zal afsmeken en daarna de wereld duidelijk maakt dat eerbied voor de scheppende krachten -want wat zouden wij doen zonder Uw bezieling van akkers, wijn- en boomgaarden- dat deze erbied dus een levenstaak is, in lengte van de door u gezegende dagen. 

Mijn voorstel werd enthousiast aanvaard.
'Uw wijsheid wordt al bewezen nog voor uw plan is uitgevoerd, majesteit.Stel dat u mij nog een beetje heraanpast aan haar leeftijd -zij is zevenentwintig- dan kan  ik haar kordaat tegemoet treden en haar met verve wijzen op haar plichten.'

Mijn nederige restauratie-aanvraag kon op haar onmiddellijke instemming rekenen.  
Omgetoverd tot bekoorlijke jongeman  bracht zij mij naar de bovenwereld waar ik op een zoele zomeravond onder de geurende liguster de achtergelaten liefste zachtjes wakker kuste.
'Het is geen droom, liefste.  Wie liefheeft, tot in het woeste achterland van de dood, kan zelfs de goden bedriegen.'

Eindeloos uitdeinend in nooit vermoede schoonheid lagen de beloofde aardse jaren voor ons. Eens een godin je een tweede leven gaf, mag geen andere godheid haar terugfluiten. Tot ook die jaren vervlogen en de onontkoombare je een derde en laatste keer zal meenemen.

(en dat gebeurt dan in de 5de en laatste aflevering, verwacht het onverwachte!)

‘Sisyfus spreekt’ (3) een monoloog

De Morgan, Evelyn Sleep and Death: The children of Night
SiSYFUS:

Hij is een uitdover.
Ik,  een aansteker.
Moeilijke combinatie.

Hij, de dood.  Heer Thanatos.
Ik, een sterveling, koning Sisyfus.

De slaap en de dood, de kinderen van Nyx, de nacht en Erebus, de duisternis.

Dus zei ik vanuit mijn bed nog tamelijk vriendelijk bij zijn binnenkomst:
'Ik ben nog in de armen van Hypnos,  je halfbroer, heer Dood. 
Even geduld voor ik weer tussen jullie beiden sta.'
Hierop volgde vrij onbeleefd een geeuw en wat onnodige rek- en strekoefeningen.

'Maak ik eindelijk voor altijd die keuze overbodig,' zei Thanatos. 
'Wie aan mijn kant komt wacht eerst een lange reis. 
Om je gehechtheid te tonen steek je handen uit zodat ik je kan boeien.'
'Dat is fraai handwerk, geef ik toe.'
'Hefaistos zelf heeft ze gesmeed.  Met een ingenieuze sluiting als verzekering voor je volgzaamheid.Wie hiermee geboeid wordt kan alleen door Hades worden bevrijd.'
Hades en Persefone
'Nieuwsgierig van aard en vol bewondering voor dat goddelijk handwerk is een kleine demonstratie toch niet te veel gevraagd zodat ik daarna met een gerust gemoed en in alle betekenissen geboeid u naar Hades volg. 
Past trouwens dit wonderlijk smeedwerk rond uw eigen polsen?  
Volgens mij een onmogelijke zaak.'

Zoveel ongeloof vroeg een duidelijk antwoord.
Thanatos schoof de handboeien aan, trok tot ze vast rond zijn knokige polsen zaten en toonde mij triomfantelijk hoe  machteloos  de geboeide was.

Of ik dan even op de kleine hendel achteraan wilde duwen om de klemmen te lossen?
'Was ik Hades dan zou ik u bevrijden, maar helaas zoals u weet staat hier een sterveling voor u, dus vergeeft u mij dat ik u verder immobiliseer met wat hennep en enkele stevige gordiaanse knopen.'

Ik draaide een touw rond zijn benen, wierp een deken over hem heen en sleepte hem naar een berghok waarvan ik deur vergrendelde.
'Enkele dagen zeelucht zal mijn donkere gedachten helemaal verdrijven! 
Vaarwel, heer dood!' 
De goden op de Olympos
Besefte ik wat ik gedaan had?
Niet in het minst.
Ik zou zoals altijd 'wettige zelfverdediging' pleiten.
Dwaas.
Niet alleen de goden beledigd, maar ook nog heer Thanatos in een berghok met eigen boeien geketend achtergelaten.

Het duurde wel enige dagen tot men in de Hades begon te beseffen dat er iets aan de hand was.  Geen dode ziel arriveerde er nog. De stroom schimmen bleek opgedroogd.
En had iemand Thanatos gezien?
Een zoektocht bleef zonder resultaat.

Bij de onsterfelijken op de Olympos waren de meningen, zoals steeds, verdeeld.
Onder hen zagen zij veldslagen, net zo geweldadig als anders, maar niemand stierf. 
Dapperen doorboord met speren, door paarden vertrappeld, ja zelfs onthoofd stierven niet.
Wat zou nu nog het nut van oorlog zijn, klaagde Ares wiens ministerie van krijgskunsten enkel schertsvertoningen kon organiseren onder de aardbewoners.
Of ze misschien net als de Olympiërs het geheim van het eeuwige leven hadden ontfutseld van...?
Dreigend keken zij elkaar aan, de geschrokken bewoners van de Godenberg.

Wie had Thanatos laatst gezien?
Hermes herinnerde zich dat de vermiste door Zeus zelf naar Sisyfus was gestuurd om in hoogst eigen persoon zijn verderfelijke ziel voor eens en altijd naar de Hades te brengen.
Wel Hermes, waar wacht je op?

Het berghok werd vlug ontdekt en de vernederde Thanatos bevrijd van zijn eigen boeien.
Was het laatste woord hierover nog niet gezegd, er wachtte eerst een boel achterstallig werk.
'Gun mij daarna het plezier eerst deze gruwel op te halen.' smeekte hij.
'De onsterfelijken kunnen zich geen tweede keer belachelijk laten maken., collega Thanatos! Dus haast je maar.'

Hermes begeleidt het lichaam van Sarpedon
In mijn buitenhuis waar ik na het mislukte avontuur met Tyro en de dood van mijn twee zoontjes met een lieve en dappere echtgenote vaak verbleef, besefte ik dat ontsnappen vrijwel uitgesloten was.

'Ik heb een vreemde vraag, liefste, een vraag waarvan je de inhoud een tijdje later zult begrijpen.  Hoop ik. Maar nu ik voel dat mijn leven vlug zal uitdoven, wil je dan na mijn sterven mijn lichaam niet wassen en zalven, geen obool onder mijn tong leggen om de veerman te betalen.  Geen zeven dagen en nachten waken en brandoffers brengen om het vorstenpaar van de onderwereld te vermurwen.  Gewoon mij uitkleden en me naakt op straat achterlaten.  Beloof me dat.  Beter nog:  zweer het op je ziel.

Ken je de ogen van een vrouw die sterk genoeg is om het onbegrijpelijke niet dadelijk te willen doorgronden en het schijnbaar onmogelijke te aanvaarden?  Niet uit slaafse onderdanigheid, maar omdat ze weet dat hij een weg uit de wanhoop heeft uitgestippeld. 

Ik, de dromer. Maar ook de toegewijde.  Die vaak het boetekleed heeft aangetrokken en in de stilte van de nacht het zwijgen wegschreef in het onzegbaar alfabet.

'Mijn onderdanen zullen denken dat je veel hebt geleden, dat ik je -en zo is het ook-  vaak tekort heb gedaan.  Hen heb je niet te vrezen.  Maar geloof dat wat ik je vraag slechts één doel heeft dat helaas nu nog geen woorden kan verdragen. Wie niet weet kan ook niet medeplichtig worden genoemd.'




Diezelfde avond kwam hij mij met een zeker wantrouwen halen.
Wees nederig als hij je bezoekt.

Hij beefde toen ik mijn handen aanbood om geboeid te worden.
'Het is een lange reis voor een sterveling,' probeerde hij vriendelijk te zijn.

Verzoent zijn deskundige blik je met je eindigheid, of sloot ik mijn ogen om de verre droom waarin een man weer thuiskomt te koesteren?

(vervolg in aflevering 4)
Persefone en Hades

‘Sisyfus spreekt’ (2) een monoloog

Myceen stierenhoofd
(feestmuziek nog even op achtergrond en dan stilte)

Sisyfus:

En wie maakt zelfs van feestgedruis gebruik om de koninklijke veestapel te plunderen? Een zoon van Hermes, de god die reeds als baby vee van Apollo had gestolen. Autolykos. 

Zeg zijn naam niet te luid: Autolykos, of hij zou zelfs de au en ie klanken verduisteren zodat je alleen 'tokos' overhoudt wat in Oud Grieks zoveel als 'zoon' maar ook nog 'winst, rente, opbrengst betekent, terwijl zijn echte naam het moet hebben van 'auto': 'ik' en 'lukos': 'wolf'.  'Ik-de wolf.'  Een duidelijk samengaan van merk en produkt.

Had Autolykos al van vader Hermes de neiging geërfd om andermans koeien te stelen, zijn toverkunsten om een diefstal te camoufleren waren hem door diezelfde  pa ingelepeld. De koninklijke kuddes , roodbont en voorzien van grote horens veranderde hij in zwart-bonte dieren zonder horens.

Graag wilde ik mijn aangeboren scherpzinnigheid gebruiken om de goedkope goochelarij van deze godenbastaard belachelijk te maken.  Had hij een boevengod als inspirator, ik, Sisyfus, zou hem met koninklijke intelligentie overtroeven. 
Onder de hoeve van elke rechter-voorpoot liet ik heel duidelijk de letters KK en GG aanbrengen:  afkortingen van 'Koninklijke Kudde' en 'Gestolen Goed'.
Ook was het makkelijk de volgende dag de sporen van mijn gestolen dieren te volgen die zoals wij vermoedden ons rechtstreeks naar Autolykos' stallen leidden.
Een feestelijke ontvangst.  En zelfs toen kon hij niet zwijgen over de kwaliteiten van zijn stamboekvee tot ik hem een gemerkte rechter-voorpoot onder zjn neus duwde.

'KK en GG, afkortingen van 'Koninklijke Kudde' en 'Gestolen Goed'.'

Hij had het nog over 'verdwaalde dieren' en 'sukkeltjes die hij liefdevol' in zijn kudde had opgenomen, 'dat kan gebeuren, majesteit,' maar zweeg toen het aantal 'sukkeltjes'  de hoevelheid van zijn eigen dieren oversteeg. 

We confisqueerden al zijn vee en ik geef toe dat ik in mijn overmoed en overwinningsroes ook Autoleukos' dochter Anticleia tijdelijk de mijne ging noemen. Niet fraai, maar laten we het 'de opvattingen van die tijd' noemen, een heerser masseert nu en dan de wetten waar dat beetje elasticiteit van toen later gemakkelijk een aberratie wordt genoemd.

En...werd Anticleia niet de moeder van topvedette Odysseus? Mooi gecamoufleerd door haar -al een tijdje zwanger- vlug aan Laërtes uit te huwelijken.
Wie dus de vader van deze toekomstige ster zou zijn, een vraag die met een beetje erfelijkheidsleer het zachtjes knikken van het hoofd verklaart, al is hoofdschudden  net zo goed begrijpelijk.

Wie teert op toevallig succes plooit zich makkelijk naar zijn eigen navel. Was hij eerst het welbespraakte middelpunt bij een gezellig eet- en drinkfestijn, nu werd die koninklijke navel het centrum van de wereld. Sisyfus als goed betaald orakel:  te klein gebouwd, te hoog gegrepen, te laag geschat, te vlug ingevuld, te veel verwacht en te weinig gekregen, met de ijver van een democraat die als minister niet alleen een ijdeltuit maar ook de tiran uit zijn vestzakje te voorschijn tovert en intens geniet bij elke vingerknip en let op:  er hoort boter bij de soms vrij rotte vis voor elk advies uit deze vergulde mond.

Ach, de lompigheid van wie de macht geroken heeft en op zijn troon te weinig aan de keukenstoelen denkt waarop zijn volk zetelt.
De simpele vragen:  wat komt er op tafel, wie slaapt bij wie en vertel mij wie de verraders zijn. 
Kun je mij vergeven?
Ik was de verrader en hij vergaf me niet.
Aigina door Zeus bespied
Ik zag Zeus gluren naar de nimf Aegina, één van de twintig dochters van Asopos, de riviergod die hen met zorg en tederheid omgaf zeker met dat sjiek volk uit hogere Olympische kringen in de nabijheid van al dat fraais.
De Najaden: Antiope, Asopis, Chalcis, Cleone, Harpina, Ismene, Ornia, Pirenne, Salamis, Tanagra, Thebe, Thespeia, en nog een aantal zoete namen die de geschiedenis geheim gehouden heeft.

Aegina werd de lieveling van de Almachtige.  Het lief van Zeus.
Zijn zucht naar tastbare schoonheid is intussen ruim bekend en beschreven. Verschijnt hij als een adelaar dan is een ontvoering in de maak. 

Ik, Sisyfus zag dat hij in de gedaante van een glanzende adelaar haar meenam naar het onbewoond eiland Oenone in de Golf van Egina, tussen Attica en Argolis. 
Hij, de nurk, de onstuimige, de afblaffer en de man van honderdduizend volt in de donkere luchten, hij, de onsterfelijke, verandert in een tedere jongen als hij de schoonheid in een sterfelijk menselijk wezen leest.
Jean-Baptiste Greuze Aegina visited by Jupiter 1767
Moet een mens vaak verbergen wie hij of zij bemint, zijn liefde camoufleren, zijn leven organiseren als een strateeg, verhalen uit het niets verzinnen, zijn slapeloze nachten met wanen en tranen overbruggen, zijn dromen leeg zien lopen en neen, het is niet de nachtegaal maar het nieuws van half zeven en ik moet om half acht op kantoor zijn want...

Maar.

De vader. Asopus.  Wanhopig op zoek naar Aegina.
Al vlug de blablabla vergeten waarin het over wijs en rechtvaardig gaat, en dat de liefde van een vader, en de glorie van het vermiste kind, en, en, en.

Zoals de wanhoop altijd te weinig letters en te veel kreten heeft.

Hij weet dat ik weet.

Hij zegt het niet, maar het kleinste gebaar dat nergens op slaat, het wegkijken langs mijn schouder alsof hij haar dadelijk ziet binnenkomen.  Mijn zwijgende ogen -al oefen ik een neutrale blik een vorst waardig- en ik probeer te zeggen dat ik de dader niet zonder eigen schade kan verraden.

Asopus is een riviergod en kent het water als zijn kinderen.
De Pirene bron
Zegt hij:
...dat de stad zeker nog een bron, met bijhorend fontein wil, een fontein op de akropolis achter de tempel van Afrodite, weet hij. 
Met hetzelfde water uit de Pirene-bron dat ondergronds al de stad bevloeit.  
Die bron was een favoriete drenkplaats van Pegasus, de Muzen toegewijd.  Dichters kwamen van ver om er te drinken en inspiratie op te doen. 

Een dergelijke bron op de akropolis van de stad? 
En kan het ook een eeuwigdurende fontein zijn, wetend dat een man in dergelijke nood makkelijker overstag gaat, al mag voor een riviergod de vraag naar kunstig water wel ietsje verder gaan dan bij  een  bedrijf dat hedendaagse badkamers levert?

Een maand later waaiert het waterwerk van Asopus over de akropolis.
Ik verklap Zeus' naam en de plaats van het liefdesnest terwijl de fontein-druppels zich met onze tranen vermengen.

Hij zal de watervader met de gekende bliksems weer zijn rivier induwen terwijl ik bezoek van Thanatos himself mocht verwachten waar anders Hermes de dode naar de onderwereld voert.
Niet omdat ik het liefdesnest verraden had, maar het bilan van mijn leven blijkbaar het edele ontweek en gedrenkt was in het schandelijke. Zei hij. 
Ook een god wil dat zijn slippertjes toegedekt blijven en drie kunnen een geheim bewaren als twee ervan dood zijn. Hij in de rivier, en ikzelf over de Styx naar de Tartaros.

Maar ik ben Sisyfus. (Vervolgt)

Technische fiche: Oenone, het liefdes-eiland heet ook wel Oenopia, zelfs Delos is nog een andere naam. Volgens het verhaal baart Aegina later een zoon die ze Aeacus noemt. Ze moet hem helaas alleen opvoeden! Eeens hij volwassen is heerst hij als een rechtvaardige koning over het eiland, dat blijkbaar niet zo onbewoond was als in de mythe werd voorgesteld. Aeacus geeft het eiland de naam van zijn moeder: Aegina. Hera, vrouw van Zeus, heeft een hekel aan hem en teistert het eiland met de pest waardoor bijna iedereen omkomt en alleen moeder en zoon overblijven. Aeacus smeekt zijn vader om steun en deze verandert de mieren op het eiland in mensen, Myrmidonen genoemd. Aeacus hielp Poseidon en Apollo de muren van Troje bouwen. Zo was Aegina de groot-grootmoeder van Achilles, de Griekse held bij de belegering van Troje.

Aegina (/iˈdʒaɪnə/; Ancient Greek: Αἴγινα) was a figure of Greek mythology, the nymph of the island that bears her name, Aegina, lying in the Saronic Gulf between Attica and the Peloponnesos. The archaic Temple of Aphaea, the "Invisible Goddess", on the island was later subsumed by the cult of Athena. Aphaia (Ἀφαῖα) may be read as an attribute of Aegina that provides an epithet, or as a doublet of the goddess. (Wikipedia)
Hermes op stap

‘Sisyfus spreekt’ – een monoloog (1)

Tik je de naam ‘Sisyfus’ in bij de zoekmachines dan verschijnt er telkens een schaars geklede manspersoon die met een zware rotsblok aan het werk is. Het was mijn bekommernis om niet alleen ‘de straf’ -want die bleek het zeulen te vertegenwoordigen- van deze persoon als onderwerp van mijn theatertekst te belichten maar vooral het ‘hoe is het zo ver kunnen komen’ als uitgangspunt te nemen, met daarbij vragen naar de rechtvaardigheid en mogelijkheden om hem in eer te herstellen te onderzoeken, mocht dat nodig en nuttig zijn.

Natuurlijk is het verhaal een mythe, een van de honderden boeiende Griekse mythes waarin goden en stervelingen danig met elkaar te maken hebben. Toch is het geen essay zoals het wondermooie ‘De mythe van Sisyphus’ van Albert Camus uit 1942. Mijn tekst zou de hoofdpersoon aan het woord laten vanuit zijn nogal ingewikkelde familiegeschiedenissen en hem de kans geven om ‘wat vooraf ging’ te belichten waardoor wij als kijker en luisteraar zelf een oordeel kunnen opbouwen over deze strafzaak waarin ook ‘goddelijke’ partijen het niet gemakkelijk maken evenwichtige vergelijkingen te maken.

‘Rollenpatroon’ Jan Leeuwenburgh

De Griekse mythes zoals wij ze kennen zijn vaak samengesteld uit oude bronnen zoals dit verhaal al behandeld werd door schrijvers als Diodorus Siculus (1ste eeuw v. Chr.), Vergilius (ca. 70-19 v. Chr.) en Pseudo-Apollodorus (1ste-2de eeuw). Dat brengt plezierige bevindingen mee, want soms geeft het ene verhaal elementen aan die feiten uit een andere versie verklaren. Zo kwam ik te weten waarom de broer van Sisyphus, ‘Salmoneus’ de grote Zeus wilde imiteren, zeker toen hij besefte dat zijn dochter Tyro ‘omgang’ had met de god van de zee, Poseidon, en de god twee personen baarde die zelf koning zouden worden: Pelias en Neureus. Met kleinzonen die van God afstammen is er niet veel meer nodig om allerlei vormen van ‘hoogmoed’ te ontwikkelen.

Anderzijds bleek deze aandrang Zeus te imiteren al eerder aanwezig te zijn zoals zal blijken uit mijn tekst. Een houding die dan weer geïnspireerd kon zijn door allerlei ‘volksgebruiken’, want van Griekse koningen werd verwacht dat zij regen brachten voor een goede oogst. Vele koningen uit die tijd imiteerden dus het geluid van bliksem en donder in de rol van Zeus om dit te bereiken. Verhalen en werkelijkheid, een boeiend gegeven.

De tekst is een monoloog. Sisyfus is de verteller. Er zijn geen aanduidingen voor een mogelijke enscenering. Wel is hij geschreven om gezegd, geroepen, gefluisterd te worden. De stiltes zijn zeer belangrijk. Je moet de verteller horen terwijl je leest.

In dit eerste gedeelte gaat het voornamelijk over zijn broer Salmoneus. Dat beide broers elkaar grondig haten kan later zeker door een erfeniskwestie verstevigd worden, maar de wederzijdse afkeer is blijkbaar al lang aanwezig. Ze trekken zelfs thuis weg om ieder hun eigen koninkrijk te stichten. Je broer doden echter zou de wraak van de Schikgodinnen wakker maken. Het orakel van Delphi wijst Sisyfus een andere weg.

Bild: Radio Bremen | Lisa-Maria Röhling Sisyphos Hartmut Wiesner
Sisyfus:

Hij.  Mijn broer, Salmoneus, koning in Elis, is zot van  Zeus, de Almachtige. 

Zelfs zijn eigen scheten zou hij met een vonk ontsteken om daarmee de schepper van het al te imiteren die volgens hem op een zware Harley Davidson door het zwerk raast.

Ik, Sisyfus, koning in Efyra, geloof niets.  Zelfs niet dat mijn naaste voorouders, Deukalion en Pyrrha, de enige  overlevenden waren van een zondvloed die de aarde zou verzuipen.

Het is een mooi verhaal dat zij, volgens het orakel, eens weer op het droge, de botten van 'de grote moeder' over hun schouder moesten gooien, waarmee niet de botten van haar eigen moeder -zoals de arme Pyrrha dacht, maar die van de grote verzopene werden bedoeld:  de aarde. 

Fraai verteld, dat wel, maar hemeltergend simpel: de stenen die Pyrrha gooide veranderden in vrouwen en die van Deukalion werden mannen. Een buiten-baarmoederlijke aanwas van de wereldbevolking. 

Mijn vader, Aiolos koning in Aeolia , -verwar hem niet met de koning van de winden al weet hij na een stevig maal ook van wanten-, wilde wel enige orde in het leven van zijn kroost en liet ons graag ironisch 'koningen die voor gerechtigheid zorgen' noemen terwijl iedereen wist dat 'aiolos' 'listig' betekent en wij met zijn allen graag worden weggezet als een stelletje onverlaten met wangedrag in het DNA  terwijl Salmoneus en ikzelf het thuis voor bekeken hielden. Ik trok naar het zuiden en hij naar het westen om een eigen koninkrijk te stichten. 

Ach, de mooie verhalen over broederlijke liefde.  Heb een broer die zich Zeus zelf waant en denkt een onweer te kunnen ontketenen, met fakkels gooit en met lasereffecten het nachtelijk donker te lijf gaat om zijn goddelijke status te belichten.
  
Kan liefde je wakker houden, haat en afkeer zijn de beste waakhonden. De gruwelijkste dromen beleef je met open ogen tot het eerste morgenlicht je even laat sluimeren maar een zuchtje wind nu zuur als bedorven melk je aan zijn dronken adem herinnert en je met een dwaze vuistslag in de leegte weer klaar wakker de dwaze dag moet beginnen terwijl hij nog levend rondloopt en zich de schepper waant van hemel en aarde.

Wie zich god waant beledigt elke bedelaar, matigt zich de hemel aan terwijl het hellevuur hem eeuwig moet schroeien. Eer een koning maar aanbid alleen kortstondig een geliefde tot het dagelijks leven jouw godin tot je beste maatje kneedt.

De prijs voor een dode broer is onbetaalbaar bij de Schikgodinnen. Hun wraak kent geen wisselgeld. Voelde hij zich god, hetzelfde bloed kan afkeer opwekken maar duldt geen vergieten, hoe dwaas ook de man waarin het rondstroomt. 
Foto door Jeff Stapleton Delphi
Stropt het logisch denken dan ontwart een gewaardeerd orakel wel eens de knoop. Het mysterieuze ontgrendelt soms het dichtgeslagen lot. 

'Zonen van Sisyfus en Tyro zullen opstaan om Salmoneus te doden.' was de uitspraak in Delphi, waarbij Tyro duidelijk de naam van Salmoneus' dochter was, mijn eigen nichtje. 

Heb ik oprechte afkeer voor opgeblazen ijdelheid, de charme van een jonge vrouw  zet haar spijtige afkomst duidelijk in de schaduw. Het creëren van een moordwapen uit zijn eigen huis, onder zijn eigen ogen, door hem gekoesterd en beknuffeld, omhooggestoken en gekust. Proef je niet de smaak van een kostbaar gerecht alleen al door het lezen van het recept? Nu nog de ingrediënten.

Juwelen, paarden, gedichten. 

Bereid deze  mengeling in een saus van onuitgegeven charme.  De verbaasde blikken van het slachtoffer -nu zijn eigen dochter Tyro door de concurrentie wordt opgevrijd- buig je makkelijk om  naar het woord waar hij dagelijks naar hunkert:  onderdanigheid. Niets verblindt omhoog gevallen sullen meer -eens hun verbazing is weggeëbt- dan goed gespeelde onderdanigheid. Niet overdreven, dat wekt wantrouwen, maar toegediend met het snuifje erkenning verdooft zij het restje gezond verstand waarvan het gewicht eerder al in kruimels werd uitgedrukt.

Bruiloft en twee gezonde zonen in een tijdspanne van vijf jaar als resultaat.

Maar.

Geduldig wachtend, nu en dan met de jongens alleen, spelen we krijgertje. Verhaaltjes waarin opa Salmoneus als slechterik fungeert, om te wennen aan het voorspelde lot.  Drie en vijf zijn ze, sterk voor hun leeftijd en ik herken het sluwe uit mijn eigen kindertijd: onophoudelijk zeuren of goed gespeelde verdrietjes of mokkend zwijgen tot hun moeder  ze met lekkers omkoopt, betaling voor een avondje rustig televisie-kijken. 
Soms -eens we met zijn drieën alle tijd hebben- duw ik een mes in hun handje, daarna een speelgoed-zwaardje of een kleine boog.  Maar het eindigt met verhaaltjes over slimmeriken die hun klanten bedriegen en zelf elk bedrog voortijdig ontdekken.  Uit je kleine doppen leren kijken dus. En nemen zij mij beet-al is dat lachwekkend zichtbaar- dan loop ik gewillig in hun val en onderga ik hun gemeend medelijden met die domme pa.

Maar.

Een dag uit vissen met mijn beste vriend Melops.  Wij aan de oever van de Sythas-rivier terwijl Tyro uit het paleis vertrok met de kinderen, en met wijn en een picknick-mand om ons te verrassen. 
'Sire', zei Melops, 'zegt u mij gerust dat het onbetamelijk is als ik u de vraag stel waarom u na al het grondig geruzie met uw broer Salmoneus u toch met zijn dochter Tyro bent gehuwd, terwijl -naar mijn bescheiden waarnemingen- u nog altijd een grondige hekel hebt aan hem.'


Had ik toen gefluisterd en niet in luid lachen uitgebarsten...

Want.

Zij hoorde mij lachen, wist dus waar we ons ophielden, begreep elk woord dat volgde waarin ik haar een kreng noemde, vertelde hoe zij zich aanstelde, haar gulzigheid naar bling-bling en dure jurken, maar...

Maar.

...ook het geheim verklapte dat ik het orakel van Delphi had geraadpleegd en het voorspelde dat de twee zonen die ik met haar zou krijgen haar vader zouden doden eens ze volwassen waren.  Zijn kleinkinderen die de klus opknappen en mij van elke wraak van de Erinyen zouden vrijwaren. 
 
Meesterlijk, zei Melops.  Geniaal. 

Maar.

Wilden de kinderen naar mij komen om hoog opgetild het uit te kraaien en mij daarna te overmeesteren en...

Zij de kinderen naar de bocht van de rivier sleurde.  Ja, ze hield van hem.  Dacht ze. Zij het jongste kind mee naar het water nam terwijl de oudste bij de gouvernante bleef.
 
Ja, hij was een tedere minaar.  Wist ze. Grappige mannen zijn zeldzaam.  Hun kinderen. Dacht ze.  Zijn kinderen.

'Kijk eens in het water.  Zie je de visjes?'

Knielde het kind op de oever en keek.  Legde zij haar hand in zijn nek en duwde hem onder.  Tot hij niet meer tegenspartelde en zij met de oudste daarna hetzelfde deed.

'Kijk eens in het water.  Zie je de visjes?'

Gaf daarna haar instructies aan de bevende gouvernante.  Ijzig kalm.  Kort en duidelijk.  Zoals haar vader een doodsvonnis bekrachtigde.

Hoe onwaarschijnlijk vrolijk, de laatste keer van mijn lange leven, wij 's avonds in het schemeruur onze vangst verzamelden en een bevende gouvernante ons verbaasd liet opkijken:

'Hare majesteit de koningin vraagt of u de prinsen wilt begroeten.  Ze zijn bij de rivier en wachten daar op Uwe Majesteit.  Achter de wilgen, sire.'

Achter de wilgen.  Inderdaad.  Daar waren zij. Daar lagen ze. Bleek als de opkomende maan.

Nooit was een man zo snel weer thuis.  Zij intussen veilig onderweg naar Elis, het koninkrijk van haar vader. Hij huwelijkte haar uit aan zijn broer Kretheus.  Levenslang ongelukkig was ze met hem. Maar het water waarin zij mijn kinderen verdronk zou haar blijven intrigeren. Poseidon weet waarom. 

Ontsnapte hij, mijn vreselijke broer Salmoneus, aan het voorspelde lot, dan was er blijkbaar  een hogere macht die hem genadeloos uitschakelde. De gek liet een koperen brug bouwen waarover hij met zijn nagebouwde antieke strijdwagen wilde rijden. Zeus gelijk. Achter de wagen een sliert ketels, ijzeren pannen en potten om het geluid van de donder na te bootsen.  Daar gingen weer brandende fakkels de hoogte in en bundels laserlicht om Zeus' gebliksem te imiteren.

Zeggen de vromen dat het Zeus zelf was die ingreep of bleek de kortsluiting tussen de wielen en de brug  onder hoogspanning de oorzaak? Feit was dat hij met brug en strijdwagen opvlamde en in een reusachtige steekvlam verpulverde. 

Ik besloot een groot feest te geven om zijn hemelvaart te vieren. (feestelijke muziek)
(Vervolgt)

Een andere pijn dan Valentijn, een bedenking.

Cupido aan de deur bij hevige regenval / L’ amour arrive: The story of Anacreon Jean-Léon Gérôme 1899

Het is natuurlijk nooit te laat om de wondere avonturen van een dichter die bezoek krijgt van de liefdesgod te vertellen zoals de schilder Jean-Léon Gérôme dat doet met een viertal schilderijen, maar in feite was het de vertaling van een aantal wondere gedichten van een Amerikaanse dichteres, Alicia Suskin Ostriker (1937!) die hier moesten verschijnen. Eros en dichteres even uitgesteld om je een ‘intro’ van een nog een ongeschreven toneelstuk te presenteren. Er zijn immers momenten waar de werkelijkheid het haalt op de wildste fantasieën. Laat Macbeth beginnen met drie heksen op de heide, mijn stuk-nog-zonder-naam begint bij burgers op een onbepaalde plaats waar een ‘zot’, een beroepszot of nar zich niet meer kan inhouden en de burgers vertelt wat hem hoog zit. Hij heeft het nog niet over de toekomst maar over het nog ‘warme’ verleden. Het vervolg is nog niet voor morgen, maar de intro kon niet wachten. Ga er dus gezellig bijzitten en luister naar wat hem hoog zit.

De zot:
Het zijn Albions toeters die tot over de oceaan de founding fathers’ nakomelingen onder spookverhalen bedolven. Murdochs vossenstreken worden hier te lande als nieuws bestempeld.
Op de mesthoop de verdreven haan die zijn halfgare kippen het Capitool instuurt en dan niet thuis als antwoord geeft eens de stukken zijn opgeruimd, de doden begraven, hij de kameraden met ‘ik-ken-u-niet’ in de gevangenis achterlaat en op het familiegoed zich het voorwerp van een heksenjacht durft noemen.

Een burger:
Je gaat flink te keer.

De zot:
Ik vergeet de plaatselijke clownerie van dezelfde kliek in het vroegere moederland Albion. Losgeweekt van Europa zullen ze vuurtje stook blijven spelen om degenen die achterbleven tegen elkaar op te zetten.

Een burger:
Je bent goed op dreef.

De zot:
Als zot krijg ik daar subsidies voor. Die ik feestelijk heb geweigerd. Kost en inwoon daar hou ik het bij.

Een burger:
En zo zeker van je zaak.

De zot:
De zot, steeds de laatste op het schavot.

Een burger:
Heel patriotisch klinkt dat niet.

De zot:
Ik ben eerder een ma-triot, voorstander om er nu nog een groep founding mothers bij te voegen, een beetje gezond evenwicht, al kan zo’n mélange ook voor vuurwerk zorgen.

Een burger:
De geschiedenis is de geschiedenis.

De zot:
Geen enkele geschiedenis bevriest zichzelf. Ze wemelt als een kind, zoekt zich een weg als een kleuter, speelt als een schoolkind, doet moeilijk als een puber, verbindt zich als jonge lovers, bedenkt zich als mensen na de scheiding, verheugt zich bij nieuwkomelingen, verbrandt zich in de verhalen van oudstrijders en overleeft elke burger in de nakomenden. U merkt dat het lyrische ook bij zotten een onderkomen vindt.

Een burger:
De politiek wacht op jou.

De zot:
Wij horen bij de rand, waarde. Niet dadelijk het schavot, zoals ik al zei, al vertelt de geschiedenis andere verhalen: denk maar aan de dappere kinderen van de Witte Roos toen heer Hitler met zijn show aan bod was, maar meestal zijn we nog lenig genoeg om de dans te ontspringen of om een tijdje patience te spelen in een kleine ruimte. Tijd om te beginnen. Bij gebrek aan heksen was een zot een goedkopere oplossing. U hoort nog van mij. Kijk eerst naar hoe het zo ver is kunnen komen, een vermakelijk bedrijf al mag u zich niet te veel generen. Het begint bij de zoon van een krantenboer.

Is het de juiste persoon om mee te beginnen, of moet hij een eind verder in de geschiedenis gaan zoeken? Geef hem de tijd. En natuurlijk is het allemaal niet echt gebeurd. Of toch? En hoe is het zo ver kunnen komen? Heeft de auteur te veel fantasie of hoort hij vreemde geluiden zoals marsjerende laarzen, het laden van wapens? Het ophalen van mensen. Stel dat het allemaal grappig bedoeld was, gewoon om ons bang te maken? En kun je ook digitaal aan storytelling doen? Jazeker. Van een idee een verhaal maken. Van een verhaal…Er zijn dames en heren die er aardig in beslagen zijn. Laten we maar even terug naar deze Valentijn-extra gaan. Vertel elkaar. En laten we eerst op zoek gaan naar het waarom, al kan dat ook in allerlei literaire en andere kunstzinnige vormen. Tromgeroffel. Hoor je je achterkleinkinderen zeggen: ‘Dat hebben mijn overgrootouders echt meegemaakt!’? Spannend?

     Tomorrow, and tomorrow, and tomorrow
              — Macbeth, Act 5 Scene 5      
Art by Margaret C. Cook from a rare 1913 edition of Whitman’s Leaves of Grass. (Available as a print.)

POEZEN EN MUSSEN

musje

Haar eigen versie van ‘jeux interdites’ toen ze vorige week het musje begroef dat de kat mee naar binnen had gebracht, een geschenk wellicht, maar eentje dat niet in de menselijke smaak viel.

Ze maakte onmiddellijk doodsbrieven en ik tikte de tekst, een wat slappere versie van de wondermooie song van Robert Long ‘Gisteren vloog ze nog.’

Met haar acht jaar stond ze voor een raadsel: de aaibaarheid van de poes, de schoonheid van het kleine (dode) musje, en voeg dat maar eens samen tot een boodschap waarin verdraagzaamheid en respect voor het kwetsbare samengingen.

Neurotische mensen houden er een navel-moraal op na, wat hen niet heeft gesmaakt is ook voor de anderen verboden.
Zelfs dat ‘niet smaken’ kan je makkelijk aangepraat worden, maar ligt aan de kern van een neurose die uitgroeit tot ‘ik ben de wereld’, ‘ik ben Jerusalem’, ‘mijn navel is de kern van het heelal’.

Zo stonden we hier ook voor de vraag hoe je en van poezen kunt houden en kunt opkomen voor het uitstervende musjes-ras.
Je kon al de katten de nek omwringen -er zijn er toch genoeg als excuus- je kon ze van belletjes voorzien zodat elke mus op tijd kon wegwezen, maar telkens kwam je voor het feit te staan dat je hoe dan ook de eigenheid, het wezen van de poes aantastte.

Je kon de musjes in gouden volières opsluiten, ze de status van ‘poezen-slachtoffer’ toekennen, maar ook hier was de uitkomst dan je een musje best een musje kon laten zijn.

Ik probeerde haar duidelijk te maken dat de poezen-identiteit en de musjes-identiteit verschillende belangen in zich hielden.
Wellicht overgeërfde, atavistische trekjes en dat we makkelijk zowel de ene als de andere identiteit konden vervalsen zodat de poes een crimineel werd en het musje een onschuldig wezentje.

vogels

Zo steken we onze vuist op naar de eksters die nesten leegrooft maar we vergeten dat uilen ook nogal vraatzuchtig zijn maar vooral ’s nachts -dus ongezien- opereren.

Je zou van de kat een staatsvijand kunnen maken als je al de anderen tot musjes kon benoemen.
Die scherpe klauwen, de felle tanden, kortom er was genoeg onder de zachte poezenhuid om haar tot ‘killer-monster’ om te toveren.

Je zou die waarheid zo ver kunnen drijven dat je alle poezen de oorlog verklaart en de musjes tot de altaren verheft.

De identiteit vernauwen noem ik dat, ze terugbrengen tot eigenschappen en niet tot een wezen.
Dat doen mensen heel vaak, legde ik haar uit.
Ze zien je niet staan als mens, maar ze evalueren je op allerlei eigenschappen zoals steeds goed geluimd, vriendelijkheid, behulpzaam, enz.

Ook in het vijandbeeld doen we dat.
We brengen de mens terug tot dat wat ons stoort, zijn huidskleur, zijn geaardheid, minder leuke momenten uit het verleden, en we vernauwen die zo sterk dat alleen nog de J op het paspoort nodig is om een vernietiging goed te praten.

Ze is nog te jong om het woord demoniseren uit te leggen, maar ze begreep heel goed wat ik bedoelde.

Te veel poezen in te weinig tuinen, en veel te weinig musjes, daar zijn mensen verantwoordelijk voor.
Dat was el een stap in de goede richting.
Nu nog erkennen dat wij tot die menselijke diersoort behoren en we weten wat ons te doen staat.

Weigeren een slachtoffer te zijn zoals de dichter Brodsky dat zo prachtig aan zijn studenten voorhield.
Al draait het heelal rond je navel, er zijn nog navels in je onmiddellijke geburen.

We besloten het musjeseten in de bomen te hangen en zo lang die kat geen vleugeltjes uitvond konden beide partijen in meer of mindere mate hun gangen gaan.