dyn003_original_607_480_jpeg_20344_7b3881b2880894d1c231b7c6d3778baa

Het lijkt een heel gewoon tafereeltje, dit spelletje schaak.
Maar het is over de hele lijn ongewoon.

Eerst en vooral werd het geschilderd door een vrouw.
Schaak spelen was een mannenzaak, vrouwen werden meestal bij het spinet afgebeeld.

Lorenzo Lotto had ook zo’n tafereel geschilderd (Zuana de la Volta), maar dat komt erg gekunsteld over terwijl hier het plezier en de natuurlijkheid de bovenhand haalt.
En dat in de tweede helft van de zestiende eeuw.

Was het al moeilijk om als vrouw te schilderen, de naam die je van je familie meekreeg zal er zeker ook toe doen om je in het collectieve geheugen op te slaan, en ik moet toegeven dat je P.P. Rubens sneller memoriseert dan SOFONISBA ANGUISSOLA.

Haar vader was een senator uit Cremona, een man die van de kunst hield en zijn kinderen opvoedde naar de beginselen van Il Cortegiano, een geschrift van Castiglione Baldassare waarin een lans werd gebroken voor de plaats van de kunst in de educatie van dames van stand.

Zijn voornaam Amilcare is net zoals de voornaam van de kunstenares een verwijzing naar de geschiedenis van Carthago dat net zoals Cremona zich niet bij de Romeinse hegemonie neerlegde.

Sofonisba was een Carthageense prinses, en de 16de eeuwse kunstenares met die naam was de oudste van zes dochters en één zoon uit het tweede huwelijk van Amilcar.

Op dit schilderij zie je de drie zussen bij het schaken, , Minerva(rechts) en de jonge lachende Europa in het midden.
Een dienares vult de compositie aan en kijkt verbaasd hoe Lucia net de koningin van Minerva heeft genomen die van alteratie de arm opheft terwijl je de jongste hoort lachen.

Je merkt goed de Vlaamse invloed op dit doek.
Het landschap op de achtergrond, het sfumato waarin het tafereel zich baadt, de kleuren, de Vlaamse meesters zijn niet ver weg, en ook Corregio niet, schilder naar wiens werk Sofonisba’ s leermeesters vaak verwezen.

dyn003_original_246_320_jpeg_20344_b863ef447a022c539a87fb20a0594bbb

De vader met zijn enige zoon Asdrubal en dochter Minerva poseren ongedwongen op het doek aan de rechterkant.
Verbonden met het Lombardische, onafhankelijk van Rome, toch stralen de personages niet dadelijk een soort stoer nationalisme uit.
Het is een erg teder werk.
De imponerende vader in het zwart kijkt niet streng, eerder begrijpend.
Hij heeft zijn arm om het jongetje dat op zijn beurt teder zijn handje in de vaderlijke hand legt terwijl zus Minerva naar beneden kijkt en met een hand heel vrouwelijk haar kleed subtiel omhoogtrekt.

Van heldere krachtige kleuren op de voorgrond verglijdt het doek naar het sfumato blauw in het landschap op de achtergrond.
Toch is het doek om een of andere reden niet afgeraakt.
De afhangende hand van het jongetje is niet geschilderd.
Het is een mooie compositie van mensen die innig met elkaar verbonden zijn.

dyn003_original_396_490_jpeg_20344_05f05ff37fda41ea5f1dd6b7babfb8ef

Hiernaast zie je één van haar talrijke zelfportretten.
Die werden niet uit vrouwelijke ijdelheid gemaakt, maar er zijn brieven van haar vader bewaard waarin hij haar dringend vraagt een ‘schilderij’ van haarzelf te maken zodat hij weet hoe zij het stelt.

Want deze jonge vrouw die naast latijn ook notities van muziek en andere geesteswetenschappen had meegekregen werd ontboden aan het hof van Filips II te Madrid waar ze dertien jaar verbleef en als portretiste werkzaam was.
Helaas zijn werken uit die tijd verloren gegaan, met uitzondering van dit zelfportret.

In Spanje zou ze een Siciliaanse edelman huwen, Fabrizio de Moncada, (1570) en reisde met hem naar Palermo waar het paar zich wou vestigen.
het huwelijk duurde slechts drie jaar want toen de edelman een zeereis ondernam om hulp van Filips II in te roepen, zonk zijn schip.
Het leven is inderdaad een roman want enkele jaren later werd Sofonisba verliefd op een kapitein van het schip waarmee ze op reis was en zonder toelating te vragen aan Filips II en haar vader trouwde ze met hem.
‘Huwelijken worden in de hemel gesloten en niet op aarde,’ was haar antwoord op de bezwaren die beiden maakten.

dyn003_original_317_410_jpeg_20344_0ceb3b93f02bca6745da3f2f22b4dd16

In 1624 ontmoette Van Dijck haar in Palermo en al was ze toen erg oud en vrijwel blind, hij schreef over haar:

‘Avendo ancora la memoria et il cervello prontissimo’

Nog sterk van geheugen en helder van geest dus.
En dat bleef ze tot ze in 1625 meer dan negentig jaar oud in diezelfde stad stierf.

Haar werk werd vaak met dat van Titiaan verwisseld en tal van doeken zijn pas later aan haar persoon toegewezen.
Mijn Amerikaanse bronnen kunnen haar niet als ‘grote’ kunstenares erkennen terwijl mijn Spaanse geschriften haar wel degelijk als een van de grootste Rennaissance portretisten zien.
Ook haar zus Lucia schilderde in dezelfde warme tonen en met veel aandacht voor details.

Vasari schreef in zijn Vita over het werk met de schaakspeelsters, werk dat hij met eigen ogen had gezien.
‘Ik kan er niet genoeg van krijgen. Elk ogenblik denk ik dat de personages beginnen te spreken.’

Maar laten we eerlijk zijn.
Wie van ons kreeg tijdens zijn/haar opleiding over deze bijzondere vrouwen te horen?
Er waren trouwens voorbeelden uit eigen streek, en dan denk ik aan Levina Teerlinc(1520-1576) en Caterina van Hemesen (1528-1587) en later Clara Peeters.(1594-1657)

Hun ‘onzichtbaarheid’ zegt alles over degenen die zich op de voorgrond plaatsten en meestal neerkeken op hun collegae die met naad en draad werden verondersteld ‘constig’ te zijn.

Amilcar kende Michelangelo.
En het was deze grote kunstenaar die beide zussen aanmoedigde en van Sofonisba een tekening van een jongetje vroeg, waarop zij hem een schets van een kleuter stuurde die door een krab werd gebeten.

Praten doen ze nog altijd.

Goede zusters, kijk naar de schaakspeelsters en lees ons de les met de tederheid die jullie eigen is.