Boos-aardig, een kortverhaal

Er was eens een jongetje dat altijd aardig en slim moest zijn. 
Bij zijn geboorte bleek het -volgens zijn moeder — de mooiste baby ter wereld. Toen hij zes maanden werd, kon hij al woorden met twee lettergrepen uitspreken. 
Daarna leerde zijn vader hem piano spelen en op zijn derde verjaardag kon hij een Grieks en een Latijns versje opzeggen en vertalen. 
Dat ging natuurlijk niet vanzelf. Werner werd door zijn ouders en een schare uitgelezen opvoeders getraind. Vanaf zijn eerste jaar kreeg hij een vaste dagindeling. 
‘We moeten hem tot het aardigste kind ter wereld opvoeden,’ zei zijn moeder. 
’Karakter moet hij hebben!’ meende zijn vader.
’Als je aardig bent, kom je overal.’
Het wonderkind Werner werd dus niet alleen getraind in taal en rekenen, maar hij kreeg een harde opleiding om eens de aardigste mens van deze aardbol te kunnen zijn. 
Hij leerde zitten met rechte rug, het juiste handje gebruiken om iets aan te geven of aan te nemen, met twee woorden spreken, buiginkjes maken, de deur openhouden, zijn plaats in de bus afstaan, glimlachen, ook als hij razende tandpijn had, en ga zo maar door. 
Het is dus te begrijpen dat Werner overal over zijn bol werd geaaid. De volwassenen waren dol op hem. 
Zijn vriendjes en vriendinnetjes haatten hem. 
‘Die leeftijdsgenootjes zijn zo dom!’ troostte zijn moeder hem toen hij met een blauw oog thuiskwam. 
']e moet terugslaan!' zei zijn vader. ’Ik zal je karate leren.’
Dus leerde Werner naast driehoeksmeetkunde en filosofie ook nog karate. ’Blijven glimlachen, jongen,’ zei zijn moeder. ’Blijven glimlachen, ook als je iemand een dreun op zijn neus verkoopt. Dat is fair-play. Daar kom je ver mee. 
’En Werner sloeg zijn vriendjes glimlachend een bloedneus en bood hen daarna ook nog een zakdoek en een reep chocolade aan. 
O, Wat kon hij toch fijntjes glimlachen, die Werner. 
Als hij het oude dametje de drukke straat over hielp en het vrouwtje dan tussen de toeterende auto’s liet staan, dan glimlachte hij. Ja, hij wuifde zelfs naar het doodsbange oudje. En als hij een stuk taart voor zijn lerares kocht, en hij voor de hele klas geprezen werd als modelkind van het jaar, wat glimlachte hij dan naar Jan met zijn flaporen, naar Grietje met twee vaders, naar Ronald die stotterde en naar Fientje die altijd wegdroomde in de rekenles. Hij bleef zelfs glimlachen als hij roddelde over Marietje die weer een ander vriendje had, als hij kwaad vertelde over de concierge die al in de gevangenis had gezeten, als hij, heel terloops, iets losliet over een geheim dat Greet hem had toevertrouwd. Hij bleef glimlachen, die Werner.

Hij haalde hoge cijfers, want een knappe jongen was hij wel. Het verbaasde dan ook niemand dat hij naar de universiteit ging en er vier jaar later afstudeerde met de grootste onderscheiding. 
Natuurlijk had hij ook daar geglimlacht toen hij die verlegen jongen vreselijke verhalen over de examens en de professoren had verteld. 
Hij bleef glimlachen toen hij zijn vriendinnetje na twee dagen weer afdankte omdat ze ook een eigen mening had. Hij bleef heel vriendelijk lachen toen hij zijn medestudenten in een berghok opsloot zodat ze hun examens misten en in september moesten terugkomen. Hij bleef glimlachen toen hij een dreigbrief schreef naar zijn voornaamste concurrent. 
Hij werd de aardigste ingenieur die je je kon voorstellen, en het verbaasde niemand dat hij weldra burgemeester werd en hij het tenslotte tot president bracht. 
’Zo’n aardige man!’ zei iedereen die hem ontmoette.
Glimlachend begon hij dan ook aan de derde wereld-oorlog.
illustratie Kristien Aertssen

Verhalen vertellen: ‘de hemelspanners’

Denkbeeldige maar zeer aanwezige voorouders waren in de slapeloze uren dankbare vertellers.
Zo ook, de Scandinavische die mij in de vroege voorzomernachten over ‘de hemelspanners’ onderhield.

‘Ja, nu je al aardig op de drempel van de lange droomnachten bent aangeland, wordt het tijd om je over de hemelspanners te vertellen.
Aan iedere kant van de horizon wordt het uitspansel strak aangetrokken. Elke nacht verdwijnen daardoor de ouderdomsrimpels van de luchten.

Het denkbeeldige wordt te vlug als fantasie weggezet. Nochthans opent zich in dat denkbeeldige de vaak vergeten werkelijkheid van oude droomtijden.
Jeugdigen moeten helaas hun ankers uitgooien in het ongewisse van het toekomstige terwijl een van de weinige voordelen van de ouderdom de verhalen uit de droomtijden van de voorouders opent.
Het zijn, in tegenstelling met wat vaak geponeerd wordt, geen archaïsche mythen en sagen al is hun verwantschap ermee niet te ontkennen.
Het blijven denkbeelden die op vergeten werelden steunen maar juist door hun onderlagen het schrijnende van de directe actualiteit mogen missen, al zijn ze in deze vreemde pandemische tijden ontstaan.

Foto door Ralph David op Pexels.com

‘Aan iedere kant van de horizon wordt het uitspansel strak aangetrokken. Daardoor verdwijnen ’s nachts de ouderdomsrimpels van de luchten.
Tarik aan de ene en Arvid aan de andere kant van de horizon beheerden ieder een torenhoge windmolen met reusachtige wieken. Bij een sterke bries werd via een wonderlijk mechanisme een reeks oerstevige mansdikke touwen langzaam strakgetrokken zodat de wat ingezakte luchten zich beetje bij beetje ontdeden van hun helaas steeds wederkerende ouderdomsrimpels. Bij het eerste zonlicht bliezen Tarik en Arvid op een kunstig bewerkte hoorn zodat de dag zich rimpelloos kon ontvouwen.’

Foto door icon0.com op Pexels.com

Hier keek de Scandinavische het publiek zwijgend aan alsof ze wachtte tot de aandachtige luisteraars bij het vuur het getoeter in de beginnende dag hoorden uitsterven.
Nikolina zuchtte van ongeduld en riep; ‘Vertellen, mormor!’
‘Dat was het probleem, Nikolina! Het reusachtige probleem van Tarik en Arvid. Geduld.’

Ingewijden beseften dat mormor Lovisa dringend op zoek was naar een ongewone wending waarmee het bekende verhaal een ongewone draai kon krijgen zodat de insiders de wenkbrauwen zouden fronsen en net zo nieuwsgierig werden als de kleinsten die voor de eerste maal met ‘de hemelspanners’ kennis maakten.

Foto door James Wheeler op Pexels.com

‘Wat als er geen wind was, of de nachtelijke zuidwester te weinig kracht had om de reusachtige wieken van de torenhoge molens in beweging te zetten?’
Hilma sloeg haar handen voor haar anders druk taterend mondje en Kalle zette zijn altijd rode wangen bol om assistentie te verlenen.
‘Inderdaad, Kalle! Dat was het. Het hele dorp dat rond de windmolen woonde, zo’n tien-, wat zeg ik zo’n twintigduizend mensen van alle leeftijden hoorden het noodsignaal van Tarik en Arvid en begonnen van op de daken, straten en pleinen met alle macht richting molen te blazen!’
‘Oei!’ riep Knut die zich duidelijk het woord ‘ongeduld’ herinnerde.
‘Jaja, zeker “oei” want met een beetje geduld was de opkomende bries stevig genoeg geworden om zonder enige menselijke hulp de touwen strak te spannen en de hemel zonder één rimpeltje glad en rimpelloos de morgen in te hijsen.’
‘En nu…?’ zag Britta de ramp gebeuren nog voor mormor haar angstige voorgevoelens kon bevestigen.
‘Nu gebeurde bijna wat er gebeurt als je te weinig geduld hebt!’
Edvind scheurde een denkbeeldig zeil met een luid ‘kkkrrr’ in twee.
‘Stel je voor dat je ’s morgens naar buiten kijkt en er een reusachtig gat in de lucht hangt.’
‘Dan kon je nog bij volle dag de maan en de sterren zien,’ riep Elise.
‘Eén keer is dat echt gebeurd. Een gat in de lucht. Gelukkig nog voor het morgen werd.’
‘Neen!’
‘Ja, Britta. Maar gelukkig waren er net die nacht nog genoeg ‘getelde schapen’ wakker.’
De Scandinavische keek even triomfantelijk rond. Ze was waar ze wilde zijn.
‘Getelde schapen? Weet iemand wat “getelde schapen” zijn?
Knut dacht aan schapen waarop de boer een getal had geschilderd, dat had hij wel eens gezien, dacht hij.
‘Wat doen mensen als ze niet kunnen slapen?’
Het bleef even stil. Je hoorde het publiek bijna luidop denken.
‘Dan tel je schaapjes!’ riep Kalle.
‘Inderdaad, dan tel je schapen! Je laat schaapjes over een hek springen en je telt: één, twee, tien, dertig. Tot je slaapt. Dat zijn ‘getelde schapen’, en die hebben een zeer speciale wol. Wol die hemelgaten dicht. Sommige nachten zijn er maar enkele getelde schapen, andere nachten ligt iedereen wakker en worden er wel duizenden geteld.’
‘En net die nacht…?’
‘Ja, Elise, net die nacht telde de halve wereld schapen. Dat had twee voordelen. ’s Morgens oversliep de helft van de mensen zich en er was een overschot aan speciale stikwol.’ Eens de late slapers zich de ogen hadden uitgewreven zagen ze zoals elke morgen een keurig gespannen lucht. Arvid en Tarik leerden wel geduldiger zijn, maar op een nacht…Dat is voor een ander keer.’

Foto door Skitterphoto op Pexels.com

Schapen tellen lukte mij niet meer, maar de hemelspanners’, ieder aan hun kant van de horizon verbeelden en ze door de Scandinavische tot leven laten komen bleek een uitstekend midddel tegen slapeloosheid, zeker als je ’s morgens wakker werd bij een velletje papier waarop de eerste zinnen waarmee dit verhaal begon. Zelf ben ik al een farfar (grootvader) geworden, en dan is het je plicht een verteller te zijn. De wereld is één groot oor.

Foto door Pixabay op Pexels.com

Je bent wie je bent, een sprookje

tekening: Josie Kodomo

Net voor je gaat slapen is een sprookje lezen bijzonder rustgevend. Voorlezen kan ook. Wil je in de herinneringen van je dierbaren hoge ogen gooien? Dan wordt het ‘acteren’! Hier kun je vijf personages spelen:

de Prins: Hij bedoelt het goed, dat is duidelijk. Hij is niet wat hij wil zijn, een kerel. Goedgelovig, dat wel.
de Prinses: Is nog duidelijk niet aan ‘me-too’ toegekomen. Genderproblematiek? Brutaal bekje.
een Tovenaar: Toveren op aanvraag is er niet bij. Voor wat, hoort wat.
een Buitenmeisje: Recht voor het raapje maar best aardig. Consequent.
een Verteller: Vertelt het verhaal waar de anderen zwijgen. Kan zelfs een droevig liedje zingen. Troost de luisteraars en bespreekt wat de Prins na het verhaaltje gaat doen, liefst in samenspraak met het publiek.

Waarschuwing: dit verhaaltje eindigt vrij droevig of kan alzo geïnterpreteerd worden. Het kan nodig zijn er een leuk vervolg aan te breien om de nachtrust van de luisteraar(s) niet te schaden. En ja, dansen is best ok. ook voor stoere kerels!

Er is ook een zedenles maar die is zeker in twijfel te trekken.
Benodigdheden: Met enkele leuke hoofddeksels kom je al heel ver.
Leeftijd: 0-111 jaar.

tekening Kristien Aertssen

de tekst:

‘Zo was er eens een prins en een prinses en die prins hield heel veel van de prinses. Hij wilde altijd heel dicht bij haar zijn.
’Lieve zoete prinses. Ik hou van jou.’
’Hmm. Dat zeggen ze allemaal.’
’Echt waar, hoor. Ik zou altijd bij jou willen zijn. Dag en nacht.’
‘En dan? Wat zou je dan willen?’
‘Hoe dan? Wat dan? Gewoon bij jou willen zijn, omdat ik van je hou.’
‘En dan?’
’Niets en dan! Als je van iemand houdt dan wil je d’r gewoon bij zijn. Kusjes geven, en strelen, en lief zijn, koffie zetten, brood smeren. . .’
‘Wat vervelend, zeg. Weet je niets beters te verzinnen?’
‘Is liefde dan niet goed genoeg?’
De prinses keek hem hooghartig aan.
’Liefde? Wat jij liefde noemt! Ben je sterk?’
’Sterk? Neen, dat ben ik niet. Maar ik kan heel goed zingen. Luister.’
En de prins zong een heel mooi droevig liedje.
‘Noem jij dat zingen! Verschrikkelijk. Kun je vechten? Ben je nooit bang? Kun je in de dakgoot van een hoog huis lopen? En zou je in één bed met een tijger durven slapen? ]a? Dàn ben je een kerel!’
De prins zuchtte diep.
‘Ik ben wel bang. Als ik op de derde trede van een laddertje sta, krijg ik al kippevel. En met een tijger in één bed slapen? Ik mag er niet aan denken. ]e moet wel gek zijn om zoiets te doen.’
‘Dat noem ik ‘stoer’, prins. Mannen die niet stoer zijn, noem ik geen mannen.’
’Maar ik kan met mijn oren bewegen, kijk.’
‘Daar kun je vliegen mee op de vlucht jagen, stommerd.’
‘Ik kan ook heel mooi dansen. Voilà!’
En de prins danste een menuet.
’Dansen! Dat is toch niets voor stoere bonken, echte kerels?’
’Ik vind dansen leuk, jij blijkbaar niet. Hou je niet van mij?’
’Als je sterk en stoer wordt, dan zullen we nog zien.’
De prins was heel droevig. ‘
‘Kan iemand mij leren vechten? Weet iemand wat je moet doen om nooit bang te zijn? En hoe moet ik in de dakgoot van een heel hoog huis leren lopen en in één bed slapen met een tijger?’
Er verscheen een tovenaar en die zei:
’Ik kan jou leren vechten. Ik kan ervoor zorgen dat je nooit meer bang bent, en dat je in de dakgoot van een heel hoog huis durft lopen en met een tijger in één bed durft slapen. Maar. Er is één maar. Dan moet jij mij ook iets geven.’
’Ik wil alles geven wat ik heb,’ riep de prins.
’Goed zo. Dan vraag ik je stem waarmee je liedjes kon zingen. Geef me ook maar je dansen. En je zult nooit meer met je oren kunnen bewegen.’
Dat vond de prins heel erg. Hij zong erg graag en danste als de beste. En als hij met zijn oren flapperde, moesten de kinderen lachen.
’Goed dan. Neem mijn stem waarmee ik liedjes zing maar mee. Pak mijn dansen maar, en maak m’n oren net zo onbeweeglijk als die van iedereen. Maar. .. maak me beresterk en nooit meer bang. Zorg ervoor dat ik in de dakgoot van een hoog huis durf lopen en dat ik zonder bibberen in één bed met een tijger durf slapen. Asjeblief.’

Dat gebeurde. De prins werd heel sterk, nooit meer bang en hij kon in de dakgoot van een hoog huis lopen, zonder gillen. En hij sliep in hetzelfde bed met een tijger alsof hij zijn hele leven al met tijgers had geslapen.
Maar zijn dansen en zingen was hij kwijt. Met zijn oren bewegen kon hij ook niet meer.
Maar hij dacht:
’Ach wat! Nu zal de prinses van me houden.’
Hij reisde naar haar kasteel en zag dat ze vertrokken was. Weg. Met een andere man. Die knul die nog sterker was dan hij, nog minder bang en niet alleen in dakgoten liep hij maar ook op de nok van de hoogste daken was hij thuis. En hij sliep niet alleen met tijgers, maar ook met beren en slangen.
De prins huilde.
’Waar ben je nu? Ik heb mijn zingen en dansen weggegeven, en kijk, m’n oren staan vast aan mijn hoofd.’
Maar ze bleef weg.
Toen kwam er een meisje langs dat op het platteland woonde. Ze was wel geen prinses maar ze zag er heel aardig uit. En de prins werd verliefd op haar.
‘O lieve meid. Ik hou zo van jou. Ik ben heel sterk en nooit bang. En ik durf in dakgoten van hoge huizen lopen en met een tijger slapen in één bed. Wel?’
Het meisje keek hem hoofdschuddend aan.
‘Och, weer zo’n blaaskaak die denkt dat hij superman is. lk voel niks voor stoere binken. Ik vind je wel knap. Maar kun je zingen, of dansen of met je oren flapperen? Dat zou ik prachtig vinden.’
’Neen, dat kan ik niet meer.’
’]ammer. Dan ben je niet de man die ik zoek. Dag.’
‘Dag,’ zei de prins.’

tekening: Carson Ellis

Hulpvragen als post-teaching:

-Zal hij zijn intussen getemde tijger op het buitenmeisje en de prinses afsturen?
-Wordt hij misschien niet gelukkig maar toch rijk als ceo van een firma dakwerken?
-Sluit de prinses vriendschap met het buitenmeisje en…
-Krijgt de tovenaar spijt en verlangt hij harde valuta om de prins zijn vroegere eigenschappen terug te geven?
-Komt er een protestactie van Gaia? Leg uit.
-Wat met de mensenlijke wezens die en van dansen en van hoge daken houden?
(Juist: The Flying….T…advertentie)