Een slot-verhaal uit het boek ‘Triangel’

Marc Chagall: Sarah and the Angels lithografie Verve Bible
Hannah, Bram en Michiel zijn zestien, zeventien jaar als ze bij het zien van een jonge engel met nepvleugels op de nok van het kerkschip letterlijk en figuurlijk tegen elkaar opbotsen. Ze gaan op zoek naar de engel en komen bij zichzelf en bij elkaar uit.
 Midden in die driehoek stond hij, Elias, de verhalen-verteller..
 Was hij er echt of is hij het symbool van hun voorbije kinder- en jeugdjaren?
 Na zijn verdwijnen schrijft iedere bewoner van de triangel een verhaal voor hem, met in zijn, haar herinnering het beeld van de ruimtereis die hij is begonnen.  Eén van die verhalen vertel ik hier, ter nagedachtenis van zovelen die voor ons naar de overkant van het bestaan zijn afgereisd en tijdens deze dagen intens herinnerd worden.

Met grote radiotelescopen beluisteren we de sterren en planeten. Geruis, geknetter, ver gesis. Op zoek naar een boodschap.
Als je niet te snel reist, kom je als Alexander of Mercator in onze geschiedenisboeken terecht. Met ietsje meer gas, vinden we je terug in het dal der koningen. Piramiden proberen je kortstondig verblijf te bevriezen. Nog sneller, en je bent een jongetje uit de grote Afrikaanse vlakten.
Natuurlijk wil je nog verder.
Net na de eerste tuin van Eden land je in de uitgebrande tuin. De engel met het vlammende zwaard stak de boel in de fik.
Er is een overvloed aan houtskool zo te zien.
Onder een apebroodboom zit God.
Als je je capsule wilt verlaten, waarschuwt hij je voor de glassplinters.
‘Heeft u tijd voor mij?’ vraag je eerbiedig.
God kijkt niet op. Voor hem ligt een palmblad dat hij tot papier heeft gerecycleerd. Daarop tekent hij een plan voor de tweede tuin.
‘Of U tijd voor mij heeft?’
God legt zijn staafje houtskool neer, opent zijn armen zodat je beseft dat aankomst en vertrek door zijn oneindige zachtheid worden uitgewist . Bij Hem is er plaats, want God is leegte zodat Hij van alles en iedereen die tot Hem komt, vervuld kan zijn.
‘Heb je nog tijd nodig? Ik dacht dat je genoeg tijd hebt gehad.’
Pas op, neem dat niet te letterlijk. God houdt van humor. Hij vindt zichzelf niet zo geweldig. Hij heeft er alles aan gedaan om een barmhartige en zachte God te zijn, en kijk maar eens aan wat zijn schepsels van Hem hebben gemaakt.
De koning. De heerser. De krijgsheer. De Wreker. Superman. Gott sei mit uns. Dieu le veut.
Gewoon nog maar het feit dat vrijwel niemand (zelfs ik niet) Hem ooit als vrouw heeft voorgesteld zegt al genoeg van zijn creaties.
Geef toe, als dat het resultaat is van een Goddelijke carrière, dan is een beetje zelfspot wel op zijn plaats.
‘Omdat het mijn tijd was, vraag ik nu een beetje van uw tijd.’

.Kijk, dat is nu een van Gods geheimen. Hij heeft zijn tijd en de schepsels kregen hun tijd. Ze mochten met die tijd doen wat ze wilden. Al wist hij dat ze hun tijd zouden verprutsen, dat ze altijd tijd te kort hadden, dat ze er geld mee zouden verdienen (time is money!) er theorieën mee zouden uitvinden over het verband tussen tijd en ruimte, het kon allemaal, want God houdt van vrijheid. Dat is een hoge vorm van liefde.
‘Ik heb alle tijd voor jou,’ zegt God. Zullen we samen de nieuwe tuin bekijken?’
Je zit op zijn schommelschoot (God is het enige schepsel met een schommelschoot) en je voelt je helemaal thuis.
Hij laat je de prachtige wouden zien, grote waterpartijen, warmwaterbronnen, met sneeuw bedekte bergen en liefelijke dalen. Voor alle schepsels, groot en klein, zal er plaats zijn. Voor de vlinders en de dinosaurussen, voor de fruitvliegjes en de koningsarenden.
Wie op Gods schoot zit, is letterlijk en figuurlijk Gods pupil. De lieveling en het mooiste deel van het oog.
Iemands pupil zijn, is een groot voorrecht . Je bent iemand zo lief dat je langs zijn ogen mag kijken.
Het is een prachtig panorama waarin je tegelijkertijd heel ver en diep kunt waarnemen.
‘Waarom die tuin ontwerpen, als je weet dat de mensen hem zullen verwoesten? De meteoriet kan ik nog tegenhouden, maar zelfs dan vrees ik dat ze de dinosaurussen zullen onderwerpen, dat ze hen als wapen zullen inzetten, hun vlees zullen verhandelen.. De diepe wouden zullen ze kappen. Bij de kampvuren hoor je hen roddelen op zoek naar zondebokken.’
‘Ik respecteer de vrijheid van mijn schepsels. Ik ben tenslotte geen dictator van het goede. ‘
‘Maar waarom dan die nieuwe tuin?’
‘Het is een beetje een cliché, maar ik geloof dat hij er ooit zal komen. Ze hebben groene vingers, maar hun ziel is nog te wit van de schrik. Schrik omdat ze denken dat ze maar tijdelijk zijn terwijl ze in feite in de tijd leven, in de eeuwen der eeuwen.’
‘Maar ik kan misschien de tijd verdrijven, de tijd doden?’
‘Wie verhalen vertelt, verdrijft de tijd, dat is juist. Je maakt de droomtijd weer wakker. Nu weten de mensen met hun tijd geen raad. Maar als de vertellers terugkomen, kun je de dwingende tijd verdrijven. Vertellers echter leven ook in de tijd. Ze delen het lot van de tijdelijken. Zou je toch niet beter hier blijven? God heeft immers de tijd aan zichzelf.’
‘Als ik de meteoriet kan uitschakelen, wat gebeurt er dan?’
‘Dan is het al het voorbije slechts een droom geweest en ben ik bereid aan een tweede droomtijd te beginnen.’
‘Maar ik heb Hannah, Michiel en Bram gekend. Worden ze dan een droom? ‘
‘Je zou ook terug naar hun tijd kunnen. Je boordraketten vervangen door vuurpijlen die de nieuwjaarsnachten verlichten, een lichtende troost voor de tijd die steeds maar verder gaat. Ze zullen jou niet dadelijk herkennen, maar je verhalen mengen zich met hun verhalen, en als je lang genoeg blijft vertellen, wordt de tuin zichtbaar. De tuin van de toekomst. Maar je mag ook hier blijven, als engel met echte vleugels in mijn tijdloze licht.’

Wat je ook zult doen, wij zullen over jou vertellen. Telkens weer zal je leven oplichten als een staartster boven de donkere hemel.
We zullen blijven spelen.
Of je voor het zalige licht kiest, of je in de tweede tuin zult leven of terugkeert voor een nieuw leven als aardse verteller, wij verlaten je niet.
Misschien word je een van onze kinderen. We zullen je herkennen.
Intussen probeer ik met mijn piano en cello je portret te tekenen.

het triangulumstelsel Peter Nagy
Het boek Triangel, documenten bij een afscheid, vind je bovenaan dit blog. De mooiste fragmenten uit vroegere verhalen, hoorspelen en poëzie zijn er in verwerkt. De documenten samen vormen een verhaal dat mij lief is. Je kunt het makkelijk lezen op een tablet.  

De vriend van Federico

De bijna lijfelijk-voelbare veranderingen wanneer je vanuit het heideweggetje het dennenbos inloopt.
Niet te vlug stilstaan, -je moet diep genoeg tussen de lage zwiepende takken- (bukken en rugwaarts eventjes achteruit en dan frontaal verder.) liefst met het hoofd naar beneden zodat je de dikke laag gebruinde naalden onder je voeten ziet, hoort kraken en voelt veren en je -ver genoeg- even je ogen sluit en de vochtigheid van de voorbije morgen, met ondertonen van hars en nat hout kunt rieken en dan -in het schemerdonker- op je rug gaat liggen, en in die houding traagjes je ogen opent.

Dat was de grote bomenwieg.
Gebogen om naar jou te kijken, dacht je als jongetje (handig de rollen van observator doorgeschoven naar de wiegende dennenkruinen, ja.)
‘Wat ligt daar?’
‘Een van het paard getuimelde ridder, heren en dames Dennenboom, maar hij zal zich wreken!’

Denk nu niet dat hij als een vroegrijp overgevoelig zwalpend jongetje het spreekwoordelijke bos invluchtte.
De bende volgde.
‘Wie vond de beste geheime plaats waar de schat kon verborgen worden?’

Maar de jonge ridder keerde later terug naar de plaats waar hij in de bomenwieg had gelegen.
De ontroering die hij voor de collegae-ridders en jonkvrouwen had verborgen kon nu vleugels uit de hoge luchten laten vallen en wie steeg zo dadelijk tot hoog boven het Kempisch bos en verwonderde zich over de kromming van de aarde onder hem?
Wie zou er naar Herentals kunnen vliegen, eventjes bij Nonkel Jos aan het raam tikken en nog voor het donker weer landen in de boomgaard achter de villa?

De schat, twee grote chromo’s uit de serie wielerhelden van Dr. Mann waarop Fred de Buyne en Stan Ockers en een gekreukte kleinere met Federico Bahamontes, de adelaar van Toledo, als toegift.

Bobet won de tour van 1954, Fred De Bruyne de 8ste, 13de en 22ste etappe, Stan Ockers de elfde. Federico Bahamontes won het bergklassement. Hij was een bangerik in het dalen, vertelde nonkel Lowie. Hij liet zich na een solo op de top inlopen om met het peloton aan een stijle afdaling te beginnen, net zoals de jonge ridder telkens hij van de Galgenberg kwam gereden en tot aan de Holleweg duizend angsten uitstond.
‘Bahamontes,’ zei hij als hij zijn fiets in de schuur zette, Federico, we zullen samen nooit meer bang zijn. ‘
Met wie hij aan het praten was wilde zijn moeder weten.
‘Met mezelf, ma.’
En of hij het eens was met zichzelf?
Hij knikte, glimlachte en wuifde naar Bahamontes die graag ’s nachts een ritje maakte, goed tegen de schrik had hij gezegd net voor ze afscheid namen.

In zijn bed keek hij naar de zoldering: doorzichtig werd ze in het donker. Hij zag de bomen die hoog boven hem wiegden. Hij hoorde ze zingen en sliep dadelijk en diep. De vleugels aan een haakje boven zijn bed.
De maand augustus 1954.

Fragment uit 'De Vleugeljaren', geschriften en beelden waarin de vleugels uitslaan belangrijker is dan het bereiken van een doel. (Nog volop in voorbereiding.)
Federico Martin Bahamontes

Mensen en modellen: een verbeelde gemeenschap?

Jacques Blézot The busy man, 2016

Er was eens een zakenman die niet kon stilzitten, maar ook stilstaan of zelfs stilliggen was voor hem een moreel probleem. Toch was deze actieve eigenschap niet dadelijk waar te nemen als je bijvoorbeeld met de man van gedachten wisselde omtrent de lopende coronacrisis of het nijpend drinkwatertekort in de toekomstige samenleving. Hij luisterde aandachtig, formuleerde enkele goed onderbouwde stellingen, besloot rustig met een hoopvolle oplossing en hoopte dat het niet zo’n vaart zou lopen en dat hij had genoten van deze korte maar intensieve ontmoeting waarbij hij niet vergat de groeten voor mevrouw en kinderen in zijn slotzin onder te brengen.

Niemand echter besefte dat hij ondertussen de huidige beursstand van zijn net verworven aandelen had vergeleken met de goede raad van een deskundige collega en dat daardoor de aankoop van een nieuwe koelkast tot de mogelijkheden begon te horen waarvoor het bedrag nog in de vroege uren bij het risicokapitaal was geklasseerd. Om maar te zwijgen dat de drinkwaterdiscussie hem aan een afspraak bij de uroloog herinnerde die hij vorige week door een dringende niet vooruit geplande vergadering had moeten cancellen. Om volledig te zijn was er ook de goudprijs en de aanvraag van een studiebeurs voor zijn oudste dochter met de organisatie van het vervoer naar de voetbaltraining van zijn jongste zoon door zijn hoofd gegaan en zonder al te veel omhaal in het juiste gedachtenvakje geklaseerd nog voor hij op zijn kantoor arriveerde.

‘Training en een goed gecontroleerde ademhaling,’ antwoordde hij toen ik hem bij een etentje ontmoette waar we over opvattingen omtrent sociale huisvesting zouden praten met het oog op een gemeenteraadszitting diezelfde avond.
‘Onze tijd op aarde is beperkt, dat hoeft geen betoog als we er aan denken dat het over enkele maanden al weer eens kerst en nieuwjaar zal zijn terwijl de vorige vieringen daaromtrent niet eens zo lang geleden hebben plaats gevonden. Een goede denkhygiëne is dan ook het enige middel om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden.’
Of hij misschien wel eens wakker lag van al die drukte in zijn hoofd, het voortdurend multitasken?
‘Ik beschouw het als een sport. Dat betekent dat concentratie erg belangrijk is. Op dit ogenblik heb ik geen enkel ander idee dan de inhoud van dit gesprek. Wel voel ik een zijlijn naar een symposion over collegialiteit en vriendschap, besef ik dat er nog een meeting op me wacht over het absorberende van de kapitaal-onrust, maar ik blokkeer die zijpaden omdat ze mijn energie die ik hier nodig heb onnodig zouden verbruiken. Dat is enerzijds training maar anderzijds openstaan voor het genot van de flexibiliteit. U draagt overigens een mooie das.’

Businessman high jump pop art retro style.

Zijn wederhelft was duidelijk met de bovenstaande wijsheid in het drukke hoofd gekozen. Ze vormden samen een team in dezelfde business. Hun electronische agenda’s waren piekfijn op elkaar afgesteld en er was voldoende ruimte om samen met de kinderen leuke dingen te doen en het geruzie te laten.
‘Ruzie immers tast de energie aan, verlaagt de streefdoelen aanzienlijk.’
‘Maar slapen, tot rust komen, dat moet niet gemakkelijk zijn!’
Hij schudde zachtjes zijn goed verzorgd hoofd en keek me in de ogen.
‘De kortstondigheid van ons bestaan vraagt dat we zuinig zijn met zorgen, beste. De meeste zorgen ontstaan uit mentale slordigheid. Niet goed of genoeg gepland, niet naar juiste waarde ingeschat, of te lange rouwprocessen bij mislukkingen, ik noem maar wat.’
‘Wij zijn tenslotte maar mensen, en…’
‘Nagel op de kop. Wij zijn tenslotte maar mensen, dat is een basisbegrip in onze planning.’

Nieuwsgierig geworden naar de diepere beweegredenen van dit drukke bestaan nodigde ik hem graag uit om samen een goed glas wijn te drinken. Met de wijn kwam het gesprek op onze oenologische voorkeuren en bijgevolg ook op de plaats van al dat lekkers, de wijnkelder die in zijn woning ook nog een andere functie had vervuld.

‘Onze oude wijnkelder heeft een heerlijk lange galm. We besloten dat het leuk zou zijn opgekropte weerstanden -om frustraties een andere naam te geven- in deze ruimte geheel privé uit te schreeuwen, maar dat kwam toch eerder als teken van innerlijke zwakte over, en toen een van de kinderen geheel toevallig ongewild getuige werd van een reeks nogal brutale verwensingen aan elkaars adres hebben we ons herpakt. Het was de laatste stuiptrekking van het oude denken. Alsof de gemoedsrust een waarborg zou zijn voor betere prestaties. We hebben onszelf statistisch onderzocht: een klare definitie, een gemiddelde, de totale som gedeeld door het aantal, een kind kan de was doen, en met de mediaan te onderzoeken kom je verder dan met wat een zielefluisteraar je kan bijbrengen.
Ordenen, analyseren en interpreteren. Je zou ze boven elk kinderbed moeten hangen deze kostbare woorden. Ik heb meer van de variatiecoëfficiënt geleerd -de resultaten van verschillende onderzoeken met elkaar te vergelijken- dan wat er ons aan groepsvorming in de psychologie wordt voorgehouden. En niet bang zijn om jezelf te corrigeren, laten we dat niet vergeten. Met de standaardafwijking en de variatiecoëfficiënt kun je jezelf vrijwel niets meer wijs maken. Ik gebruik nu de eenvoudigste begrippen omdat wij een andere taal spreken: wij modelleren de werkelijkheid, dat hebben we gemeenschappelijk met onderandere de psychologie, het gaat tenslotte om het verwerken van informatie door bijvoorbeeld computersimulaties te gebruiken. Dat is niet moeilijk om te begrijpen. De werkelijkheid is beter met cijfers te vangen dan met romans of emotionele reacties.’
Tijd om het glas te heffen.

‘Maar vergis je niet, wellicht hebben we het over hetzelfde: het beheersen van diezelfde veel besproken werkelijkheid. De interactie tussen boze echtgenoten heb ik via enkele eenvoudige wiskundige modellen beter leren begrijpen dan met een goed bedoeld dieptegesprek bij de therapeut. En tussen dezelfde haakjes: in 1907 bedacht Einstein een modelsysteem waarin hij het basisidee van zijn algemene relativiteitstheorie kon uitdrukken: personen in een lift zonder ramen. Die personen kunnen geen onderscheid maken tussen een verblijf op aarde en een toestand waarin de lift in een raket gemonteerd is en waarvan de motor een versnelling genereert die gelijk is aan de zwaartekrachtsversnelling op aarde. In beide gevallen voelt de persoon een kracht in de richting van zijn voeten. Ook kan de persoon geen onderscheid maken tussen een lift in vrije val en een in een baan om de aarde. Dat model werkte hij in 1915 uit tot zijn algemene relativiteitstheorie.’
Stilte genoeg om even het glas te hervullen en te nippen.

Hij zat op een bank in zo’n ondergeschoven parkje tussen de stadskern, villawijken en de buitenwijken. Hij zag me schrijven, notities voor mijn stuk over modellen en de werkelijkheid. Sjofel zou je als bijvoegelijk naamwoord kunnen gebruiken om zijn kleding te beschrijven.
Of ik ook ‘sprookjes’ schreef voor een of andere krant?
‘Sprookjes? Neen. Integendeel. Ik probeer de werkelijkheid te begrijpen.’
Hij stak zijn wijsvinger op alsof hij in de klas zat.
‘U zit hier op een goede plaats. Op de grens.’
Hij ging rechtop staan, spreidde zijn armen, keek naar links en dan naar rechts.
‘Bedoelt meneer de werkelijkheid van die kant -de villawijken- of van die kant -de buitenwijken-?
Mijn verbazing gaf hem moed.
‘Langs die kant hebben de kinderen een grote tuin met wel eens een zwembad inbegrepen, ieder kind een computer voor het zogenaamde afstandsleren en misschien ook een tweede verblijf aan zee of in de ardennen. Aan de andere kant…’
Hij wees naar een van de grote woonblokken en zweeg zodat ik ruim de tijd tot invullen kreeg.
‘Over die kant -de welstellenden- krijgen we geregeld nieuws te horen en weten we via allerlei programma’s zoals ‘huizenjacht ‘of’ blind gekocht’ hoe het eraan toe gaat, wat ze hebben en nog niet hebben, maar van die kant…? ’t Is maar dat u het weet, nietwaar?’
Hij salueerde en liep richting woonblok.

Een sprookje?
Zouden de computersimulaties van mijn drukke zakenman het al eens een keertje over ‘dat’ deel van de stad hebben gehad? Of was de stad van de modellen inderdaad een ‘imagined community’ zoals Benedict Anderson het samenleven benoemde. Een verbeelde gemeenschap die we met zijn allen kennen en herkennen?
Of is dat ene deel van de stad niet zo geschikt voor computermodellen?
We zijn tenslotte maar mensen.

Met dank voor het artikel van Eric Corijn, 18 mei 2020 ‘Het scheefgetrokken beeld van de samenleving’ in Apache/inhoud heerst en helemaal te lezen op:

The Urgency of Now by Karla Rosas and Fernando Lopez, created for ROOTS Week 2020, featuring C. Gypsi Lewis. Click here to read the artists’ statement.

‘De Flapzeil-kampioen’, een kortverhaal

Tegenwoordig is flapzeilen algemeen bekend. Tijdens de komende Olympische spelen wordt er geflapzeild naast het al overbekende bootjeszeilen. Maar dat is niet altijd zo geweest. Vroeger had er nog nooit iemand van flapzeilen gehoord. Joris Breuker bracht daar verandering in.
Joris was een heel gewone jongen van bijna twaalf jaar. Alleen zijn oren waren niet zo gewoon. Die stonden een aardig eindje van zijn hoofd af, zodat hij al vlug, bijna dagelijks, de scheldnaam ’flapoor’ te horen kreeg.
Andere kinderen zouden dan bij hun begrijpende ouders gaan uithuilen, of karateles volgen, maar Joris glimlachte alleen maar en zei dan het geheimzinnige zinnetje: ‘Was het niet de wind die Columbus naar Amerika bracht?’
De scheldende partij zweeg dan even om daarna in woedend gebrul los te barsten.
Joris wierp ze een kushandje toe en verdween vrolijk fluitend naar huis.
In zijn vrije tijd kon je Joris op het strand vinden. Hij had zijn skateboard bij zich, keek van welke kant de wind kwam, en ging van start. Hij moest immers niet trappen, of een helling opzoeken! ]oris’ oren vingen de wind en verder was het een kwestie van evenwicht.
’Zo gaat hij goed!’ riep Joris.
Hij kromde zich, drukte één oor plat tegen zijn hoofd, maakte daardoor een sierlijke maar kordate draai en probeerde tegen de wind in te laveren.
Na enkele maanden zoefde hij vriendelijk knikkend de strandzeilers voorbij. Die hadden alle moeite van de wereld om hun vervaarlijk groot surfzeil rechtop te houden, terwijl Joris, de handen op de rug, zonder één schijntje zeil hen voorbijreed.
Natuurlijk was Joris niet het enigste kind van Knokke-Heist met afstaande oren. Mientje van de slager en Toon Brouwers van de postmeester durfden voortaan zonder muts naar school gaan. Ze werden Joris’ beste leerlingen, en op hun beurt brachten ze hun vriendjes en vriendinnetjes mee, van De Panne tot Knokke-Zoute.

Joris leerde hen, door dagelijkse oefeningen, hun afstaande oren rekken zodat ze nog meer wind konden vangen. Daarvoor had de jongen een apparaatje ontwikkeld dat de eenvoud zelve was. ]e klemde je oren in gewatteerde wasknijpers waaraan een touwtje vastzat dat op zijn beurt langs een katrolletje liep, en waar je steeds zwaardere gewichten aan kon hangen.
Natuurlijk moest Raymond uit Westende weer overdrijven. Hij wilde dadelijk met twee kilo beginnen. Zijn linkeroor scheurde af. Maar gelukkig gaf Fannie, een dokterskind, hem de goede raad het losgerukte lichaamsdeel in zijn mond te houden tot ze in het ziekenhuis van Oostende waren. Raymond stelt het nu weer opperbest. Hij begint met enkele grammetjes en het ziet er naar uit dat hij nog voor het seizoen aanvangt, met halveponden kan trainen.

De zomer van dat jaar bracht toeristen en journalisten naar de flapzeilers. Het duurde dan ook geen twee weken of vaders en moeders die hun oren jarenlang achter sjaals, petten of hoeden hadden verborgen, stonden nu op de rolplank en pronkten met hun flappers tot het donker werd.

Het Belgisch Olympisch comité (waarvan de toenmalige voorzitter enorme afstaande oren had) begon zich met de zaak te bemoeien, en weldra werd het flapzeilen een officieel erkende sporttak.
Joris bleef eenvoudig. Hij wilde voor bakker studeren en beschouwde het flapzeilen als een hobby.
Maar de concurrentie dwong hem zijn studie voorlopig even te vergeten. Uit Duinkerken immers begon de faam van Jean Voilé tot in Knokke-Heist door te sijpelen. Deze Jean bleek met zijn nauwelijks dertien jaar over super-flappers te beschikken. Hij had een gepensioneerd onderwijzer als trainer. Die trok Jean elke avond bijna drie uur deskundig aan zijn al overdadig afstaande oren zodat én de stand én de oppervlakte van Jeans’ oren ongeziene mogelijkheden begonnen te bieden.
’Laat je niet doen!’ riepen Joris’ vriendjes.
Ze lachten hem niet meer uit! Integendeel, ze hadden een fanclub gesticht, ’de oer—flappers’, en ze trokken elkaar voortdurend bij de oren in de hoop dat ze op een dag ook konden meedoen met de Europese kampioenschappen flapzeilen.
Jean en Joris bereikten, zoals verwacht, de finale en zouden het tegen elkaar opnemen in drie kilometer flapzeilen—met—hindernissen.
Er ontstond een fikse rel waar die kampioenschappen zouden plaatsvinden.
De Fransen wilden per se Duinkerken, de Vlamingen hielden vast aan Knokke-Heist. De internationale scheidsrechter (een Nederlander) koos voor de Nederlandse badplaats Cadzand, zodat beide partijen elkaar op neutraal terrein konden ontmoeten.

Jean en Joris bereidden zich ernstig voor. Joris voerde het gewicht aan zijn rek- en strekmachine op tot twee kilo en zevenhonderdvijftig gram, en Jean werd nu ook ’s morgens twee uur door zijn trainer aan de oren getrokken.
Het waren dan ook pracht-oren waarmee ze aan de start verschenen. Zonder noemenswaardige moeilijkheden namen ze de kuilen en opgerichte latten. Twee kilometer bleven ze op gelijke hoogte. Tijdens de laatste vierhonderd meter draaide Jean zijn hoofd ietsje naar links zodat hij van de juiste tegenwind kon profiteren. Hij won twee, drie meter. Maar Joris’ antwoord bleef niet uit. De jongen richtte zijn kin op op en gaf toen zijn hoofd een rukje naar rechts. Dat bracht hem weer op dezelfde hoogte als zijn tegenstander. Gejoel en gejuich brak los.
De Nederlanders wisten niet goed voor wie ze partij moesten kiezen.
Toen probeerde Joris zijn oren nog ietsje uit te rekken.
Hij trok met beide handen aan de uiteinden van zijn flappers. Het onmogelijke scheen te gebeuren. De wind zette ze bol, en… tilde ]oris op. Net boven de aankomstlijn bleef hij hangen terwijl Jean ietsje later de finish passeerde.
Wie had er gewonnen? Niemand kon het zeggen.
Joris was het eerst over de streep, maar in de lucht, terwijl Jean ze al rollend bereikte.
Reglementen brachten geen oplossing. De Fransen dreigden met extra belastingen voor alle Belgische flaporen die in Frankrijk wilden verblijven, terwijl de Belgen Franse flappers alleen over de grens zouden laten als ze helrood waren geschilderd.
Uren vergaderen loste niets op. De Nederlandse scheidsrechter begreep geen Frans en kon de redenering van de Belgen niet volgen. Hij besloot de kwestie
voor de UNO te brengen.

illustratie: Kristien Aertssen

En Joris? Die liet de drukte achter zich en liep naar het strand. Daar wachtte hij op een stevige rukwind, en toen werd hij opgetild. Hoger en hoger vloog hij, tot hij door een prachtige dikbuikige wolk aan het gezicht werd onttrokken.
Niemand heeft Joris ooit teruggezien. Sommigen beweren dat hij stiekem de Engelse ploeg heeft getraind, anderen hebben hem in Rusland of Amerika opgemerkt. Enkelingen blijven erbij dat hij als beheerder van een windmolen-park graan maalt in de ontwikkelingslanden.
Maar als volgend jaar de Olympische spelen beginnen, zullen de flappers uit de hele wereld één minuut oren en ogen ten hemel gericht houden. Joris ter ere.
Wees dus een beetje lief voor al die lui met oren plat tegen het hoofd. Ze moeten het bij voetballen en tennissen houden. Dat is al heel erg. Maak het niet nog erger.
Omdat jij toevallig van die leuke flappers hebt, zijn plat-oren toch niet minderwaardig.
Joris had het vast niet goed gevonden dat je hen zou uitlachen.

Boos-aardig, een kortverhaal

Er was eens een jongetje dat altijd aardig en slim moest zijn. 
Bij zijn geboorte bleek het -volgens zijn moeder — de mooiste baby ter wereld. Toen hij zes maanden werd, kon hij al woorden met twee lettergrepen uitspreken. 
Daarna leerde zijn vader hem piano spelen en op zijn derde verjaardag kon hij een Grieks en een Latijns versje opzeggen en vertalen. 
Dat ging natuurlijk niet vanzelf. Werner werd door zijn ouders en een schare uitgelezen opvoeders getraind. Vanaf zijn eerste jaar kreeg hij een vaste dagindeling. 
‘We moeten hem tot het aardigste kind ter wereld opvoeden,’ zei zijn moeder. 
’Karakter moet hij hebben!’ meende zijn vader.
’Als je aardig bent, kom je overal.’
Het wonderkind Werner werd dus niet alleen getraind in taal en rekenen, maar hij kreeg een harde opleiding om eens de aardigste mens van deze aardbol te kunnen zijn. 
Hij leerde zitten met rechte rug, het juiste handje gebruiken om iets aan te geven of aan te nemen, met twee woorden spreken, buiginkjes maken, de deur openhouden, zijn plaats in de bus afstaan, glimlachen, ook als hij razende tandpijn had, en ga zo maar door. 
Het is dus te begrijpen dat Werner overal over zijn bol werd geaaid. De volwassenen waren dol op hem. 
Zijn vriendjes en vriendinnetjes haatten hem. 
‘Die leeftijdsgenootjes zijn zo dom!’ troostte zijn moeder hem toen hij met een blauw oog thuiskwam. 
']e moet terugslaan!' zei zijn vader. ’Ik zal je karate leren.’
Dus leerde Werner naast driehoeksmeetkunde en filosofie ook nog karate. ’Blijven glimlachen, jongen,’ zei zijn moeder. ’Blijven glimlachen, ook als je iemand een dreun op zijn neus verkoopt. Dat is fair-play. Daar kom je ver mee. 
’En Werner sloeg zijn vriendjes glimlachend een bloedneus en bood hen daarna ook nog een zakdoek en een reep chocolade aan. 
O, Wat kon hij toch fijntjes glimlachen, die Werner. 
Als hij het oude dametje de drukke straat over hielp en het vrouwtje dan tussen de toeterende auto’s liet staan, dan glimlachte hij. Ja, hij wuifde zelfs naar het doodsbange oudje. En als hij een stuk taart voor zijn lerares kocht, en hij voor de hele klas geprezen werd als modelkind van het jaar, wat glimlachte hij dan naar Jan met zijn flaporen, naar Grietje met twee vaders, naar Ronald die stotterde en naar Fientje die altijd wegdroomde in de rekenles. Hij bleef zelfs glimlachen als hij roddelde over Marietje die weer een ander vriendje had, als hij kwaad vertelde over de concierge die al in de gevangenis had gezeten, als hij, heel terloops, iets losliet over een geheim dat Greet hem had toevertrouwd. Hij bleef glimlachen, die Werner.

Hij haalde hoge cijfers, want een knappe jongen was hij wel. Het verbaasde dan ook niemand dat hij naar de universiteit ging en er vier jaar later afstudeerde met de grootste onderscheiding. 
Natuurlijk had hij ook daar geglimlacht toen hij die verlegen jongen vreselijke verhalen over de examens en de professoren had verteld. 
Hij bleef glimlachen toen hij zijn vriendinnetje na twee dagen weer afdankte omdat ze ook een eigen mening had. Hij bleef heel vriendelijk lachen toen hij zijn medestudenten in een berghok opsloot zodat ze hun examens misten en in september moesten terugkomen. Hij bleef glimlachen toen hij een dreigbrief schreef naar zijn voornaamste concurrent. 
Hij werd de aardigste ingenieur die je je kon voorstellen, en het verbaasde niemand dat hij weldra burgemeester werd en hij het tenslotte tot president bracht. 
’Zo’n aardige man!’ zei iedereen die hem ontmoette.
Glimlachend begon hij dan ook aan de derde wereld-oorlog.
illustratie Kristien Aertssen

Verhalen vertellen: ‘de hemelspanners’

Denkbeeldige maar zeer aanwezige voorouders waren in de slapeloze uren dankbare vertellers.
Zo ook, de Scandinavische die mij in de vroege voorzomernachten over ‘de hemelspanners’ onderhield.

‘Ja, nu je al aardig op de drempel van de lange droomnachten bent aangeland, wordt het tijd om je over de hemelspanners te vertellen.
Aan iedere kant van de horizon wordt het uitspansel strak aangetrokken. Elke nacht verdwijnen daardoor de ouderdomsrimpels van de luchten.

Het denkbeeldige wordt te vlug als fantasie weggezet. Nochthans opent zich in dat denkbeeldige de vaak vergeten werkelijkheid van oude droomtijden.
Jeugdigen moeten helaas hun ankers uitgooien in het ongewisse van het toekomstige terwijl een van de weinige voordelen van de ouderdom de verhalen uit de droomtijden van de voorouders opent.
Het zijn, in tegenstelling met wat vaak geponeerd wordt, geen archaïsche mythen en sagen al is hun verwantschap ermee niet te ontkennen.
Het blijven denkbeelden die op vergeten werelden steunen maar juist door hun onderlagen het schrijnende van de directe actualiteit mogen missen, al zijn ze in deze vreemde pandemische tijden ontstaan.

Foto door Ralph David op Pexels.com

‘Aan iedere kant van de horizon wordt het uitspansel strak aangetrokken. Daardoor verdwijnen ’s nachts de ouderdomsrimpels van de luchten.
Tarik aan de ene en Arvid aan de andere kant van de horizon beheerden ieder een torenhoge windmolen met reusachtige wieken. Bij een sterke bries werd via een wonderlijk mechanisme een reeks oerstevige mansdikke touwen langzaam strakgetrokken zodat de wat ingezakte luchten zich beetje bij beetje ontdeden van hun helaas steeds wederkerende ouderdomsrimpels. Bij het eerste zonlicht bliezen Tarik en Arvid op een kunstig bewerkte hoorn zodat de dag zich rimpelloos kon ontvouwen.’

Foto door icon0.com op Pexels.com

Hier keek de Scandinavische het publiek zwijgend aan alsof ze wachtte tot de aandachtige luisteraars bij het vuur het getoeter in de beginnende dag hoorden uitsterven.
Nikolina zuchtte van ongeduld en riep; ‘Vertellen, mormor!’
‘Dat was het probleem, Nikolina! Het reusachtige probleem van Tarik en Arvid. Geduld.’

Ingewijden beseften dat mormor Lovisa dringend op zoek was naar een ongewone wending waarmee het bekende verhaal een ongewone draai kon krijgen zodat de insiders de wenkbrauwen zouden fronsen en net zo nieuwsgierig werden als de kleinsten die voor de eerste maal met ‘de hemelspanners’ kennis maakten.

Foto door James Wheeler op Pexels.com

‘Wat als er geen wind was, of de nachtelijke zuidwester te weinig kracht had om de reusachtige wieken van de torenhoge molens in beweging te zetten?’
Hilma sloeg haar handen voor haar anders druk taterend mondje en Kalle zette zijn altijd rode wangen bol om assistentie te verlenen.
‘Inderdaad, Kalle! Dat was het. Het hele dorp dat rond de windmolen woonde, zo’n tien-, wat zeg ik zo’n twintigduizend mensen van alle leeftijden hoorden het noodsignaal van Tarik en Arvid en begonnen van op de daken, straten en pleinen met alle macht richting molen te blazen!’
‘Oei!’ riep Knut die zich duidelijk het woord ‘ongeduld’ herinnerde.
‘Jaja, zeker “oei” want met een beetje geduld was de opkomende bries stevig genoeg geworden om zonder enige menselijke hulp de touwen strak te spannen en de hemel zonder één rimpeltje glad en rimpelloos de morgen in te hijsen.’
‘En nu…?’ zag Britta de ramp gebeuren nog voor mormor haar angstige voorgevoelens kon bevestigen.
‘Nu gebeurde bijna wat er gebeurt als je te weinig geduld hebt!’
Edvind scheurde een denkbeeldig zeil met een luid ‘kkkrrr’ in twee.
‘Stel je voor dat je ’s morgens naar buiten kijkt en er een reusachtig gat in de lucht hangt.’
‘Dan kon je nog bij volle dag de maan en de sterren zien,’ riep Elise.
‘Eén keer is dat echt gebeurd. Een gat in de lucht. Gelukkig nog voor het morgen werd.’
‘Neen!’
‘Ja, Britta. Maar gelukkig waren er net die nacht nog genoeg ‘getelde schapen’ wakker.’
De Scandinavische keek even triomfantelijk rond. Ze was waar ze wilde zijn.
‘Getelde schapen? Weet iemand wat “getelde schapen” zijn?
Knut dacht aan schapen waarop de boer een getal had geschilderd, dat had hij wel eens gezien, dacht hij.
‘Wat doen mensen als ze niet kunnen slapen?’
Het bleef even stil. Je hoorde het publiek bijna luidop denken.
‘Dan tel je schaapjes!’ riep Kalle.
‘Inderdaad, dan tel je schapen! Je laat schaapjes over een hek springen en je telt: één, twee, tien, dertig. Tot je slaapt. Dat zijn ‘getelde schapen’, en die hebben een zeer speciale wol. Wol die hemelgaten dicht. Sommige nachten zijn er maar enkele getelde schapen, andere nachten ligt iedereen wakker en worden er wel duizenden geteld.’
‘En net die nacht…?’
‘Ja, Elise, net die nacht telde de halve wereld schapen. Dat had twee voordelen. ’s Morgens oversliep de helft van de mensen zich en er was een overschot aan speciale stikwol.’ Eens de late slapers zich de ogen hadden uitgewreven zagen ze zoals elke morgen een keurig gespannen lucht. Arvid en Tarik leerden wel geduldiger zijn, maar op een nacht…Dat is voor een ander keer.’

Foto door Skitterphoto op Pexels.com

Schapen tellen lukte mij niet meer, maar de hemelspanners’, ieder aan hun kant van de horizon verbeelden en ze door de Scandinavische tot leven laten komen bleek een uitstekend midddel tegen slapeloosheid, zeker als je ’s morgens wakker werd bij een velletje papier waarop de eerste zinnen waarmee dit verhaal begon. Zelf ben ik al een farfar (grootvader) geworden, en dan is het je plicht een verteller te zijn. De wereld is één groot oor.

Foto door Pixabay op Pexels.com

Je bent wie je bent, een sprookje

tekening: Josie Kodomo

Net voor je gaat slapen is een sprookje lezen bijzonder rustgevend. Voorlezen kan ook. Wil je in de herinneringen van je dierbaren hoge ogen gooien? Dan wordt het ‘acteren’! Hier kun je vijf personages spelen:

de Prins: Hij bedoelt het goed, dat is duidelijk. Hij is niet wat hij wil zijn, een kerel. Goedgelovig, dat wel.
de Prinses: Is nog duidelijk niet aan ‘me-too’ toegekomen. Genderproblematiek? Brutaal bekje.
een Tovenaar: Toveren op aanvraag is er niet bij. Voor wat, hoort wat.
een Buitenmeisje: Recht voor het raapje maar best aardig. Consequent.
een Verteller: Vertelt het verhaal waar de anderen zwijgen. Kan zelfs een droevig liedje zingen. Troost de luisteraars en bespreekt wat de Prins na het verhaaltje gaat doen, liefst in samenspraak met het publiek.

Waarschuwing: dit verhaaltje eindigt vrij droevig of kan alzo geïnterpreteerd worden. Het kan nodig zijn er een leuk vervolg aan te breien om de nachtrust van de luisteraar(s) niet te schaden. En ja, dansen is best ok. ook voor stoere kerels!

Er is ook een zedenles maar die is zeker in twijfel te trekken.
Benodigdheden: Met enkele leuke hoofddeksels kom je al heel ver.
Leeftijd: 0-111 jaar.

tekening Kristien Aertssen

de tekst:

‘Zo was er eens een prins en een prinses en die prins hield heel veel van de prinses. Hij wilde altijd heel dicht bij haar zijn.
’Lieve zoete prinses. Ik hou van jou.’
’Hmm. Dat zeggen ze allemaal.’
’Echt waar, hoor. Ik zou altijd bij jou willen zijn. Dag en nacht.’
‘En dan? Wat zou je dan willen?’
‘Hoe dan? Wat dan? Gewoon bij jou willen zijn, omdat ik van je hou.’
‘En dan?’
’Niets en dan! Als je van iemand houdt dan wil je d’r gewoon bij zijn. Kusjes geven, en strelen, en lief zijn, koffie zetten, brood smeren. . .’
‘Wat vervelend, zeg. Weet je niets beters te verzinnen?’
‘Is liefde dan niet goed genoeg?’
De prinses keek hem hooghartig aan.
’Liefde? Wat jij liefde noemt! Ben je sterk?’
’Sterk? Neen, dat ben ik niet. Maar ik kan heel goed zingen. Luister.’
En de prins zong een heel mooi droevig liedje.
‘Noem jij dat zingen! Verschrikkelijk. Kun je vechten? Ben je nooit bang? Kun je in de dakgoot van een hoog huis lopen? En zou je in één bed met een tijger durven slapen? ]a? Dàn ben je een kerel!’
De prins zuchtte diep.
‘Ik ben wel bang. Als ik op de derde trede van een laddertje sta, krijg ik al kippevel. En met een tijger in één bed slapen? Ik mag er niet aan denken. ]e moet wel gek zijn om zoiets te doen.’
‘Dat noem ik ‘stoer’, prins. Mannen die niet stoer zijn, noem ik geen mannen.’
’Maar ik kan met mijn oren bewegen, kijk.’
‘Daar kun je vliegen mee op de vlucht jagen, stommerd.’
‘Ik kan ook heel mooi dansen. Voilà!’
En de prins danste een menuet.
’Dansen! Dat is toch niets voor stoere bonken, echte kerels?’
’Ik vind dansen leuk, jij blijkbaar niet. Hou je niet van mij?’
’Als je sterk en stoer wordt, dan zullen we nog zien.’
De prins was heel droevig. ‘
‘Kan iemand mij leren vechten? Weet iemand wat je moet doen om nooit bang te zijn? En hoe moet ik in de dakgoot van een heel hoog huis leren lopen en in één bed slapen met een tijger?’
Er verscheen een tovenaar en die zei:
’Ik kan jou leren vechten. Ik kan ervoor zorgen dat je nooit meer bang bent, en dat je in de dakgoot van een heel hoog huis durft lopen en met een tijger in één bed durft slapen. Maar. Er is één maar. Dan moet jij mij ook iets geven.’
’Ik wil alles geven wat ik heb,’ riep de prins.
’Goed zo. Dan vraag ik je stem waarmee je liedjes kon zingen. Geef me ook maar je dansen. En je zult nooit meer met je oren kunnen bewegen.’
Dat vond de prins heel erg. Hij zong erg graag en danste als de beste. En als hij met zijn oren flapperde, moesten de kinderen lachen.
’Goed dan. Neem mijn stem waarmee ik liedjes zing maar mee. Pak mijn dansen maar, en maak m’n oren net zo onbeweeglijk als die van iedereen. Maar. .. maak me beresterk en nooit meer bang. Zorg ervoor dat ik in de dakgoot van een hoog huis durf lopen en dat ik zonder bibberen in één bed met een tijger durf slapen. Asjeblief.’

Dat gebeurde. De prins werd heel sterk, nooit meer bang en hij kon in de dakgoot van een hoog huis lopen, zonder gillen. En hij sliep in hetzelfde bed met een tijger alsof hij zijn hele leven al met tijgers had geslapen.
Maar zijn dansen en zingen was hij kwijt. Met zijn oren bewegen kon hij ook niet meer.
Maar hij dacht:
’Ach wat! Nu zal de prinses van me houden.’
Hij reisde naar haar kasteel en zag dat ze vertrokken was. Weg. Met een andere man. Die knul die nog sterker was dan hij, nog minder bang en niet alleen in dakgoten liep hij maar ook op de nok van de hoogste daken was hij thuis. En hij sliep niet alleen met tijgers, maar ook met beren en slangen.
De prins huilde.
’Waar ben je nu? Ik heb mijn zingen en dansen weggegeven, en kijk, m’n oren staan vast aan mijn hoofd.’
Maar ze bleef weg.
Toen kwam er een meisje langs dat op het platteland woonde. Ze was wel geen prinses maar ze zag er heel aardig uit. En de prins werd verliefd op haar.
‘O lieve meid. Ik hou zo van jou. Ik ben heel sterk en nooit bang. En ik durf in dakgoten van hoge huizen lopen en met een tijger slapen in één bed. Wel?’
Het meisje keek hem hoofdschuddend aan.
‘Och, weer zo’n blaaskaak die denkt dat hij superman is. lk voel niks voor stoere binken. Ik vind je wel knap. Maar kun je zingen, of dansen of met je oren flapperen? Dat zou ik prachtig vinden.’
’Neen, dat kan ik niet meer.’
’]ammer. Dan ben je niet de man die ik zoek. Dag.’
‘Dag,’ zei de prins.’

tekening: Carson Ellis

Hulpvragen als post-teaching:

-Zal hij zijn intussen getemde tijger op het buitenmeisje en de prinses afsturen?
-Wordt hij misschien niet gelukkig maar toch rijk als ceo van een firma dakwerken?
-Sluit de prinses vriendschap met het buitenmeisje en…
-Krijgt de tovenaar spijt en verlangt hij harde valuta om de prins zijn vroegere eigenschappen terug te geven?
-Komt er een protestactie van Gaia? Leg uit.
-Wat met de mensenlijke wezens die en van dansen en van hoge daken houden?
(Juist: The Flying….T…advertentie)