De jas, een kortverhaal

lucas-cranach-lancien-le-jardin-deden-xvie-sic3a8cle

Er wordt vrijwel nooit verteld wat er met Adam en Eva gebeurde toen ze uit het paradijs zijn verdreven. Jaja, hun kinderen Kaïn en Abel waren niet zo’n beste maatjes, maar wat is er met dat oer-ouderpaar geschied?
We weten dat ze niet meer in hun blootje rondliepen want ze hadden het eerste textiel uit twijgen en takken vervaardigd omdat ze, na de zondeval, blijkbaar beschaamd waren geworden. Nogal wat fatsoenrakkers, moralisten en andere engerds gebruiken deze passage om het verderfelijke van bloot en seks in beeld te brengen.
Als kind heb ik altijd gedacht dat deze val iets met slangen en appels had te maken, maar ouder geworden kreeg ik onder invloed van de boven genoemde specimen een vleselijker beeld van de slang en de appels. Daar zit het dus.

the-expulsion-from-paradise-charles-joseph-natoire-1700-1777

Op een nacht verscheen God mij en zei:
‘Fout schrijver, helemaal ernaast! God kan toch niet tegen plezier zijn. God is plezier. Ik heb die twee uit het paradijs verjaagd omdat ze stiekem leerden schrijven en lezen.’
‘Is schrijven dan ook nog een zonde?’ vroeg ik geschrokken.
‘Schrijven niet, maar de gevolgen wel. Daardoor immers wilden ze nog eeuwiger dan God zijn. Hun verlangen dat er iets van hen overbleef eens ze weer van de aarde verdwenen waren.’
‘Maar in het paradijs was er toch geen ‘dood’, God?’
‘Elk pretpark kent zijn verzadigingspunt, dus ook mijn paradijs.’
‘Er was dus toch ‘dood’?’
‘Ik noemde het anders, hoor. Ik noemde het ‘lang-slapen’. En de eerste mensen wisten niet eens dat het zou gebeuren. Ze leefden van seconde naar seconde zonder zelfs te weten dat er seconden bestonden.’
‘Ik denk dat u dus jaloers werd toen u zag dat Adam en Eva leerden schrijven?’
‘Jaloers, jaloers, wat heet jaloers? Maar er is één God en als je ze een vinger geeft, nemen ze dadelijke je hele goddelijke arm.’
‘En die appels dan, en die slang?’
‘De slang leerde hen dat alles een naam heeft. Vroeger had niets en niemand een naam, net zoals ik, de onnoembare.’
‘Maar waarom wilde die slang hen daarvan overtuigen?’
‘Dat was mijn plan. Ik heb ze zelf opgedragen al het geschapene een naam te geven! Eens nagaan of ze aan zo’n woord als ‘appel’ bleven hangen. Of je hen met woorden kon vangen.’
‘En?’
‘Ze waren er gek van, de stuntels! Vroeger was een appel een smaak, een gedachteloos doorbrengen van tijd, een vergelijkbaar volume met wat ze beiden aan hun lichamen hadden hangen, een verbeelding van ‘lust’ dus, maar nu kreeg ze een naam, die lust: “appel”, en daardoor werd de appel aan zijn kortstondigheid onttrokken en verliet hij het tijdloze. Maar! Het bleef niet bij die naam geven! Het serpent leerde hen met zijn kronkels het woord schrijven -zo had ik het ook geprogrammeerd- en dat vonden ze nog leuker!
Eva schreef heel sierlijk de eerste ‘a’, en Adam herkende die klank uit zijn eigen naam. En jawel hoor, ze begonnen te schrijven met al de letters uit appel, slang, Adam en Eva. Dus kreeg je van die onzin als ‘pang, slap, pels, mals en vals’ en ga zo maar verder. De boom der kennis van goed en kwaad pikten ze van me weg. En toen was het uit! Ik riep mijn engel met zijn vlammend zwaard, ging op mijn wolk zitten en liet hem  JULLIE ZIJN BLOOT in vurige letters op de wolken schrijven. Voilà.

hb_1975.1.31
En nu pas zagen ze dat ze naakt waren, dat ze geen pels hadden zoals zovele andere schepsels. Ze waren niet beschaamd om die prettige dingen tussen schouders en benen, speelgoed dat weldra tot zaaigoed zou beperkt worden, neen: ze waren beschaamd omdat er een woord bestond voor hun pelsloze toestand, en daardoor kregen ze het eerst te warm maar daarna te koud en zochten ze takken en twijgen bij elkaar en maakten daarmee de allereerste jas en niet de eerste onderbroek zoals sommigen jullie willen laten geloven. Een jas dus, van hier tot daar.

the-exile-from-paradise-genesis-julius-schnoor-von-carolsfeld

Ze vlogen uit het paradijs maar de kunst van schrijven en lezen kon ik hen niet meer afpakken. Van woordenloos paradijs-gebroed werden ze woordenmakers op een onherbergzame planeet.
En de schrik had hen te pakken! Van het woord ‘bloot’ naar ‘dood’ is maar één stapje. Ze werden zich dus ook bewust van hun dood, en dat was de ergste straf die ik kon bedenken.
Maar nog altijd denken ze mij te kunnen vangen, he! Ze schrijven en roepen zich te pletter! Voor alles en niets hebben ze letters. Ze pompen zich op in hun verhaaltjes. Ze stapelen hun woorden in boeken bij elkaar, discussiëren daar dan over, houden er nachten en dagen van de poëzie mee, slaan er elkaar mee in de boeien, verkennen met die letters hemel en aarde en wat ertussen ligt. Gaan ze dood dan blijven die woorden achter zodat ze inderdaad een beetje blijven bestaan, de slimmerds! Ze zijn me dus toch ontsnapt en daarom heb ik een voorstel.’

Hij keek mij met tijdloze ogen aan, ik voelde hem op zijn goddelijke pantoffels dichterbij komen.
‘Als jij die woordenschrijverij opgeeft, schrijvertje, mag je weer bloot in mijn tuin rondlopen. Met de mooiste menselijke schepselen van allerlei kunne. Kortom, je weet wat ik bedoel. Je zult niet meer beseffen dat je lang gaat slapen, dat gebeurt dan in een droom, maar vergeet dat je kunt schrijven en lezen. Wel?’
‘Neen,’ zei ik. ‘Neen.’
‘Denk eraan, ik ga ’t u lastig maken met uw woordjes, hé! Je draait de gevangenis in, ze zullen u martelen, uw liefdes zullen je verlaten. Je zult de verkeerde woorden op ’t verkeerd moment gebruiken, struikelen zul je over je woorden. Je …’
‘Doe verder, God, zei ik. Laat u maar gaan!’ terwijl ik alles driftig noteerde. ‘Ik vang u in uw woorden. De w als een vogel, alle vogels zijn w’s. En dan de oo’s van verbazing of van het oor dat kan luisteren, of een den in een te warme kerstkamer: ‘w -oor- den’.
De w als een vogel, alle vogels zijn w’s en dan ikke, ja god, ikke en de lens van uw alziend oog maar zonder de s zodat het niet zo streng is: w – ikke – len: wikkelen. Woorden wikkelen.
De mooiste jas waarin ik mijn blootje kan wikkelen. Een jas van cliché’s, van uitroepen, verrassende wendingen, willekeurige zinnen, recepten en briefjes: ben even naar de post, kusje.
Boodschappen van hogere orde, een boel woorden die de stilte voelbaar maken als we beiden in ons blootje staan of liggen.’

arbol-de-letras

Toen bloosde God een beetje: ‘Ik weet het, ik ben de onnoembare, de woordeloze, al hebben ze mijn liefde in overvolle wetten en voorschriften versmacht, maar zelf ben ik…hum…analfabeet. Ik ben wel de alfa en de omega, maar ik weet bij god niet wat daartussen komt. Ik heb die schrijverij en leesdinges nooit nodig gehad. Ik schiep alles uit het hoofd.’
‘Waar wil je naar toe, God?’
‘Ook God heeft soms van die opwellende gevoelens en tot nu toe moest ik daarmee vulkanen laten uitbarsten of de halve wereld onder water zetten, of profeten huren die dan weer alles naar hun kant draaien eens ze een miljoen volgelingen hebben. Maar…zou je mij willen leren schrijven en lezen zodat ik zelf met letters kan uitdrukken wat ik bedoel?’
Ik keek hem geschrokken aan.
‘God, zei ik. Godverdomme…’
‘Jaja, ik heb niets gehoord.’
‘God, ik wil wel, maar ik ben niet waardig.’
‘Dat valt best mee,’ vleide hij.
‘Maar dat betekent dat ge uw doorluchtige eeuwigheid zult moeten verlaten, dat ge… maar alé, dat kan toch niet!’
‘Ventje, zei God, ik wil ver gaan.’
‘Wel, we zullen ’t zo zeggen: het woord is vlees geworden.’

En hij verloor zijn strenge blik, kreeg de ronde schouders van een kind. De avontuurlijke schittering met heimwee naar kampvuren en sterrenkijken was op zijn gladde huid geschreven.
Hij liep aan mijn hand tot aan de schoolpoort, draaide zich nog eens om en verdween dan in de klas waar ze vandaag de moeilijke letter G zouden leren schrijven.

kids-girl-pencil-drawing-159823

(Een tekst gebracht op poetry international in Rotterdam januari 1991, de dag daarna begon de Golfoorlog.)

8097959668_253d0f6d1d_b

Eerzame mensen, een kortverhaal

daisy Patton_Untitled_(The_Gardener)_newwebsite_1170_922_s

Er was eens een land. In dat land was er een groot bedrijf. Een staatsbedrijf. En bij dat bedrijf was er een plaats vacant. De tweede tuinman had immers de pensioenleeftijd bereikt, en daar het tuinbeheer van het bedrijf niet alleen door de eerste tuinman en de tuiningenieur onderhouden kon worden, kwam de betrekking van tweede tuinman vrij. Een derde tuinman was er niet, wel een legertje van tweeëntwintig gewone anonieme alledaagse tuinlieden.

HamptonCourtPalaceTicket

Eerst moesten de kandidaat-tweede tuinmannen die aan het uitgeschreven examen deelnamen, tweehonderd verschillende planten kunnen herkennen en beschrijven. Bij die tweehonderd planten waren er uitheemse en zelfs uitgestorven planten, maar vermits een leidinggevende tuinman bij een groot staatsbedrijf voor alle mogelijke situaties een oplossing moest kunnen bedenken, mocht een uitheemse of onbestaande plant geen probleem zijn.
De ene plant is de andere niet, zei de tuiningenieur en dus moesten zelfs tweede tuinmannen de ene plant van de andere kunnen onderscheiden terwijl een eerste tuinman ook de latijnse naam uit het hoofd moest kennen. (Bij het legertje anonieme tuinmannen volstond hard werken en je mond houden.)
De volgende proef toetste de scherpzinnigheid van de overgebleven kandidaten. Er kwam een hoogleraar plantkunde praten over tuinen en hun sociale functies. Na zijn betoog moesten de kandidaat-tweede tuinmannen zijn causerie samenvatten en becommentariëren.
Dat is diepte-werk, zei de tuiningenieur. Weten waarmee je bezig bent. Je plaats kennen in het grote plaatje van het tuinieren.

G._Caillebotte_-_Les_jardiniers

Het lijkt een beetje op een sprookje maar ik kan je verzekeren dat ik het voor waarheid heb horen vertellen. Er waren immers nog een reeks andere proeven voor de geselecteerden. Zo moesten de overblijvenden -het groepje werd steeds kleiner- een toekomst-tuin ontwerpen, een verhandeling schrijven over plastic- en/of polyesterbloemen en dito planten en tenslotte een reeks dikke boeken lezen over de geheimen, achtergronden en theorieën van de tuin door de eeuwen heen.
Nog slechts een beperkt aantal geslaagden verscheen dan voor een jurie van plantkundigen met naam en faam en werden daar ondervraagd over hun inzichten, opgestoken bij deze lectuur. Ook hun familiale omstandigheden en toekomstplannen kwamen aan bod, gesteld dat ze het eens het ambt van tweede tuinman zouden betrekken.

a-victorian-gardener-in-the-midst-mary-evans-picture-library

Van de zeshonderd oorspronkelijke kandidaten bleven er nog een veertigtal over. Anderen waren intussen uitgeweken naar vreemde landen, enkelen hadden een rustkuur nodig in een psychiatrische instelling (waar ze hun behandeling betaalden met zorg voor de ziekenhuistuinen) en de wanhoopigsten hadden zichzelf in een stille tuin verhangen of waren uit pure ellende spontaan overleden.

Na lang wikken en wegen bleven er nog tien kandidaten tweede-tuinman over. Tien mannen, want vrouwen kwamen in dat land niet in aanmerking gezien de aard van de arbeid en de inzichten van het land waar dit verhaal zich afspeelde.
Ik moet er u op wijzen dat deze functie alleen voor een eerzame burger is weggelegd, zei de tuiningenieur. Daarom, en alleen daarom werd het verleden van de uitverkorenen uitgepluisd en vielen er dadelijk acht kandidaten door de morele mand.

Royal_Gardener_John_Rose_and_King_Charles_II_-_Hendrick_Danckerts_1675
Eén van hen had een grootvader die tijdens de jongste wereldoorlog salade aan de vijand had geleverd. Een tweede was bij het begin van zijn tuinman-studies mee opgestapt bij een betoging toen belangrijke subsidies voor land- en tuinbouw werden ingetrokken. Een derde maakte enkele reizen naar landen die ideologisch verschilden van het land waar deze selectie plaatsvond, al was zijn reisdoel slechts het bestuderen van de suikerbiet geweest. (Beta vulgaris subsp. vulgaris convar. vulgaris var. altissima)
Een vierde hield zich niet altijd bij zijn eigen bloemetjes. Hij had de naam dat hij ze wel eens buitenzette, een activiteit die met braspartijen en luid gezang gepaard ging.
Een vijfde bleek meer van tuinmannen te houden dan voor natuurlijk werd aangenomen in dat land. (Al was dit geen strafbaar feit, de faam van een staatsbedrijf mocht door niets, maar dan ook door niets besmet worden, aldus een betrouwbare bron.) Een zesde had een niet te verklaren interesse voor rode bloemsoorten, en vermits deze kleur in het land geen geliefde kleur was gezien een aloude ideologie en enkel bij het woelige voetbalspel mocht worden gebruikt om een speler uit te sluiten kwam ook deze kandidaat niet verder in aanmerking.
De zevende had tijdens zijn jonge jaren een tuintje met hasj-planten gehad en de achtste schreef gedichten die volgens de bekende instanties wel iets verder gingen dan de beschrijvingen van bloemen en seizoenen. (‘..uw borsten als vurige paeonia lactiflora ) (= –geurende pioenen, bladverliezend, winterhard, kalkminnend-)

paeonia_lactiflora_dr_alexander_fleming_roze_pioenroos_rosa_pfingstrose_pink_peony

Tenslotte bleven er nog twee kandidaten over. Twee eerzame burgers op wie niets viel aan te merken, wiens leven, hart en ziel door geen herkenbare smet bezoedeld was.Tja, zei de tuiningenieur, eerzaam is eerzaam. Ze hadden vrouw en kinderen, eerbiedigden de verkeersregels, leefden onopgemerkt en zegden steeds meneer als ze een onbekende meerdere groetten.

music_of_the_medieval_garden
De tuiningenieur ontbood de twee kandidaten. Er is helaas maar één plaats tweede-tuinman. Daar kan ik niets aan veranderen.
Zo is het, meneer de tuiningenieur, zegden de twee kandidaten.
Daarbij in aanmerking genomen dat een van u erg gelovig is terwijl de andere een vrijdenker mag genoemd worden.
Zo is het, meneer de tuiningenieur, zegden de twee kandidaten.
Spreek ik dus mijn voorkeur uit voor één van u dan zal men zeggen: kijk, het is weer een … -en dan mag u zelf de overtuiging invullen die u aankleeft.
Zo is het, meneer de tuiningenieur, zegden de twee kandidaten.
Een robbertje vechten tot er een van u het loodje legt is ook niet dadelijk humaan te noemen, niet?
Neen, meneer de tuiningenieur, zegden de twee kandidaten.
Jullie doktersverslagen hebben het niet over een oprukkend kankergezwel of een te hoge bloeddruk, dus wachten op natuurlijke afvloeing is ook uitgesloten.
Jaja, meneer de tuiningenieur, zegden de twee kandidaten.
Maar, en ik zeg maar. Er zijn wel twee plaatsen vakant voor de functie van tweede portier bij het ruim gesubsidieerd museum voor nationaal erfgoed. Eentje bij het beheer van de ingang en eentje bij het beheer van de uitgang. En in afwachting dat er fondsen vrijkomen om een tweede tweede tuinman te financieren kunnen we de eerste tuinlman een rang hoger betalen om het werk van tweede tuinman erbij te nemen en hebben we tevens twee tweede portiers zonder al te veel gedoe in het museum voor nationaal erfgoed. Kunnen jullie mijn redenering volgen?
Dat kunnen we, meneer de hoofdingenieur, zegden de twee kandidaten.
Daarbij komt dat onze eerste tuinman al een zekere leeftijd heeft en we dus binnen afzienbare tijd een nieuwe eerste tuinman nodig hebben. Dan halen we jullie weer terug. Eén maand ben jij eerste tuinman en de volgende maand jij. Geduld zal dus lonen! Begrijp je nu waarom ik tuiningenieur geworden ben?
Ze knikten en hielden heel professioneel de deur voor hem open.
Dat de eerse tuinman een week later in de waterput sukkelde, werd in alle media een spijtig ongeval genoemd.
Bij het erfgoedmuseum zijn ze op zoek naar twee tweede portiers, zo druk is het daar. Eerzame mensen wel te verstaan.

1280px-Abel_Grimmer_001

De kus, een kortverhaal

34b982baadd5032809f40c99fa245e58

Met de donkere dagen in ’t verschiet wil ik jullie nog graag een sprookje vertellen zodat de zoekenden naar warmte enige troost mogen vinden in dit verhaal.
Prinses Anne-Marie van Demus Aldegonde, -we zullen haar voor de gemakkelijkheid Sproetje noemen omdat ze ’s zomers vol bruine stipjes kwam te staan – prinses Sproetje dus- zocht een prins. Niet zo maar een prins uit de schaarse voorraad koninklijke huizen, maar iemand die als sprookjesprins de geschiedenis zou ingaan.
In haar droom ontmoette ze een van de gebroeders Grimm. Hij raadde haar aan eens goed rond te kijken. Want ergens, zei hij, ergens leeft er een prachtige prins, mooi als de morgen. (neen, niet de krant, maar de dageraad) Helaas heeft een boze tovenaar hem in een dier veranderd en kan hij alleen door de kus van een prinses zijn ware gedaante terugvinden.
Daarmee was de droom voorbij en kon prinses Sproetje aan haar zoektocht beginnen.

Frog

Ze hoorde de kikkers in de paleisvijver en dacht: als ik mij mijn literatuurstudie goed herinner dan zijn kikkers aangewezen dieren om prinsen te herbergen. Ze kuste achthonderd negenenveertig kikkers en hield er alleen slijmerige lippen aan over, alsof ze met haar tong zesduizend omslagen voor het komende tuingala had dicht gelikt. Een kikker was het dus niet.
Misschien een sneeuwwit vogeltje? Het verscheen elke morgen op haar vensterbank,  zat soms op een stekendorentje en bezorgde wel eens privé-post  als de ambtenaren staakten.
Ze kuste het sneeuwwit vogeltje maar dat pikte zo hevig in haar onderlip dat ze vanaf die dag weer gewone postduiven in dienst nam om haar persoonlijke berichten te bestellen.

snow_white_and_the_little_bird_by_mariliazo_d8lel47-pre

Er was natuurlijk ook de hofhond van haar vader die steeds enthousiast haar wangen likte als ze thuiskwam. Hoe kon ze ook zo dom zijn hem niet onmiddellijk herkend te hebben! Dus kuste zij de hofhond op zijn vochtige snuit en verwachtte ze hem in een frisse prins te zien veranderen. De hofhond likte van vreugde haar net aangebrachte makeup van haar gezicht en wilde ook nog aan haar permanent beginnen toen ze besefte dat ook in dit overvriendelijk dier geen prins te vinden was.

boston-terrier-dog-licking-lips-with-tongue_u-l-q10cf7o0

Ze ontbood de hof-filosoof.
‘Met uw permissie, waarde prinses, u moet dieren kussen die helemaal niet aan een prins doen denken. Daar zit het hem juist. Neem nu eens een varken, een stier of een os. Oh, neen, pardon. Laten we het bij een varken en de stoere stier houden,’ zei de hof-filosoof die een hoogrood kleurtje op zijn anders altijd vale wangen had gekregen.

En zo kuste prinses Sproetje de negentienduizend varkens van de koninklijke spekslagerijen en daarna kwamen zestig modelstieren aan de beurt waaronder unieke Groninger blaarkoppen en  enkele Piemontese en West-Vlaams rode rasdieren.
De varkens lieten zich gewillig kussen en rolden zich daarna verder in het slijk van kontentement, maar met de stieren had onze prinses meer moeite. Ze verbleef daarna vier maanden in het hospitaal en wilde  een tijdje van geen dieren meer weten.

12-fearless-girl-sculpture-1-w710-h473-2x

Maar het heimwee naar haar prins stak weer de kop op. Ze besloot een premie uit te loven voor diegene die haar bij het dier-met-prins kon brengen.
Om niet de hele binnenlandse fauna te moeten zoenen vermeldde ze: wie echter met een dier komt dat een dier blijft, wordt in het openbaar op de buik getrommeld.

Ondanks deze riskante vooruitzichten verschenen er tal van met mensen met tal van dieren. Een radio-reporter die nogal eens met papegaaien werkte, bracht haar een prachtexemplaar dat sire kon zeggen en dat zelfs de eerste strofe van het nationale lied kon neuzelen. Toen de prinses het kuste, beet de vogel in haar neus , die toegegeven, van enige omvang was, en zong daarna de eerste strofe van het nationale lied.
De papegaai werd gebraden aan de hofhond overgeleverd en de reporter kreeg stokslagen op de buik.

papegaai
Een insectenverzamelaar bood haar zijn hele collectie aan en toen ze na het vierhonderdeenendertigste specimen  enkele miljoenpoten langs haar benen omhoog voelde kriebelen, gaf ze een gil en werd de verzamelaar op de buik getrommeld en zijn verzameling aan de koninklijke musea overgeleverd.
Aangeboden pirana’ s werden zonder kus teruggezonden, de witte muizen joegen het adelijke gezelschap op de eerder kostbare Mechelse meubelen en warmwater-vissen bleven warmwater-vissen terwijl hun eigenaars in het openbaar, onder luid volksgezang, hun straf ondergingen.
De gezochte prins echter toonde zich niet.

IMG_9086-poland-plock

Daarom begaf de prinses zich naar de koninklijke dierentuin en liep langs de kooien om te ontdekken welk dier haar met een superieure blik zou aankijken.
Het bleek een leeuw te zijn. Een leeuw die brullend en nerveus in zijn veel te klein hok heen en weer liep. Was hij niet de koning der dieren, dacht prinses Sproetje.
Maar hoe kus je een leeuw? Want wat is een prins met een half verscheurde prinses?
Ze gaven het dier een portie valium en toen hij zo mak als een lammetje was, kreeg hij een voorzichtige kus terwijl de nationale garde nauwkeurig toekeek, geweer in aanslag.
Er gebeurde niets. De leeuw sliep vier dagen en vier nachten en bleef zijn verdere leven verslaafd aan tranquilizers. Ook de giraffe, de waterbuffel, het nijlpaard, noch een oerang-oetan schenen enige vorm van prins in zich te verbergen.

who-wants-a-kiss-from-a-giraffe-photo-from
Toen men haar de reuzeslangen voorstelde besloot prinses Sproetje haar verdere leven zonder prins door te brengen. Liever eenzame prinses dan dode prinses was haar devies.
Er kwamen nog wel eens gekken langs met kanarievogels of waterschildpadjes, maar de kuspartijen lieten de beesten wat ze waren en beloonden de eigenaars slechts met hevig buikgetrommel.

De tijden gingen voorbij. Prinses Sproetje werd een wat ouder prinsesje. Al richtte ze muziekwedstrijden in om haar heimwee naar een prins te verdrijven, er kwam nooit een heus dier naar deze hoogst culturele manifestaties. En zonder dier, geen prins.
Tot ze in haar levensavond naar een televisieprogramma keek dat over een uitgestorven koningshuis handelde. Ze was helemaal alleen in het koninklijk televisievertrek. Alleen? Haar oude kater lag op zijn geborduurd kussen geïnteresseerd naar de beelden te kijken. Zo aandachtig, zo verstandig.

svetlana-petrova-fat-cat-art-1
O neen, kreunde de prinses. ‘Dat ik daar al die jaren niet aan gedacht heb! Maar…Ik ben er nu bijna zeventig. En dan nog een prins, een vurige prins? Beter laat dan nooit.’
Ze nam haar kater, rook zijn muffige adem en streelde hem intens over het oude katerhoofd. Hij begon dadelijk intens te spinnen.
Kom maar eens hier, zei prinses Sproet. Haar kus was nog niet koud of daar verscheen een gerimpeld prinsengezicht en even later stond er een behoorlijk oude prins in haar kamer.
Hij krabte zich uit gewoonte in zijn grijze haren, rochelde even en keek haar melancholisch aan en zei: Miauw, moet dat nou?

o-ALL-900

De parabel van de autofiles, een kortverhaal

2chatillon-car-graveyard-abandoned-cars-cemetery-belgium-4

De eerste werkelijke slachtoffers van de autofiles vielen in het jaar waarin het drie weken duurde vooraleer men de rijen auto’s op drie paralel-wegen kon ontwarren na het verlengde pinksterweekend.
De kern van de opstopping, het gebied tussen Brussel en Mainz, leverde naast de klassieke zenuwpatiënten, zestien doden op. Ze stierven aan een infarct tussen de vierde en de zeventiende wachtdag: drie overleden na een hevig gevecht op de daken van hun wagens en zeven pleegden zelfmoord toen ze na achttien dagen nog geen kilometer gevorderd waren.
Vierhonderd andere slachtoffers werden met ernstige letsels in ziekenhuizen opgenomen. Naar schatting van de Europese wegenpolitie bleven er zesduizend lichtgewonden over toen de autowegen weer berijdbaar waren.

AACQmxz.img

De uittocht van de zomervakanties werd ondanks deze ramp nog een groter fiasco. De derde dag al vormden zich files van dertig tot vijfenzeventig kilometer, de negende dag waren alle autowegen met hun op-en afritten potdicht, en zelfs de invalswegen en paralelwegen bleken oververzadigd.
De bevoorrading van de ingesloten wagens kwam traag op gang. Na dertig dagen begonnen de eersten hun auto’s te verlaten toen tussen Koblenz en Baden-Baden een dysenterie-epidemie uitbrak ten gevolge van de hitte en de weinig hygiënische toestanden op en rond de overvolle autowegen.
Reizigers die tot dan zo goed en zo kwaad mogelijk gekampeerd hadden, trokken in grote stoeten langs de stoffige veldwegen naar de voor hen ontruimde secundaire banen.
Na twee maanden konden de wegen vrijgemaakt worden. Veertienduizend zeshonderd eenendertig auto’s bleken totaal vernield. Van dertigduizend kwam er geen bezitter meer opdagen.
De Europese verkeersraad wijdde zijn duizend eeneneveertigste zitting aan de problemen van de verstopte autowegen, maar toen bleek dat slechts de helft van de deelnemers aanwezig was en de andere helft in files van één tot zes dagen in heel Europa werd opgehouden, besloot men de zitting tot het volgende jaar te verdagen.

256

Drie jaar later waren alle autowegen totaal onbruikbaar geworden omdat geen enkele opruimingsdienst er nog in slaagde de achtergebleven wagens weg te slepen en op te bergen. De hele infrastructuur rond de wegen verdween. Weldra werden de autowegen uit de jaren zeventig van de twintigste eeuw woestijnen waar blik en staal elk leven onmogelijk maakte.

405638

Bewoners weken steeds verder uit naar de drooggelegde meren en zeeën. Strenge wetten maakte het gebruik van auto’s bijna onmogelijk.
De chaotische wegen dienden enkele jaren als onderduik-adres voor al diegenen die het in de maatschappij niet konden rooien, maar toen ook de onderwereld van deze chaos gebruik ging maken bleven de wegen verlaten.
De industrie had zich verplaatst, en met de industrie de steden, en met de steden de mensen die hen bevolkten. Op kaarten sprak men van de Europese autowrak-woestijn. Alleen verzamelaars van ‘gezochte’ antiquiteiten vormden wel eens een expeditie naar het woeste gebied.

AACQk7U.img

Tot er een groepje mensen opstond dat naar rust en eenzaamheid verlangde, dat soberheid en een teruggetrokken leven als hoogste doel stelde. Ze verkochten hun bezittingen en trokken naar de autowegen-woestijn. Ze bouwden er zich een een primitief onderkomen met de wrakstukken en probeerden de banen hier en daar vrij te maken van blik, banden en beton om er opnieuw de grond vruchtbaar te maken.

Waren ze in de beginfase slechts met enkelen, weldra groeide hun aantal sterk aan. Ze wilden allen weg van de corruptie en de prestatiemaatschappij. Ze wilden op de puinen van de oude wereld een nieuwe maatschappij stichten. Ze bouwden zich een nieuw onderkomen vaak met de wrakken en achtergelaten materialen en probeerden hier en daar de autowegen vrij te maken.

Zeepkist_(1950)

Er ontstonden al vlug kleine nederzettingen in de woestijn waar vroeger autowegen tussen Parijs en Geneve liepen. Nog enkele jaren later werden de nieuw gestichte dorpen heuse steden. Er groeide een generatie of zes op die nog bezield was met het ideaal der voorvaderen: stilte en eenvoud. Maar veertig jaar later begonnen de kleinkinderen van deze achterkleinkinderen al met een druk handelsverkeer tussen de nieuwe steden waarvan sommige gespecialiseerd waren in het recycleren van oude rubber en anderen uit plastic en metaalslakken meststoffen produceerden die de oogsten vertienvoudigden.
Eerst kwamen er eenvoudige wegen voor paard en kar, daarna bestrate banen voor voertuigen op luchtbanden en weldra bouwde een stad dichtbij de vroegere Nederlandse grens een kleine wagen die door een verbeterde ontploffingsmotor werd aangedreven.

De oude idealen vergrijsden met de tijd en weldra begonnen andere steden met het ontwerpen van nieuwe types auto die door de bewoners van het gebied VéTé’s werden genoemd, een afkorting van Vlug-Tuig. Vété’s hebben echter wegen nodig, snelle wegen, en weldra liepen er Vété-snelwegen, soms met dubbele baanvakken, drie boven elkaar, door het gebied.

file

Enkele ouderwetse zedenprekers konden de ontwikkeling niet tegenhouden, zelfs niet na de dag toen de eerste file van zes kilometer werd gemeld tussen Zee-stad en Heuvel-city.
Computers zochten uit wat er schortte. Er werden slimme manieren van rekeningrijden voorgesteld maar uit schrik voor de naderende verkiezingen weggestemd. Ook na correcties van sommige invalswegen bleven zich files vormen die weldra uitgroeiden tot een onoverzichtelijke chaos.

De eerste werkelijke slachtoffers van de autofiles vielen in het jaar toen het drie weken duurde vooraleer men de rijen auto’s op de drie paralel-wegen kon ontwarren na het verlengd pinsterweekend. De kern van deze opstopping, het gebied tussen Babylon en Rheinstadt leverde naast de klassieke zenuwpatiënten zestien doden op. Zes stierven aan een infarct tussen de vierde en de zeventiende wachtdag, drie overleden na een hevig gevecht op de daken van hun wagens en zeven pleegden zelfmoord toen ze na achttien dagen nog geen kilometer gevorderd waren. (enz.)

AACQhJG.img

(bewerking van een radio-1 verhaal Pinksteren 1978-foto’s van Danny Bailey, Rosanne de Lange-ANP)

DE PET, een kortverhaal

figure_with_black_cap_1

Misschien was het om zijn beginnende kaalhoofdigheid te verbergen, al probeerde hij zichzelf te overtuigen dat een pet het onderscheid maakte tussen het gedwongen hoofddeksel van de ordehandhaver en de klassieke uitstraling van een borsalino.
‘Een snapback, een fitted cap of liever een strapback of denkt meneer eerder aan een Gavroche cap?’
‘Euh…’ antwoordde de man.
‘Kijk deze Flat Cap, een platte pet dus, zou u uitstekend staan. We hebben ze in verschillende uitvoeringen. Tijdloos zeg maar.’
‘Wel…’ antwoordde de man.
‘Een gavroche, deze hier is een echte Stetson Hatteras pet. Of verkiest meneer een Net Cap? Een lekker luchtige pet, ideaal voor zomers weer.’
‘Een schipperspet, heeft u dat?’
‘Dan moet u bij de fishermen collectie zijn. Kijk deze ‘hoed voor de zee’.
‘Tja, maar hij is wel erg gedecoreerd. Die lintjes en metalen knopen met een ankertje.’
‘Zeggen we dat deze fijne pet een samenvatting maakt van het begrip ‘schipper’, begrijpt u?’
‘Maar ik wil een pet zonder tralala en…’
‘Dan vrees ik u niet te kunnen helpen.’
‘Die pet helemaal achteraan. Ja, die zwarte.’
‘Dat is een pet die een klant hier heeft achtergelaten na aankoop van een nieuw exemplaar. Maar als ze u past is ze de uwe. Asjeblief. Daar is de spiegel.’
‘Helemaal wat ik zocht!’
‘Dan zijn wij beiden gelukkig. Netjes opgeruimde winkel en een tevreden bezoeker. Dag meneer.’

fisherman-pet-€1295-Zwart-Stoffen-Accessoires-Webshop-Webwinkel-Label-L-Soesterberg-

Nog maar net staat hij op straat of hij hoort een duidelijk stemmetje in zijn hoofd:
‘Wat een dwaze kop,’ zegt het stemmtje terwijl er iemand bijna tegen hem oploopt.
Hij schrikt, rukt de pet van zijn hoofd, zoekt naar een mini-luidsprekertje of een ander apparaatje maar vindt niets. Terwijl hij de pet weer op zet, ziet hij een dame de straat oversteken:
‘Hij doet me toch een beetje aan Josje denken die knul met die pet op zijn kop.’
Toen begreep de man dat hij de gedachten van mensen in zijn nabijheid kon horen en dat de pet daar de oorzaak van was.
Het stemmetje in zijn hoofd klonk uit verschillende richtingen. Meestal kwam het vanuit die kant waar iemand blijkbaar een gedachte formuleerde over hem. Hij zocht niet naar de oorzaken van dit vreemd verschijnsel. Hij had geleerd de dingen te aanvaarden en er zijn voordeel uit te trekken.
Hij was best blij met de pet.
‘Nu kom ik het te weten,’ dacht hij. ‘Hoe ik echt overkom bij anderen.’

hoedzo5

‘Ik wil mijn nieuwe pet wel even ophouden,’ zei de man toen hij thuiskwam. Zijn vrouw bekeek hem aandachtig.
‘Je lijkt er twintig jaar jonger mee! Je doet me denken aan de dagen toen we nog niet getrouwd waren en ongeduldig om…Je weet wel.’
Maar tegelijkertijd hoorde hij het stemmetje: “Beetje zielig toch zo’n man op leeftijd met een pet.’
‘Vind je dat echt?’ vroeg hij haar.
‘Echt waar’, antwoordde zij. ‘ Twintig jaar jonger.’
Maar het stemmetje in zijn hoofd vertaalde:
‘’Nog enkele lieve woorden en hij smelt. Kan ik eindelijk over die diamanten-broche beginnen.’
‘Ik twijfel toch over die pet,’ zei de man. ‘Op mijn leeftijd…’
‘Je doet me denken aan een acteur uit een Franse film.’
Ze streek hem langs zijn wang.
‘Nu begin ik over die broche,’ hoorde hij het stemmetje. En hijzelf, onmiddellijk zonder nadenken:
‘Jaja en nu kom je met die diamanten broche te voorschijn, niet?’
Haar hand bleef even op zijn wang hangen alsof ze twijfelde tussen knijpen en liefkozen.
Ze stotterde.
‘Hoe kom je erbij,’ zei ze tenslotte. Vuurrood hoofd.
‘Mensenkennis.’ antwoordde de man. Het stemmetje in zijn pet zweeg in alle talen.

NTIII_NOST_959521

‘Had ik die pet niet gekocht’, dacht de man, ‘dan had ik haar geloofd. Nu ik weet wat haar echte bedoelingen waren voel ik me niet gelukkig.’
Hij stapte op de lijnbus.
Het stemmetje bleef een hele tijd stil tot er plotseling iemand links van hem begon te denken:
‘Had ik zo’n hoofd, zei het stemmetje, ‘dan kocht ik liever een bolhoed.’
De man keek achteloos naar de kant vanwaar de gedachte kwam.
Even kruisten zijn ogen die van een jonge vrouw. Net uit haar jonge-meisjeskleren gegroeid, op weg naar de boodschappen. Tot zijn ergernis herhaalde ze de gedachte:
‘Het moest toch een bolhoed zijn,’ zei het stemmetje.
De man boog zich naar de vrouw en zei abrupt:
‘Een bolhoed vind ik zelf niet zo leuk. Nogal opzichtig, niet?’
De mond van de vrouw viel langzaam open. Automatisch duwde ze op het stopbelletje, en bij de volgende halte vluchtte ze uit de bus en bleef die nog lang nakijken.
De man zelf begon te beseffen dat hij al meer dan twintig jaar een hoofd meedroeg dat vele mensen te denken gaf.

WE_ART_ANDREA_VENTURA_9

‘Kijk, zei hij tijdens de pauze op het kantoor, ‘dit is mijn nieuwe pet.’
Hij drukte ze vast op zijn hoofd en luisterde.
‘Ze staat u keurig, meneer,’ zei de jongste bediende. En terwijl hoorde hij het stemmtje luid lachen.
‘Ik moet hier dringend weg,’ zei het stemmetje, ‘ik moet hier dringend weg of ik proest het uit.’
Een secretaresse had het over de pettenmode.
‘Maar ze staat wel stoer,’ zei ze.
Het stemmetje vertelde dat ze hem een kalf vond, een kalf met een pet.
‘Een kalf met een pet?’ zei de man plots luidop.
De secretaresse werd helemaal wit rond haar neus.
‘Voelt u zich niet lekker, juffrouw?’
‘Ik…ik ben in mijn moeilijke dagen,’ zei ze. Ze nam haar handtas en verdween samen met de jongste bediende.

Yury_Pen_-_Portrait_of_Marc_Chagall

‘Ik haat die pet,’ dacht de man. ‘Ik haat die pet al wil ik ze toch steeds weer opzetten.’
Hij begon te begrijpen dat hij het stemmetje meestal voor was. Nog voor het in zijn hoofd klonk, kon hij de gedachten die het zou formuleren raden.
In de drukte van de koopjesdagen liep hij door een groot-warenhuis. Het stemmetje bleef zwijgen tot er plots een meisje zijn kant uitkeek.
‘Dat is een leuke pet,’ begon het stemmetje.
De man zuchtte opgelucht. ‘Eindelijk,’ dacht hij.
‘Maar die vent eronder hoort er niet bij. Karel zou er wel leuk mee staan.’
‘Zal ik ze meegeven voor Karel?’ vroeg hij het meisje.
Ze bleef hem secondelang met open mond aanstaren.

Verschillende-soorten-petten-e1456759042628

Ze dronken samen hun wekelijkse trappist.
Hij had zijn pet aan de kapstok gehangen. Een goede vriend mag denken wat hij wil, dat is het mooie van een goede vriend-zijn.
En of hij als pas gekozen burgemeester al een beetje zicht op de zaak had, vroeg hij Jan.
‘Het is niet makkelijk om te weten wat de mensen echt denken. Giswerk.’
‘Vertel me wat! Maar ik denk dat ik je kan helpen. Momentje.’

129293724477340404_ec686079-ced2-4b00-ad31-bf9b4356505d_181874_570

Je zou kunnen denken dat een politicus met een dergelijke wonderpet een blitz-carrière zou maken. Veelvuldig gebruik echter stippelde een andere weg voor hem uit.
Jan is nu abt van een kleine abdij die naast stilte en gebed veel aandacht voor de mensen van alledag heeft. De pet mag niemand nog opzetten. Hij gaat er zondags mee rond in de hoogmis om geld op te halen voor zijn vele goede werken.

De man uit mijn verhaal keerde zonder pet naar huis maar liep toch nog even langs de juwelier.
‘Doe er een mooi kaartje bij. ‘Van een zielige man die jou inderdaad al lang deze mooie broche had moeten schenken.’

Hopper-Self-Portrait-Cropped-5b02fa7230371300372aa17f

Een poëtisch leven, een kortverhaal

6563151197_f6b351584d_b

‘Neen, neen,’ zei de oude dichter, ‘gedichten zijn totaal nutteloos.’
Sprakeloos was ik.
Want had ik niet met Jonkermans gepraat, de nestor, de hoeksteen van hetgeen hier te lande als poëzie doorgaat?
‘Ik heb het laat ontdekt. Nog maar net. Ik zat weer eens op het toilet, wachtte op de wat moeilijk komende ontlasting en op inspiratie. Ja, ik word spottend wel eens een ‘analist’ genoemd. Maar mensen met ervaring zullen mij begrijpen: het moment dat nutteloze resten het lichaam verlaten is een lekkere belevenis. Opluchting. Op die manier heb ik ongeveer zeventig jaar lang gedichten uit mijn lijf zitten duwen. Zeventig jaar.’

bacon29_orig
Hij keek met weemoedige ogen naar de tweeëndertig bundels boven zijn hoofd.
‘Bloemen op de tovermuur, gedichten, nummer één, twee, drie tot en met tien. Het lied der azuren einders, een en twee. De engelengreep van nummer één tot negentien voor ik mij uit hun klemmende armen kon bevrijden. En tenslotte: Land in zicht.’
‘En dat zou allemaal nutteloos zijn geweest?’
‘Poëzie is per definitie nutteloos. Poëzie geeft je wellicht het gevoel dat je boven de gewone sterveling bent verheven. En die sterveling laat hem of haar rustig zweven. De lucht hangt vol met dichters en dichteressen. Als er te veel samentroepen kun je van een ware zonsverduistering spreken. Dan kun je ze alleen met subsidies uit elkaar drijven.’
‘Maar hoe ontdekte u dat uw gedichten nutteloos waren?’
‘Ik zat op het toilet en schreef in spoedtempo iets over het kind en de tijd. Bij het optrekken van mijn broek sukkelt mijn vers bij het andere vers..Enfin, u begrijpt? Was ik eerst geschrokken: mijn kostbare ideeën temidden van het onbruikbare, het ultiem menselijke. Maar toen ik doorspoelde – de geur was wel een beetje hinderlijk geworden- toen voelde ik een grote opluchting. Een metafysische opluchting mag ik zeggen. Om dat gevoel te bestendigen besloot ik al mijn nieuwe verzen op die manier te laten verdwijnen.’
‘Dat kon wel eens voor prozaïsche problemen zorgen, niet?’
‘Ja, inderdaad. Er moest een loodgieter bij te pas komen want ze begonnen het te rieken bij de onderburen. Verstopte leidingen.’
‘U moet maar eens zachter papier gebruiken als u op die manier uw verzen wilt blijven publiceren,’ zei de man. ‘Humoristen, hé, die handwerklieden van vandaag. En zo schrijf ik met een speciale stift al mijn verzen op dubbel gelaagd toiletpapier om er vervolgens…’
Hij maakte een duidelijk gebaar naar de plaats waar zijn billen de rug afrondden. Ik begreep het.
‘Maar onderstel nu eens dat alle dichters en dichteressen op die manier hun product doorspoelen?’ probeerde ik de poëzie te redden.
‘Dat zou een mooie zaak zijn! Spaart bergen papier uit. Bedrukt papier, laten we nauwkeurig zijn. Geen genummerde en gesigneerde exemplaren meer in de kast, in de kelder of op de zolder. Geen gedrein meer om een bundeltje te verkopen bij elk familie- of vriendenbezoek. Mochten er dan nog literaire tijdschriften bestaan dan zou ik ze uitgeven op zacht toiletpapier. Dat spaart ruimte uit en dan zijn ze voelbaar nuttig.’

ready-for-the-snow-george-lucas
‘Wat is een wereld zonder poëzie?’ vroeg ik hem vertwijfeld.
De dichter Jonkermans schudde het hoofd.
‘Kan poëzie iets? Kan ze een deur openmaken? Kan ze aardappelen uit de grond doen groeien? Neen. Een beetje gekreun en gesteun, kamasoutra-standjes van woorden en zinnen, dan heb je ’t wel gehad. Poëzie is een uitvlucht. Een gefriemel op zogenaamd niveau.’
‘Maar waarvoor heeft u dan geleefd?’
De dichter keek door het raam van zijn schrijfkamer. Het liep tegen kerstmis. Zwangere wolken stapelden zich boven de dennenbossen.

‘Een leven lang heb ik geleefd om Anne-Marie te bereiken. Ik zag haar de eerste keer bij mijn plechtige communie. Toen al las ze gedichten van Wies Moens: ‘De oude gewaden zijn afgelegd,’ zei ze zachtjes voor zich uit. Ik zag het gebeuren, hoe ze daar stond zonder die oude gewaden.
‘Ik aanbid dichters,’ zei ze enkele jaren later na het drinken van een ruime hoeveelheid geestrijke drank. Omdat ik geen spieren noch de zogenaamde uiterlijke schoonheid bezat, gooide ik mij op de dichtkunst. Is het u al opgevallen dat de meeste dichters lelijkerds zijn? U begrijpt? Maar Anne-Marie verhuisde naar Zuid-Amerika om met haar vader koffie te gaan planten, iets wat ze nu ontwikkelings-samenwerking zouden noemen. Ik stuurde haar al mijn bundels. Al die jaren schreef ik mij naar haar prachtige armen, naar haar dunne maar gulzige lippen. Ik heb me te pletter geschreven.’

915c9a40bc1f8780da008e534479ccca
De dichter wreef een traan weg en trok een schuifje open naast zijn bureel.
‘Haar eerste en tevens haar laatste brief.’
Hij keek me hoofdschuddend aan en las:
‘Beste Karel. Tot mijn spijt heb ik slechts vandaag, op mijn vierenzeventigste verjaardag ontdekt dat die dunne dure boekjes van jou waren. Ik heb altijd gedacht dat het reclame was voor medicijnen. Meestal ook duur uitgegeven met woorden die niemand begrijpt. Je laatste boekje ‘Land in zicht’ lijkt wel een liefdesverklaring te zijn. Is die voor mij bedoeld? Maar Karel toch! Ik ben een oude vrouw. Ik mank lichtjes, snurk in mijn slaap en ik ben een beetje uitgedeind. Had je me dat veertig jaar eerder geschreven, heel gewoon, iets in de aard van: ik zie je graag, ik was dadelijk naar je toe gekomen.’

hart

De dichter legde het briefje voorzichtig op zijn werktafel en keek naar zijn dichtbundels. Hij plukte er eentje uit het rek en betastte een pagina tussen duim en wijsvinger.
‘Dat zou best kunnen dienen,’ zegde hij opgelucht. ‘Niet te hard, kleine handzame blaadjes, en je hebt nog wat te lezen in afwachting van het resultaat.’
‘Wilt u ze allemaal als toiletpapier gebruiken?’
De dichter knikte.
‘Met uitzondering van enkele vroeg na-oorlogse edities. Dat papier lijkt nergens op. Te ruw.’
Ik zag hem rondkijken. Zijn ogen lichtten op bij de open haard.
‘Misschien zal ik Anne zien in de vlammen. De eeuwig jonge Marie-Anne.’
Zijn besluit spaarde alvast de loodgieters-kosten uit, maar daarmee kun je een diep ongelukkige dichter niet troosten.
‘Het vuur reinigt al onze dwaze verlangens. Zullen we?’
En wat denk je? Tot mijn diepe schaamte moet ik bekennen dat ik als een beulsknecht heb meegewerkt aan een boekenverbranding. De eerste edities wilde hij nog voorlezen voor hij ze aan het vuur toevertrouwde maar na ‘Bloemen op de tovermuur nummer drie’ hebben we de rest in één keer opgeofferd. De oude gewaden, weet je nog.  Morgen begint hij immers opnieuw.  Herinneringen mengen zich graag met dromen. Om ze uit te geven heb ik ook al een idee opgedaan.

202723f4280c10b07583319adadc4eb0
(En wat de schrijver in 1978 schreef en vandaag tot dit verhaal herwerkte is blijkbaar al werkelijkheid geworden. Met een suggestie om ook het rolletje creatief te gebruiken. Dichters, aan de slag!)

Paper Cut Zoo Girafea, 2010 by Anastassia Elias
foto boven:  Sarah Horrigan, schilderij Triptych Francis Bacon

De muze, een kortverhaal

Emma banner - Jean Kislack Collection

Er was eens -en dat is nog niet zo lang geleden- een sprookjesschrijver. Nog voor de televisie goed en wel doorgebroken was, kende hij een leefbaar bestaan. De mensen bestelden soms een variatie op Hansje en Grietje, of ze wilden een actuele versie van Sneeuwwitje. De kinderen liepen na schooltijd gewoon even langs en vroegen dan om een griezel-sprookje. Dan verzamelde de sprookjesschrijver zijn draken, heksen en kobolden, en zonder enige medische of sociale begeleiding stormden ze op de kinderzielen af. Héhé, zegden ze na afloop, dat klonk lekker.
Maar toen kwam de televisie en de spoken, draken en dwergen kregen heel menselijke gezichten. De bestellingen liepen terug, en de kinderen bleven weg.

8eb0beb9c8503e7997ad88004a6d2919

Ze kocht net een kilo sinaasappelen op de markt toen hij haar voor de eerste keer zag. Hij herkende haar meteen.
Daag, zei de sprookjesschrijver. Jij bent het, hé?
Het meisje bekeek hem, trok haar lippen samen en haalde haar schouders op.
Ik mis je al een tijdje, zei de sprookjesschrijver. Vroeger kwam je nog wel eens langs, bij schemer-avond. Ik liet altijd het raam openstaan, speciaal voor jou. Weet je nog? En bij de eerste donkerte was je er. Mijn muze.
Wilt u ook een kilootje, vroeg de verkoper.
Neen, antwoordde de schrijver. Ik eet er wel eentje mee, met haar.
Daar moet je dan niet te lang mee wachten, zei de muze.
En dat deed hij ook niet. Ze dronken een afschuwelijke filterkoffie in het café op de hoek, -mensen van een zekere leeftijd weten nog wat dat voorstelde, de filterkoffie bedoel ik.- hielden elkaars hand vast, kusten elkaar, en keken dan een kwartiertje in elkaars ogen.
Toen ze dat zo’n drie maanden volhielden dachten ze dat ze best konden samenleven.
Dan kan ik mijn raam tenminste dichtlaten, zei de sprookjesschrijver.

C-a9BHQXoAQlsXg

Televisie of geen televisie, de verhalen kwamen weer opzetten.
Met zo’n muze in je nabijheid kan dat ook niet anders, zei de man.
De muze reageerde niet, keek eens in het stapeltje beschreven velletjes en ging dan neuriënd koffiezetten.
Ze klinken allemaal wel een beetje griezelig, hé? vroeg ze toen ze de cake sneed.
Griezelig? Hij wees naar de eerste pagina van het ochtendblad. Wat noem je griezelig?
Ik dacht maar, zei zijn muze, ik dacht maar dat je ze best iets ‘zachter’ kon serveren. Daar houden de mensen van. Een groot kasteel, een sjieke koets, hij-houdt-van-haar-maar-zij-niet-van-een ander, de andere sterft daarna vroegtijdig en dan…
En dan, zei de sprookjesschrijver, dan is er koffie.

Girl in Bed, 1952 (oil on canvas)

Op een dag lag er een briefje op tafel: Ben weg, voor een tijdje of misschien ietsje langer, las hij.
De sprookjesschrijver die net aan een verhaal van zestien afleveringen werkte, barstte in snikken uit.
Had ze een andere schrijver gevonden? Of was het een dichter? Met die kerels wist je immers nooit.
Hij liet het raam weer openstaan, maar buiten een flinke verkoudheid en aardig wat lawaai leverde dat verder niets op.
Zijn verhalen bleven in zijn pen. De uitgevers belden boos en zijn lezers zetten uit noodzaak weer de televisie aan.
Kom terug, zei de sprookjesschrijver, kom toch terug. Ik zal voortaan heel lieve en zachte sprookjes schrijven, met afspraakjes bij de ruïnes van een middeleeuws kasteel, blaffende honden in de ijle nacht, arme bloemenmeisjes die begrijpende heren als vader en geliefde vinden, kinderen met ogen zo helder als water vroeger helder kon zijn, kortom verhalen voor iedereen die houdt van een lach en een traan, maar kom toch terug asjeblief.

telling

En toen ze niet terugkwam, zijn muze, begon de schrijver een eigen zaak. Eerst verkocht hij makrobiotische groenten en fruit, en toen hij daar een aardige cent mee verdiende, opende hij een restaurant. Tenslotte kon hij in tien verschillende steden eethuizen beheren, en na enige tijd kreeg hij ook nog vaste voet in een internationale zaak voor diepgevroren natuurlijke landbouwproducten.
Zijn ramen liet hij nooit meer openstaan. Een perfecte alarminstallatie zorgde voor identificatie van ieder vreemd wezen in en om zijn bureel en woning.
Muze, muze, muze…Iedereen is wel eens jong geweest, zei hij dan.

Storyteller-full

Rikkie, zei de chef-kellner van zijn grootste restaurant, Rikkie dat is best een aardige jongen. Maar dromen dat hij kan, dromen! U heeft er geen idee van hoe dat ventje kan dromen, meneer.
Zo, zei de sprookjesschrijver die net bezig was met bezuinigingsplannen, dromers kunnen we in een restaurant van deze klasse niet gebruiken.
Hij is nog erg jong, zei de chef-kellner. nauwelijks zestien als ik het goed heb.
Dat is sentiment, zei de oud-sprookjesschrijver, ik wil rendement.
En vertellen dat hij kan, meneer, vertellen! Je kunt het zo gek niet verzinnen of hij vertelt het alsof hij het zelf heeft meegemaakt. Verleden week nog waren er enkele kinderen van zo’n deftige lui die absoluut gezond maar toch duur wilden eten – u vergeeft mij de uitdrukking- , en ik moet u niet vertellen hoe lastig kinderen kunnen zijn op plaatsen waar rust en stilte gewaardeerd wordt. Net toen was Rikkie van dienst, en hij begon die krengetjes iets te vertellen waar ze na enkele ogenblikken met open monden naar zaten te luisteren. Draken, spoken en wolven, in feite niets voor kinderen maar slim als hij was hield hij net voor het einde van zijn verhaal op en beloofde het slot te vertellen als ze rustig met de volwassenen zouden maaltijden. Voorbeelden werden het. Hun ouders wisten niet wat ze zagen. En zoals beloofd vertelde hij hen bij het dessert het slot en zag ik de meest verbaasde gezichten die ik in mijn leven heb gezien. Had je dat gedacht! riep de oudste ex-rumoermaker. Ze wilden absoluut terug komen dineren als Rikkie dan weer een verhaal zou vertellen met uitgesteld slot.
Draken, spoken en wolven,’ zei de oud-sprookjesschrijver. Ik denk dat ik eens even met hem ga praten.

50086367_10155866472501440_4835459260567519232_o

En ’s avonds klopte hij aan bij zijn jongste bediende. Waarschijnlijk was hij net even weg. Op zijn schrijftafeltje lag er een berg papieren en sinaasappelen, en door het open raam kon je de stad horen, en nu en dan een mus.

Storytelling-

Tik bij het zoek-vergrootglas de term kortverhaal in en je vindt de verzameling van het voorbije jaar tot nu om na elkaar te lezen of te herlezen.

s-l640

Woelen en staren, een kortverhaal

341806_1_m

Ben je nog geen veertig dan is ‘slapeloosheid’ niet dadelijk verontrustend. Ze wijst waarschijnlijk op een te kort of een te veel aan dagelijkse activiteiten. Ze wordt opgelost met een kop warme melk, een fikse avondwandeling, een tranquilizer of een yoga-oefening, al naargelang de levensovertuiging van de slapeloze.
Blijft ze echter aanhouden en heeft de slapeloze de hierboven geciteerde hulpmiddelen in voldoende mate aangewend dan blijven er slechts weinig andere wegen dan tenslotte het dichterschap of de carrière van nachtelijk denker, ook wel eens filosoof-bij-nacht genoemd.
Noch met poëzie, noch met filosofie was Hendrik Diependaele meer dan de gewone sterveling bekend. Hij hoorde wel eens een gedicht op de radio of bij een begrafenis, waarbij hij zich telkens afvroeg of de maker ervan niet beter ‘ik zie het niet meer zitten’ of ‘ ik ben gek op jou’ kon zeggen. Hij filosofeerde ook wel eens over het bestaan maar die activiteit was dan gericht op een naderende loonsverhoging en zijn vage plannen wat hij daar in de toekomst mee ging doen, als hij al iets deed.

tumblr_n300iimmhk1r5iroio1_1280

Samengevat: poëzie en filosofie waren Hendrik Diependaele slechts bekend wanneer ze ofwel onafwendbaar ofwel in nuttig opzicht in zijn leven verschenen.
Toch leed Hendrik aan een niet te verklaren slapeloosheid.
Keek hij slaperig en geeuwend naar de uitzendingen van de nationale of een commerciële zender, hij was klaar wakker en kiplekker eens de klok middernacht naderde en de mensheid rond dit tijdstip het staande leven met het liggende verwisselde.
Hij dronk eerst een kop gesuikerde melk, een recept van zijn grootmoeder die na inname het bewijs leverde met een serie geeuwen waarbij de andere huisbewoners onmiddellijk uit hun sluimer wakker schrokken, terwijl Hendrik alleen last van een dunne stoelgang kreeg.

1334_50968646f03d358c0c3475194eaf2bdd_1000
Wierp hij zich daarna op de yoga-oefeningen dan bracht dat al vlug een platonische verhouding met de iets oudere yoga-lerares met zich mee die hem bij ‘-in-ademen-en-weer-traagjes uitademen zo hulpeloos en liefelijk leek dat hij bij herhaling van de oefeningen alle vormen van uitgestelde opwinding over zich heen voelde komen in plaats van de rust die hem in Morfeus’ armen moest drijven.
De derde remedie, de fikse avondwandeling, bezorgde hem een flinke bronchitis zodat hij tot vroeg in de morgen kuchend en hoestend zichzelf en de geburen wakker hield.
Tenslotte probeerde hij heel voorzichtig de ‘milde’ tranquilizers zoals ze door de farmaceutische religie werden aangeprezen. Hun mildheid strekte zich niet verder uit dan een vermeende ontspanning, en die ontspanning gaf hem dan zo’n zin tot arbeiden dat hij tot in de vroege uurtjes zijn klantenlijsten en boekhouding aanvulde en moe in slaap viel, net voor de wekker met fel geluid het uur van opstaan aankondigde.
Uitgeput, bleek en suf offerde hij tenslotte een kaars bij het beeld van de heilige Rita, patrones van de hopeloze gevallen. Maar ofwel was de heilige niet te paaien met een dun gedraaide kaars van twee euro vijftig, ofwel catalogeerde zij slapeloosheid bij ‘beproevingen’ die ieder mens overkomen, een peulschil overigens bij het verdienen van de eeuwige rust in het hiernamaals.

insomnia

Hendrik Diependaele bleef inslapen voor het televisietoestel en werd klaarwakker eens de nacht de mensenkudde naar hun ‘sponde’ dreef.
’Dvd’ s over de schaapherders van Anatolië, de vreedzame winterslaap van egels, of de panfluit-door-de-eeuwen heen, het luisteren naar de nachtradio die uitgerekend op rustige uren de meest wilde fantasieën van componisten wist te verklanken, het mocht niet baten. Hij bleef klaarwakker.
Wiskundige problemen, een uitgestorven taal, het van buiten leren van de beurskoersen of het pie-getal met zevenenzeventig getallen na de komma, zijn geest bleef naar meer verlangen tot het morgen werd.

d3ow23-29519feb-d687-496f-94a2-52d356d7aec5
Hij wilde best het leven met een vrouw proberen, maar waar zij na gedane liefelijke eenwording diep in slaap viel, bleef hij alleen op een eiland van onrust en zin tot herhaling achter, wat hem na enkele maanden een onfrisse bijnaam bezorgde.
‘Nachtarbeid!’ dat zou de oplossing zijn.
Hij liet zich als ongeschoolde arbeider aanwerven, maar de krachtinspanningen die hij toen moest leveren waren echter zo miniem dat hij ook overdag nog klaar wakker was. Er waren immer ‘gastarbeiders’ in overvloed om het werkelijk zware werk te presteren zodat de inlandse bevolking ‘op de spade geleund’ zich kon overgeven aan grappen en grollen over homo’ s, joden gekken en vreemdelingen.

Ten einde raad dacht Hendrik Diependaele eraan zijn wakkere uren op te vullen met het schrijven van een steungevend boek voor andere slapelozen.
‘Woelen en staren’ zou de titel zijn. ‘Een ervaring van een slapeloze’ als ondertitel.
Een uitgeverij, gespecialiseerd in het op de markt brengen van levensboeken, vond het een uitstekend idee en Hendrik Diependaele kreeg een contract.
Hij kocht tweehonderd velletjes extra-strong voor de printer, evenveel gelijnde pagina’s en een nieuwe vulpen waarmee hij de eerste proef zou uitschrijven.

insomnia2

‘Ook ik woel, ook ik staar…’ schreef hij, maar dan liet de inspiratie hem in de steek. Het schemerde voor zijn ogen en plotseling overviel hem een sinds lang onbekende vermoeidheid.
Het hoofd op het nauwelijks beschreven blad viel Hendrik Diependaele in een diepe slaap nog voor de klok twaalf nachtelijke slagen sloeg.
En elke nacht als de slaap niet kwam, ging hij bij zijn lege schrijfblok zitten, herlas hij de eerste zin, ook ik woel, ook ik staar, en probeerde hij een vervolg te bedenken.
Maar dat was niet meer nodig want één blik op zijn bundel papier volstond om een weldoende moeheid te voelen opkomen.

Hendrik Diependaele is een uitstekende slaper geworden.
Het boek ‘Woelen en staren’ wacht echter op een andere schrijver.

Night_and_Sleep_-_Evelyn_de_Morgan_(1878)

Het geklop, een kortverhaal

433px-Carl_Heuser_Portrait_of_an_old_lady_with_fur_hat

Sommige mensen, eens ze een bepaalde leeftijdsgrens voorbij zijn, lijken tijdloos. Je kunt ze jaren na elkaar terugzien zonder dat ze merkbaar veranderen. Juffrouw Rutters was tijdloos. Nauwkeurigheid vereist dat ik haar als weduwe Rutters-De Geest benoem. Haar man was tien jaar geleden overleden, en buiten het atelier van de leerlooierij waren er weinig tastbare zaken ter zijner nagedachtenis overgebleven.
Dat atelier lag achter het eerder kleine huisje van het vroegere kinderloze echtpaar.
Atelier is natuurlijk een erg mooi woord voor een ruime schuur bedekt met glazen pannen. Via de bergplaats kwam je van het atelier in de woonvertrekken. Na de dood van meneer Rutters had ze de kamerplanten die licht en ruimte nodig hadden verhuisd, enerzijds om er de lege ruimte mee op te vullen en anderzijds om de kleine vertrekjes iets vriendelijker te doen schijnen dan ze in werkelijkheid waren.

ensor old lady

De merkwaardige gebeurtenissen die zich rondom weduwe Rutters-De Geest afspeelden heb ik uit de eerste hand, en ik kan de lezer verzekeren dat ik met eigen ogen heb gezien wat ik hier met enige huiver zal vertellen.
Weduwe Rutters liep zoals alle mevrouwen lopen eens ze in de tijdloze leeftijd zijn binnengetreden. Voorover, met schuldbewuste pasjes, maar met een merkwaardig goed draaiend hoofdje dat op elk ogenblik alle kanten uitkon. Een hoofdje dat de stramheid van lijf en leden niet gevolgd was, dat een zelfstandig bestaan leidde. Een hoofdje dat alles waarnam wat er gebeurde, en daar hoorde de nooit geborstelde goot van het jonge drukke echtpaar bij als de nauwkeurig geschilderde ramen van de op rust gestelde beroepsmilitair. De kleinste details van een losliggende stoeptegel, naast het aandachtig bestuderen van de nieuwe buren, en het langdurig bekijken van de postbode of het minutenlang stilstaan bij het zwalpend gedrag van de beroepsmuzikant, behoorde tot haar dagelijkse bezigheden.
Mensen op leeftijd wordt veel vergeven want al wist iedereen dat ze nooit met de buren sprak , noch met familieleden of kenissen met wie ze haar observaties toch kon delen, niemand maakte zich verder zorgen over haar voortdurend verwerven van nieuwe inzichten betreffende het reilen en zeilen van wat wij graag als het dagelijks doen en laten bestempelen.

151302_1524004979-850x550_width_50
Haar rechter-buurman hoorde als eerste het aanhoudend geklop in het atelier.
‘Daar schenk je in het begin helemaal geen aandacht aan,’ verklaarde hij later. ‘Iedereen heeft wel eens iets te hersellen, en ze zag er flink genoeg uit om nog zonder hulp kleine klusjes te klaren.’
Het geklop bleef duren, vaak tot laat in de nacht.
‘Ik dacht dat ze een of andere machine in huis had,’ zei de linker buurvrouw. ‘Maar als je goed luisterde kon je wel horen dat het niet erg regelmatig klonk. Nu en dan verhevigde het kloppen, dan waren er weer tragere slagen, en daarna een tijdje helemaal niets.’
Het kloppen duur de een week of drie. De linker buurman had er weinig last van want die was hardhorig, maar het echtpaar naast haar begon zich toch vragen te stellen naar het wie, wat en waarom van de aanhoudende kloppartijen.
‘Mensen zijn veel gewoon,’ zei de vrouw. ‘Lawaai hoor je niet meer. Maar als het blijft duren en op dezelfde plaats is gelocaliseerd dan begin je je toch vragen te stellen.’

Het geklop werd onderwerp van alle gesprekken in de buurt en wijde omgeving.
‘Misschien is het een noodsignaal,’ zei een buurtwerker.
Maar of de weduwe Rutters- De Geest onder ‘medeburger-in-nood’ kon geklasserd worden bleef een open vraag.
‘Ze kan net zo goed aanbellen, dat geklop hoeft helemaal niet.’
‘Ik wil dadelijk een handje toesteken,’ zei een agent die in zijn vrije uren ook loodgieter, huisschilder en dierenverzorger was.

old lady pen inkt

De rechterbuurman besloot vrijblijvend aan te bellen terwijl het kloppen volop bezig was. Slechts bij de vierde keer bellen hield het kloppen op en na een minuut of twee verscheen het hoofdje van de weduwe in de de zuinig geopender deuropening.
Neen, ze had niets of niemand nodig, dankuwel. O ja, of hij even naar links en naar rechts wilde kijken.
De verbaasde buurman voldeed graag aan haar verzoek, kreeg een knikje ter goedkeuring terwijl de deur voor zijn verbaasde ogen weer dicht werd gezwierd.
‘Ze graaft een tunnel denk ik,’ zei de slager van op de hoek. ‘Heb je gezien hoe stoffig haar hoofd was? Of ze wil een schat begraven, dat heb je wel eens met oude mensen die zich door jan en alleman bedreigd woelen.’

Meer en meer straatbewoners begonnen het klopgebeuren te bespreken. Verscheen weduwe Rutters-De Geest in een winkel of bij de bushalte dan verstomden de gesprekken om na haar verdwijnen weer volop het onderwerp van haar klop-activiteiten te zijn.
‘Eenzaamheid! Nu zie je zelf wat eenzaamheid bij de oudere bevolkingslaag aanricht!’ zei een straatbewoner die wel eens een boodschap deed voor zijn opa.
‘Gek, gewoon gek. Mijn oma hoorde stemmen,’ beweerde de uitbater van een hamburgertent, ‘Ze moest van hogerhand een opdracht vervullen. Toen die uit het in de fik steken van de zaak bleek te bestaan, hebben we haar onmiddellijk bij een daartoe gemachtigde instelling afgeleverd.’
Zo kwamen er nog talrijke andere veronderstellingen ter sprake maar omdat de weduwe verder geen gevaar voor de medemens bleek te zijn werd een werkgroep overwogen om bij nachtelijke overlast te kunnen ingrijpen mocht er een meerderheid daarmee instemmen.
Het kloppen, voor zover het overdag plaats vond, werd aanvaard zoals men andere ongevaarlijke eigenschappen van de medemens aanvaardt . De weduwe werd vriendelijk per aangetekend schrijven verzocht rekening te houden met het dag- en nachtritme van de medemens, een verzoek dat zij blijkbaar zonder verder vertoon inwilgde. Voorbij de klok van 22u werd het stil in haar atelier om na 7 ’s morgens zachtjes te herbeginnen met stevige uitlopers tussen 14u en de vooravond.

street-people-alessandro-andreuccetti-2d719045

Zo ging het kloppen zijn vierde maand in. Het behoorde bij de straat zoals de geluiden van de voorbij rijdende auto’s. Het kwam echter volop weer in de actualiteit toen het na negen maanden ophield. Niet even, niet een uurtje of twee, of bij zon- en feestdagen, maar gewoon een hele tijd, zelfs een week lang werd geen klopje gehoord.
De straatbewoners keken elkaar aan, draaiden hun hoofden naar het huisje van de weduwe Rutters en knikten veel betekenend.
‘Heb jij ze al gezien?’ vroegen ze aan elkaar. ‘Er is iets gebeurd met haar. Het is zo stil.’

Met het kloppen scheen ook de weduwe van de aardbodem verdwenen te zijn. Een afvaardiging van de werkgroep besloot bij gewone meerderheid bij haar aan te bellen.
Er verscheen niemand, ook niet na het zestiende belgeluid.
Ze was niet meer in de supermarkt geweest, niet bij de slager, niet in het park opgedoken, en ook de man van de hamburgertent kon met de hand op het hart verzekeren haar niet meer opgemerkt te hebben.
De politie werd verwittigd. Er verzamelde zich een kleine menigte toen deze zich toegang verschafte tot het pand.
Twee agenten verdwenen in het huis en kwamen tien minuten later kennelijk geschrokken weer buiten. Ze konden geen woord uitbrengen. Ze keken alleen met grote ogen naar de verzamelde straatbewoners zoals de weduwe hen had bekeken.
‘Jullie allemaal…’ zei een van de agenten die in de buurt woonde. ‘En ikzelf ook!’
De hele straat drong het huisje binnen, wormde zich door de kleine vertrekken en kwam in het atelier terecht.

mirror_labyrinth_ny_jh_mlny_3854

Daar zagen ze zichzelf staan. Al de bewoners van de straat en kleine omgeving. Levensgroot gebeeldhouwd: de uitbater van de supermarkt, de rechterbuurman, de op rust gestelde beroepsmilitair, de slager, de jonge oude juffrouw. Iedereen stond er levensgroot , met de blik naar een onzichtbare horizon, dromerig in de verte te staren.
De weduwe Rutters- De Geest is nog steeds vermist.

PAF_Jepe_Hein_JamesEwing-1015

Nawoord:

Eens de pers overvloedig -het was de maand augustus- over het voorval had bericht, kwamen de beelden in het plaatselijk museum terecht waar het bezoekersaantal steeg van 30 tot 30.000 per maand.
Er ontstond zelfs een heuse kunstbeweging die de alledaagse mens als onderwerp prefereerde boven de narcistische abstracties die toen opgeld deden.(K.A.M.: Kunst voor/met/van Alledaagse Mensen, met als symbool, inderdaad een kammetje!)
De inhoud van enkele werken wil ik de lezer niet onthouden:
-de vernedering: jonge half geklede vrouw voor de comissie van toezicht die haar na enkele turnbewegingen goedkeurt voor het arbeidscircuit. Een drieluik.
-de raad van beheer als laatste avondmaal
-werkeloze vaders bij de schoolpoort
-aangespoelde mensen: diverse locaties
-uitgerokken dagen: portretten van de oudere medemens
enz.
Vonden de enen deze beweging te links, van anderen kreeg ze net zo goed een rechtse kleur opgeplakt, wat bewijst dat ze inderdaad iets te vertellen had.

P1020116

DE VERGEETPUT, een kortverhaal

Staring-out

Hoe was het allemaal begonnen?
O ja, eerst: de verhuis. Van de ene flat naar de andere. Dezelfde onbekende mensen rondom hem. Een beetje wennen aan het nieuwe decor, maar voor de rest bleef zijn leven zoals het altijd geweest was: geruststellend eentonig.

1122-BKS-Rachman-articleLarge

Op een dag in december bemerkte hij dat er iets was dat die eentonigheid doorbrak. Iets wat hem dus lichtelijk verontrustte. Andere jaren kreeg hij rond deze tijd een kaart voor de autokeuring. Hij reed met een tweedehands autootje uit een-niet-te-herinneren-bouwjaar, en telkens als kerstmis in de lucht hing, kreeg hij een kaartje met een ambtelijke oproep zich met zijn voertuig te melden bij de inspectie.
‘Ach,’ dacht de man, ‘ze zullen het nieuwe adres nog niet doorgestuurd hebben.’ Plichtsgetrouw reed hij dus uit eigen beweging naar de keuring.
‘Tja, als u geen kaart hebt gekregen,’ zei de man achter het bureel, ‘dan zal u te vroeg zijn.’
Maar toen ze samen naar zijn groene kaart keken merkten zij dat hij eerder te laat was.
‘Zozo,’ begon de ambtenaar op een lichtelijk bestraffende wijze. ‘Zozo, u is dus te laat.’
‘U ook,’ antwoordde de man vriendelijk.
Men keek in alle mogelijke lijsten, telefoneerde naar de inspectie van zijn vroegere woonplaats, maar nergens werd er één spoor gevonden dat zijn voertuig enig recht op bestaan had.

alone

Ietsje meer werd de man verontrust toen hij tot zijn nog grotere verbazing vaststelde dat hij dat jaar nog steeds geen aanslagbiljet had ontvangen.
‘Zoiets vergeten ze nooit,’ dacht de man. ‘Als ze centen moeten krijgen, dan zullen ze die krijgen.’ Omdat de man grotere brokken wilde voorkomen, schreef hij een brief naar het belastingskantoor waarin hij voorzichtig vroeg om de toezending van een aanslagbiljet teneinde zijn persoonsbelasting van het voorbije jaar te kunnen betalen.
Twee dagen later kreeg hij het bezoek van een zenuwachtig mannetje.
‘We hebben uw brief ontvangen,’ zei het ventje, ‘en we hebben hem aandachtig gelezen.’
‘Zo,’ zei de man, gelaten wachtend op een vonnis.
De ambtenaar plukte aan zijn klein snorretje, kuchte en zei dan alsof hij over een jeugdzonde sprak: ‘Helaas, maar u heeft geen dossier bij ons. U bestaat eenvoudig niet.’
‘Jamaar, jamaar,’ zei de man en hij haalde zijn portefeuille boven, zocht zijn identiteitskaart, ‘kijk eens, wie is dat dan?’ vroeg hij streng.
De ambtenaar bekeek aandachtig het glanzende kaartje.
‘Misschien kunt u het lezen,’ zei hij. ‘Ik niet.’
De man keek naar zijn paspoort. De letters waren grijze strepen geworden en zijn foto toonde slechts een schimmige gestalte.
‘O,’ zei de man. ‘Te lang in de regen gelegen, denk ik. Met die verhuis…’

asidcheckpoint5-61290550378168

Helemaal verontrust werd de man toen hij bemerkte dat zijn poes niet meer thuiskwam en dat schoenen die hij had laten verzolen onvindbaar bleken te zijn.
‘Herinnert u mij niet meer?’ vroeg hij de schoenmaker. ‘Verleden week heb ik ze zelf binnengebracht. Zwarte schoenen.’
‘Ik kan me gewoonlijk elk gezicht herinneren,’ antwoordde de schoenmaker, maar eerlijk gezegd,’ -hij aarzelde en keek de man nog eens onderzoekend aan- ‘…eerlijk gezegd, ik denk niet dat ik u eerder heb gezien.’

Er kwam ook geen post meer en op zijn bureel sprak niemand nog met hem. Niet dat ze hem meden, dat ze achter zijn rug roddelpraatjes vertelden. Ze zagen hem gewoonweg niet meer.
Er bleek ook geen werk meer voor hem in het opdrachtenbakje te liggen, en zijn mailadres werd door geen enkele computer herkend.
Op een morgen zat hij een beetje wanhopig voor zich uit te staren tot hij plotseling een stem hoorde:
‘Pardon, u zit aan mijn bureel.’
‘O, neemt u mij niet kwalijk,’ stotterde de man.
Hij zocht zijn mantel, nam zijn boterhammetjes uit de bovenste lade en liep de stad in.

do_you_feel_alone__by_fifi797_d52qmnt-fullview

Even dacht de man dat hij het slachtoffer van een complot was geworden, maar hij voelde zich helder en nuchter genoeg om die ziekelijke gedachte van zich af te zetten.
‘Het is een toeval,’ dacht hij. ‘Een samenloop van omstandigheden.’
Toch wilde hij zeker zijn. Hij maakte een afspraak bij een dokter, vertelde hem iets over vage klachten in de maagstreek en wachtte geduldig op de uitspraak van de arts die hem van zijn angsten zou bevrijden: een soort aderverkalking, hersentumor, of iets psychisch, stressaanvallen of een ongekende fobie.
De dokter werd bleekjes, schudde met zijn stethoscoop alsof het ding niet naar behoren werkte, luisterde opnieuw, nam zijn bloeddruk, twee- driemaal en keek hem toen lijkbleek aan.
‘U heeft geen hartslag noch bloeddruk, meneer. U kunt met bankcontact betalen.’

shaun-tan-nobody-understands_grande

In paniek loopt er een man over straat. Neen, de mensen kijken hem niet na. Zelfs als hij iemand hardhandig wegduwt, hoort hij geen scheldwoorden. Dat verhoogt nog zijn paniek. Als hij een agent om hulp wil vragen, hoort de man zijn eigen stem niet meer. De agent kijkt gewoon door hem heen en wandelt verder.
‘Ik spring door het raam,’ denkt de man terwijl hij de trappen van zijn flatgebouw oprent omdat de lift geen teken van leven geeft. ‘Ik spring door het raam!’
Bijna één minuut moet hij aan zijn deur frutselen, dan stormt hij door de living op weg naar het raam dat op een binnenkoertje uitgeeft, voorbij de spiegel…
Hij keert langzaam terug. In één flits heeft hij het gezien. Hijgend staat hij voor de spiegel. Duidelijk zichtbaar ziet hij een dunne, lichtende nul op het spiegelglas, een levensgrote nul.

12728312175_fee90963fc_k

Post Scriptum:

Om niet dadelijk het nummer van een of andere preventiedienst te moeten vermelden, dit naschrift.
Of mijn hoofdpersoon wel of niet gesprongen is, of na een uurtje wenen bemerkte dat die nul ook een ‘o’ kon zijn, een uitroep van verbazing en hij daarna een nieuw leven verzon, laat ik in het midden.
Tussen ‘nul’ en ‘Oh…’ ligt er een duizelingwekkende diepte.
Een troostrijke gedachte.

12-18_PaaE_Nicolas-Moufarrege_7

DE GITAAR, een kortverhaal

 

klJuan_Gris_-_Still_Life_with_a_Guitar

Ze stond een beetje achteraan. Eigenlijk zocht hij iets helemaal anders toen hij ze zag. Hij vergat onmiddellijk waarvoor hij op pad was gegaan.
Zeggen dat hij plotseling een siddering door zijn lijf voelde, is nauwelijks voldoende. Hij beefde. Hij trilde tot in het diepst van zijn wezen.
Zij verdoofde onmiddellijk zijn denken en verlangen.
Nochthans was zij niks speciaals.
Een gewone lange hals, haar rondingen net zoals de rondingen van haar soortgenoten.
Ze was een gitaar zoals er miljoenen gitaren zijn.

klabstract-guitar-cara-marie-petrone

Zelfs als puber had hij nooit gitaar gespeeld. De enige muzikaliteit in zijn familie kon je bij zijn vader aantreffen. Hij had een passie voor kanarievogels.
Er waren ook geen verdoken of bevroren herinneringen die door dit instrument brutaal ontwaakt waren. Hij zag haar geheel onverwacht in de etalage van een kleine muziekwinkel, een ontmoeting die hem als geen andere uit zijn evenwicht bracht zonder enige verklaring. Niet dat hij door deze toevallige confrontatie besefte dat hij de wereld met zijn gitaarspel moest verbluffen.
Hij voelde zich tot haar aangetrokken als was ze een menselijk wezen.
Elke dag stond hij voor de etalage. Hij keek naar haar. Hij volgde de lijnen van haar omtrek en gleed met zijn ogen langs haar snaren. Op en neer, en omgekeerd.
Dat duurde een hele week.
De volgende maandag kon hij het niet langer uithouden. Hij kocht haar met het geld dat hij geduldig opzij had gelegd voor een fototoestel.
‘Wilt u ze misschien proberen?’ had de verkoper gevraagd.
‘Proberen?’
De vraag had hem oneerbiedig in de oren geklonken.
‘Neen, neen. Dankjewel. Ze is voor een neefje dat morgen verjaart.’
En dat klonk al net zo oneerbiedig als wat de man achter de toonbank had gezegd.
‘Stil maar, ‘ dacht hij bijna luidop. ‘Stil maar. Ik geef je niet weg. Ik verzin maar wat.’
Hij betaalde en droeg haar bij haar lange slanke hals als een relikwie naar huis.

kl50e7db5363d3bc778d06caac743e42fb

‘Verliefd op een gitaar?’ vroeg de dokter. ‘U maakt een grapje.’
‘Het is bittere ernst,’ antwoordde de man. ‘Maar ze blijft zo ver van mij. Als ik haar aanraak, is het net of ze zich wil omdraaien. We horen niet bij elkaar, denk ik.’
‘U streelt ze dus?’
‘Ja, heel voorzichtig.’
‘En ’s avonds legt u ze zeker naast u in bed?’ vroeg de dokter met een ingehouden lachje.
De man werd vuurrood. ’Dat zou ik wel willen, maar zij… Ik denk niet dat zij er iets voor voelt. Ik heb geen verstand van gitaren, dat is het.’
De dokter keek hem een halve minuut zwijgend aan.
‘Meneer Veldman’, zei hij tenslotte, ‘u moet een gitaar een gitaar laten zijn. Ofwel leert u erop spelen, ofwel vergeet u haar, zo eenvoudig is dat.’

800px_COLOURBOX3486189

Ze kijkt naar mij, dacht de man. Hij stond bij zijn platenspeler met zijn rug naar de gitaar. Hij voelde haar kijken.
‘Ik zal haar verrassen,’ dacht hij.
Hij zette de naald op het eerste strookje en weldra vulde de kamer zich met vurige Spaanse gitaarmuziek. Toen hij haar aankeek, wist hij dat hij een flater had begaan, en toen hij de muziek wilde afzetten, hoorde hij haar tegen de grond vallen zodat al haar snaren in de plotse stilte natrilden.
‘Verdomme,’ riep de man. ‘Jaloers is ze dus ook. Ze kan niet eens een andere gitaar horen!’

1173146296_large-image_juan-gris-harlequin-with-guitar-lg

Wat hij ook voor haar deed, de kilte tussen hen bleef.
Hij stofte haar elke dag af, zocht een plaatsje voor het raam en met de hulp van een stemfluitje zorgde hij ervoor dat ze op elk ogenblik van de dag juist gestemd was.
Hij keek lang naar haar, vergat vaak te eten en vermagerde dan ook zienderogen.
Tot hij op een dag in een andere winkel, een kleine renaissance-gitaar zag. Bevallig, kleiner dan een gewone gitaar, diepbruin met fraai inlegwerk op de hals.
Eerst dacht hij dat zijn nieuwe verliefdheid wel zou overgaan, maar toen hij thuis zijn gitaar nog eens goed bekeek vielen hem haar grove vormen op die hij blijkbaar vroeger niet had opgemerkt.
‘Een serie-gitaar,’ dacht hij. ‘En daar heb ik dan…’
Hij durfde echter de kleine bruine gitaar niet kopen. Hoe moest hij het haar uitleggen?
Na twe emaanden wilde hij toch een beslissing nemen.
‘Ik verkoop mijn serie-gitaar, en met mijn vakantiegeld erbij kan ik de kleine bruine aanschaffen.’
Die avond legde hij haar alles uit. Heel voorzichtig. Met eenvoudige woorden. Zijn aanvankelijke liefde, haar onbegrip, de nieuwe gitaar en tenslotte zijn beslissing.
Haar koelte leek verdwenen.
‘Neen, zei de man, nu moet je niet meer proberen. Mijn besluit staat vast.’
De volle ronde maan scheen op haar glimmende buik. Het vertederde hem een beetje, maar zijn verlangen naar het kleine edele instrument verdrong zijn medelijden.

cropped-21d23706-f62d-4ce3-88cd-8155e777e8fd

Toen hij haar ’s morgens wilde oppakken sprongen plotseling al haar snaren. Met een afschuwelijke ijzeren klank besprongen ze zijn gezicht.
Twee maanden later mocht hij het ziekenhuis verlaten. Ze brachten hem thuis. Zijn beide ogen was hij kwijt.
‘Je moet leren zien met je vingers,’ zei de gespecialiseerde hulpverlener.
Hij gaf hem de gitaar in handen.
‘Voel maar eens,’ zei de man, met de beste bedoelingen overigens.
Op het moment dat hij haar streelde, voelde hij een hevig verlangen om haar pijn te doen, een pijn die lang zou duren.
Hij glimlachte.
‘Ik weet het,’ dacht hij. ‘Ik weet het. Ik kan haar niet heviger haten dan met gitaarlessen te gaan nemen.’

Dat hij later als blinde gitarist hoge ogen zou gooien -een beetje een ongelukkige uitdrukking, geef ik toe- wist hij toen nog niet.
‘Hoe doe je dat met zo’n eenvoudig instrument?’ werd hem menigmaal gevraagd.
‘Het is een kwestie van geven en nemen,’ antwoordde hij.
Het klonk heel eerlijk.
En het leek wel of zijn gitaar zachtjes natrilde bij al die ee-’s.

klGuitar-man-min

DE BRIEF, een kortverhaal

still-life-with-letter-to-thomas-b-clarke

‘Toch zal ik je schrijven, ‘ had ze gezegd. Veertien jaar geleden. ‘Ik zal je laten weten waar ik ben, wat er met mij is gebeurd. Ik zal je vragen te komen als ik gevonden heb wat ik zoek.’
Zo. Maar, wat zocht zij eigenlijk? Niet het geluk, ook god niet, geen rijkdom of een plaats onder de groten der aarde.
‘Wat ik zoek kun jij op dit ogenblik niet begrijpen.’ zei ze. ‘Het is ver en tegelijkertijd dichtbij.’
Hij had mooi te beweren dat het praatjes waren, ontvluchten van de realiteit, uitstellen van een beslissing.’
Ze hield het bij ‘het zoeken’. Ze zou hem nu verlaten, niet voor goed maar om te ontdekken wat zij in haar leven moest vinden.
‘Dag lieve liefste, hou je sterk, ook al kan het even duren. Je hoort nog van mij!’
Ze vertrok met de ochtendtrein van vier over acht richting hoofdstad om aldaar in een andere trein te stappen, bestemming onbekend.
Zijn vader kon blijven beweren dat ze een hysterisch vrouwtje was, dat ze niet bij haar zinnen zou zijn; zijn moeder had het over het feit dat dergelijke meisjes best nooit zouden trouwen, hij bleef in haar geloven. Tegen elke redelijkheid in hield hij zich aan haar belofte.

9905920_20170331-102254-2

Veertien jaar echter waren er intussen voorbij gegaan. Veertien jaar zonder dat de bewuste brief of boodschap hem had bereikt. Toen ze vertrok was hij bijna twintig en nu vierendertig. Hij had zijn studies opgegeven, werk gevonden bij een maatschappij die handelsreizigers voor een nieuw soort wc-brillen zocht (de ecologische bril die signalen uitzond naar je computer als de grote boodschap te veel -aten of -ieten bevatte!) maar verder werd elk contact met de buitenwereld verbroken.
Immers, geen andere brief dan de hare mocht in zijn brievenbus binnenvallen, geen andere boodschap dan haar verhaal zou in zijn leven een plaats krijgen.
Veertien jaar lang loerde hij op de postbode. Drie generaties brievenbestellers had hij meegemaakt. Hij kende hun eigenaardigheden, hun vaste uren, hun manier om naar de bus te stappen. Maar tijdens die veertien jaar hadden ze alleen zijn aangifteformulier van de belastingen gebracht en later het bericht dat hij nog zoveel of zoveel moest bijbetalen. (het vierde jaar kreeg hij 4 euro terug!)

516px-pierre_bonnard_the_letter

Weer of geen weer, ziek of niet ziek, elke morgen hield hij achter het raam de wacht. Vermoedde hij dat de postbode een enveloppe bij had die hij niet bij de officiële stukken kon thuisbrengen dan was zijn hart bereid niet alleen haar woorden te lezen, maar haar zelfs te omarmen, haar eindelijk mee te voeren naar de slaapkamer, om er na de vreugde van het luisteren, het plezier van het fluisteren te ondergaan tot zij in de stilte eindelijk in elkaar konden opgaan zoals dat zo mooi wordt verwoord.

Na feestelijke muziek te hebben opgezet sloopt hij de trappen af, ging waardig door de gang en bleef hij bij de brievenbus staan, drie minuten lang om de goden te aanroepen hem in geval van teleurstelling bij te staan of om hem vleugels te geven bij het ontvangen van de lang verwachte brief.
Meestal, na met bevende handen de brief uit het kastje te hebben opgevist, bleek het een schrijven van een verre nicht, een oude schoolvriend of werd hij opgeroepen het leven te redden van een zwaar ziek kind uit verre oorlogsgebieden.

03stivo1_thumb1

Opgeven was niet aan hem besteed! Hij wilde blijven geloven dat de dag zou komen. Het scenario voor die gebeurtenis was door de jaren heen zo vaak in zijn hoofd herhaald dat hij het, bij werkelijk plaatsvinden, feiloos zou kunnen uitvoeren.
Kijk, daar komt de postbode. Neen, deze keer rijdt hij niet voorbij. Hij zet de fiets tegen de gevel. Is dat bonkend geluid werkelijk zijn hart? Zijn die tranen op zijn wangen er gekomen zonder langdurige aandrang of zelfmedelijden?
Hoor hoe de muziek door het huis schalt. Hij heeft zich gebaad. Zijn beste pak aangetrokken. Laat de telefoon rinkelen. Zoek iemand anders om slimme wc-brillen aan de noodruftige vrouw of man te bezorgen.
Elke trede die hij afdaalt ziet hij haar weer voor zich, telkens anders, telkens met minder en minder textiel om het mooie lijf. Tot hij haar op de laatste trede met de mantel der liefde bedekt en hij haar in kanten bruidskleed voor het altaar voert.
‘Man die veertien jaar wachtte,’ schrijven de kranten. Zo zie je maar!
Tenslotte pakken zijn vingers de brief. Het is haar geschrift. Opnieuw bestijgt hij de trappen naar zijn woonhoek. Elke trede ziet hij een andere foto van een jonge vrouw die hem tegemoet komt. Steeds dichter en dichter komt ze, in slow motion. Ligt ze dan eindelijk in zijn armen, klik-het volgende beeld- de brief. ‘De brief!’
Nu mag de zilveren briefopenener zijn werk doen. Voorzichtig. Inderdaad, het is haar geur. Violettes de Venise. Hij slaat het velletje open. Volgende beeld.
De postbode stopt niet. Het scenario wordt opgeborgen voor een volgende dagdroom.

11-15waitingforletter

Veertien jaar lang. Elke morgen trouw weer op post. Een ritueel, een viering, een vergroten van de kleiner wordende kans tot ze op hem drukte als lood en hij kreunde: wacht niet langer meer, want mijn hart is niet zo sterk als het hart van mensen die zich dag in dag uit wentelen in de armen van een geliefde.

Twee maal zeven jaar, dacht hij die herfst. Twee maal zeven, het dubbele heilige getal. Nu zou het gaan gebeuren.
De mistige morgenden, de eerste dagen van oktober als er geen enkele kans op een zoele warmte was, als de zomer in de schoonheid van rottende blaren lag te sterven, en andere mooie, zij het dan geplagieerde gedachten.
En jawel! Die morgen scheen het scenario eindelijk werkelijkheid te worden!
Een witte omslag. Hoe hij ook in zijn geheugen naar mogelijke kandidaten zocht die hem op dit ogenblik met een schrijven zouden kunnen gedenken, hij vond niemand!
De verre nicht was aan keelkanker gestorven, de oude schoolvriend in de politiek gegaan, en de caritatieve instellingen waren slim gnoeg hun bedelbrieven rond kerst en nieuwjaar te verzenden.
Dus zette hij feestelijke muziek op, nam hij een bad en liet hij inderdaad de telefoon rinkelen. In zijn beste pak stapt hij naar beneden, en elke trede die hij afdaalt komt ze dichter bij de leeftijd van negentien, de leeftijd toen ze hem verliet om haar zoektocht te beginnen.

De brief. Duidelijk haar geschrift, geen enkele twijfel mogelijk.
‘Kom,’ zegt hij. ‘Kom,’ terwijl hij weer de trappen opstijgt. Eens hij de zilveren briefopener heeft gebruikt , rook hij inderdaad ‘violettes de Venise’.
Heel voorzichtig vouwde hij het papiertje open.
Het is een gedrukt velletje, en daaronder één lijn in haar groot en rond geschrift.
‘Ja,’ schrijft ze, ‘ja, ik heb het gevonden. Helemaal.’
En dan lezen zijn betraande ogen het drukwerk: nodigen hem uit de plechtige huwelijksviering bij te wonen, zaterdag aanstaande.
Hij is notaris, leest hij. Zij intussen doctor in de rechten.
Als hij de brief dichtplooit merkt hij nog één lijntje in haar handschrift, helemaal bovenaan op de achterkant: ‘Ik zou je vragen te komen als ik gevonden had wat ik zocht.’ Of hij er dus wil zijn. In stadskledij.

roger-de-la-fresnaye-the-magician-207469_thumb

DE KERST-VIERDER, een kortverhaal

best-christmas-celebrations-around-the-world-197240edc6574eacb0dfa17ce3952b72

Tienduizend meter hoog in een Boeing 787-10 had hij kerstmis gevierd.
Andere mensen besteden hun dagen aan kanaries of vrouwen, maar hij vulde zijn dagen met kerstmis-vieren.

grandopening_03a

Kerstmis-vieren, de angst voor het donker uitleven. De kick van het groen en het licht.
Als kind telde hij de dagen af en eens kerstmis voorbij was, begon hij aan de intense voorbereiding van het volgende kerstfeest.
Midden in de zomer kon hij plotseling hevig naar de donkere dagen van eind december verlangen. Dan begon hij, om zijn heimwee te temperen, verhalen te lezen waarin allerlei wonderen in sneeuwlandschappen plaats vonden, waar kinderen eindelijk hun verloren ouders terugkrijgen, arresleden naar grote alleenstaande landhuizen schoven en kinderkoren goed gecamoufleerd heimwee uitzongen.
Toen zijn ouders vrij jong omkwamen bij een brand in een hotel, erfde hij een niet onaardige som. Met dat kapitaal begon hij op alle denkbare en ondenkbare manieren kerstmis te vieren.

121202041831-01-santa-1202-horizontal-large-gallery

Hij vierde kerstmis in een verlaten Oekraïnische hoeve, in Jerusalem, Rome en Tokio. Kerstmis in een duikboot, in het exclusieve restaurant topje Eifeltoren, in een weeshuis, ja zelfs in een kerk, kerstmis op zee, in het wilde westen en het barre Noorden. Hij beleefde 25 december bij alle temperaturen en in alle mogelijke omstandigheden.
Hoe ouder hij werd hoe meer hij zocht naar verfijnde manieren om het meest exclusieve kerstgebeuren mee te maken.
Zo ensceneerde hij kerst aan het hof van Lodewijk de zestiende, kerstmis in een arbeidersgezin uit de negentiende eeuw, aan het front, in de Kempen, in een vuurtoren, in de gevangenis, ja zelfs kerstmis thuis met eten van de afhaalchinees die een Koreaan bleek te zijn.

Floating lantern

Toch bleef er een leegte, hoe intens doorvoeld hij ook zijn best deed om de kern van het gebeuren te ontdekken. Ouder, veel ouder, wist hij dat er één manier moest bestaan waarbij al zijn vorige pogingen bleke afdrukjes werden van verkleurde kerstkaarten.
Een kerstmis in een alpenhut omringd door een Russisch kozakkenkoor dat daarna met een legerhelicopter al zingend opsteeg was indrukwekkend maar miste weer die kern. Ook al had hij hen allemaal echte pluimen vleugels aangemeten, al was de helicopter in een lichtende staartster vermomd geweest en kwamen tegen de morgen enkele echte herders verschrikt toegesneld.
Ook zijn kerstmis in Peking werd niet wat hij verwacht had, en zijn kerst met tweehonderd beroemde dichters en schrijvers bleef zelfs lang daarna niet al te fris doorwegen in zijn gemoed.

151223170602-christmas-light-2015-india-super-169

Tot hij op een dag een vreemde man ontmoette. Een lange kerel, met witte loswaaiende overvloedige haren en helderblauwe ogen.
‘Ik weet wat je zoekt,’ zei de man. ‘Ik ken één manier… Maar ik waarschuw je: je kunt niet terug.’
‘Wat moet het kosten?’ vroeg de kerstvierder die net bezig was aan een voorbereiding van een kerst in het Amazone-gebied.
‘Geen cent,’ antwoordde de vreemdeling. ‘Wel je leven.’
‘Och, zei de kerstvierder, ik ben al vreselijk oud en ik zou het geweldig vinden om in de kerstnacht te mogen sterven.’
‘Sterven is niet het goede woord. Maar verder kan ik je niets verklappen. Je moet je helemaal aan mij overleveren.’
En dat deed de kerstvierder.
Hij voelde zich slaperig worden en merkwaardig krimpen. Hij zonk weg in een diepe kuil zonder bodem.

Benauwend was het beste woord. Hij wilde in de zalige warmte blijven en toch weg. Door een nauwe gang werd hij geduwd. Hij schreeuwde het uit toen de lucht zijn longen vulde.
Voorzichtige handen wikkelden hem in doeken. Er daalde een diepe rust in hem neer toen hij een warme adem boven zich voelde. Geen mensenadem, eerder de warmte van dieren in een winterstal.

image

 

EEN ZUINIG LEVEN, een kortverhaal

depositphotos_78527708-stockafbeelding-recycling-theezakjes

Hij was zo zuinig dat hij zelfs zijn denken tot het uiterst minimum beperkte.Ook met zijn gevoelens was hij zo spaarzaam dat er nauwelijks van enige emotie sprake was op zijn gezicht. Zijn bewegingen waren functioneel zonder een overbodig gebaar. Hij keek vooruit, ging recht op zijn doel af en probeerde dan met alleen de hoogst nodige woorden uit te leggen wat hij wilde bereiken.
Gebruikte theezakjes bewaarde hij. Had hij er een zestal gespaard dan hing hij die in kokend water en likte na een voorzichtige slok tevreden met zijn tongpuntje over zijn bovenlip, alsof hij net een thee van een exclusieve melange had geconsumeerd.

Dragon-Egg-Tea-Set-e1437473834629-1024x621

Je zou mij verkeerd begrijpen als ik de indruk wekte hier een krenterig iemand te beschrijven, een hyper-zuinige persoon ook wel eens gierigaard genoemd. Niets is minder waar. De zuinigheid van deze heer leek in niets op de zuinigheid die boven de rivieren als een voorbeeld van vaderlandsliefde of uiterste vervulling van godsdienstplichten geldt.
Deze zuinigheid was een zorgvuldig bestudeerde levenshouding met als doel elke simpele ervaring tot op de bodem uit te puren. Dit was een soor ‘mystieke zuinigheid’, nooit eerder beschreven, nergens ooit toegepast.
Omdat een dergelijke levenswijze hoogst intrigerend was en omdat ik verlegen zat om een kortverhaal, besloot ik het aangename met het nuttige te paren en een bezoek te brengen aan dit type mens dat door ver doorgedreven zuinigheid tot grootse genietingen scheen te komen.

ZGJGZ-Antieke-Chinese-Theepot-Handgemaakte-Yixing-Paarse-Klei-Thee-Proeverij-voor-Thee-Ceremonie-Kleine-Thee-Pot

‘U moet deze thee proeven,’ zei hij vriendelijk. Ik keek bezorgd naar de theepot waarin een zestal zakjes bungelden. Ik nipte even aan de warme drank en zei dan vlug: ‘Het aroma van een hele week zou men kunnen beweren.’
‘Juist,’ zei mijn gastheer. ‘De verhouding van de restjes is gewoonlijk meer dan de volheid van het geheel.’
Daar moest ik even over nadenken. Waarschijnlijk bedoelde hij dat die zes tweedehands-zakjes samen een andere smaak boden dan één nog niet eerder gebruikt theezakje.
Ik probeerde nog een keertje.
‘Misschien proeft u wel de donderdagse smaak niet helemaal omdat hij maar gedeeltelijk nalaat wat hij zou moeten nalaten,’ zei de zuinige heer. ‘Ik heb een nogal  slordige werkster donderdags, en die denkt dat thee des te beter smaakt naarmate hij langer in het water verblijft. Maar dan moet u eens dat dinsdags onderlaagje smaken. Dat maakt alles weer goed. ‘
Ik moest toegeven dat het vreemde drankje niet eens heel slecht smaakte. Wel was het begrip thee niet onmiddellijk de hoofdtoon van mijn smaak, maar ik proefde inderdaad iets bijzonders wat je niet onmiddellijk kunt beschrijven. Het waren tenslotte zes zakjes.

Recycle_gebruikte_theezakjes1-1

‘Wie heeft u deze…’zuinigheid’ aangeleerd?’
‘Mijn moeder,’ zei de man. ‘Wie dacht u anders? Mijn moeder is ermee begonnen toen ze me in een minimum van tijd op de wereld bracht zonder veel poeha of gekreun. Heel berekend trouwens. Ziezo, zei ze toen ik er was. Morgen kan ik weer aan het werk. En de volgende dag deed ze weer het huishouden alsof er helemaal geen kind was bijgekomen.’
‘Is het …economie?’ probeerde ik voorzichtig. ‘Ik bedoel ‘berekening’?’
De man bekeek me met een uiterst zuinige blik, schudde zijn hoofd en zei:
‘Mijn vader, – hij gebruikte bij dit woord een intonatie alsof hij over een gebruiksvoorwerp sprak- mijn vader voelde te veel, dacht overdadig, afin de kwaal van alle mensen die zich boven zichzelf willen verheffen maar tenslotte onder hun eigen soortelijk gewicht worden verpletterd. Terwijl mijn moeder -zijn intoatie veranderde nu lichtelijk, deed meer aan het spreken over een geliefd huisdier denken- mijn moeder zei: je moet een paard laten denken, dat heeft een grote kop. En zo is het. Verwar echter deze uitspraak niet met de zogenaamde domheid die men bij het grootste deel van de levende wezens aantreft. Neen, niets is minder waar. O vergeef me, ik liet me even gaan. De herinneringen, begrijpt u? Mijn moeder leerde mij dat zuinigheid naar de toppen van onze ziel moest leiden als ik mij zo lichtlijk overdreven emotioneel mag uitdrukken. Beperken, maar met meesterschap. Tot en met. De meer gekende ‘zuinigheid’ is een verloederde vorm dan degene die ik beoefen. Sparen, schrapen, oppotten, verbergen. Neen. Het is eerder driemaal kauwen, viermaal kijken, zesmaal smaken.’

1200px-Pompejanischer_Maler_um_70_001
‘Is dat niet vermoeiend?’
‘Helemaal niet. Natuurlijk als u alles driemaal wilt kauwen, viermaal gaat bekijken en zesmaal smaken, ja dan…’
Hij keek me daarbij diep in de ogen zodat ik beschaamd naar de zoldering begon te staren.
‘Hoe leeft u dan?’
‘Ik ontwaak stipt om zeven minuten voor zeven, zodat ik de overige zeven minuten voor het uit het bed stappen kan genieten van het heerlijke gevoel er nog niet uit te moeten. Ik ben wel eens wakker geworden om kwart voor zeven, maar dat was zo onuitstaanbaar, zo overweldigend dat ik er meer onder leed dan wel ervan genoot. Ik ben nog niet zo ver. Ik ben begonnen met één minuut voor zeven. Eén enkele minuut. Nu ben ik al aan zeven. Zeven minuten.’
Hij zegde het alsof hij het over zeven dagen slapen had, slapen met het mooiste specimen van het menselijk ras aan zijn zijde.
‘Daarna het wassen. Wassen. De meeste mensen doen het niet, of ze begieten zich met liters water. Een half bekertje volstaat. Ik ben begonnen met een hele beker. Maar nu, elke druppel voel ik tot diep onder mijn huid. Ik ben frisser dan degenen die zich elke morgen moeten wakker maken met twintig tot dertig liter douchewater. Alsof water niet het goud van de toekomst moet genoemd worden. Natuurlijk kleed ik me nog aan. We moeten ons nu eenmaal aanpassen aan de domheid van de meerderheid. Maar als ik zou kunnen. Ik ben begonnen met een truitje uit te laten, toen al dat dwaze en domme ondergoed. Wat een genot. De buitentemperatuur tot op elke vierkante millimeter van je huid voelen. Verder kan ik niet gaan. Dit land zegt zediger te zijn dan Oberbayern. En dan begeef ik me te voet naar mijn kantoor. Te voet. Ik ben nu aan zevenduizend zeshonderd eeneneveertig voetstappen terwijl ik veertien jaar geleden begonnen ben met achtduizend honderd eenendertig stappen. Fraaie vordering, niet? Bij elke stap wikkel ik mijn ganse voetzool af, ben ik mij bewust van het contact tussen de aarde en mijn voeten. Gaan is een van de opperste genietingen eens men het werkelijke ‘gaan’ heeft ontdekt. Ik doe verder mijn werk, probeer overbodige en dus storende zaken weg te laten en voel me uiterst tevreden.’
‘Heeft u vrienden?’
‘U begrijpt het nog altijd niet,’ zei hij met een zweem van medelijden in zijn stem. ‘Vrienden dienen nergens voor tenzij om er zich zorgen over te moeten maken. Alleen wie vrienden heeft, begrijpt wat eenzaamheid is. Ik heb er geen vermoeden van dus mis ik ze ook niet. En nu moet ik u vriendelijk vragen afscheid te nemen. Ik heb vandaag mijn duizend zeshonderd vierenveertig woorden gezegd, en ik moet nog een lange weg afleggen om van de volgende honderd of tweehonderd te leren genieten…En …’
Hier bleef hij in zijn woorden steken. Ik begreep het. Ik knikte zuinig, stond op, en liep kaarsrecht naar de deur, probeerde zo economisch mogelijk het ding te openen en te sluiten en stond toen op straat.

paul-signac-salle-manger

Zou ik me laten bekeren, dacht ik. Ik wandelde heel traagjes langs de winkels. Begon mijn stappen te tellen, maar dan liep ik heel vlug alsof een hel duivels me op de hielen zat. Bij het duurste restaurant stopte ik.
‘Het allerbest wat wij hebben?’ vroeg de deftige kellner. ‘Werkelijk het allerbeste?’
Nog even dacht ik aan een theepot met daarin zes zakjes en knikte dan. Een getrainde vinger wees me een gerecht aan dat alleen al door zijn prijs me deed duizelen.
’Dat zal het worden. Dat zal het zijn. U maakt me nieuwsgierig,’ zei ik met veel te veel woorden.

bar_restaurants_lasponda_1michelin-star-positano_02

 

DE BLOEM, een kortverhaal

REDON

Misschien was het die bijzondere soort plantaarde uit Moldavië, of de stand van de zon of de maan, of waren het biometrische trillingen van de aarde, maar begin maart begon er een vreemde plant in zijn serre te groeien. Na twee weken had zij al een grotere pot nodig, en de volgende maand leek zij op een grote vrouwentong, maar dan zachter van huid en niet zo puntig bij het uiteinde.

Felix begoot haar elke dag met het klaarste water. Hij draaide haar naar het zonlicht en zorgde voor een zachte temperatuur tijdens de koude voorjaarsnachten. Ook zong hij wel eens een aria in haar gezelschap, uit het repertoire dat hij in zijn jeugd stiekem had aangeleerd toen hij nog van een opera-carrière droomde. ‘Che inviolabile’, of ‘Figlia mia non piangere’, maar liefst draaide hij bij het verzorgen van zijn bloemen op zijn voorhistorische casetterecorder, het bloemenduet uit Lakmé van Léo Delibes om het inwendig mee te neurieën:
‘Sous le dôme épais
Où le blanc jasmin
À la rose s’assemble
Sur la rive en fleurs,
Riant au matin
Viens, descendons ensemble.’

Alphonse-Mucha-Reverie

Op een morgen, tegen Pasen aan, was de omhullende huid van de intussen menshoge plant plotseling gebarsten. Felix zong net ‘Ein Blumenglöcher vom Boden hervor…’ en bleef in de hoge tremolo steken, snakte naar adem, kneep zich in de linkerarm…
Daar, op twee dunne steeltjes nog, stond een prachtige vrouw met lange blonde haren tot ver over de schouders. Haar armen kwamen langzaam los van haar lijf. Rozig was haar vel, nog een beetje groen aan de voet- en haarwortels, maar voor de rest zo rozig als een babyhuid.
Een vrouw met een bloemenleeftijd, niet te jong, niet te oud, tijdloos eerder. Een vrouw die in al haar naaktheid op de twee steeltjes onder haar voeten wiegde alsof er een licht briesje in de serre was opgestoken. Een vrouw die alleen maar bestaat achter de hoek van de mannendromen, zo’n vrouw stond nu voor Felix.
‘Goede morgen,’ zei Felix verlegen. ‘Is het hier niet een beetje te fris?’
De vrouw keek hem niet eens aan. Ook sprak ze niet. Ze bleef maar wiegen en zocht met haar ogen naar het zonlicht.
‘O ja, juist…’ zei Felix.
Hij draaide heel voorzichtig de pot naar het oosten en zorgde voor lauwig water. Ze zuchtte diep, streek met haar hand over d’r haar en rekte zich alsof ze ontwaakte uit een diepe slaap.
Feix, die op dat moment niets beters wist, begon zacht te zingen:
‘Ein Blumen glöcklhen vom Boden hervor, war früh gesprosset in lieblichen Flor…’
De bloem hield op met wiegen, of zeg ik: de vrouw op bloemensteeltjes, glimlachte naar Felix en keek weer naar de morgenzon.
Het werd zwart voor Felix’s ogen net toen hij over ‘ein Bienchen’ wilde zingen, en eens weer bijgekomen, zag hij dat er slechts twee steeltjes in de pot stonden. De vrouw, de pas ontloken vrouw was met geen ogen te bekennen.

Pre-Raphaelites-crop

Verschrikt was hij de tuin ingelopen. Stel je voor dat de buren…Er werd nu al over hem geroddeld. Een man met verdriet die het bij de planten en bloemen moet gaan zoeken.
En juist nu, in deze vroege lentedagen, ontluikt er een bloem waaruit pardoes een jonge vrouw stapt.
‘Hei, riep hij zachtjes. ‘Hei…euh..’ Hoe zou hij haar noemen? Toevallig dacht hij aan de tijd van het jaar. Passie.
‘Hei, passiebloem,’ zei hij, eerder toevallig dan overdacht. Passiebloem. Passiflora, en hij dacht aan zijn liefde voor de jonge zuster Hildegonde. Passiflora, mummelde hij, en toen zag hij haar.
Ze lag achter het bedje waar de jonge salade zou komen en ze dronk met grote teugen van het water in de plassen.
‘Niet doen. Kom.’
Ze liet zich leiden. Haar hand. Dat was geen vlees, eerder de zachtheid van een bloemblad. Menselijk fluweel. Binnen in zijn huisje schonk hij haar helder pompwater in. Het brood, de koffie en de plakjes jonge kaas liet ze onaangeroerd.
Ze draaide zich naar hem. Druppels lekten nog langs haar kin. Dan voelde Felix hoe haar twee armen zich rond hem sloten en hoe hij zich verloor in een geur van amandelhout, vochtige aarde en koele dauw.

6ea315b3820403e67638903ea9fbe724

‘Gesloten wegens vakantie’ hing er op zijn winkeldeur. De hele zomer immers was een diepe roes met zijn passiflora, zijn passiebloem.
Hij zonderde zich nu totaal af van de mensheid, kwam alleen buiten om brood, boter en bessenconfituur te kopen en bleef voor iedereen onbereikbaar.
De vrouw had nog nooit een woord gezegd. En dat hoefde ook niet. Hij had ze een plaats op de mansarde gegeven waar ze zich de hele dag door de zon liet beschijnen.
Regende het dan zette Felix het grote raam open en dan zong hij ‘Ama sospira’ of ‘O, che felice giorno’. Maar het liefst luisterde ze naar het bloemenduet op zijn casetterecorder.
Werd het donker dan plooide de bloemenvrouw zich toe. Ze werd dan heel klein en sliep op een bed van mulle aarde dat Felix speciaal voor haar had ontworpen.
Sommige dagen was ze heel liefelijk, andere dagen niet te bereiken, en op bijzondere dagen als de volle zomerzon op haar stond dacht Felix dat hij alleen al het aanzien van dit prachtige wezen niet meer zou overleven.
Ze werd iets ronder aan haar dijen, haar benen waren niet meer zo stengelig en de rozige huid kreeg een diepbruine tint.
Zo leefde Felix een lente en een zomer met zijn passiflora. Met uitzondering van zijn zingen werd er geen woord gesproken. Ze keken elkaar aan, ze hadden elkaar lief, vielen uitgeput in slaap en begroetten vol hoop het nieuwe licht van de volgende dag.

rsz_flowerart-hazel-women-of-green

September kwam, en met september de eerste kilte. De dagen waren merkbaar korter. De vrouw kreeg grijze haren tussen haar blonde bos die nu tot op haar heupen viel. Ze dronk bijna niet meer. Ze bleef onbereikbaar voor zijn liederen, zelfs voor het bloemenduet op zijn cassetterecorder.
Op een morgen was haar hele linkerarm verslenst. Haar rechter volgde. Haar ogen sloten zich lang voor het donker werd. Wat Felix ook probeerde, zijn geliefde verdorde zoals de natuur de roep van de herfst volgde. Ze werd heel licht, zoals een blad dat van een boom is gevallen. Ze ademde niet meer. Onmerkbaar was ze van het ene naar het andere bestaansstadium vergleden.
Heel dunnetjes werd ze. Ze verging niet zoals een mens zou vergaan. Ze verdroogde. Ze behield daarbij haar geur zodat Felix meermaals dacht dat ze nog wakker zou worden.
Hij was echter te veel tuinman en te weinig dromer om niet te beseffen dat deze passiflora nooit meer zou heropbloeien.
Hij kocht enkele meters absorberend papier, wikkelde de resten van de bloemenvrouw daarin en legde er zijn hele bloemen-encyclopedie op. Na twee weken gaf hij ze een plaats in zijn herbarium, tussen de gedroogde bloemen. Zo klein was ze geworden dat ze tussen het eikenloof en het herderstasje paste.

Hij dacht er een latijnse naam onder te schrijven, maar dat deed hij niet. Hij draaide nog één keer het bloemenduet, met tranen in de ogen, zoals dat hoort als de zomer voorbij is.

Nawoord: Felix heeft nog jaren geëxperimenteerd met het kweken van bijzondere bloemen. Zijn naam is met verschillende rozensoorten verbonden.
Maar zoals dat gaat met wonderen, ze gebeuren maar éénmaal en zijn te vlug voorbij.

Radio-kortverhalen BRT-1 1979 herwerkt 2018

fi1023px-Gustav_Klimt_046