
‘Niet aan beginnen,’ zei het woord.
Ik zweeg, schudde het moeë hoofd en probeerde: ‘Sinister.’
Het bleef even stil. Er werden smalle schoudertjes opgehaald.
‘Je hoort toch dat er te veel “i’s” in zitten? ‘Stekelig. Riekt naar het Latijnse ‘sinister’ dat je met ‘links’ kunt vertalen. ‘Iemand links laten liggen.’ Als je onderweg bent en iets links laat liggen, ga je er niet naartoe . Links was de kant waar het ongelijk vandaan kwam, dus de kant die je moest mijden. Vergeet ‘sinister’.
‘Ik vond het wel mooi klinken.’
‘Maar ik moet erin rondlopen. ‘Daar heb je ‘Sinister’, hij wist er niets van te bakken, meneer de minister.’
‘…maar mist er geen moment van en vist er verborgen verzen uit, lieve sinister’.
‘Links lullen en rechts vullen.’
‘…maar ik wilde links en rechts net uit hun politieke hemdjes halen, lief woord.’
‘Sinister.’
Het woord legde zich tussen de woordenboeken, een plaats waar nog betekenisloze woorden graag toeven, en zuchtte.

‘Besef je nog niet dat ik een vrij woord wil blijven. Morgen ben ik ‘angstzweet’, overmorgen ‘eindstreep’ en volgende week ‘notendop’.
‘Dat zijn drie woorden.’
‘Eens ik in jou geschrijf kom wonen is er geen ontsnappen aan. Je staat er als ‘qui-vive’ of ‘stroomversnelling’ te koop, voor eens en altijd. En dan heb ik het nog niet over ‘uitbrander’, ‘pappenheimer’ of ‘hoogvlieger’.’
‘Wacht even: er loopt een zwarte vogel die een boom draagt op zijn rug en boven op zijn takken staat er een huis met op het dak een ladder tot aan de maan waarop een andere zwarte vogel zit. Wel?’
‘Dat is een tekening! Ik ben maar een woord. Je hebt er een boel nodig om een tekening te vertellen, neem dus een potlood en ga naar een academie om er de stiel te leren.’

‘Ik kan een kroonprins van je maken, of een komeet, of wat denk je van ‘heelmeester’?’
‘Eens je mij neerschrijft en ik later gedrukt de wereld in ga, is het te laat. Ik wil een vrij woord blijven, een zwerfwoord.’
‘Wat denk je van ‘woordeloos’?
‘Wacht even. Zegt het nog eens.’
‘Woordeloos.’
‘Ik ben dan een woord zonder woord te zijn.’
‘Sinister, niet?’
‘Niet dadelijk de vriend van een schrijver, geef ik toe.’
‘Maar dan kan ik nooit nog een ander woord worden. Het verlossende woord, bijvoorbeeld? Of het laatste woord hebben?’
‘Je bent dan helemaal woordeloos.’
‘Het is een prachtig woord. Want wanneer ben je woordeloos?’
‘Op momenten dat je over je woorden zou struikelen, dat iets of iemand te groot voor woorden is, het laatste woord heeft gehad of het verlossende woord heeft gesproken of de daad bij het woord heeft gevoegd.’
‘Maak ‘woordeloos’ van mij.’
‘Het is niet zo’n leuk woord voor een schrijver.’
‘Maar we zullen elkaar dagelijks tegenkomen en als het echt niet lukt dan besef je dat ’woordeloos’ de geliefde van een woord is dat je terugvindt als je aan ‘muziek’ denkt. Familie zijn van ‘schoonheid’ is niet iedereen gegeven.
Zullen we samen ‘woordeloos’ zijn? Althans voor even?’
De schrijver knikte.
Hij begreep dat je best ‘woordeloos’ als goede vriend(in) kon hebben op momenten van gemis en genot waar woorden overbodig worden.
Om de daad bij het woord te voegen luisterden ze naar Schuberts ‘An die Musik’. Om samen woordeloos te zijn.
Je kunt het kortverhaal ook voorlezen of er zelfs een gespeelde dialoog van maken op deze en komende zalige zelfs heilige avonden.

Ontdek meer van In de stilte
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
met dank en wederzijdse waardering
Schit-te-rend!!!