Reisgezel (1): Robert Graves (1895-1985)

teenager looking through camera lens
Photo by Gizem Gökce on Pexels.com

1915

I’ve watched the Seasons passing slow, so slow,
In the fields between La Bassée and Bethune;
Primroses and the first warm day of Spring,
Red poppy floods of June,
August, and yellowing Autumn, so
To Winter nights knee-deep in mud or snow,
And you’ve been everything.

Dear, you’ve been everything that I most lack
In these soul-deadening trenches—pictures, books,
Music, the quiet of an English wood,
Beautiful comrade-looks,
The narrow, bouldered mountain-track,
The broad, full-bosomed ocean, green and black,
And Peace, and all that’s good.

Robert Graves (1895-1985)

vibrant red poppies in a sunny field
Photo by Yakup Tuğ on Pexels.com

1915

Ik heb de seizoenen langzaam voorbij zien gaan, zo langzaam,
In de velden tussen La Bassée en Bethune;
Sleutelbloemen en de eerste warme lentedag,
Rode papavers in juni,
Augustus en de vergelende herfst, tot
De winternachten, kniediep in modder of sneeuw,
En jij was alles.

Liefste, je was alles wat ik het meest mis
In deze zielsdodende loopgraven – foto’s, boeken,
Muziek, de stilte van een Engels bos,
Vriendelijke blikken van kameraden,
Het smalle, met rotsblokken bezaaide bergpad,
De brede, weelderige oceaan, groen en zwart,
En vrede, en al het goede.

Robert Graves

sunlight between trees in forest
Photo by Bart Ros on Pexels.com

Het gedicht „1915“, dat door wetenschappers wordt beschouwd als gericht aan Robert Graves’ jeugdliefde, G. H. „Peter“ Johnstone, verscheen in de bundel Fairies and Fusiliers (William Heinemann, 1917), die Graves schreef tijdens zijn diensttijd in de Eerste Wereldoorlog. Over de dichter schrijft Dustan Ward, een gepensioneerd hoogleraar Engels aan het University of London Institute in Parijs, in zijn essay ‘Poetic Correspondence: The Verse Letters of Robert Graves’, gepubliceerd in The Robert Graves Review, nummer 3: ‘Graves’ romantische visie op Johnstone had hem door alle verschrikkingen van de oorlog heen geholpen: ‘Lieve schat, je bent alles geweest wat ik het meest mis / in deze zielsdodende loopgraven,’ schreef hij. In oktober 1915 had hij [Johnstone] in idealistische bewoordingen beschreven als ‘mijn beste vriend, een dichter lang voordat ik er ooit een zal zijn, een stralend en ongewoon wezen.’”

Nog te koop bij veschillende boeken-antiquariaten

“De problemen van Graves’ problematische leven begonnen, zoals zo vaak, op kostschool waar hij gepest werd omdat hij anders was, een dichter en een Duitse naam had (Robert von Ranke Graves). Vijftig jaar later had hij er nog nachtmerries van. De Eerste Wereldoorlog komt aanvankelijk als een welkome onderbreking, maar de andere officieren aan het front blijken al net zulke xenofobische, lompe barbaren te zijn als de jongens die hij op school had meegemaakt. Bovendien was de oorlog niet, zoals verwacht was, voor Kerstmis afgelopen. Graves werd gewond en bleef vierentwintig uur op het slagveld liggen omdat men dacht dat hij dood was (op zijn eenentwintigste verjaardag). Het verslag dat hij in Goodbye to All That (Dat hebben we gehad) van deze ervaring en de rest van zijn jonge jaren geeft, is nog steeds het beste dat er over de Graves van toen verschenen is, vooral als men het leest met de door Paul O’Prey uitgezochte brieven bij de hand. Martin Seymour-Smith vertelt ons over deze periode nauwelijks meer dan we uit Graves’ autobiografie al wisten, maar over de jaren na 1918 is hij uitvoeriger. Graves, die zijn autobiografie in 1929 schreef, was nogal terughoudend over zijn kort daarvoor mislukte huwelijk, een leemte die met dit nieuwe boek is opgevuld.”

Vrij Nederland Boekenbijlage 1982. ‘Afgrijselijk boeiend Het leven en werk van Robert Graves. Antony Paul’ (1982 ) Lees dit bio helemaal via Vrij Nederland 1982:

https://www.dbnl.org/tekst/_vri013boek02_01/_vri013boek02_01_0227.php

Robert Graves, boeiende website:

https://robertgraves.org/galleries

In “Reisgezel” stellen we u graag boeiende persoonlijkheden voor, zoals Robert Graves. Zijn levensloop en werk als reisgids. ‘Careers’ maakt de bedoelingen (of pogingen) duidelijk:

Graves’ carrière besloeg het grootste deel van de 20e eeuw. Hij was als jongeman getuige van de ontwikkeling van het zelfbewuste begrip dat deze eeuw van haar eigen moderniteit had. Hij kwam bijna om het leven terwijl hij vocht voor zijn geloof in de natie en Engeland, in een tijd waarin moderne idealen het motto ‘voor koning en vaderland’ verdrongen door soms tegenstrijdige sociaal-politieke idealen. Hij was getuige van dezelfde omwentelingen en onderging veel van dezelfde beproevingen als zijn avant-gardistische tijdgenoten (zoals Breton, Soupault en Apollinaire in Frankrijk en T.E. Hulme, David Jones en Wyndham Lewis in Groot-Brittannië) tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar schreef er, samen met andere dichters zoals Edward Thomas, Wilfred Owen en Siegfried Sassoon, heel anders over. Hij zag dat het weer de verkeerde kant op ging en besloot toen „Goodbye to All That“ te zeggen en het leven op zijn eigen voorwaarden te proberen.

Careers

Father is quite the greatest poet
    That ever lived anywhere.
You say you’re going to write great music—
    I chose that first: it’s unfair.
Besides, now I can’t be the greatest painter and
        do Christ and angels, or lovely pears
        and apples and grapes on a green dish,
        or storms at sea, or anything lovely,
Because that’s been taken by Claire.

It’s stupid to be an engine-driver,
    And soldiers are horrible men.
I won’t be a tailor, I won’t be a sailor,
    And gardener’s taken by Ben.
It’s unfair if you say that you’ll write great
        music, you horrid, you unkind (I sim-
        ply loathe you, though you are my
        sister), you beast, cad, coward, cheat,
        bully, liar!
Well? Say what’s left for me then!

But we won’t go to your ugly music.
    (Listen!) Ben will garden and dig,
And Claire will finish her wondrous pictures
    All flaming and splendid and big.
And I’ll be a perfectly marvellous carpenter,
        and I’ll make cupboards and benches
        and tables and … and baths, and
        nice wooden boxes for studs and
        money,
And you’ll be jealous, you pig!

Robert Graves

Geboren in 1895; Anglo-Ierse vader, Duitse moeder. Soldaat-dichter in WOI met zijn vrienden Sassoon en Owen. Na een mislukt eerste huwelijk en vier kinderen schreef hij afscheid van All That en trok zich terug in Mallorca met dichter Laura Riding (1929). Daar schreef hij zijn best verkopende I, Claudius (1934). Zelden behandelend hetzelfde onderwerp twee keer, leidde zijn roman Het Gouden Vlies hem naar zijn baanbrekende stelling over oude religies De Witte Godin (1948) en naar zijn Griekse Mythen. Hij was een bijbelgeleerde, biograaf, vertaler, maar vooral een dichter. Hij publiceerde meer dan 1200 gedichten. Hij werd verkozen tot hoogleraar poëzie aan Oxford (1961) en kreeg de Queen’s Medal for Poetry (1968). Hij ligt begraven in Deià, Mallorca.

Aspecten van de ‘metamorfose’(3) ‘Ovidius Naso’

De val van Phaëthon naar de Metamorfosen van Ovidius. 1590 (klik op de ondertitel en daarna op prent voor vergroting)

De rit van Phaëthon in de zonnewagen van zijn vader Apollo kent een rampzalige afloop. De paarden hebben de aarde in brand gezet. Rivierbeddingen komen droog te liggen en riviernimfen beklagen hun lot. Neptunus met drietand komt uit de zee omhoog en strekt zijn arm ten hemel. Moeder aarde, met stedenkroon verbeeld als Cybele, steekt haar hoofd uit de aarde en beschermt met een hand haar blik. Atlas zwoegt om het hemelgewelf te torsen. Jupiter gooit bliksemschichten en Phaëthon valt met wagen en al uit de hemel. Een gravure bij het verhaal uit ‘Metamorfosen’ van de Romeinse auteur Publius Ovidius Naso .

“Het jaar 762 ab urbe condita (8 v.C). Publius Ovidius Naso staat op het punt zijn omvangrijke “Metamorfosen” af te sluiten. Hij heeft zes jaar gewerkt aan de vijftien boeken die samen meer dan twaalfduizend versregels bevatten. In het lange gedicht verhaalt hij over 231 gedaanteveranderingen van goden en halfgoden, beginnend bij de schepping van de wereld en eindigend bij Caesar, de goddelijke Julius die in een ster veranderde.” (Marc Holthof ‘De Witte Raaf 1995)

De ontvoering van Europa

“Nog maar net klaar met de “Metamorfosen” of hij wordt verbannen door keizer Augustus. Reden onbekend. Paste hij met zijn frivole Grieks georiënteerde poëzie niet in de hervormingspolitiek van Augustus, of was hij betrokken bij een of andere politieke intrige? Ovidius verbrandde het manuscript van zijn “Metamorfosen”. Maar afschriften ervan waren gelukkig al bij zijn vrienden beland, zodat het werk bewaard bleef. Ovidius werd verbannen naar Tomis (het huidige Constanza in Roemenië) aan de Zwarte Zee. Hij schreef er treurzangen en zijn “Epistulae ex Ponto”, Brieven van aan de Zwarte zee – echte exilliteratuur. Hij stierf er in 17 na Christus, 60 jaar oud. Ook Augustus’ opvolger Tiberius heeft de verbanning van Romes beroemdste dichter nooit ongedaan gemaakt.” (ibidem)

Giambattista Tiepolo, Apollo en Daphne,1 74 3­1 74 5 . Het Louvre, Parijs © Fine Art Images/Heritage Images via Getty Images

“U kent allemaal de verhalen over Daphne die achtervolgd wordt door Apollo en veranderd wordt in een laurierboom, Echo’s ongelukkige liefde voor Narcissus, die zijn eigen spiegelbeeld prefereert en in een bloem veranderd wordt. De twee ouderlingen Philemon en Baucis, die als enigen in hun streek gastvrij zijn voor Zeus en door hem bij hun dood veranderd worden in in mekaar groeiende bomen. Er is het verhaal van Acteon de jager die per toeval de godin Diana naakt ziet baden en door haar in een hert wordt veranderd, dat dan prompt door zijn eigen honden verslonden wordt. Geniaal is de manier waarop Ovidius het moment beschrijft waarop de jager plots beseft dat hij de prooi geworden is. Er zijn Pygmalion, Midas, Ariadne, Jason en de Argonauten, Orpheus, de Centauren en vele, vele anderen. ” (ibidem)

Franz von Stuck Orpheus

Tegenover de proteïsche metamorfose plaatste auteur Canetti het masker. Hij meende dat het masker het definitieve einde was van de metamorfose tussen mens en dier, mens en plant: “Een eindtoestand van de metamorfose is het masker (de ‘figuur’). Eén van de eigenschappen ervan is dat het geen verdere metamorfose toelaat. Het masker (de figuur) is in al haar trekken omgrensd en duidelijk. Het is geen product van de natuur, maar een schepping van de mens. Het is een redmiddel uit het eeuwige fluïdum van de metamorfose. (…) Het masker onderscheidt zich door zijn starheid van alle andere eindtoestanden van de metamorfose (…) De betekenis van het masker is (…) juist eindtoestand te zijn. Het in mekaar vloeien van onduidelijke, half uitgeklaarde metamorfosen die eigen zijn aan de wonderlijke uitdrukkingsmogelijkheden die ieder natuurlijk menselijk gezicht bezit, mondt uit in het masker, het eindigt erin.”
Het masker, het vastleggen, vastroesten van de metamorfose is iets zeer negatiefs en gevaarlijks voor Canetti. Het heeft met macht en geweld te maken. “Masse und Macht”, zelf een zeer veelvormig metamorfisch boek, is in de eerste plaats een reflectie over het fascisme. En precies in het verstarren van een bepaald soort rationaliteit ziet Canetti (een beetje zoals Adorno en Horkheimer in hun “Dialectiek der Verlichting”) het ontstaan van het fascisme. Het fascisme, elke vorm van fundamentalisme, is niet metamorfisch, het is één, verstard en onveranderlijk. Het is, kortom, het duizendjarige rijk waar Augustus al van droomde.(ibidem)

Lees de bijdrage:

Andere bronnen:

Publius Ovidius Naso: Teksten in andere boeken/tijdschriften in DBNL

https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=ovid001

https://www.groene.nl/artikel/ontembare-lusten – (vrouwonvriendelijk?)

https://www.rijksmuseum.nl/nl/zien-en-doen/tentoonstellingen/afgelopen/metamorfosen

https://www.koxkollum.nl/ovidius/ovidius.htm: leven en werk van Publius Ovidius Naso (met tekstvoorbeelden)

Wie ik geweest ben, ik, de speelse dichter van de liefde -
luister, dan weet u wie u leest, ook na mijn dood:
Sulmo was mijn geboorteplaats, omringd door koele stromen,
zo'n tienmaal negen mijl verwijderd van de Stad.
Daar zag ik dus het levenslicht en vraagt u naar een jaartal:
dat jaar stierven twee consuls in eenzelfde strijd.
Van ouds behoorde mijn familie tot de ridderklasse,
wat dat ook zegt ... Ik was bepaald geen parvenu,
ook niet de oudste zoon: toen ik verscheen was er een broertje
dat vier kwartalen voor mijn komst geboren was;
onze verjaardag mocht dezelfde Morgenster begroeten
en één dag werd met tweemaal offerkoek gevierd
tijdens de feestweek van de wapendragende Minerva,
en wel de eerste dag met gladiatorenbloed.

Tristia IV, 10; vert. M. d’Hane-Scheltema

Michele Tosini, Leda, ca. 1560–70. Galleria Borghese, Rome.
Daarom, omdat ik leef en zware moeilijkheden aan kan
en dit mistroostig daglicht mij nog niet benauwt,
ben ik mijn Muze dankbaar: zij komt steeds weer met vertroosting,
zij geeft mijn onrust rust, zij is mijn trouwe arts,
mijn leidsvrouw, mijn vriendin; zij voert mij mee, weg van de Donau
en biedt mij 'n zetel midden op de Helicon.
Zij gaf mij zelfs al bij mijn leven - en dat is vrij zeldzaam! -
verheven roem, zoals vaak opklinkt ná de dood;
en nooit heeft Afgunst, die de werkelijkheid kleineert, haar scherpe
jaloerse tanden in mijn poëzie gezet,
want al mijn levensdagen - toch een tijd van grote dichters -
is geen kwaadaardig woord gezegd over mijn werk.
Ik mag dan opzien tegen velen, maar word zelf niet lager
geschat dan zij: de hele wereld leest mij graag.

Welaan dan, als voorspellingen van zangers waarheid zingen,
zal ik, al sterf ik wel, niet echt begraven zijn
en of ik deze roem nu dank aan dichttalent of goodwill,
de meest verdiende dank geldt, lieve lezer, u!

Licht en lommerte (2)

‘Een rustige middag’ Frans Oerder (Rotterdam 1867-1944 Pretoria)

Le jardin et la maison

Voici l'heure où le pré, les arbres et les fleurs 

Dans l'air dolent et doux soupirent leurs odeurs.

Les baies du lierre obscur où l'ombre se recueille 

Sentant venir le soir se couchent dans leurs feuilles,

Le jet d'eau du jardin, qui monte et redescend, 

Fait dans le bassin clair son bruit rafraîchissant ;

La paisible maison respire au jour qui baisse 

Les petits orangers fleurissant dans leurs caisses.

Le feuillage qui boit les vapeurs de l'étang 

Lassé des feux du jour s'apaise et se détend.

- Peu à peu la maison entr'ouvre ses fenêtres 

Où tout le soir vivant et parfumé pénètre,

Et comme elle, penché sur l'horizon, mon coeur 

S'emplit d'ombre, de paix, de rêve et de fraîcheur…

Anna de Noailles (1876-1933)


Elin Danielson Gambogi Finland 1915 40 x 51 cm, De jonge naaldwerkers (1915)

Oud(er) en jong. In de lommerte, dat mooie antieke woord voor het gefilterd zonlicht. (mon coeur s’emplit d’ombre, de paix, de rêve et de fraîcheur.) Herinner je. Het was dat soort licht dat even na het midden van de 19de eeuw voor het verbeelden van ‘des impressions’ de statige verbeelding ondermijnde en het ogen-blik zichtbaar maakte, de beweging van licht en landschap. Het voortdurend veranderen van het bestaande. En met Hans Lodeizen kunnen zeggen: “Er is niets zo zoet als ’s avonds onder de bloemen te zijn’, probeer het eens…

Er is niets zo zoet als ‘s avonds
onder de bloemen te zijn,

probeer het eens
licht het dak op en
alle sterren komen los te zitten

als de tuinman met
zijn wilde spuit vele bloemen
van hun stelen rukt en
vrolijk een deuntje fluit
denkend aan de avond

ruik de
verlichting juist boven
de aarde, glimlachend
drinkend van het water

natuurlijk zijn wij
onder het dak vandaan
de tuin ingelopen.

Hans Lodeizen
Uit: Verzamelde gedichten
G.A. van Oorschot Amsterdam 1996

garden sprinkler watering lush green lawn
Photo by Sóc Năng Động on Pexels.com

‘Altijd als ik langs de A44 van Amsterdam naar Den Haag reed en ik naderde Oegstgeest keek ik eerst naar links naar de Willebrordkerk met het door geboomte omsingelde kerkhof waar zo langzamerhand een heel cluster van mijn familieleden vredig ligt te wachten tot op de dag der opstanding, hoewel de aanvliegroute voor engelen bemoeilijkt wordt door de oprukkende nieuwbouw. Daarna, als ik het viaduct over het Oegstgeesterkanaal passeerde, ging mijn blik naar rechts. Niet om het landschap dat Monet daar schilderde in ogenschouw te nemen, daar wist ik nog niets van. Maar dwangmatig moest ik het pad langs het kanaal zien en even die zondagse voettochten herbeleven in het vreugdeloze teken van Calvijn.’

Jan Wolkers, De schuimspaan van de tijd. Verzamelde essays (Amsterdam 2001), p. 455.

Maar als Wolkers in zijn werk een bij honderdduizenden lezers bekend monument voor Oegstgeest heeft opgericht, dan heeft Klaas Heeroma (1909-1972) dat in het verborgene op zijn manier gedaan. Deze neerlandicus, geboren op Terschelling en gestorven in zijn woonplaats Groningen, is bij het Groene Kerkje begraven in het graf van zijn zoon die kort na de oorlog op jonge leeftijd in Oegstgeest was overleden.
Als Muus Jacobse schreef Heeroma meer dan eens over het Groene Kerkje. Het gedicht ‘De kinderen’, met als motto ‘Groene Kerkje, Oegstgeest’, gaat indirect in op zijn eigen verlies:

De kinderen liggen zo klein
 Onder hun sprei van gras.
 Zij slapen zo lang en vast
 Achter het dicht gordijn.
 
 De tuinman schoffelt het pad
 En drenkt soms een dorstige plant
 Of strijkt met een zorgzame hand
 Van de bedjes het dorre blad.

Muus Jacobse, Het huisgezin. Gedichten (Kampen 1959), p. 27.
Bron: Jan Paul Hinrichs


Jan Paul Hinrichs (1956) publiceerde onder meer Vader van de slavistiek. Leven en werk van Nicolaas van Wijk (1880-1941) (2005; Engelse vertaling 2006) en C.C. Uhlenbeck (1866-1951): a linguist revisited (2009; bundelredactie met Inge Genee). Dit artikel over Oegstgeest is het tweede deel in een reeks van drie. (Digitale bibliotheek voor Nederlandse letteren. De Parelduiker jrg 18. (2013)

https://www.dbnl.org/tekst/_par009201301_01/_par009201301_01_0008.php

Het Groene Kerkje met begraafplaats in Oegstgeest

Hemelse hulp verbeeld en beletterd

Врубель_-_зішестя_святого_духа

Als kind al was ik gefascineerd door de vurige tongen boven het hoofd van de apostelen.

Niet door het verschijnsel zoals de heer Lucas het zou uitbeelden in een starwars-film, maar door de mogelijkheden, de transformatie van bange wezens in ontstekers van allerlei andere heilige vuren, niet in het minst door het spreken van allerlei talen zonder avondschool te hebben gevolgd.

Er waren vooreerst de bange wezens die zich hadden opgesloten in het wonderlijke cenakel, een woord dat bij mij telkens ronde vormen opriep, waar je dus in geen hoekje kon wegkruipen, en ondanks dat hij aan hun vrienden in Emmaus had duidelijk gemaakt dat hij bij hen was, ondanks Thomas en zijn anatomisch vingergepeuter in het lichaam van de Heer, zaten ze daar te rillen, want als er in mijn kinderlijke verbeelding angst optrad dan ging die gepaard met klappertanden en takke-tak van knikkende knieën en sidderende ledematen.

die_ausgiessung_des_heiligen_g

Daarbij kende ik mezelf als bang wezentje.
Wellicht is volwassenheid gewoon het genezen van de angsten die wij als klein wezen hebben gekend.
Als je geen voetballer bent, geen vechtjas (tenzij als kruisvaarder tegen de bende van de aangrenzende straat) geen brave hendrik of primus, maar een fantast die bij elke draai van de straat een draak verwacht, bij de schaduwen van de kastanjelaar de knoestige vingers om zijn kinderkeel voelt, een verhalenverteller kortom, dan ben je in het cenakel van de Boudewijn de Grote’s ‘o mijn kindertijd’ gevangen.

Ik kon mijzelf dus de luxe van een vurige tong boven mijn kinderhoofd best veroorloven, en toen de firma For You koude ijstongen op de markt bracht, frisco genoemd, werden in mijn verbeelding de vurige tongen werkelijk brandende frisco’ s waarvan het stokje zich in het hoofd van de apostel vast had gezet.
Ik vraag de heilige Geest vergiffenis, maar ik was nog ver van de Pardes Rimonim* van de Kabalist Moses Cordovero waaruit mijn grootvader vaak vertelde, maar misschien ben ik nooit zo dichtbij heiligheid geweest als toen, want de zuiverheid van beelden laat zich niet door de esthetica of theologie bepalen, maar ontspruit uit de mooie zin dat de geest waait waar hij wil, een geliefde uitspraak van mijn grootmoeder als mijn grootvader dronken was thuis gekomen.

pardes rimomim

*(Pardes Rimomim: Rabbi Simon ben Jochai verbindt Malchut, het mannelijk element in de kosmos met Tifireth, het vrouwelijk element in de echt in de ‘Pardes Rimmmonim, in de granaatappelboomgaard, een verhaal van de Joodse mysticus Ben Jacob Cordovero een oertekst uit de Kabbalah 1548)

Hortus_Deliciarum_Pfingsten_und_die_Aussendung_des_Heiligen_Geistes_auf_die_Apostel

Als ik uit mijn slaapkamer klom, stond ik ook op een plat dak, net zoals de bangeriken met hun brandende tongen op het dak waren geklommen, maar hoe ik ook mijn best deed om in het Frans of Hebreeuws, het Engels of Jiddisch te zeggen dat er mij iets goddelijks was overkomen, de woorden bleven in mijn mond steken toen ik mijn grootvader in zijn blootje in de grote witbuik-kerselaar zag zitten, waaronder mijn grootmoeder stond te roepen dat hij dringend naar beneden moest komen want dat de witbuiken van de kersen al genoeg aan de verbeelding overlieten zonder dat hij dat door zijn naakte transformatie moest benadrukken.

En hij sprak wel alle talen ter wereld (volgens mijn weten toen) al bleef het in werkelijkheid beperkt tot een scheldtirade in slecht Duits, dat ze niet moesten denken dat nu de forten rond Namen gevallen waren ze het zouden opgeven, en dat hij de architect van die forten (terecht) een proces zou aandoen, hoe konden ze jongens van zijn leeftijd zoiets aandoen, enz.

El Greco, Ausgiessung des Hl.Geistes

Later las ik in de schrift dat de mensen zich beneden op de straat hadden afgevraagd of die vurige polyglotten misschien dronken waren, en jawel, ik begreep het dadelijk, de vurige tongen kregen een lucht van Kempisch gebrouwen (De Keersmaeker) bier en Gentse jenever (Hertekamp), inderdaad ontvlambare materies, zeker toen ik aan een broeder van Liefde die mij onderwijs verstrekte, zei dat ze inderdaad dronken waren geweest, die schijtlijsters, want ik hoorde ook mijn opa alle talen spreken toen hij in een gelijkaardige toestand verkeerde.

De brave broeder, die zelf graag een glaasje lustte, antwoordde dat Gods wegen wonderlijk waren maar dat voor ons, zondige mensen, een Assimil-boekje een betere methode waarborgde om een vreemde taal te bemeesteren.

Botticelli, Sandro, 1444/1445-1510; The Descent of the Holy Ghost

Toch bleef Pinksteren zijn aantrekkingskracht behouden en de heilige Geest heb ik levenslang geëerd door alle duiven tegen gemeentebelangen in van graan en brokjes brood te voorzien, een taak door de geliefde nog steeds in praktijk gebracht.

Want de geest waait waar hij wil, en zijn bange kinderen kunnen er van meespreken al zijn ze intussen de tachtig voorbij.

Carl Jung noemde het ‘de geur van de Heilige Geest’, en met mijn dikke neus kan ik dat beamen.

De Heilige Geest mag dan al naar geestrijke drank hebben geroken, naar de witte drank uit de mooie Hertekamp-fles, hij troostte mij ook door mij beetje bij beetje met woorden  te wapenen om het woordeloze voortdurend te belagen en te belegeren.

Hij verlokte mij tot het “hierosgamos”, letterlijk ‘het heilige spel’, mooier dan het mystieke huwelijk, met andere lagen van het denken en het gewaarworden, en al vluchtte ik voortdurend, laf als we zijn, de walvis in, telkens weer was hij daar met zijn vurige For You en dreef hij mij, als verteller,  het schamele dak op om te stamelen in de talen die hij nodig achtte, liet hij me als heel klein zangertje meezingen in het verhalen-koor waarin tremendum et fasciosum, een element van het dagelijks bestaan ging uitmaken. (tremendum et faciosum:  bibberen en bewonderen!)

Hochfest-Pfingsten-Gottesdienste-und-besondere-Wallfahrten

Is het daarom dat er zich houtduiven in de atlasceder hebben genesteld?

Of weten ze gewoon dat de liefste hen van fruit en granen voorziet en op tijd de katten weghoudt als ze het op de Pinkstervleugels hebben gemunt.

Laat het aardse zich voortdurend met het hemelse vermengen en vice versa, al dan niet in homeopatische verhoudingen.

2-3_Pfingsten_1906__780x500_

(De bovenste wandschildering van Mikhail Vrubel komt uit de St. Cyril-kerk (aan de buitenkant in mooie pistachekleuren geschilderd) uit Kiev, Oekraine. Niet alleen de fraaie compositie trof mij maar ook het menselijke: kijk hoe elke heilige figuur zijn voeten op een tapijtje mag warm houden!)

169a3027e254dd6676988c57af13efd2v1_max_755x425_b3535db83dc50e27c1bb1392364c95a2

Waar de wind waait? Een collectie

“De wind voert ieders lot mee”, luidt de korte samenvatting van de kortfilm getiteld “Jour de Vent”, oftewel “Winderige dag”. Deze indrukwekkende animatiefilm werd in 2024 gemaakt door een team van zes afgestudeerden – Martin Chailloux, Ai Kim Crespin, Élise Golfouse, Chloé Lab, Hugo Taillez en Camille Truding – van de École des Nouvelles Images in Avignon, Frankrijk. En zoals blijkt: eind goed enz. Maar eer het zo ver was, bekijk (op groot scherm) het winderige avontuur ‘boven de wolken!’

Vierhoog in de wolken, ja daar leefden wij
In een stad die niemand beter kende dan wij
Met planten en een kat die 't behangpapier opkroop
En achter vliegen joeg, de muizen waren lang dood

't Was een steile trap die leidde naar vierhoog
'k Beklaag nog de verhuizers, maar het was er zo mooi
Een parasol uit China, een poster van James Dean
Een venster van waaruit je over daken kon zien

Vierhoog in de wolken, ja daar woonden wij
Onder ons de wereld heel ver maar dichtbij
Met een kast vol platen die weemoed binnenhoudt
En een bed dat danste zoveel als je wou

Leven van de liefde, leven van de dauw
Een sprookje dat niet duurt begint met ik hou van jou
Dag parasol uit China, dag poster van James Dean
waarop staat te lezen "Boulevard of Broken Dreams"

Johan Verminnen

Keer ik terug naar ‘de vroegste dagen’ dan hoor ik

‘Hoor de wind waait door de bomen.
Makkers staakt uw wild geraas!’

En meteen was het stil om ‘het heerlijk avondje’ waardig te worden. ‘’t Avondje van Sinterklaas!’
‘Het wild geraas’ is momenteel langs alle kanten waarneembaar. En het prachtige gedicht van Adriaan Roland Holst ‘Zwerversliefde’ een poging tot troost.

fallen maple leaves on the ground
Photo by Brendan Rühli on Pexels.com
Zwerversliefde

.Laten wij zacht zijn voor elkander, kind –
want o, de maatloze verlatenheden,
die over onze moegezworven leden
onder de sterren waaie’ in de oude wind.
.
O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet
het trotse hoge woord van liefde spreken,
want hoeveel harten moesten daarom breken
onder den wind in hulpeloos verdriet.
.
Wij zijn maar als de blaren in den wind
ritselend langs de zoom van oude wouden,
en alles is onzeker, en hoe zouden
wij weten wat alleen de wind weet, kind –
.
En laten wij omdat wij eenzaam zijn
nu onze hoofden bij elkander neigen,
en wijl wij same’ in ’t oude waaien zwijgen
binnen één laatste droom gemeenzaam zijn.
.
Veel liefde ging verloren in de wind,
en wat de wind wil zullen wij nooit weten;
en daarom – voor we elkander weer vergeten –
laten wij zacht zijn voor elkander, kind.


Adriaan Roland Holst (Verzamelde Gedichten 1948)
wind sculpted sand dunes on norderney beach
Photo by Dirk Pothen on Pexels.com
‘Als je tegen de storm in moet trappen, als je tent is weggefladderd,
als de vrachtwagen is gekanteld en je baas je uitfoetert aan de
telefoon, als je nu al weet dat je te laat zult komen voor het enige
sollicitatiegesprek waar je dit jaar voor bent uitgenodigd omdat
de bovenleiding geknapt is, als je oogst geknakt is, als je dak is
opgestegen in één enorme vogelvleugelslag, als je naast je motor
ligt op een verlaten landweg terwijl het hard regent, het tot je
doordringt dat je je geliefden nooit mee zult zien, dan ben ik
bij je, ik blijf bij je, ik strijk zacht door je haar, verkoel je bezwete
voorhoofd, wees niet bang, ik ben hier.’

Hanz Mirck (2025. Labberkoeltje. Uitgeverij Magonia, 118 blz. € 22,95. ISBN 9789492241856

“Een labberkoelte is een flauwe wind, waarbij de zeilen van een schip niet gespannen staan, maar zachtjes heen en weer bewegen, of zoals Mirck het zelf noemt: ‘een aarzelaar die eraan twijfelt of hij het waard is om onderwerp van twijfel te zijn’. Hij legt deze woorden in de mond van de wind, want in deze bundel is de wind aan het woord”
(Meander Literair E-magazine voor Nederlandstalige Poëzie)

sailboat against cityscape at dusk
Photo by Bráulio jardim on Pexels.com
De wind om het huis

Waar heeft rondom het huis de wind het over?
Achter geloken oogen gaat het huis teloor
en wandel ik weer langs een oever
van het verleden, en er is geruis
van water en van riet, vooral van water.
Een blij kind roept mijn naam – werd ik ooit oud?
Ver van de kudde staat een schaap te blaten
als vele jaren her, en ik werd oud.
De wind gaat liggen en de lucht betrekken:
sterven brengt ander weer, ik wist het wel.
Weldra kan ook geen blij kind mij meer wekken.
Dan gaat de dood sneeuwen, en het wordt stil.

A. Roland Holst (1888-1976)
serene winter sunrise with snow covered landscape
Photo by Johanna on Pexels.com

Bioloog Andreas Weber: ‘Zelfs de wind heeft een innerlijk’


Volgens filosoof en bioloog Andreas Weber schiet de moderne wetenschap tekort om leven te beschrijven. ‘We begrijpen het leven poëtisch.’
“Ik zie de realiteit als een ervaring, een web van relaties dat steeds op zichzelf reageert. Dat gaat in tegen de gangbare wetenschappelijk opvatting, die de te onderzoeken werkelijkheid tot materie reduceert. Deze wetenschap ziet de wereld, elk organisme, zelfs ons eigen lichaam, als een object, een ding, een soort machine. Maar machines zijn statisch, en leven is dat allerminst. Terwijl ik dit zeg hebben er tienduizenden DNA-defecten in mijn cellen plaatsgevonden, die ook alweer gerepareerd zijn. Levende wezens zijn continu bezig met uit elkaar vallen en zichzelf weer genezen. De wens te blijven bestaan verraadt het bestaan van een zelf, een innerlijk dat zichzelf in zekere zin waarneemt en keuzes maakt. Zo’n zelf heeft een eigen lichaam, met eigen gevoelens, en een eigen perspectief, maar valt niet te herleiden tot pure materie.’


Maar iets levenloos zoals de wind is toch geen individu?
‘Ook de wind, die we als een levenloos element zien, is relationeel en wordt waargenomen. Bijvoorbeeld wanneer een briesje zacht langs onze huid strijkt. De wind neemt zichzelf misschien niet waar zoals een kikker dat doet – die lijkt daarin veel meer op ons – maar zelfs de wind heeft een zekere innerlijke ervaring.’
‘Elke innerlijke ervaring uit zichzelf op een zintuigelijke manier. Denk bijvoorbeeld aan de katjes van de hazelaar: die zijn een uiting van leven. Ze roepen: “We zitten barstensvol leven en de vreugde van de voortplanting!” Ze zeggen dat niet in een talige formulering – ze doen het gewoon. En wij begrijpen dat vanuit onze eigen belichaamde ervaring, als een poëtische gewaarwording. Alles in de werkelijkheid staat in een dergelijke poëtische verhouding tot elkaar: alles praat over zichzelf, maar niet op een rationele, beschrijvende wijze.’

Eén van de lessen die we als maatschappij kunnen leren is dat we niet zo zwaar moeten tillen aan de dood. Ik zie de dood als een transformatie, van een individueel perspectief naar het perspectief van het geheel. Als je denkt dat de dood een definitief einde is, legt dat enorme druk op onze korte levensduur. Met zoveel druk kun je geen tedere relatie met de wereld opbouwen. Je verliest jezelf in de dreiging van het einde.’


(Filosofie Magazine Robin Atia 13 maart 2024)
https://www.filosofie.nl/bioloog-andreas-weber-zelfs-de-wind-heeft-een-innerlijk/

close up of yellow and white pussy willow buds
Photo by Roman Biernacki on Pexels.com

Kijken en bekeken (2) Louise Glück gedichten

green trees during golden hour

Bij de herdenking van de aanslagen tien jaar geleden, met de moeilijke tijden wereldwijd dezer dagen, het gedicht ‘Vita Nova’ en andere gedichten van de Amerikaanse dichteres, Nobelprijs-winnares(2020) Louise Glück (1943-2023) met verwijzingen naar haar leven en werk.

close up shot of pink cherry blossoms in bloom
Photo by Ralph on Pexels.com

Vita Nova
Louise Glück

Je hebt me gered, je zou me moeten herinneren.

Het voorjaar; jonge mannen die kaartjes kopen voor de veerboten.
Gelach, omdat de lucht vol appelbloesem hangt.

Toen ik wakker werd, besefte ik dat ik hetzelfde gevoel kon ervaren.

Ik herinner me zulke geluiden uit mijn kindertijd,
gelach zonder reden, simpelweg omdat de wereld mooi is,
zoiets.

Lugano. Tafels onder de appelbomen.
Matrozen die de gekleurde vlaggen hijsen en strijken.
En aan de oever van het meer gooit een jonge man zijn hoed in het water;
misschien heeft zijn geliefde hem aanvaard.

Cruciale
geluiden of gebaren als
een raamwerk dat is neergelegd vóór de grotere thema’s

en vervolgens ongebruikt, begraven.

Eilanden in de verte. Mijn moeder
die een schaal met kleine cakejes voorhoudt—

voor zover ik me herinner, onveranderd
tot in het kleinste detail, het moment
levendig, intact, nooit
aan het licht blootgesteld, zodat ik opgetogen wakker werd, op mijn leeftijd
hongerig naar het leven, volkomen zelfverzekerd—

Bij de tafels, plekken nieuw gras, het lichtgroen
dat zich in de donkere bestaande grond nestelt.

Lente is zeker naar mij teruggekeerd, deze keer
niet als een minnaar maar als een boodschapper van de dood,
toch is het nog steeds lente, is het nog steeds teder bedoeld.

(Vita Nova Ecco Press 1999)

cherry blossom flower on tree branch
Photo by Alexandru Taradaciuc on Pexels.com

Louise Glück, born on April 22, 1943, in New York City, is the author of numerous books of poetry, including Faithful and Virtuous Night (Farrar, Straus, and Giroux, 2014), which won the 2014 National Book Award in Poetry. Glück served as a Chancellor for the Academy of American Poets from 1999 to 2004. She was the recipient of the 2020 Nobel Prize in Literature, and was the Library of Congress’s twelfth poet laureate consultant in poetry. Glück died on October 13, 2023, in Cambridge, Massachusetts.

a close up shot of a white cherry blossom
Photo by Pexels User on Pexels.com
Vita Nova
Louise Glück


You saved me, you should remember me.

The spring of the year; young men buying tickets for the ferryboats.

Laughter, because the air is full of apple blossoms.

When I woke up, I realized I was capable of the same feeling.

I remember sounds like that from my childhood,   

laughter for no cause, simply because the world is beautiful,

something like that.

Lugano. Tables under the apple trees.

Deckhands raising and lowering the colored flags.

And by the lake’s edge, a young man throws his hat into the water;

perhaps his sweetheart has accepted him.

Crucial

sounds or gestures like

a rack laid down before the larger themes

and then unused, buried.

Islands in the distance. My mother   

holding out a plate of little cakes—

as far as I remember, changed

in no detail, the moment

vivid, intact, having never been

exposed to light, so that I woke elated, at my age   

hungry for life, utterly confident—

By the tables, patches of new grass, the pale green 
pieced into the dark existing ground.

Surely spring has been returned to me, this time   

not as a lover but a messenger of death,
yet   
it is still spring, it is still meant tenderly.
close up shot of pink cherry blossoms in bloom
Photo by Cosmin on Pexels.com

Lees over leven en werk van Louise Glück:


Afnemende wind

Toen ik jullie maakte, hield ik van jullie.
Nu heb ik medelijden met jullie.

Ik gaf jullie alles wat jullie nodig hadden:
bed van aarde, dek van blauwe lucht -

naarmate ik verder van jullie vandaan raak
zie ik jullie steeds duidelijker.

Jullie zielen hadden al lang immens moeten zijn,
niet wat ze bleven,
kleine kletsende dingen -

ik gaf jullie ieder geschenk,
blauw van de lenteochtend,
tijd waarvan jullie het gebruik niet begrepen -
jullie wilden meer, dat ene geschenk
bestemd voor een andere schepping.

Wat jullie ook hoopten,
jullie gaan jezelf niet vinden in de tuin,
tussen de groeiende planten.
Jullie levens zijn geen kringloop als die van hen:

jullie levens zijn een vogelvlucht
die begint en eindigt in stilte -
die begint en eindigt, een echo in vorm
van deze boog tussen de witte berk
en de appelboom.

(vertaling Erik Menkveld)
close up of white apple
Photo by Léa Crochard on Pexels.com

De beste typering van Glücks poëzie die ik hoorde, was dat ‘alles wat ze aanraakt, verandert in muziek en legende’. Inderdaad, Glück hoort bij die club van dichters van wie het werk uit zichzelf zingt, waar de nadrukken liggen waar zij ze heeft bedacht (haar afbrekingen! let maar op), en een verhaal te vertellen heeft: een verhaal van compassie, van verwondering, van afkeer, soms, ook – en van lyrische woede: haar trefzekere, vrij recente gedichten over Persephone, gevangen gehouden door Hades, kunnen worden gelezen als een directe aanval op het patriarchaat: ‘She does know the earth/ is run by mothers; this much/ is certain. She also knows/ she is not what is called/ a girl any longer. Regarding/ incarceration, she believes// she has been a prisoner since she has been a daughter.’

Philip Huff De Groene Amsterdammer 14 oktober 2020

Avondrood
 
Mijn grootste vreugde
 is het geluid van jouw stem
 als die me roept zelfs in wanhoop; mijn verdriet 
dat ik je niet kan antwoorden
 in een spraak die je als de mijne aanvaardt.
 
 Je hebt geen vertrouwen in je eigen taal.
 Dus hecht je
 gezag aan tekens
 die je niet nauwkeurig kunt lezen.
 
 En toch bereikt je stem me altijd.
 En ik antwoord aanhoudend,
 terwijl mijn woede luwt
 naarmate de winter vergaat. Mijn tederheid
 zou je duidelijk moeten zijn
 in de koelte van de zomeravond
 en in de woorden die uitgroeien
 tot je eigen antwoord.

(vertaling Erik Menkveld)
green trees during golden hour
Photo by Werner Redlich on Pexels.com
Ochtendgebed
 
Niet alleen de zon maar de aarde
 zelf schijnt, wit vuur
 danst van de opzichtige bergen
 en de vlakke weg
 schittert in de vroege ochtend: is dit
 alleen voor ons, om een reactie
 uit te lokken, of ben jij
 ook ontroerd, niet in staat
 je te bedwingen
 in bijzijn van de aarde - ik schaam me
 voor wat ik dacht dat je was,
 ver weg van ons, dat je ons zag
 als een experiment: het is bitter
 om het wegwerpdier te zijn,
 bitter. Lieve vriend,
 lieve, huiverende bondgenoot, wat
 verrast jou het meest in wat je voelt,
 het stralen van de aarde of je eigen gevoel van verrukking?
 Zelf blijf ik me verbazen
 over die verrukking.

vertaling: Liesbeth Goedbloed
village in front of the mountains
Photo by Quang Nguyen Vinh on Pexels.com

De nieuwe kleren, een sprookje?

Dit sprookje (AT 1620, ‘The King’s New Clothes’) dankt zijn bekendheid aan de sprookjesbundel Eventyr fortalde for Børn (1835) van Hans Christian Andersen (1805-1875). Andersen gebruikte als voorbeeld het verhaal uit het veertiende-eeuwse kluchtboek El libro de los exemplos de conde Lucanor et de Patronio van de Spanjaard Juan Manuel. Het motief van het bedrog met de niet bestaande kleding is echter al veel ouder en komt al in een Indiaas verhaal in de Avadânas (Boedda’s wedergeboorten) uit de eerste eeuwen na Christus voor. Hier weeft iemand zo’n fijne draad dat niemand hem kan zien.

Behalve met niet bestaande kleding kan het bedrog ook plaatsvinden met een niet bestaand schilderij. Een verhaal met dit motief komt voor het eerst voor in de veertiende-eeuwse Der Pfaffe Amîs van Der Stricker. Alleen wettig geboren kinderen zouden een schilderij kunnen zien. Het verhaal duikt later op in de Uilenspiegel-cyclus en bij Hans Sachs. Als mondeling verhaal is de ‘Nieuwe kleren van de keizer‘ weinig opgetekend: slechts hier en daar in Europa, Azië en Zuid-Afrika. Wat Nederland betreft is het alleen enkele keren in Friesland door Ype Poortinga in de jaren zeventig opgetekend.

Het verhaal van Andersen is in 1893 gedramatiseerd door Ludwig Fulda in diens Der Talisman.

Pim Marijn Sanders in de Efteling ‘De naakte keizer’

Rembrandt’s tulbanden, Élisabeth Vigée Le brun’s sjaals, Rosa Bonheur’s lange broeken, Balzac’s kamerjas door Rodin, Andy Warhol’s pruik, Niki de Saint Phalle’s slangenjurk… Maken kleren de kunstenaar? Of de ziel van de geportretteerde?

The Artist, the Model and her Lawyer, 1992

In 1992 maakt Marlene Dumas een schilderij getiteld The Artist, the Model and her Lawyer. Midden op het doek staat het naakte model met haar handen afwachtend op haar rug. Aan weerszijden van haar staat een geklede man. Zij zijn druk met elkaar in gesprek. De titel, die boven de hoofden van de drie figuren geschreven staat, geeft aan dat het hier om de kunstenaar en de advocaat van het model gaat. De kunstenaar en het model zijn blijkbaar in een ongelijke strijd verwikkeld, anders had het model geen nood aan een advocaat. Het model is trouwens naakt, terwijl de lichamen van de twee heren verhuld blijven door de kleding die zij dragen. Zo beschouwd is Dumas’ schilderij een uitwerking van Manets Déjeuner sur l’herbe. Ook daar zien we een naakte vrouw temidden van twee zorgvuldig geklede heren. Wordt de ongelijkheid in Dumas’ werk nog enigszins gelegitimeerd door de professionele motieven van de kunstenaar en de context van het atelier, dan neemt ze ronduit groteske vormen aan in Manets Déjeuner. Het groene gazon levert nauwelijks een narratief alibi voor de naakte aanwezigheid van de vrouw. (Ernst van Alphen)

Lees verder:

With regret for the fact that ‘sexy’ also implies something stupid and the fine arts avoid that in favour of the ‘erotic’. I’ve always felt related to those places where the pin-up feels at home. And I thank all those nameless artists who’ve given us the real pin-ups.

Marlene Dumas, in: Sweet Nothings

Manet, Edouard – Le Déjeuner sur l’Herbe (The Picnic)

Er is ook een erg wrede versie van ‘de nieuwe kleren van de keizer’ Auteur, Yeh Shengtao (1894-1988) was leraar, daarnaast schrijver van kinderliteratuur en korte verhalen. Terugkerende onderwerpen daarin zijn het lot van kinderen in het autoritaire onderwijssysteem en de machteloosheid van hervormingsgezinde intellectuelen. Gedurende de jaren twintig en dertig was hij in Shanghai actief als criticus en tijdschriftredacteur. Na de oprichting van de Volksrepubliek China in 1949 was hij een tijd lang vice-minister van onderwijs. Annemie Bonneux maakte een vertaling . (De Tweede Ronde Jrg 27 2006)

Lees:

https://www.dbnl.org/tekst/_twe007200601_01/_twe007200601_01_0074.php

Het verhaal in ‘De Efteling’

Ook Roald Dahl maakte er een moderne berijmde versie van die je terugvindt in zijn verzameling ‘Rijmsoep’ In dit boek figureren heel wat bekende figuren, die hun strepen al lang verdiend hebben in andere verhalen, sprookjes of vertellingen. Wie kent er niet het verhaal van ‘De nieuwe kleren van de keizer’ of ‘Ali Baba en de veertig rovers’? Roald Dahl zou Roald Dahl echter niet zijn als hij niet aan elk verhaal een bijzondere wending gaf. De basiselementen blijven behouden, maar vaak lopen ze net iets anders af of krijg je een heel andere invalshoek voorgeschoteld. In ‘De nieuwe kleren van de keizer’ gaat de keizer in zijn nieuwe pak skiën. Hij is, net zoals in het sprookje, uiteraard helemaal naakt. Al vlug is hij helemaal bevroren en jubelt het hele land blij: “Nu zijn we eindelijk vorstvrij!” Vertaling van Huberte Vriesendorp.

's Keizers kleermaker, mijnheer Grijs,
had zijn zaak naast het paleis.
Zo kon de keizer wel twaalf keer
elke dag naar hem heen en weer.
Want hij was verzot op kleren:
pakken, mantels, hoeden, veren,
gestikte vesten van rode zij,
paarlen knoopjes op een rij...

Het paleis was vol goud en pilaren,
en lakeien en kamerdienaren,
die de hele dag niets anders deden
dan persen, strijken en de keizer kleden.
Maar kleren kunnen gevaarlijk zijn
voor 'n keizer met 'n minibrein…
Bij hem kwamen op de eerste plaats
zijn kleren, en de mensen 't laatst.
Neem nou de lakei die per ongeluk
iets morste op een kledingstuk.
Hij werd dadelijk in het openbaar
opgehangen aan zijn haar.
Een andere lakei, die jammer genoeg
bij het borstelen 'n pluisje oversloeg,
werd levend gekookt, net als een kreeft,
iets wat men maar zelden overleeft.
De dienaar die wat snuif had gemorst
op de gouden mouwrand van de vorst
werd vermalen in een machine
tot eersteklas dieetmargarine.

Verder te lezen via

Een heel andere toonaard in ‘The Emperor’s New Clothes van Sinead O’Connor

You asked for the truth and I told you
Through their own words
They will be exposed
They've got a severe case of
The emperor's new clothes
The emperor's new clothes
The emperor's new clothes
The emperor's new clothes
Keld Moseholm (1936-2023) The Emperors new Clothes

Een heel kleine vogel op de schouder van een engel: Henri Rousseau (1844-1910)

Henri Rousseau, “Carnival Evening,” 1886, at the Barnes Foundation in Philadelphia.Credit…via Philadelphia Art Museum
Un tout petit oiseau
Sur l'épaule d'un ange
Ils chantent la louange.
Du gentil Rousseau.
 
 Guillaume Apollinaire.

His breakout dreamscape for that show, “Carnival Evening,” is here, starring a clown and a distant, half-painted house of real, stumping enigma. Its hundreds of needle-fine tree branches silhouetted black against a winter sky gradient foretell the day-night conjurings of Magritte. (Aside from color behavior, Rousseau knew how the eye adjusted to the absence of light.).   (Walker Mimmss NY Times 16 jan 2026)

Bio’s van schilders hebben de neiging om vanuit het schilderij meteen de werkelijke levensloop te integreren. Mijn verste bron echter, de Nederlandse kunstcriticus en schilder Kasper Niehaus is nog in dezelfde eeuw als Henri Rousseau geboren en zijn artikel in ‘Elseviers Geïllustreerd Maandschrift jaargang 42 verscheen in 1932 waarin hij zijn kennismaking met het werk van deze eenling uit de letterlijke doeken doet.

"IN Juni 1912 schreef een vriend mij uit Parijs, dat hij bij Uhde geweest was, een kunsthandelaar en fijn schilderijenkenner, die ook over kunst schreef en die naast een prachtcollectie Picassos en Braques en ook zeer fijn werk van Marie Laurencin, vooral een mooie verzameling werk van Henri Rousseau had: ‘een schilder wiens naam je waarschijnlijk nog nooit gehoord hebt. Toch is hij al twee jaar dood en niet jong gestorven. " 

De slapende Bohémienne La Bohémienne endormie (klik op beeld om te vergroten)

Met de woorden van Kasper Niehaus (1932):

"In een geel, rood en groen gestreept kleed, slaapt de Bohemienne, met den eenen arm onder het hoofd in een evenwijdig geplooide, amethyst-paarse doek, op een oranje en groen gestreept kussen, in het alles als doorschijnend makende licht van de maan. In de rechterhand houdt zij een stok. En toch is de Bohemienne daar niet gekomen! Zooals Cocteau zeer juist heeft opgemerkt, liet de schilder, die nooit een détail vergat, geen enkel spoor na in het zand om de slapende voeten. De nagels van voeten en vingers liggen als schelpjes aan den oever van dezen stroom der vergetelheid. De mandoline met het donkere, rood-omzoomde klankgat, de snaren als besneeuwde draden van een interasterale telegraaf en de schroefjes als maansteentjes, de roode kruik, loopen volgens Uhde tien jaar vooruit op de heele komende Fransche schilderkunst welke zij doen voorvoelen; (ibidem)

Zelfportret 1890


Daarentegen gaf hij elken Zondag een soirée, waar hij z'n vrienden uit de voorsteden, winkeliers, schoenmakers, kleermakers uitnoodigde en z'n schilderijen aan hun critiek onderwierp. Hij zei eens: ‘Ik heb veel van deze menschen geleerd, veel meer dan van alle critieken, die men tegen mij schreef. Bijvoorbeeld, m'n ‘Leeuw in het oerwoud’ was op de expositie en niemand had bemerkt, dat ik vergeten had den leeuw oogen te schilderen. Daar kwam een oude vriend van mij, een douanier van den Pont de la Tournelle en lachte: ‘Oude vriend, gij hebt immers vergeten den leeuw oogen te geven.’
Rousseau liet zich dus door het volk corrigeeren! (ibidem)

De oevers van de Bièvre nabij Bicêtre 1908-1909

Rousseau identificeerde het onderwerp van dit schilderij in een handgeschreven notitie, bevestigd aan het spanraam, gedateerd 1909, het jaar waarin hij het ter verkoop aanbood aan de kunsthandelaar Ambroise Vollard. De scène toont het landschap rond Bicêtre, een arbeiderswijk aan de zuidelijke rand van Parijs, vlakbij de rivier de Bièvre (die nu ondergronds door de stad stroomt). In de tijd van Rousseau was de waterweg zwaar vervuild, maar op bepaalde plekken was het uitzicht nog steeds schilderachtig, zoals blijkt uit de figuren in boerenkleding op het met bomen omzoomde pad links en het glimpje van het zeventiende-eeuwse aqueduc d’Arcueil op de achtergrond. (The Met)

La Guerre. circa 1894. musée d’ Orsay Klik op titel om te vergroten

Een keuze uit zijn werk vind je onderaan de Franse Wikipedia gegroepeerd per onderwerp:

https://fr.wikipedia.org/wiki/La_Guerre_%28Rousseau%29

Henri Rousseau. Zelfportret van de kunstenaar met een lamp 1903

Henri Julien Rousseau werd geboren in Laval in de Loirevallei in het gezin van een loodgieter. Hij ging naar de middelbare school in Laval, eerst als dagleerling en daarna als kostschoolleerling, nadat zijn vader schulden had gemaakt en zijn ouders de stad moesten verlaten omdat hun huis in beslag was genomen. Op de middelbare school was hij middelmatig in sommige vakken, maar hij won prijzen voor tekenen en muziek. Hij werkte voor een advocaat en studeerde rechten, maar “probeerde een kleine meineed te plegen en zocht zijn toevlucht in het leger”, waar hij vanaf 1863 vier jaar dienst deed. Na de dood van zijn vader verhuisde Rousseau in 1868 naar Parijs om als ambtenaar zijn moeder, die weduwe was geworden, te onderhouden. Met zijn nieuwe baan begon hij in 1869 een relatie met de dochter van een meubelmaker, Clemence Boitard, die zijn eerste vrouw werd en voor wie hij een wals schreef met haar naam. Ze kregen negen kinderen, maar tuberculose was in die tijd wijdverbreid en zeven van hen stierven op jonge leeftijd. In 1871 werd hij gepromoveerd tot belastinginner bij het tolkantoor in Parijs. Hij begon serieus te schilderen toen hij begin veertig was en op 49-jarige leeftijd nam hij ontslag om zich volledig aan zijn kunst te wijden. Zijn vrouw stierf in 1888 en hij hertrouwde later.

Rousseau beweerde dat hij “geen andere leraar had dan de natuur”, hoewel hij toegaf dat hij “enig advies” had gekregen van twee gevestigde academische schilders, Felix Auguste-Clement en Jean-Leon Gerome. In wezen was hij autodidact en wordt hij beschouwd als een naïeve of primitieve schilder.

Henri Rousseau, “Portrait of Madame M.”Credit…via Musée d’Orsay

Het oorspronkelijk artikel door Kasper Niehaus in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. kun je raadplegen:

https://www.dbnl.org/tekst/_els001193201_01/_els001193201_01_0096.php

https://www.dbnl.org/tekst/_els001191301_01/_els001191301_01_0042.php

‘De droom’ (klik op ondertitel om te vergroten)
Gedicht bij Le Rêve (De Droom):

Yadwigha dans un beau rêve
S'étant endormie doucement
Entendait les sons d'une musette
Dont jouait un charmeur bienpensant

Henri Rousseau

Hommage à Eric Satie

Madame Henri Rousseau
monte en ballon captif
Elle tient un arbrisseau
Et le douanier Rousseau
prend son apéritif

L'aloès gonflé de lune
Et l'arbre à fauteuils
Et ce beau costume
Et la belle lune
Sur les belles feuilles

Le lion d'Afrique
Son ventre gros comme un sac
Au pied de la République
Le lion d'Afrique
Dévore le cheval de fiacre

La lune entre dans la flûte
Du charmeur noir
Yadwigha endormie écoute
Et il sort de la douce flûte
Un morceau en forme de poire.

Jean Cocteau (1889-1963)
Muse Inspiring the Poet (Portrait of Guillaume Apollinaire and Marie Laurencin), 1909, Kunstmuseum Basel, Switzerland

Dagboeken, Victorianen beschrijven hun eigen wereld. Een inleiding.

Albrecht Dürer ‘De kop van een Walrus’, 1521 Bron The Trustees of the British Museum

Heel nauwkeurig is hij, Albrecht Dürer wanneer hij in 1520 een reis door de Nederlanden maakt en verslag bijhoudt in zijn ‘dagboek’ dat sommigen eerder als ‘kasboek’ hebben bestempeld.

“Ik heb 2 Philipsgulden gewisseld voor eten en drinken. Ik heb de vrouw van de apotheker 10 stuivers gegeven voor een klysma. De monnik, bij wie mijn vrouw biecht, heb ik 8 stuivers gegeven.” 

Maar het verschijnsel ‘dagboek’ vond bij de Victorianen wel zijn meest intense voedingsbodem. Koningin Victoria begon met het bijhouden van haar dagboek in 1832 op 13-jarige leeftijd en bleef dit doen tot aan haar dood in 1901. Ze schreef in totaal 141 dagboeken vol, met ongeveer 43.000 pagina’s.

Haar dagboeken zijn door haar jongste dochter Beatrice uitgeschreven, op verzoek van koningin Victoria zelf. Daarbij zijn gevoelige of onbelangrijke passages weggelaten. Nadat een dagboek was getranscribeerd (uitgeschreven), werd het origineel vernietigd. Later zijn ze uitgetypt en voorzien van bijschriften.

“Het Victoriaanse tijdperk was een tijdperk dat vooral werd gedefinieerd door een ‘obsessie’ met vooruitgang. De Victorianen waren grote vernieuwers en utopisten die een eeuwigdurend proces van verbetering voor ogen hadden: niet alleen van het zelf, maar van de samenleving, van de hele mensheid. Koninklijke commissarissen en filantropen daalden in drommen af naar de sloppenwijken van Londen om armoede en sanitaire omstandigheden te onderzoeken. Rijke industriëlen financierden bibliotheken, gemeentehuizen, openbare werken en riolen. Prins Albert schreef berichten over huisvesting. De middenklassen consulteerden enthousiast wetenschappelijke kennis die in tijdschriften en verhandelingen in het streven naar ‘rationeel vermaak’ werd behandeld. De meer totale weergave – de tekst of het beeld dat alles en iedereen zou onthullen – was een impliciet doel van de Victoriaanse cultuur, van Wordsworth en Charles Dickens tot het panorama en de camera. Er was een razernij van meten en in kaart brengen. Gegevens zouden tot begrip leiden, en begrip zou meesterschap mogelijk maken. (Aeon ‘Elena Mary ‘I woke at 1/2 past 7″)

Early diaries sold by John Letts in London.
The world is too much with us,’ complained William Wordsworth in 1807. Almost 30 years later, Alfred, Lord Tennyson struck a more triumphant note:

"Not in vain the distance beacons. Forward, forward let us range,
Let the great world spin for ever down the ringing grooves of change. "(ibidem)

Taken, afspraken, memoranda – kunnen allemaal worden genoteerd in een netjes gestructureerd zak-dagboek dat u zou helpen uw tijd zo productief mogelijk te gebruiken.

‘Technologiebedrijven hebben met succes geld verdiend met deze diepgewortelde drang om onszelf te verbeteren, nieuwe manieren te bieden om ons dagelijks leven te documenteren en te vergelijken, wat een eeuwigdurend gevoel van falen kan creëren. De daad van het delen van verhalen over onszelf is niet langer beperkt tot een vertrouwde kring van intieme vrienden en familieleden. In plaats daarvan functioneren sociale mediaplatforms als multimediadagboeken met een onmiddellijk, wereldwijd publiek dat constante feedback geeft over onze keuzes en activiteiten.”(ibidem)

mage © Daria Nepriakhina / Unsplash
"We leven in een tijdperk van zelfkwantificering en de verheerlijking van productiviteit. Bullet journals, habit trackers, slimme horloges – al deze tools stellen ons in staat om gegevens over onszelf te verzamelen in een razernij van zelfverbetering. Mijn Instagram-feed wordt overspoeld met video's van dunne vrouwen met gladde glanzende voorhoofden en glanzende witte tanden, die de deugden van 5 uur durende trainingen, langdurige huidverzorgingsrituelen en dankbaarheidsdagboeken ophemelen. We zoeken ‘hacks’ op die ons in staat zullen stellen steeds efficiënter te zijn, en om de meest mogelijke waarde uit onze tijd en bezittingen te halen."  ( (Aeon 'Elena Mary 'I woke at 1/2 past 7")

Frederick Cayley Robinson. Evening in London 1920 Tempera, Watercolour, Pencil on paper

“De 19e-eeuwse obsessie met zelfverbetering en zelfdiscipline wordt misschien het best geïllustreerd door het boek Self-Help van Samuel Smiles; (1859) with Illustrations of Character and Conduct , dat hard werken, goede gewoonten en doorzettingsvermogen verdedigde. Verkoop: 20.000 exemplaren in het eerste jaar van publicatie. Bovenal bleek de sleutel om actief te zijn het nastreven van vooruitgang. De grootste Victoriaanse zonde was nietsdoen.

As the 15-year-old Victoria, heir presumptive to the throne, virtuously wrote in her diary on the 27 January 1835: ‘I love to be employed; I hate to be idle.’ Just as they sought to measure and quantify the progress of Western civilisation, so the Victorians sought to measure progress and improve the self through the simple practice of keeping a diary. (idem)

In 1812 begon de boekhandel van John Letts met de verkoop van een jaarlijks gedrukt dagboek in zijn winkel, plaats: Royal Exchange Londen. Het dagboek was een groot succes, en in 1862 bood Letts 55 verschillende versies gericht op specifieke sociale groepen, met prijzen variërend van sixpence tot 14 shilling (of 1,7€ tot 47,70€ in het geld van vandaag). Tegen 1900 verkocht Letts bijna een kwart miljoen dagboeken per jaar en het gedrukte dagboek werd als een essentieel kenmerk van het commerciële leven beschouwd. Niet langer alleen een ruimte om na te denken over wat er was bereikt, het dagboek was ook een plek om te plannen wat nog bereikt moest worden.

Letts of London was en is nog steeds een Britse maker van notitieboekjes, agenda’s en planners. Letts werd opgericht in 1812 door John Letts, die het briljante idee had om een standaard notitieboekje te voorzien van een kalender. De notitieboekjes van Letts vallen op door hun stijl, die duidelijk beïnvloed werd door het verleden.

“Dagboek bijhouden was een conventie bij de opvoeding van kinderen uit de middenklasse, met ouders zoals Charles Darwin en zijn vrouw Emma die dagboeken gebruiken om angstvallig de fysieke, intellectuele en religieuze ontwikkeling van hun kinderen vast te leggen in overeenstemming met het romantische idee dat ‘het kind de vader van de man is’. Blanco of voorgedrukte dagboeken waren ook een gemeenschappelijk huiselijk geschenk, omdat ouders dagboeken aan hun kinderen gaven en kinderen dagboeken gaven aan hun bedienden. In ‘Between Women’ (2007) schrijft de literatuurwetenschapper Sharon Marcus dat prinses Victoria werd geïnstrueerd in het bijhouden van een dagelijks dagboek van haar geliefde gouvernante, Lehzen, en totdat Victoria koningin werd, inspecteerde haar moeder dagelijks haar dagboeken.” (Elena Mary)

The world is too much with us,’ complained William Wordsworth in 1807. Almost 30 years later, Alfred, Lord Tennyson struck a more triumphant note:

Not in vain the distance beacons. Forward, forward let us range,
Let the great world spin for ever down the ringing grooves of change.

Binnen het dagboek konden Verlichtingsidealen van wetenschappelijk empirisme worden benut ter ondersteuning van het evangelisch geïnspireerde project van zelfverbetering. Toenemende alfabetiseringspercentages, goedkopere materialen en nieuwe druktechnologieën moedigden de productie en consumptie van dagboeken op een ongekende schaal aan. De broers George en Weedon Grossmith’s satire The Diary of a Nobody, voor het eerst geserialiseerd in Punch in 1888 en gepubliceerd als een striproman in 1892, beschrijft het dagelijks leven van de ‘niemand’ Charles Pooter, een klerk die woont in de Londense buitenwijk Holloway met zijn vrouw Carrie. In de inleiding vraagt Pooter:

"Waarom zou ik mijn dagboek niet publiceren? Ik heb vaak herinneringen gezien aan mensen waar ik nog nooit van gehoord heb, en ik zie niet – omdat ik toevallig geen ‘Iemand’ ben – waarom mijn dagboek niet interessant zou moeten zijn. Mijn enige spijt is dat ik er niet mee begon toen ik nog jeugdig was."

En laten we eerlijk zijn: er is ook heel wat gebeurd ten goede van iedereen in die Victoriaanse 19de eeuw! De vergelijking met de hedendaagse sociale media is nogal losjes. Was het dagboeken schrijven nog steeds voorbehouden aan de groeiende middenklasse dan spreekt de toon en inhoud van het dagelijks berichten in de sociale media een nog bredere bevolkingslaag aan, of beter een bredere mélange die makkelijk ten dienste van of in verweer tegen kan gebruikt worden. Ik kan je hier de lectuur aanraden van een thesiswerk van Sam van Esch (2022): ‘De typische Victoriaan.

Het historiografisch discours over Londen onderzocht
aan de hand van dagboeken uit de negentiende eeuw.

Met uitgebreide bibliografie.

https://theses.ubn.ru.nl/server/api/core/bitstreams/9526eb27-7684-4f1c-80d8-a8f2f26fb35b/content

‘Het artikel ‘I woke at 1/2 past 7′. Our coursed age of self-monitoring and optimisation did’n start with big tech as so often, The Victorians are to blame.”werd geschreven door Elena Mary. (Aeon 17 november 2025)

Elena Mary is a postdoctoral associate member in the Faculty of History at the University of Oxford in the UK. She is a historian of culture, class and the female body in modern Britain.

https://aeon.co/essays/victorian-diary-writers-kicked-off-our-age-of-self-optimisation

Very cold winter. The Round Pond in Kensington Gardens frozen solid, and, outside Kensington Palace, icicles hang from the guardsman’s busbies. Buttoned up, with muffs and gloves, we boldly set off to skate on the
Serpentine. Trixie hired some skates, and was a danger to all on the ice, as her laces trailed about her heels. Lily and I had our own skates. We both enjoy the sport tremendously, and the odd assortment of people on the ice
makes for a most diverting time. Sometimes skaters’ enthusiasm outweighs their abilities. Several times we landed flat on the ice. All in a good day’s sport, however. We forgot our aches and pains in the evening, roasting chestnuts in the grate.”

Maud was 29 toen ze in 1888 begon met haar dagboek. De eerste vier jaar daarvan beschreven haar leven in Sandown. Mijn werk richt zich op de periode nadien, van 1892 tot 1900, toen Maud in Londen woonde. In de uitgegeven versie van het dagboek zijn de notities per maand, seizoen en jaar
gegroepeerd. (Uit thesis Sam van Esch ‘De typische Victoriaan. Het historiografisch discours over Londen onderzocht aan de hand van dagboeken uit de negentiende eeuw.)

Manuscript journals of Henry David Thoreau (1817–1862), 1837–61. Purchased by Pierpont Morgan, 1909. Courtesy of The Morgan Library.
Diary with transcript of Alfred Whiters in the JAMES BAINES, 1857

Bekijk meer pagina’s:

https://www.rmg.co.uk/collections/objects/rmgc-object-505984

Elena Mary noemt de Victorianen grote vernieuwers, maar de vooruitgang was een Janus-gezicht. Voor elke sprong voorwaarts, een hernieuwde druk om verder te gaan, en sneller, om beter te doen, beter zijn. Ook het tijdperk van de vooruitgang was een tijdperk van angst. Ik denk persoonlijk dat wij iets te nadrukkelijk de Victoriaanse tijden willen laten samenvallen met onze boeiende maar ook dwaze tijden. De angst van de Victorianen hebben we uitvoerig belicht in een reeks over deze tijden die je kunt teruglezen en waarin er via een bredere invalshoeken de eigenheid van die angsten wordt belicht. Basis was het boeiende boek ‘The Victorian Frame of Mind, 1830-1870. van Walter E. Houghton, Yale University Press, New Haven and London, 1975-1985.

Kijk en lees:

en 12 volgenden (zie bij uitgewerkte onderwerpen)

Het verlangen verbeeld en geletterd (1) Desire depicted and lettered (1)

Omslag van een schrijftablet Frankrijk. 1325-1350 Olifant-ivoor. Met museum NY

Onder klaverblad-bogen zijn er langs beide zijden van dit ivoorkunstwerk scènes te zien die ‘het hof maken’ als thema hebben. Hierboven heeft een man met een roofvogel in de hand -een symbool van zijn status- een kroontje ontvangen van een vrouw en kroont hij haar op zijn beurt (op keerzijde) waarmee hij aangeeft dat zij zijn liefde heeft gewonnen..

Omslag van een schrijftablet Frankrijk. 1325-1350 Olifant-ivoor. Met museum NY
Intended to cover writing tablets, such plaques were among the deluxe products of Paris during the fourteenth century and were possibly made on the rue de la Tabletterie, a name indicating their special use. Poems or messages would have been written on smooth sheets of ivory that had recessed areas filled with wax for the text. Perfect economy of technique and purity of style are clearly evident in these amorous images. In their elegance of form and gesture the courtly couples seem also to convey a moral and spiritual life that appears both mannered and artificial but is infused with joie de vivre.  
(Metmuseum NY. Exhibition: Spectrum of Desire Love, sex, and Gender in the Middle Ages)

Te bezoeken: (tot 29 maart 2026):

https://www.metmuseum.org/exhibitions/spectrum-of-desire-love-sex-and-gender-in-the-middle-ages/exhibition-objects

The Garden of Eden’. British. laatste kwart 16de eeuw The Met Collection Klik op onderschrift om bij bronafbeelding nog eens te klikken om te vergroten. Mooi!

Dieper dan de diepste krocht zou je met letters alleen al ‘het verlangen’ in bestaande en vergane talen kunnen opvullen. Vaak is het achter die letters te doen, in de herberg ‘de be-tekenis’ is het goed toeven, maar bij de deur naar de tuin zou je onderstaand gedicht van Rutger Kopland kunnen vinden:

XIV. Ga nu maar liggen liefste 

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.

Rutger Kopland
In: Een lege plek om te blijven, 1975.
‘The Garden of Eden’. British. laatste kwart 16de eeuw The Met Collection Detail


'De taal geeft niet simpelweg ‘namen’ aan de dingen; ze doet de dingen bestaan, ze geeft ze vaste grenzen en maakt ze tot ‘dingen’. Benoemen is niet dopen (een naam geven aan wat er al is), maar verwekken (een nieuw wezen doen ontstaan). Wat we ‘zien’, zowel fysisch als mentaal, is van meet af aan door woorden gestructureerd. De taal bepaalt ons beeld van de werkelijkheid.' (Philosophische Untersuchungen 371, 373) [pagina 29]

Patricia de Martelaere. 'Een verlangen naar ontroostbaarheid'


Jonge man met boog en grote pijlenkoker en vriend met schild Goivanni Battista Tiepolo ca 1730-50

‘Een ontroostbaar verlangen?’ Sehnsucht? ‘ “Inniges, schmerzliches Verlangen nach jemandem, etwas” (diep, pijnlijk verlangen naar iemand, iets.)

Volgens velen is het eerste deel van het woord ‘sehnsucht’ afgeleid van het Duitse werkwoord ‘sehnen’, wat zoveel betekent als ‘snakken’ of ‘verlangen’. De Duitse Benedictijnerpater Anselm Grün komt met een andere verklaring. Hij stelt dat het woord een samenvoeging is van ‘sehne’ (pees) en ‘sucht’ (zucht of ziekelijke neiging). Dit laatste component van het woord komt dus niet, zoals soms gedacht, van het werkwoord ‘suchen’ (zoeken). De pees zou herinneren aan de pees die gespannen is wanneer iemand zich klaarmaakt om te springen of aan de boogpees voordat een pijl wordt afgeschoten.

“Verlangen heeft dus met innerlijke spanning, met innerlijke concentratie te maken. Met al zijn energie wacht iemand op de sprong om datgene te pakken waar zijn verlangen op is gericht, of op het schot dat doel treft.”

(History: Germany Language History February 2023)

De Boogschutter Henry Moore. 1965 KNSTDWLNGN
De schrijver is de beeldhouwer van het niets, wat hij wil beschrijven is de volle pracht en praal van de nieuwe kleren van de keizer. Hij zegt: Ze zijn van donkerrood fluweel, met gouddraad doorstikt. Hij zegt: Ze zijn met parels en diamanten bezet. Hij zegt: Als het zonlicht erop schijnt geeft het een oogverblindend licht. Zodat je ze werkelijk voor je ziet, die schitterende kleren, zoals hij ze beschrijft. Maar dan, op het eind, zegt hij, met de ontwapenende oprechtheid van een kind: Ze zijn er niet, wat je ziet is er niet.

(Patricia de Martelaere. 'Een verlangen naar ontroostbaarheid'. p.20)

Albrecht Dürer, Vleugel van een scharrelaar, ca. 1512 © Albertina-museum, Wenen

Net zoals auteur Wytske Versteeg die over ‘verlangen naar de verte schreef’ in De Groene Amsterdammer van 7 april 2021 kende ik ‘de scharrelaar’ niet. Deze vogel was ooit wijdverspreid in Europa en broedde tot in Zweden, schreef de auteur. Inmiddels…Je kent het verhaal.

"Albrecht Dürer had geen last van al te grote afstand toen hij de scharrelaar schilderde, hij moet een pas gestorven vogel hebben meegenomen naar zijn atelier. Een ander werk beeldt het hele lichaam af, en dat is vele malen treuriger dan deze losse vleugel. De gevouwen vleugels van de dode scharrelaar zullen nooit meer vliegen, de ogen zullen zich nooit meer openen, de min of meer gestrekte nek is overduidelijk niet meer in staat zich op te richten. Dat schilderij gaat minder over de vogel dan over de dood zelf: de verslagenheid van plotseling gestopte eindeloosheid, dat wat er achterblijft wanneer een leven breekt. ‘Wij zijn niet met de aarde één’, schreef Rilke in zijn vierde elegie, ‘zijn niet als trekvogels begaafd’. Wij mensen stijgen te laat op, begeven ons op ongetemde wind, storten in onverschillige vijvers neer, maar de scharrelaar vliegt zo tienduizend kilometer naar het zuiden. Dürers vogel is waarschijnlijk met een net gevangen, heeft verwoed met zijn vleugels geslagen om te ontkomen aan de lucht die plotseling vijandig was geworden en hem vasthield aan de grond, heeft gevochten tot de uitputting het van hem won. De vlek bij de vleugelaanhechting rechts boven moet bijna wel bloed zijn, een net iets feller, wreder rood dan dat van de vogel zelf. In de afbeelding van de dode scharrelaar ging de tijd vooruit: daar was een leven geëindigd met de dood."

Wytske Versteeg. 'Verlangen naar de verte'. De Groene A'dammer april 2021

In het Duits is deze vogel een Blauracke. Er bestaat ook een schilderij: ‘Tote Blauracke, als ‘Tierstudie Federn.

Joachim Patinir. 1480-1524 ‘Christoffel. ‘Museum Catharijneconvent (onvoltooid)

"Zelden was blauw mooier dan op de schilderijen uit Dürers tijd. Kostbaar ultramarijn – gemaakt van lapis lazuli, ultramarijn betekent overzees – voor de gewaden van Maria, goedkoper pigment voor zeeën en luchten. Het landschap als zelfstandig thema begon zich in Dürers tijd net te ontwikkelen. Joachim Patinir, een van de pioniers in het genre, was een van zijn vrienden. Diens schilderijen fascineren me al sinds ik als kind een boek las waarin de hedendaagse hoofdpersoon zichzelf terugvindt in Patinirs Landschap met de heilige Christoffel. (ibidem)
zegenend kind op Kr’ schouder

De auteur vergelijkt het blauw van de vleugel met het blauw op Patinirs schilderij. “De ‘Vleugel’ bevat precies de tinten die ook Patinirs wereld zo magisch maken,” schrijft zij. Kijk ook naar details, het kindje Jezus op de schouder van Christoffel. Aan de linkerzijde aan de overkant van de rivier is een oude kluizenaar weergegeven die Christoffel het geloof onderwees. Het schilderij bleef onvoltooid.

de oude kluizenaar
"Het is alsof het water, het licht en de lucht zelf hun indruk hebben nagelaten op de vleugels van de scharrelaar, die moeiteloos vloog waar wij nooit zouden komen, onze wereld gracieus ontsteeg. Die stierf, waarschijnlijk door toedoen van mensen, en op Dürers tafel geëindigd is. Maar die in het leven dat daaraan voorafging als een acrobaat door de lucht heeft geduikeld, zich als een blad heeft laten vallen om een vrouwtje te imponeren, want dat is wat scharrelaars doen tijdens de balts.

Opnieuw moet ik denken aan Rilke, die zich afvroeg of de vogels het zouden merken als je de leegte uit je armen weg zou werpen, of zij in hun vlucht zouden voelen dat de lucht om hen heen was verruimd. ‘En wij, die denken aan stijgend/ geluk, ervoeren misschien de ontroering,/ die ons bijna verbijstert,/ als iets wat geluk is, valt’." (Wytske Versteeg)

Wytske Versteeg is politicoloog, schrijver en essayist en kreeg diverse prijzen. In 2020 verscheen bij Querido haar non-fictiewerk Verdwijnpunt, over incest en eenzaamheid

Bezoek haar website:

https://wytskeversteeg.nl

Een collectie van Patinirs werken vind je op:

Een eerste aflevering van ‘het verlangen is uitgewaaierd tot in de prachtige tinten ultramarijn van Dürer en Patinir. Ogentroost en naar wij hopen nieuwsgierigheid.

Om af te sluiten nog een fragment uit “Een verlangen naar ontroostbaarheid” van Patricia de Martelaere waarin een zekere synthese ons genoegzaam denken blijft ondermijnen.

"Doel van de literaire taal is dan geen begrippenapparaat meer te zijn, maar het kleurenpalet van een schilder. Wat de schrijver eigenlijk zou willen is dus niet schrijven, maar schilderen; hij is domweg degene met het verkeerde talent.

(Hoewel: wat de schilder wil is dan weer schrijven, of beeldhouwen, of componeren. Van schilders hoor je vaak dat ze uitgerekend iets zouden willen zeggen in verf. Misschien is de kunstenaar altijd degene met het verkeerde talent. Of misschien is dat het wezen - een van de wezens - van kunst: dat je iets probeert te doen met, voor alles, de verkeerde middelen.)

Hoe dan ook: penseelstreken verwijzen niet, ze betekenen niets. Het schilderij berust niet (of althans niet geheel) op de afwezigheid, het vormt zélf een zelfgenoegzaam ding, het is zelf de slapende poes. De schilder zegt niets, hij toont; schilderkunst is het gebaar.
Wat de schrijver ‘eigenlijk’ zou willen is zwijgen, maar dan in woorden. Datgene waarover niet kan gesproken worden, het naamloze niets onder de taal, dát is zijn eigenlijke object. Het ligt voor de hand er nog maar eens Wittgensteins beroemde (maar stilaan tot de draad versleten) Tractatus 7 bij te halen: ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.’

(pagina 22-23)

fragment uit ‘Landschap langs de Styx-rivier. Joachim Patinit 1480 (Dinant) – 1524 Antwerpen

Het is duidelijk dat de tocht over de Styx een verbeeldende benadering is net zoals de filosofische wegen nieuwe vragen blijven oproepen. Bij leven en welzijn zullen we in een volgende bijdrage de lezer(es) meenemen naar vroeger, nu en morgen waar wij telkens dat ‘verlangen’ zien of zagen verschijnen. Wees ook daar weer onze gezel(lin).

“Kaïn en Abel”, de eerste dood(slag)? Verkenningen.

Cain and Abel, Ivory, c.1084
Louvre OA 4052
Photo: Wikimedia Commons
Click here to enlarge image
Kaïn zei tegen zijn broer Abel: “Laten we naar het veld gaan.” En toen ze op het veld waren, stond Kaïn op tegen zijn broer Abel en doodde hem.  Toen zei de Heer tegen Kaïn: “Waar is je broer Abel?” Hij zei: “Ik weet het niet; ben ik de hoeder van mijn broer?”  En de Heer zei: "Wat heb je gedaan? Het bloed van je broer roept vanuit de aarde tot mij. Nu ben je vervloekt door de aarde, die haar mond heeft opengesteld om het bloed van je broer uit jouw hand te ontvangen.  Wanneer je de aarde bewerkt, zal zij je niet langer haar kracht geven; je zult een vluchteling en een zwerver op aarde zijn."  

Uit het boek Genesis

Kaïn en Abel waren zonen van Adam en Eva. De Bijbel noemt nog een derde zoon: Seth. Kaïn was een landbouwer, Abel een herder. Op een dag brachten ze beiden offers aan God: Abel de eerstgeborenen van zijn vee, Kaïn vruchten van zijn grond. Toen God alleen aandacht had voor Abel, ontstak Kaïn in woede en sloeg hij zijn broer dood.

Kaïn kreeg daarop een merk (het Kaïnsteken) op zijn hoofd en werd veroordeeld tot ronddwalen over de aarde. God wilde met dat teken Kaïn voor iedereen herkenbaar maken, om te voorkomen dat hij uit wraak ook gedood zou worden.

De broedermoord wordt gepresenteerd als het vervolg op de oerzonde van Adam en Eva, de Zondeval. Daarbij aten ze van de boom van goed en kwaad; Kaïn gaf daar een vervolg aan door zelf te oordelen over goed en kwaad.

In de beeldende kunst is vooral de doodslag vaak uitgebeeld. Andere thema’s zijn de aanbieding van de offers, en de rouwende Adam en Eva. (Statenvertaling.net Bijbel en Kunst)

William Blake 1757-1827. ‘Kaïn slaat op vlucht’. 1825 Genesis 4:13

Blake schreef in 1822 een kort verhaal waarin hij zich richtte tot de dichter Lord Byron, die vlak daarvoor een toneelstuk had gepubliceerd over Kaïn. Blake noemde het De geest van Abel. Een openbaring in de visioenen van Jehovah, zoals door William Blake gezien. De openingsscène wordt als volgt beschreven: “Een landschap met rotsen. Eva valt flauw over het dode lichaam van Abel dat naast een graf ligt. Adam knielt naast haar, Jehovah staat erboven.” (Statenvertaling.net Kunst)


Blake had een hekel aan olieverf. Voor dit mahoniehouten paneel gebruikte hij pen, inkt en zelfgemaakte tempera op een bladgouden achtergrond. Een dergelijke techniek was vóór de renaissance vrij gebruikelijk. Helaas bleken de kleuren van Blake snel te verbleken. In deze foto zijn ze digitaal gemanipuleerd. (ibidem)

Als oudste van twee broers maakte het Kaïn-verhaal op mij, als kind, een diepe indruk. En het gezegde ‘de hoeder van je broeder‘ werd meer dan één keer gebruikt als ik mijn plicht als oudste broer verwaarloosd zou hebben. Tenslotte was deze gebeurtenis ‘de eerste dood’ als je het scheppingsverhaal volgens de bijbel historisch ging interpreteren. Adam en Eva waren door God geschapen en nog volop in leven, zij het in een andere dan de vroegere paradijselijke toestand, maar met de moord op Abel kwam ook ‘de dood’ in de geschiedenis van de uit het paradijs-verdreven mens. En een tweede vraag: ‘Wat was er mis met het offer van Kaïn dat blijkbaar niet in Gods’ smaak viel?” Kaïn was een landbouwer, Abel een herder. Kaïn offerde vruchten van het veld, Abel de eerstgeborene van zijn vee. De Oppermachtige had het in mijn kinderogen niet voor de boeren, een status die bij meerdere van mijn voorouders terug te vinden is.

Mariotto Albertinelli, The Sacrifice of Cain and Abel, circa 1510 public domain via Wikimedia Commons

Hierboven het offer van beide broers met een duidelijke voorkeur voor Abel terwijl Kaïn wel even op adem moet komen. Anthonie Donker alias Nico Donkersloot (1902-1960) vroeg zich in De Vlaamse Gids jaargang 44 (1960) wat er nu in feite gebeurd was:

“Toch is de geschiedenis van Abels dood, met alle leemten en tegenspraken en geschreven zonder de minste literaire bedoeling, de geladenste short-story die men zich kan denken. Zo is zij blijven voortleven en inspireren, als het ‘eerste drama der mensheid’. De eerste moord, de eerste doodslag althans. Het oude strenge joodse rechtsbesef zal geen onderscheid daartussen gemaakt hebben. Kaïn was de eerste moordenaar, hij doodde Abel. Vroeg in de geschiedenis van het mensdom begon reeds het bloedvergieten, de eerste moord was een broedermoord, verkondigt het oude verhaal met schaamte en bedwongen ontzetting over dit lage uitvloeisel van het mens-zijn. Maar de vraag van de Heer aan Kaïn: ‘Wat hebt gij gedaan?’ laat ook de lezer niet los. Hij wil weten: hoe is het gekomen? Wat was het motief tot Kaïns daad? Onder welke omstandigheden gebeurde het? Geschiedde het in een opwelling of met voorbedachten rade? Wilde Kaïn Abel doden? Wist hij wat hij deed?”

Titiaan ‘Kain en Abel’.

Nico Donkersloot:
Aanvankelijk was zijn leeropdracht die van de Nederlandse letterkunde maar vanaf 1956 was hij hoogleraar in de algemene en vergelijkende literatuurwetenschap. Hij was tevens journalist, essayist, vertaler en dichter. In de oorlog schreef hij onder het pseudoniem Maarten de Rijk. Tijdens de oorlogsjaren was hij betrokken bij verzetsactiviteiten en werd door de Duitse bezetter ontslagen als hoogleraar en gearresteerd. Hij werd opgesloten in de gevangenis van Scheveningen (Oranjehotel) en zou na de oorlog een tekst schrijven voor de plaquette (naast de deur in de buitenmuur aan de Van Alkemadelaan) die daar in 1949 onthuld werd ter nagedachtenis aan de geëxecuteerden op de Waalsdorpervlakte. (Wikipedia)

“Maar toch verschilt hij van alle andere moordenaars, hij is de enige moordenaar op aarde bij wie de dood nog onbekend was. Zijn misdaad is reeds daarom tragisch, daar hij het gevolg ervan nog niet kennen kon. Achter de vraag, of Kaïn in een opwelling handelde, in woede en drift, of met opzet, Abel wilde doden, rijst voor zijn schuld de verder strekkende vraag, of Kaïn kon weten wat hij deed. Hij kon dit niet. Abel werd de eerste dode op aarde. Dat was iets ongekends. En ook uit het korte bijbelverhaal kan men toch opmaken, misschien al door zijn bruuske ontkenning maar zeker door zijn schuldbekentenis na de woorden van zijn Heer, dat Kaïn door de gevolgen van zijn daad diep geschokt en radeloos ontsteld is.” (Nico Donkersloot)

Lucas van Leyden (1494-1533) Kaïn doodt Abel gravure 1529. Rijksmuseum

Volgens Augustinus in de Twee Rijkenleer zijn er sinds de zondeval twee soorten menselijke gemeenschappen, belichaamd in de zonen van Adam, lees ik in het dossier Kain (Peter Hofstede De Groene Amsterdammer 31 juli 1996) De voornaam Abel kan best gebruikt worden, maar wie zou er Kaïn willen heten?

"HET SPOOR LEIDT vervolgens naar de Twee Rijkenleer van de invloedrijkste christelijke denker ooit, Aurelius Augustinus (354-430). Volgens deze katholieke kerkvader zijn er op aarde, sinds de zondeval, twee soorten menselijke gemeenschappen, belichaamd in de zonen van Adam. In Abel, een club van mensen die naar de geest, in Kain, een club van mensen die naar het vlees willen leven. Het rijk van God en het rijk van Satan. De antithese der beide rijken maakte de eeuwige orde tot een esthetisch geheel, een tot in de finesses doordacht kunstwerk, vervaardigd door de Grote Klokkenmaker, die alle dingen heeft gegrond in maat, getal en gewicht. Aan het einde der tijden manifesteert God zich als de ultieme Mondriaan, een mozaieklegger met de basiskleuren goed en kwaad. In de visie van Augustinus, een potentiële medeverdachte in ons dossier, is de zin der geschiedenis au fond een esthetische. 
Ook de god van het Derde Rijk, Adolf Hitler, heeft altijd de Grote Kunstenaar willen spelen. Voor een artistieke herschepping van de wereld lanceerde hij zijn eigen kijk op goed en kwaad, resulterend in nazitempels naast concentratiekampen. De Führer handelde naar bijbels voorbeeld. Door Abel te positioneren als een heilige en Kaïn als een crimineel schiep God de befaamde tweedeling van de samenleving die ook de maatschappelijke basis zou gaan vormen van het christendom en die nog heden ten dage de sociale verhoudingen in de wereld bepaalt." (Peter Hofstrede)
Het Lam Gods voor restauratie: Paneel Adam De broedermoord van Kaïn op zijn jongere broer Abel. St Baafskathedraal Gent. Jan van Eyck; Hubert van Eyck foto Hugo Maertens
“Het is zover, we hebben ons doel bereikt, jullie zijn het andere ras niet meer, het anti-ras, de grootste vijand van het Duizendjarige Rijk; jullie zijn het volk niet meer dat afgoden weigert. We hebben jullie omhelsd, verstikt, met ons mee in de diepte getrokken. Jullie zijn net als wij, jullie hoogmoedigen: net als wij, net als Kaïn, hebben jullie je broeder gedood. Kom maar, dan gaan we samen spelen.”

En deze tekst van Primo Levi is ook zonder benoeming van soort en tijd voor ons allen te gebruiken. Zet hier geen namen van volkeren bij, het gaat vaak gewoon over ons, waar ter wereld ook.

Bron: Primo Levi, De getuigenissen, vertaling Fida De Matteis-Vogel

Adam and Eve hold their dead son Abel. “The First Funeral,” 1878, by Louis-Ernest Barrias. Plaster. Museum of Fine Arts of Lyon. Public Domain

Afbeeldingen? Kijk bij:

https://commons.wikimedia.org/wiki/Category:Cain_and_Abel_in_art

zijn verharde hart
aangezet tot broedermoord
in zachte zandsteen
his hardened heart
roused tot fracticide
in soft sandstone

(Het Lam Gods in muziek en woord: Paneel VI bis: Kaïn en Abel)

Reliëf van Kaïn en Abel – Adolf von Hildebrand (CC0 – wiki)

Woede als oudste inspiratiebron

Homerus, marmer door Philippe-Laurent Roland. 1812 (Louvre)

Mag hij dan al uit marmer zijn gehouwen, heel vastvoetig is hij hier niet, deze (blinde) ‘Homerus’ verbeeld door de Franse beeldhouwer met drie voornamen, werk nog in het Louvre te bewonderen. .Homerus’ versvoeten daarentegen doen al zo’n drieduizend jaar dienst en teisterden menig klassiek geschoolde leerling of student, al dan niet in het originele(?) Grieks, te vertalen naar de eigen moederspraak. De ‘Odyssee‘ en de ‘Ilias‘ klinken wellicht bekend in de oren of iets dieper in het geheugen terug te vinden.

De vertaler Patrick Lateur weet die oude verzen in een hedendaags Nederlands te vertalen. Illias: zang 11, 155-163. (Met dank aan Leen Huet)

Zoals verdelgend vuur op een dicht woud

valt: wind vol wervelingen voert het vuur

naar overal, ontworteld vallen struiken

neer, door de vaart van vlammen aangevallen –

zo vielen door de vuisten van de zoon

van Atreus, Agamemnon, ook de hoofden

van vluchtende Trojanen, vele paarden
met sterke nekken lieten op de paden

van strijd en oorlog het geratel horen

van lege wagens, want zij misten toen

hun flinke menners. Dezen lagen neer

ter aarde en aan hen hadden de gieren

veel meer genoegen dan hun eigen vrouwen.'

Μῆνιν ἄειδε, θεά, Πηληιάδεω Ἀχιλῆος (Bezing de woede, godin, van Peleus zoon Achilleus.)

“Het allereerste woord in de geschiedenis van de westerse literatuur is ‘woede’ of ‘toorn’. Zo begint namelijk Homerus’ ‘Ilias’. Dit werk, dat ergens in de achtste eeuw voor Christus werd geschreven, begint met een oproep aan de Muze, de godin van de inspiratie, om te helpen het verhaal te vertellen van de ‘woede’ van Achilles (mènin-Μῆνιν) in het oorspronkelijke Grieks) – en van het onmetelijke leed en de verschrikkelijke dood van zoveel dappere krijgers die deze woede veroorzaakte. Het epos van Homerus, dat zich afspeelt tijdens de mythische oorlog tussen de Grieken en de Trojanen, gaat evenzeer over woede, persoonlijke wraak en de fatale gevolgen daarvan als over heroïsche gevechten en de botsing tussen twee oude supermachten. Wat gebeurt er, zo vraagt het gedicht, als je beste krijger zo woedend is over een persoonlijke belediging dat hij zich terugtrekt uit de oorlog en gewoon weigert te vechten? Wat zijn de kosten, om het in moderne bewoordingen te zeggen, van ‘Achilles die mokkend in zijn tent zit’?”

Mary Beard NY Times 7 sep 2017

In haar boek Enraged: Why Violent Times Need Ancient Greek Myths (22 augustus 2017) onthult classica Emily Katz Anhalt hoe deze drie meesterwerken uit de klassieke Griekse literatuur ons kunnen leren, net zoals ze de oude Grieken leerden, om gewelddadige wraak te herkennen als een teken van onlogisch denken en slecht leiderschap. Woede kan een natuurlijke reactie zijn op beledigingen, verwondingen of onrechtvaardigheid, maar Homerus, Euripides en Sophocles laten zien hoe dwaas het is om mensen te verheerlijken die zich overgeven aan gewelddadige woede. Deze aloude teksten benadrukken de kosten van onze gevaarlijke neiging om gewelddadige woede en degenen die zich daaraan overgeven te verheerlijken. Door mededogen, rationeel denken en debat te bevorderen, helpen Griekse mythen ons wapenen tegen de tirannen die we zouden kunnen dienen en de tirannen die we zouden kunnen worden.



In haar laatste boek ‘Embattled’ ‘How Ancient Greek Myths Empower Us to Resist Tyranny Stanford University Press (2021) werkt ze dat thema verder uit:

“In an era of political polarization, Embattled demonstrates that if we seek to eradicate tyranny in all its toxic forms, ancient Greek epics and tragedies can point the way.
As tyrannical passions increasingly plague twenty-first-century politics, tales told in ancient Greek epics and tragedies provide a vital antidote. Democracy as a concept did not exist until the Greeks coined the term and tried the experiment, but the idea can be traced to stories that the ancient Greeks told and retold. From the eighth through the fifth centuries BCE, Homeric epics and Athenian tragedies exposed the tyrannical potential of individuals and groups large and small. These stories identified abuses of power as self-defeating. They initiated and fostered a movement away from despotism and toward broader forms of political participation.”

Nu tirannieke passies de politiek van de eenentwintigste eeuw steeds meer teisteren, bieden de verhalen uit de oude Griekse epen en tragedies een essentieel tegengif. Het concept democratie bestond niet totdat de Grieken de term bedachten en het experiment uitvoerden, maar het idee is terug te voeren op verhalen die de oude Grieken vertelden en hervertelden. Van de achtste tot de vijfde eeuw v.Chr. legden Homerische epen en Atheense tragedies het tirannieke potentieel van individuen en grote en kleine groepen bloot. Deze verhalen identificeerden machtsmisbruik als zelfvernietigend. Ze initieerden en bevorderden een beweging weg van despotisme en naar bredere vormen van politieke participatie.

Lees:

https://www.sup.org/books/literary-studies-and-literature/embattled/excerpt/table-contents

The Euphronios Krater, on display in the National Archaeological Museum of Cerveteri. Credit: Wikimedia Commons / CC-4

De Euphronios Krater is, zoals de naam al doet vermoeden, een krater, een soort vaas die in de oudheid werd gebruikt om wijn met water te mengen. Deze krater is het werk van Euphronios, een vaasschilder en pottenbakker die in de 6de tot 5de eeuw v.Chr. in Athene leefde. Hij is een belangrijke kunstenaar uit de oudheid die in zijn vazen werkte met de rode-figurentechniek.

Op de Euphronios Krater heeft de kunstenaar twee scènes uit de Griekse mythologie afgebeeld. De scène aan de voorkant komt uit de Trojaanse oorlog. Deze illustreert de dood van Sarpedon, een jonge zoon van Zeus die dapper vocht aan de kant van Troje en een vroegtijdig einde vond. In een moment van verdriet dragen de goden Hypnos (Slaap) en Thanatos (Dood) zijn levenloze lichaam weg, terwijl Hermes, de boodschapper van de goden, de stoet gadeslaat.

Bezoek:

https://www.emilykatzanhalt.com/home

Uit de film ‘Iwans’ jeugd’. Andrei Tarkovsky)


oorlog

de oorlog slaapt al jaren naast me in bed houdt me vast in zijn slaap
ik ben minstens vijftienhonderd nachten gestorven
hij zet ’s ochtends vroeg sterke koffie met veel suiker
draagt manchetknopen en paradeert graag op hoge hakken

ik deel onbevangen mijn zout wijn en dromen met hem
hij zwaait met zijn sigarettenhouder en turquoise vingers
drinkt uit gouden glazen eet delicaat met zilveren lepels
leunt in de deurpost en loert uit zijn glanzende khol ogen

in het hart van de nacht beraamt en tekent hij zijn offensief
ik zie zijn ambitieuze plannen en snijd onmiddellijk m’n tong af
zachte stemmen mesten het wapenarsenaal in zijn lichaam
hij spint taal tot stalen strengen in zijn verfijnde handen

rondom mijn keel plant ik geurende jasmijn als omheining
ik borduur met zilverdraad een harnas aan mijn zachte armen
op de bruine flanken van mijn rug galopperen wilde paarden
in de schaduw van mijn borsten bouw ik een noodhospitaal

ik heb het oorlogsrecht nageleefd en dwaas gewacht op de strijd
hij wekt me in alle vroegte en leidt me de trap af naar de keuken
staat stil achter me en steekt een fors vleesmes tussen mijn ribben
’t gif en de immense zege verspreiden zich in mijn romp

hij fluistert karmozijnzacht in mijn haar
‘kijk de eerste sneeuw’
het tellen van de slachtoffers en het graven mag beginnen

Nisrine Mbarki Ben-Ayad
Nisrine Mbarki Ben-Ayad is een Nederlandse schrijfster van Marokkaanse afkomst. Ze is dichteres, columniste en vertaalster van Arabische poëzie naar het Nederlands. Ze is auteur van de dichtbundel Oeverloos (Pluim, 2022) en haar debuutroman Kookpunt verscheen in 2025. Ze woont in Amsterdam.

“Het schrijven van poëzie is mijn manier om optimaal met de wereld te communiceren. Ik onderzoek beelden, woorden, talen en werelden die mij fascineren en diep raken. Poëzie is ook een manier om zowel mijn verbeelding als mijn innerlijke wereld te ordenen. In dit gedicht probeer ik op een intieme manier over geweld te schrijven – oorlog als een minnaar of als iemand die in je huis woont. Ik verken het fenomeen oorlog als een vorm van geweld dat zich in het dagelijks leven nestelt – niet als een abstract concept, maar als iets echts, in al zijn extravagantie en absurditeit.”

Bekijk dit eerste werk van Andrei Tarkovsky ‘De jeugd van Ivan’ (1962) De praktijk van al de theorie die we hier hebben belicht. Nieuwe digitale versie. Met Engelse onderschriften. Groot scherm aangeraden, en …tijd, ook na het bekijken. (1h 36)

Ik ontdekte enkele dagen na de publicatie ook nog dit mooie schilderij van Edgard Tytgat. ‘De verovering van Troje’. (1950)

“Het schilderij van Edgard Tytgat dat wij behandelen, en dat tijdelijk tentoongesteld is in het Groeninge-museum te Brugge, telt drie taferelen binnen één decor van strand en zee. Op de voorgrond worden jonge vrouwen van alles beroofd, op vreemde wijze met linten gekneveld en neergelegd in een open bootje. Een geharnast ruiter geeft bevelen. Dieper in zee worden de gevangenen aan boord gehesen van een schip met gereefde zeilen, om te worden overgebracht naar een hoge rots van waarop zij in het water worden gestort. Vóór het eiland van de terechtstelling is een eenzame figuur in de golven begonnen met de bevrijding van het eerste slachtoffer.”

Tytgat heeft dit werk geschilderd in 1950. Hij gaf het als titel ‘De verovering van Troje’. De tragische lotgevallen van die stad zijn ons uit tal van bronnen bekend. De Grieken ondernamen daarheen een strafexpeditie om de door Paris geschaakte Helena terug te halen. De strijd zou tien jaar hebben geduurd. Troje viel in handen van de belegeraars dank zij de list met het houten paard. Het garnizoen werd uitgeroeid. De overwinnaars voerden de vrouwen en de kostbaarheden mee als oorlogsbuit.” (OKV Archief)

Grappig vond ik de pedagogische opmerking bij het verhaal, in grote dikke letters tussen aanhalingstekens:

“Wat de schilder zich voorstelt van het gedrag van de winnaar is bepaald niet stichtend.”

De hele bijdrage is te lezen:

https://www.okv.be/archief/edgard-tytgat-de-verovering-van-troje

(Uit de collectie Mu Zee Museum by the sea) Let op:  Muzee renoveert en verhuist tijdelijk naar de Venetiaanse gaanderijen Oostende, daar dus tot 22/2/2026

“Het woud heeft oren, het veld heeft ogen”

Foto door Bastian Riccardi

Het zou de synthese kunnen zijn. Water en woud. De wolken ontbreken. In ‘Prisma van symbolen’ beschrijft Hans Biedermann (1992) het woud:

WOUD

Anders dan afzonderlijke bomen een wijdverbreid symbool van een wereld, die als ‘buitenwereld’ tegenover de microkosmos van het ontgonnen land staat. In sprookjes en sagen wordt het door geheimzinnige meestal bedreigende wezens bewoond (heksen, draken, reuzen, dwergen, leeuwen, beren enz.), die alle gevaren belichamen, die de jonge mens het hoofd moet bieden, wil hij in de loop van zijn initiatie tot verantwoordelijk mens rijpen; een beeld dat teruggaat op tijden dat uitgestrekte landstreken met bos bedekt waren en terwille van de landbouw ontgonnen moesten worden. (ensie nl)
Foto door diana plotkin

“Volgens de dichterlijke Edda, de Oudijslandse bundel stammend uit heidense dagen, zullen Múspells zonen dit geweldige woud doorkruisen wanneer zij uit de vuurwereld tevoorschijn komen om de onze ten einde te brengen. Met enige vrijheid werd de naam ook aangewend voor sommige uitgestrekte bossen in Scandinavië, zoals Kolmården in Zweden. Maar het echte, oorspronkelijke Merkwede ware dat oeroude markwoud in het zuiden dat de Germaanse wereld scheidde van ander volk. Het strekte van het Ertsgebergte in het oosten tot helemaal aan de Rijn in het westen, waar nu het Zwarte Woud vereenzaamd staat.” (Het woud tussen de werelden Olivier van Renswoude)

Lees:

Hieronymus Bosch (circa 1450-1516) “Het woud dat hoort en het veld dat ziet’

Het woud heeft oren, het veld heeft ogen is een dubbelzijdige tekening van de Zuid-Nederlandse schilder Jheronimus Bosch in het Kupferstichkabinett in Berlijn.(Wikipedia)

Centraal op de tekening staat een kale, oude boom met daarop een uil. Op de takken van deze boom zitten een aantal vogels, waarvan er één naar de uil krijst. Ook staat er tegen de boom een specht. Onderaan de boom ligt een vos met daarnaast een haan. Uit het bos erachter groeien twee oren en op de voorgrond liggen zeven ogen. (ibidem)
Foto door Johannes Plenio op Pexels.com
In het Woud van Lang Verwachten
te paard op pad, dolenderwijs,
zie ik mijzelf dit jaar bij machte
tot Verlangens' verre reis.
Mijn knechtstoet is vooruitgegaan
om 't nachtverblijf vast te bereiden,
vond in Bestemming's Stad gereed
voor dit mijn hart, en mij ons beiden,
de herberg, die Gedachte heet.

In 't boek van mijn gepeinzen al
vond ik dan, schrijvende, mijn hart;
het waar verhaal van bitt're smart
verlucht met tranen zonder tal.

Charles d'Orléans”
― Hella S. Haasse, In a Dark Wood Wandering: A Novel of the Middle Ages
Foto door Stijn Dijkstra op Pexels.com

“En la forest de Longue Attente
chevauchant par divers sentiers
m'en voys, ceste année présente
où voyage de Desiriers.
Devant sont aller mes fourriers
pour appareiller mon logis
en la Cité de Destinée.
Et pout mon cœur et moy ont pris
l'ostellerie de Pensée.

Dedans mon livre de pensée
j'ay trouvé escripvant mon cœur
la vraie histoire de douleur
de larmes toute enluminée.

Charles d' Orléans
Foto door George Sultan
 Adriaan Morriën: De boom en het bos


Het bos is als de mensheid, te voltallig,
Een zaal met vreemdelingen, een vreemdtalig volk,
Dat om ons lacht in bondgenootschap met de wind,
Een duldzaam ras, verslaafd aan de seizoenen,
Dat in de grond graaft slechts op zoek naar water,
En in de lucht boort zonder te ontstijgen,
Dat al het donker van de avond tot zich trekt,
Met vogels, moegevlogen vlinders, eerste sterren,
Wel schoon, maar gelijkluidend aan de zee,
Een hinderlaag voor kinderen en bliksems.

Maar ik voel vriendschap voor een enkele boom,
Die op mij wacht wanneer ik 's avonds thuiskom,
Die ik begroet en die mijn groet beantwoordt,
Een hoge vindplaats van de wind, een long vol licht,
Een grote hand die uit de domme grond steekt,
Een open brein vol dromen en gedachten.
Het troost mij dat hij mij zal overleven
En dat mijn denken verdergaat in weer en wind.
Want voor het zonlicht maakt het geen verschil:
Zo tijdeloos als nu is het ook na mijn dood.


Uit: Libertinage. Jaargang 5.1953
Meisje in het bos. Een van de eerste olieverfschilderijen van Van Gogh

In de zomer van 1882 kan Van Gogh voor het eerst zijn eigen olieverf kopen. Hij kiest voor een praktisch palet met gezonde kleuren die hij niet zelf hoeft te mengen. Dit is een van de eerste schilderijen die hij dan maakt. Van Gogh schildert het vermoedelijk op zijn knieën. Dat zien we aan het lage perspectief en uit onderzoek, dat uitwijst dat er stukjes eikenblad van de bosbodem in de verf terecht zijn gekomen.  (Kröller-Müller Museum)

Wetenschappelijk nog ten zeerste betwijfeld, maar alvast een mooi begin om samenhang te onderzoeken.

Atlasceder. Wordt gemiddeld 1500 jaar oud.

Woud en bos brengen je naar het mooie werk van Hans Emmenegger (1866-1940)

De verbeelder verbeeld, een intro.



Glazenwasser ziet schilderijen

Auto’s, gelach, geraas: alles slaat dood
op zeven hoog. Ik hoor alleen mijn spons

en het verkouden knarsen van het staal
waaraan ik hang. Soms spreekt een wolk mij aan

of gis ik wat een meeuw te zeggen heeft.
De mensen: druk, wit, stemloos, achter glas.

Op acht hoog kunst. Dat meisje daar, die lach,
wie heeft haar zo bespied dat ze immuun

voor complimenten mijn gezicht in kijkt?
En wanneer breekt die sperwer uit zijn lijst?

Ik hang hier als een ijskoud schilderij
waar niemand oog voor heeft, ik poets en zwoeg

en maak het uitzicht vrij – schilder er maand
na maand onvervalste wolken bij.

Kijk. Daar kruipt al zonlicht in mijn lijst.

Menno Wigman (1966-2018)
Foto door Alex Dos Santos op Pexels.com

In de isolatie van wie je bent blijft er een uitweg naar het zoeken van een zelfbeeld. Menno Wigman schildert een zelfportret. Het beeld van de glazenwasser. Onzichtbaar voor anderen terwijl hij tenslotte zorgt voor zichtbaarheid. Een fraai beeld waarin de functie van kunst en kunstenaar ligt gevat. Kunnen kijken vanuit een denkbeeldig venster door woorden, kleuren en klanken of volumes. Zelf blijft degene die uitzicht verschaft schijnbaar ongezien. Of toch niet? Of is het eigen aan de ziener(ster) alleen te zijn?

"Als de kunstenaar vandaag het kunstenaarschap niet meer opneemt, maar er als een tewerkstelling op in- en uittekent, dan staat er dus meer op het spel dan een verouderde mythe. De nuchterheid die het afscheid van de roeping impliceert, is niet geruststellend. Het betekent dat de wereld nog positiever is geworden dan hij al was. Het betekent dat het leven niet meer uitgevonden kan worden, maar steeds al gegeven is. Het betekent dat het steeds onwaarschijnlijker wordt dat er iets gebeurt, dat er ons nog iets overkomt. Geen ontmoetingen meer die ons oproepen om te getuigen. In de plaats daarvan één uitgestrekte tautologie."

'De Roeping, de Kunstenaar en hun Carrière' Dirk Lauwaert 2004

Photo by Noah Silliman on Unsplash


“Het kunstenaarschap is iets wat je jezelf niet kunt toekennen. Het komt je als roeping overvallen. Maar de erkenning van je kunstenaarschap wordt door anderen geleverd. Het is dan ook onmogelijk om het eigen kunstenaarschap autonoom te beheren als een portefeuille beurswaarden.

De hypothese dat je dat vandaag toch zou kunnen, geeft aan dat het kunstenaarschap van statuut veranderd is. Geen roeping meer, maar ook geen erkenning, eerder een claim, een look, een pose.

Het kunstenaarschap dat het individu hypervaloriseert, kan geen wilsbeschikking van dat individu zijn: geroepen om het te zijn, extreem wachtend op de erkenning. De mythe van het kunstenaarschap is gedacht als een imperatief. De hypothese van een kunstenaar met brugpensioen ontneemt hem de verplichting die roeping en erkenning met zich meebrengen. De eis om eigentijds te zijn, wordt zo de vraag om modieus te zijn. (Dirk Lauwaert)

Het geplette woord, -herinner je dat bloem en tenslotte brood de molensteen vandoen hebben en je de wuivende halmen klankkleur en beweging kunt schenken met olieverf, muziek of poëzie, maar de beschouwer de hongerdood zou sterven zonder het proces waarvoor vroeger wind en wieken van doen waren en nu een industrieel gebeuren voor de productie van de dagelijkse boterham van node is. Het alledaagse woord of idee ‘pletten’ waauit combinaties, beelden, ritmes, ervaringen, angsten ontstaan -u zegt het maar- en het uitgezuiverd resultaat daarvan een heus gedicht, symfonie of schilderij zou worden. Transformatie? De menselijke ervaring met de tijd die tweevoetig (verleden-toekomst) door het nu wandelt, wel eens geblinddoekt of bebrild, maar niet te stoppen.

Gmt

Weg door de korenvelden in de nabijheid van de Zuider Zee. Jacob van Ruisdael (1628-1682)(klik op beeld om te vergroten)

VADER EN ZOON IN HEVIGE REGEN

Je zoon op je schouders. 

Boven hem je paraplu 

een lopend torentje 

In regen van nu. 

Zelf wees geweest 

en wees gebleven 

zit je daar zelf 
op schouders

van ouders, zelf 

in de vorm 
van een zoontje, 

en boven de hoofden 

een ronde en kleine 

maar troostende droogte. 



Judith Herzberg (uit: Botshol 1980)
Foto door Suyash Batra op Pexels.com


"Een kunstwerk vraagt om aandacht en verdient woorden. En aandacht is meer dan voelen, meer dan het ‘ondergaan’ en de woordeloze instemming van het duimen, van lekker of niet, tranen of applaus. Het zuivere, woordeloze kijken en voelen vergeet het werk. Hoe lang kan je gedachteloos kijken? Tien, vijftien seconden voor een schilderij is lang. Ah! een Rubens! Raveel! Twee stappen achteruit, nog tien seconden. Voilà, dertig seconden, gezien, de volgende. Zonder woorden in het hoofd is het lastig kijken. Beelden zijn glad, de aandacht schuift erop uit, en vergeet het beeld voor het volgende. De roman is uit, de voorstelling afgelopen, het ‘gevoel’ verdampt. En dan? Nieuwe roman, nieuwe voorstelling, koffie of een café, en de voorstelling of het werk zijn weg. De ‘ervaring’ brengt niet bij maar altijd voorbij het werk, en doet het vergeten.

Wat echt telt, is niet de beroemde ‘eerste, onmiddellijke ervaring’: wat echt telt, is de tweede keer, is het teruggaan naar een stad, het terugkeren naar een schilderij, het herlezen van een gedicht, gewapend met een vraag, een gedachte, een associatie, met het verlangen iets – de herinnering aan de ‘eerste keer’ bijvoorbeeld – te verifiëren. Om bij een werk te blijven moet men tegen de ‘ervaring’ in zwemmen. En het eerste middel om bij het werk te blijven en het écht aandacht te geven, is woorden te hebben. Om lang te kunnen kijken en geleidelijk iets te zien, moet men veel lezen.

Natuurlijk zijn er belangrijker dingen dan kunst. Maar omdat kunst zo concreet en zo onoverzichtelijk is, omdat het zo moeilijk is er iets over te zeggen en men bij elk werk opnieuw moet beginnen, omdat er vanzelf dissensus heerst, is kunst belangrijk: het is een slijpsteen voor het denken."

Bart Verschaffel. 1996 (De Witte Raaf, editie 60. maart-april 1996)
Het snijden van de kei. Een man zit vastgebonden in een stoel terwijl een man de kei uit zijn hoofd snijdt. Aan een tafel rechts zitten verschillende belangstellenden. Op tafel ligt een uitgesneden kei. Om de centrale ronde voorstelling heen zijn schetsmatige groteske figuren aangebracht. (klik op het onderschrift om de prent te vergroten)

Lectuur:

Het witte blad, een poging.

Karla Ortiz, of het ontstaan van een kunstwerk.

This video was filmed within a span of 3 days and a half. The piece is called "Second Omen", 5x8 graphite on paper.
Karla is an award winning artist who enjoys working on a diverse and wide variety of projects.

Karla loves good music, good stories, good laughs and good food. She paints her days away with her cat Keedy Bady , and that's how she likes it.


https://www.karlaortizart.com/about

‘Second Omen’. Karla Ortiz
'De angst voor het witte blad'.

Had ik de wereld geschreven, ik had haar
direct weer geschrapt. Niet uit hypochondrie

maar uit vakmanschap. De wereld is samen
te vatten in de witheid van één blad en dan
moet je dat doen ook, geen gezeur. Maar omdat
je daar niet van kunt leven, schrijf ik meestal
om het even wat en maak mijn lezers wijs
dat daarin de wereld ligt vervat. Ik schrijf

bijvoorbeeld: ‘Wit is waarheid. Woorden
bedrog.’ Of: ‘Zo is het toch?’ Of nog:

‘Maar ik hou niet van wat waar is! Geef
mij maar notaris Van der Leugen. Die
legt alles in een officieel geheugen vast
en, door de kracht van zijn pen, wordt
wat hij heeft beschreven voorgoed van
onbestaand naar onvergankelijk verheven.’

Is dat niet mooi
omschreven?

Tom Lanoye (1958). Uit: ‘De meeste gedichten’

Hagelwit. Zo zag het iconische Gentse Graffitistraatje er vandaag heel even uit. Het GUM (Gents Universiteitsmuseum) schildert samen met Gentse street art-kunstenaars dit straatje wit als ode aan het witte blad en kondigt zo ook een bijzonder boek aan: ‘Welkom in het hoofd van de wetenschapper’, een boek van Marjan Doom. Zij is directeur van het GUM. Dat nieuwe wetenschapsmuseum opende op 21 en 22 maart 2020 de deuren.  

Het boek van Marjan Doom is niet zomaar een boek: het is een leeg boek, met enkel een inleiding en het statement: “Soms moet je van een wit blad beginnen om tot nieuwe inzichten te komen.” (Gum: Gents Universiteits Museum en Plantentuin. 2020)

"Het 'GUM' is een museale vertaling van het Durf Denken-ideé.  Het is een wetenschapsmuseum dat de klemtoon legt op de zoektocht naar kennis.  Wetenschap geïllustreerd als een creatief, steeds evoluerend en pluralistisch concept.  De schoonheid van dat proces wilden we naar buiten brengen.  Het witte Graffitistraatje en de witte boeken leken ons de perfecte manier om dat te doen."   (Marjan Doom, directeur GUM. 

https://www.gum.gent/nl/nieuws/soms-moet-je-met-een-wit-blad-beginnen-om-tot-nieuwe-inzichten-te-komen

Foto door Lukas op Pexels.com

In de onderstaande video vertellen acht schrijvers hoe ze de confrontatie met het witte blad aangaan of doorstaan. Met: Jonathan Franzen, Lydia Davis, Joyce Carol Oates, Margaret Atwood en David Mitchell. Je kunt onderschriften activeren. (5’04”)

Margaret Atwood:

‘It’s a bit like skiing: if you’re skiing downhill and you stop in the middle to think ‘How am I doing this?’, you’ll fall over.’
Foto door Anna Nekrashevich op Pexels.com

Het witte blad klinkt vernieuwend, maar grijpt in feite terug naar een verleden dat nooit heeft bestaan. Het roept een wereld op waar belangen ondergeschikt zijn aan logische regels die iedereen erkent, ook als ze hem of haar niet goed uitkomen. Maar de mens heeft de politiek juist bedacht omdat zijn natuur anders in elkaar steekt. We hebben zelf het beste met de gemeenschap voor, maar we vermoeden dat anderen niet zo zijn. En dus stellen we grenzen aan ons altruïsme. Het gemeenschappelijke doel waarover we het eens moeten zijn voor we het witte blad bovenhalen, bestaat niet. We beweren van wel, maar we weten dat het niet zo is. En daarnaar gedragen we ons.

(Uit: De paradox van het witte blad, Bart Sturtewagen in ‘De Standaard’ van 12 juni 2015)

Foto door Eva Bronzini op Pexels.com

‘Ik wilde het eindelijk weleens weten. Hoe vals, hoe bescheiden of hoogmoedig, hoe nederig of hovaardig ben ik? Kortom, wie denk ik eigenlijk dat ik ben? Uiteraard kwam ik er niet uit. Nog nooit ben ik al denkend ergens uitgekomen.’ (Bernard Dewulf)

René Magritte, La Page blanche (Het onbeschreven blad), 1967, olie op doek, 54 x 65 cm

Volgens Georgette Magritte is dit het laatste werk van de kunstenaar voor zijn overlijden in augustus 1967. Enkele weken eerder had Magritte aan een bezoekend journalist gevraagd om het werk te beschrijven. Toen de journalist een halve maan achter bladeren zag, veranderde Magritte het werk: het werd een volle maan op het gebladerte. Daarna zagen nog twee andere bezoekers het werk en telkens hield Magritte rekening met hun commentaar en paste het aan.

Syndrome de la page blanche

Sneeuw

Wij hebben niets meer dan het witte blad van noode,
waar – zooals zuiver sneeuwen op de aarde dwaalt
de overluchtsche vlucht van de gedachte daalt,
door ééne wenk der wimpers tot dit uur ontboden.

Wij waagden éénmaal ons, het overvele ontvloden,
in ’t hart der stilte, wit van een volstrekt gemis.
Waar aanvang nam wat thans dit levend sneeuwen is,
hebben wij niets meer dan het witte blad van noode.

Ida Gerhardt (ca. 1950)
‘Sneeuw’, een ongepubliceerd gedicht van Ida Gerhardt, is op 31 januari 2002 verschenen in het eerste nummer van het poëzietijdschrift Awater

Foto door Brad op Pexels.com
DE VOGELS

De vogels in het stedelijk luchtruim schrijven
een winterbrief aan de mensen in de straten.

Cirkelend op het witte blad van de hemel
zijn zij hun eigen letters, veren en kraakbeen.

Al hun zinnen beginnen met uitroeptekens.
De taal der vogels is vol gevleugelde woorden.

Weinigen kunnen hun kraaienpoten lezen.
Weinigen worden wijs uit hun verhaal.

Maar de kinderen spellen het spelenderwijze
en de dichters schrijven het blindelings na.

uit: Gedichten 1950-1980 van Bert Voeten (1918-1992)

Foto door Soner Arkan op Pexels.com

Verdampt, verdwenen, gesmolten, uitgeveegd?
Eens woorden of kleuren in hoofden en in open zielen zijn gaan wonen beginnen ze hun eigen levens te leiden.
Ze vermengen zich met dromen van de ontvanger, worden wel eens fluisterend herhaald of schieten wortel in een zoekende ziel.

Het volgende witte veld wacht als een moeder op de thuiskomst van haar kinderen.

(Gmt)

Foto door Pixabay op Pexels.com