Maait mei niet? ‘De ongrijpbaarheid van het kwaad’ (Nelleke Noordervliet)

eigen foto

Het mag duidelijk zijn dat deze bijdrage geen vragen wil stellen bij het mooie initiatief de wildgroei in de tuinen te bevorderen maar eerder vanuit data als de net voorbije 4de en de komende 9de en 10de meidag een ander ‘maaien’ zichtbaar te maken dat -dachten wij- nu wel tot de ‘geschiedenis’ is gaan behoren, maar weer volop in de bloedigste betekenis van het woord dagelijks tot in Europa bloesem en bloed verenigt. Wilde ik dit jaar de weelde van de blauwe regen in beeld brengen dan kon dat alleen vanuit de zwarte schaduw van zijn knoestige stammen.

It should be clear that this contribution does not seek to question the fine initiative of promoting sprawl in the gardens but rather to make visible, from dates such as the just-passed 4th and the coming 9th and 10th May, another 'mowing' that we thought belonged to 'history', but which, in the bloodiest sense of the word, unites blossom and blood daily in Europe. If I wanted to picture the opulence of the wisteria this year, I could only do so from the black shadows of its gnarled trunks. 

In de mooie verzameling teksten van Nelleke Noordervliet ‘Schatplicht’ (Uitgeverij Augustus A’dam-Antwerpen 2013) vond ik in de late uren een prachtige tekst ‘De ongrijpbaarheid van het kwaad’ , de neerslag van een toespraak ter gelegenheid van de herdenking van 4 mei in de Nieuwe Kerk te Amsterdam in 2006. Haar woorden zijn actueler dan ooit. Ze verspreiden is dan niet alleen een eerbetoon maar pure noodzakelijkheid.

Russian state media are now highlighting Russia’s capture of almost all of Mariupol as a long-anticipated victory in Mr. Putin’s pledge to “denazify” Ukraine.Credit…Alexander Ermochenko/Reuters NY Times

‘Hoe kon het gebeuren? In Europa. In Duitsland. In Azië. In Japan. Hoe kon de zucht tot veroveren en onderdrukken bezit nemen van zovelen? Hoe kon een misplaatst gevoel van superioriteit leiden tot vervolging en vernietiging van miljoenen medemensen? Waarom is er niet eerder ingegrepen?
Het is allemaal beschreven. Geschiedschrijving helpt een overzicht te krijgen. Optimist als de mens vaak is, meent hij van de geschiedenis te zullen Ieren. De voornaamste les is dat de mens niets leert van de geschiedenis, althans geen consequenties verbindt aan de lessen. Als dat wel zo was, leefden we nu in het paradijs. Nee, nu val ik ons iets te hard. Het is waar: oorlog is helaas gangbaarder dan vrede, maar is er nu ergens ter wereld oorlog of heerst ergens ter wereld een mensonterend regime, dan sluiten we onze ogen niet. Niet altijd. In sommige gevallen heeft de internationale gemeenschap na ampele beraadslagingen een vredesmissie naar een dergelijk gebied gestuurd. En ook daarvan is geleerd. Door schade en schande. Er is geen schone oorlog, er is geen zuivere vrede. Geschiedschrijving maakt ons bewust van onze feilbaarheid.
Ze maakt ons alert op nieuwe verschijningsvormen van onrecht, terreur, misleiding. Niet alleen in anderen maar ook in onszelf.

Olga Podust, 28, surveyed the damage to her apartment in Kramatorsk on Thursday. An early-morning Russian airstrike severely damaged the residential complex where Ms. Podust lived. Credit…Lynsey Addario for The New York Times

De grote totalitaire regimes zijn verdwenen uit Europa. Dat wil niet zeggen dat de voorwaarden waaronder ze konden ontstaan met hen zijn verdwenen. Hannah Arendt heeft dat in haar diepgravende analyse van het totalitarisme afdoende duidelijk gemaakt. Wat me blijft intrigeren is hoe in een mens, die onder normale omstandigheden niet geneigd is tot crimineel gedrag, die niet erfelijk is belast of andere tekortkomingen in zijn systeem vertoont, de besmetting met het kwaad plaatsvindt, hoe het komt dat mensen bereid zijn hun individualiteit en kritisch oordeelsvermogen op te geven, uit eigen vrije wil, en actief een rol te gaan vervullen in een machinerie van haat en vernietiging. Hoezeer ook een totalitaire beweging welhaast een natuurverschijnsel lijkt dat alles en iedereen op zijn verwoestende weg meesleept: elke beweging bestaat uit mensen, individuen, verblind, hongerig, vervuld van eigenbelang, wraakzucht, jaloezie en wat al niet, maar altijd eenlingen, met het vermogen te denken en lief te hebben. Mij intrigeert dat omslagpunt waarop een individu zijn keuze maakt: mee te gaan of weerstand te bieden. Velen buigen, maar sommigen niet. Sommigen niet. Weten we van onszelf of we de moed zullen opbrengen? Ik durf mijn hand niet voor mijzelf in het vuur te steken. Van niemand valt te voorspellen of hij in de beproeving stand kan houden.

Ik stel me voor hoe het gaat. Er zijn problemen in een gemeenschap. Er heerst onrust, verwarring. Er zijn smeulende conflicten.
In het zoeken naar een uitweg wordt een idee voor een oplossing geopperd. Het klinkt plausibel. Verlossend zelfs. De visie wint aan populariteit en wordt krachtiger, radicaler. ]e hele omgeving spreekt zich uit voor die kijk op de kwestie, met wat mitsen en maren, maar toch. ]e discussieert. Stelt vragen. Argumenteert. Geeft toe. Of niet. Of een beetje. ]e twijfelt. Er zit misschien wel wat in. Of niet. De anderen twijfelen steeds minder. Wie is nou gek, zij of jij? De visie wordt steeds meer absoluut. De taal verandert. De betekenis van woorden verandert. Bijna ongemerkt. Al spoedig schaam je je voor je twijfel. ]e spreekt hem niet meer uit.
Tegenstand wordt steeds minder geduld. Mensen die je hoog had zijn de ideologie toegedaan. ]e wordt een buitenstaander. Dat wil je niet zijn. ]e vreest de eenzaamheid, de uitsluiting. En ach, als zovelen de nieuwe politiek aanhangen, wat maakt jouw protest dan nog uit? En als je je aansluit ben je ook maar een onaanzienlijke druppel in de oceaan. Wat doe je ertoe, jij klein mens? Alles om je heen is veranderd, je verandert zelf. Tot je jezelf niet meer herkent.

Men zegt dat juist de geleidelijke, stapsgewijze voortschrijding van het kwaad de betrekkelijke meegaandheid van mensen onder een totalitair regime tekent. Mensen worden heel langzaam ontmenselijkt. Onmerkbaar verliezen ze het beeld van de ander als gelijke. Hun individualiteit wordt hun ontnomen. In ruil daarvoor krijgen ze angst.
‘Wil een totalitaire heerschappij het gedrag van haar onderdanen leiden,’ schrijft Hannah Arendt, ‘dan moet elk van hen erop voorbereid worden dat hij even geschikt is voor de rol van uitvoerder als voor de rol van slachtoffer.’ Je kunt niet meer kiezen. De staat kiest voor jou. De openheid van de toekomst houdt op te bestaan.

Ik blijf zoeken naar het moment van twijfel, het moment van toegeven, het beslissende moment, waarop een mens zich laat gaan in overgave en zelfverlies, het moment waarop het kwaad vat krijgt op een individu. Hoe is het kwaad als kwaad te herkennen? Wie jong is gelooft maar al te graag in de neiging van de mens tot het goede; hij begint zijn leven net en dan is moedeloosheid of cynisme geen vrolijke metgezel. Geleidelijk aan wordt hij wijzer en ontkiemt in zijn hart het zaad van de twijfel. Is de mens wel geneigd tot het goede? De werkelijkheid dwingt hem onder ogen te zien dat het ‘goede’ niet makkelijk herkenbaar is. Zelfs het kwaad dient zich aan in de mantel van het goede. Woorden als vrijheid en waarheid worden maar al te vaak misbruikt.

‘Do not go gentle into that good night, rage, rage against the dying of the light.’

We verzetten ons tegen de duisternis. We verzetten ons tegen het vergeten. Maar hoe kunnen we ons verzetten als de verhalen van de oorlog verstenen tot mythen? Als we het lied zo vaak hebben gehoord dat de betekenis uit de tekst is verdwenen. We moeten ons allereerst verzetten tegen gemakzucht en afstomping in onszelf. Blijf luisteren. Naar alle verhalen van oorlog.Verhalen van kinderen die een geweer in de hand gedrukt krijgen.Verhalen van vluchtelingen. Verhalen van gemartelden en gegijzelden. Verhalen van vermoeide soldaten. Verhalen van verdwenen dorpen. Verzamel verhalen en wordt niet moe. Luister naar verhalen van toen en naar verhalen van nu. Luister naar de stem van je eigen vrijheid. Maar hoor ook je uitvluchten, je excuses, je drogredenen. Volg niet klakkeloos leiders. Durf alleen te staan. Durf je uit te spreken. Wees moedig. Wie goed luistert neemt geen wapens op, behalve om de menselijkheid te verdedigen.

Toen Rotterdam brandde, op 14mei 1940, stonden mijn grootouders van moederszijde, een oom, een tante en mijn moeder in de etagewoning van opa en oma in Crooswijk, niet ver van de Jonker Fransstraat waar het vuur woedde. Ze waren erg bang. Zomaar was vier dagen tevoren de oorlog uitgebroken. Vliegtuigen lieten parachutisten vallen. Geruisloos zweefden ze door een hemelsblauwe lucht naar beneden, herauten van strijd en van dood. Nu kwamen de vliegtuigen met brandbommen aanronken, vlogen over, lieten hun loodzware last vallen. Elk ogenblik kon een voltreffer het dak van opa’s en oma’s huis raken. Ze hadden de armen om elkaar heen geslagen. Ik weet niet of ze gesproken hebben of gebeden, gevloekt of gehuild. Ze hebben gedacht te zullen sterven, zomaar op een dag in mei. Ze stonden als een menselijk schild over mijn nichtje heen, dat toen een paar maanden oud was. Het enige wapen dat ze hadden om de menselijkheid te verdedigen was hun eigen lichaam. Dat ene kleine jongen mensenleven telde. Ze moesten de toekomst redden. Ze moesten de toekomst redden.

Nellke Noordervliet, fragmenten uit 'De Ongrijpbaarheid van het Kwaad' Gebundeld in 'Schatplicht' Uitgeverij Augustus Amsterdam-Antwerpen 2013 

Letterbreed en letterlievend: Charles Boyle (1951)

Foto door Ravi Kant
Charles Boyle was born in Leeds, and worked in for a long time in publishing, including fourteen years at Faber and Faber. He is the author of six collections of poetry: Affinities (1977), House of Cards (1983), Sleeping Rough (1987), The Very Man (1993; all Carcanet), Paleface (1996), and The Age of Cardboard and String (2001; both Faber), the last of which he is probably best known for. Reviewing in the Guardian, Nicholas Lezard called the book “quite beguiling: completely unpretentious yet still resonant and lyrical; linguistically precise and emotionally evasive, often at the same time.” 

Boyle has also published a novella, 24 for 3 (Bloomsbury, 2008) under the pseudonym Jennie Walker, and a book of photographs and brief texts, Days and Nights in W12, under the pseudonym Jack Robinson. The Manet Girl, a collection of stories, was published under his own name in 2013 by Salt Publishing. In 2007, as a result of his difficulty in getting 24 for 3 published, Boyle established CB Editions, a small press dedicated to novellas, translations, and writing in other genres often neglected by mainstream publishers. (The poetry archive, John Green)

Merkwaardig in deze staat van dienst is wel dat hij na zes dichtbundels (1977-2001) ophield met poëzie schrijven. Sinds het eerste jaar van dit nieuwe millenium heeft hij dus geen versregel meer geschreven. (Poems can be written in the little gaps of time that 9-to-5 jobs allow. Especially after I had children, I considered earning a living more important than writing poems.) Met daarbij de vrees hetzelfde gedicht te schrijven dat eerder al door hem geschreven is. Hij noemt het: “een vriendschappelijke scheiding” van de Muze. Als founder-editor van zijn kleine CB-editions had hij ook wel de handen vol om van het hoofd nog te zwijgen.

'I wasn’t good enough. I wanted to get a new tone and a new range of material into the work, and I didn’t have the technique, the ability. Writing more of what I’d already written, variations on poems already in print, was pointless – firstly because there was no thrill in this, secondly because it wasn’t as if this was an income-generating activity that I needed to sustain to keep myself in cigarettes.'
Foto door Negative Space

Vorig jaar, 2021, verscheen ‘The Disguise’ Poems 1977-2001, een selectie uit de zes bundels door Christopher Reid , Carcanet. Manchester. In enkele dagen van Amazon NL naar je thuisadres voor iets meer dan 20 euro. Enkele gedichten hier met poging tot vertaling als kennismaking. Ook uit mijn persoonlijke collectie.

Charles Boyle established a reputation as a sharp, wry, disabused observer of social mores. Paleface, published by Faber, was shortlisted for the Forward Prize, and The Age of Cardboard and String, also from Faber, was shortlisted for the T.S. Eliot Prize and the Whitbread Award. But in 2001 the well ran dry. Since the first year of the twenty-first century he has not put poetic pen to paper even once. 

The poems remain vital and fascinating, but they have about them also a kind of archaic cast: here we find the quintessential white male Englishness from the late twentieth century on display as if in a museum. Here too is the excitement of abroad (North Africa especially), and there are ghosts, absences, exile and evasions: in hindsight, these poems offer clues to their own disappearance after thirty notable years spent partly in the sun. (aldus de uitgever)
Foto door Charlotte May
Moving in

The shape of the key is still strange in my hand.

Inside, all’s silent in shadow: a sense
of violating stillness as in a tomb.

We wander through, touching dust, pausing
to look, to listen, to watch each other’s faces.

On the south side we find, as promised, the balcony,
you open the shutters, letting daylight in

on faded chairs, the worn carpet, a magazine.
There are pictures of flowers and eastern girls.

All this will have to go, you say.  Less sure
than you, I fear displacing the old echoes.
eigen foto Gmt
Naar binnen

De vorm van de sleutel is nog steeds vreemd in mijn hand.

Binnen is alles stil in schaduw: een gevoel
van gewelddadige stilte als in een tombe.

We dwalen rond, raken stof aan, pauzeren
om te kijken, om te luisteren, om elkaars gezichten te bekijken.

Aan de zuidkant vinden we, zoals beloofd, het balkon,
je opent de luiken, laat het daglicht binnen

op verschoten stoelen, het versleten tapijt, een tijdschrift.
Er zijn foto's van bloemen en oosterse meisjes.

Dit moet allemaal weg, zeg je.  Minder zeker
dan jij, vrees ik de oude echo's te verplaatsen.
Arlington Mansions

Towards midnight on my 30th birthday
I was teasing a 5-amp fuse wire
between a pair of recalcitrant screws,
remembering in the dark
April 1961: Yuri Gagarin, first man alive
to see the whole blue ball in space,
and myself aged 10 in the back of a car
being driven east.

A dog came scratching for food.
A bowl of cold chicken curry later,
I half-led, half-pushed it back home
to the gaga lady upstairs –
the Flower Girl, the Millionairess,
former star of the silent screen- 
who lived on chocolate and cigarettes.

Sshhh, she whispered, one finger on her lips,
the same sound of the sea
I could hear beyond Flamborough Head.
Foto door Julia Volk
Arlington Mansions

Tegen middernacht op mijn 30ste verjaardag
was ik een 5-amp zekering aan ’t trekken
tussen een paar recalcitrante schroeven,
en herinnerde ik mij in het donker
april 1961: Yuri Gagarin, de eerste levende man
die de hele blauwe bol in de ruimte zag,
en ikzelf 10 jaar oud, achterin een auto
die naar het oosten reed.

Een hond kwam scharrelen naar eten.
Een kom koude kip curry later,
ik half geleid, half geduwd
naar de gaga-dame boven-
de Flower Girl, the Millionairess,
voormalige ster van het stille scherm-
die van chocolade en van sigaretten leefde.

Sshhh, fluisterde ze, een vinger op haar lippen,
hetzelfde geluid van de zee
dat ik voorbij Flamborough Head kon horen.
Foto door cottonbro
Fault Line

There was so much right on both sides,
Ken said, we could each found a church,
and the people who stuck by whichever holy writ
would be people he wouldn’t mind meeting.

At the time, I was kneeling on the floor
with a self-assembly bookshelves kit,
wondering why they’d given me only nine nuts
for ten bolts, and just when he’d said that,

about the two churches, I realised
that the alarm bell on the used-car garage
which had been ringing since Friday night
had stopped. For the first time for years

I felt a shiver run through me
and into the ground. Then Ken was saying,
in his seen-it-all, done-it-all voice,
Have you ever watched a priest, a priest

in full regalia, in tears? Weeping’s
the word, not crying, and the snotty grey handkerchief
he keeps up the sleeve of his vestment
can’t stem the waters of Babylon.
Waters of Babylon Ninth Taboo
Breuklijn

Er was zoveel goeds aan beide kanten,
zei Ken, dat we elk een kerk konden stichten,
en de mensen die zich aan de heilige schriften hielden
zouden mensen zijn die hij  best wilde ontmoeten.

Op dat moment zat ik geknield op de vloer
met een doe-het-zelf bouwpakket boekenplanken,
verwonderd waarom zij mij maar negen moeren
voor tien bouten hadden gegeven, en net toen hij dat had gezegd,

over de twee kerken, realiseerde ik mij
dat de alarmbel van de tweedehands autogarage
die al rinkelde sinds vrijdagnacht
gestopt was. Voor de eerste keer sinds jaren

voelde ik een rilling door me heen gaan
tot in de grond. Toen zei Ken
met zijn alles-gezien, alles-gedaan stem:
Heb je ooit een priester, een priester

in vol ornaat in tranen gezien? Huilen is
het woord, niet wenen, en de snotterige grijze zakdoek
die hij in de mouw van zijn gewaad bewaart
kan het water van Babylon niet tegenhouden.
Blossom

I’m in Waterstones, where they know about these things,
I’m trying to buy a book with the word Tree
in its title, I forget the author, it’s something
I’ve been told I must read by someone I trust,
over a week ago now, and the girl at the desk,
the cashier, pretty, brunette, is on the phone
to a friend, who is making some difficulty about tonight’s
arrangements, nine o’clock in the Yorkshire Grey,
and while nestling the phone to her cheek, between her ear
and left shoulder, a trick I could never manage,
is taking money from the person, woman, in front of me,
giving one pound and five pee change, then dropping the book,
six hundred pages at least, with a palm tree, black
palm tree, not the same tree at all, and embossed
gold letters on its cover, into a purple plastic bag,
adding bookmark, receipt, a smile, a frank
and beautiful smile, still insisting that Stephen and Julia
are leaving tomorrow, it could be their last chance ever.
Bloesem

Ik ben in Waterstones, waar ze van die dingen afweten,
ik probeer een boek te kopen met het woord Tree
in zijn titel,  ik vergat de auteur, het is iets werd er gezegd
door iemand die ik vertrouw dat ik moet lezen, 
nu een week geleden, en het meisje aan de balie,
de kassière, mooi, brunette, is aan de telefoon
met een vriend, die wat moeilijk doet over  over de afspraken
van vanavond , negen uur in de Yorkshire Grey,
en terwijl ze de telefoon tegen haar wang nestelt, tussen haar oor
en linkerschouder, een truk die ik nooit zou kunnen flikken,
is geld aannemen van die persoon, vrouw voor mij,
een pond en vijf pence wisselgeld geven, dan het boek
minstens zeshonderd pagina’s, met een palmboom , zwarte
palmboom, helemaal niet dezelfde boom, goudkleurige
letters in reliëf op de kaft, in een paarse plastic zak laten vallen,
bladwijzer erbij, ontvangstbewijs, een glimlach, een open
en mooie glimlach, nog steeds volhoudend dat Stephen en Julia
morgen vertrekken, het zou hun laatste kans kunnen zijn.

The Age of Cardboard and String, gepubliceerd in 2001, is het titelgedicht voor Charles Boyle’s laatste bundel tot nu toe. Na wat hij “een minnelijke scheiding” van de Muse noemt, werd hij de oprichter en uitgever van CB Editions en blijft hij in andere genres schrijven.

In feite zijn het drie kleine gedichten onder dezelfde noemer. Het wordt uitvoerig besproken in The Guardian door Carol Ruimen’s ‘Poem of the week’ van 27/12/2021 Te raadplegen:

https://www.theguardian.com/books/booksblog/2021/dec/27/poem-of-the-week-the-age-of-cardboard-and-string-by-charles-boyle

The Age of Cardboard and String

It is a machine for eating oranges.
It is a machine for humming new tunes.
It is a rocket bound for the moon.
It is, whatever string you pull, the same machine.

When it breaks we apply more sellotape,
and when it breaks again we sulk, mixing our tears
Into the glue. When it works

we set off for the moon,
scattering orange peel on the floor
and singing songs not yet written down –
hot, fierce songs

that almost burn our mouths with their newness.

*

Faster! Faster! We want to overtake
Anna, who is seven. We want

gears, automatic transmission, wings, clouds
to fly through, flags, fuel injection,
solar panels, stabilisers, sometimes just
to be left alone.

And no,
it wasn’t us (with crumbs on our lips)
who stole the cookies from the cookie jar.

Maybe God
Maybe God was hungry.

*

The moon was OK.
There were holes in it,
We saw biscuits and things at the bottom.

It was raining, the cardboard melted.
Tomorrow can we build a boat?

Wait! We brought you back a secret,
but we’re going to tell it to the zebras first –
the black one with stripes painted white,
the white one with stripes painted black,

who sleep on the landing,
leaving just enough room to squeeze by.
on the wings of a dream by Vince Pezzaniti
Het tijdperk van karton en touw

Het is een machine om sinaasappels te eten.
Het is een machine om nieuwe deuntjes te neuriën.
Het is een raket op weg naar de maan.
Het is, aan welk touw je ook trekt, dezelfde machine.

Als ze breekt, gebruiken we meer sellotape,
en als ze weer breekt mokken we, terwijl we onze tranen mengen
met de lijm.  Lukte het

dan gingen we op weg we naar de maan,
appelsienschillen strooiend over de vloer
En songs zingend die nog niet niet geschreven zijn-
Hete felle songs

die bijna onze monden verbranden met hun nieuwigheid.

*

Sneller! Sneller! We willen Anna
inhalen, die zeven is.   We willen

Versnellingen, automatische transmissie, vleugels, wolken
om er door te vliegen, vlaggen, brandstofinjectie,
zonnepanelen, stabilisatoren, soms gewoon
om met rust te worden gelaten.

En neen, 
wij waren het niet (met kruimels op onze lippen)
die de koekjes stalen uit de koekjestrommel.

Mischien God
Misschien had God honger.

*

De maan was OK.
Er zaten gaten in,
We zagen koekjes en dingen op de bodem.

Het regende, ’t karton gesmolten.
Morgen kunnen we dan een boot bouwen?

Wacht! We brachten je een geheim terug,
Maar we gaan het eerst aan de zebra’s vertellen-
de zwarte met wit geschilderde strepen,
de witte met strepen zwart geschilderd,

die op de overloop slapen,
net genoeg plaats overlatend om er langs te kunnen.

Charles Boyle is een scherpe observator. Niet het verhaal, maar degene die het vertelt of er zijdelings bij betrokken is wordt belangrijk. De fragmentarische observaties doen mij aan filmbeelden denken; ze hebben door hun koele beeldrijkdom een zekere afstandelijkheid waardoor ze aan geloofwaardigheid winnen. Een verre herinnering, een ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenis, de ‘vrees om oude echo’s te verplaatsen’, de mogelijkheid om langs kinderlijke dromen essenties terug te vinden, de aandachtige observatie in een winkelruimte, ze getuigen van een koele intensiteit waarmee de warme belangstelling voor ons ingewikkeld bestaan met een zekere afstand wordt opgediend met genoeg leegte die de lezer(es) zelf zal mogen aanvullen. Er is plaats voor de lezer, een eigenschap die een uitgever naar waarde weet te schatten. Zoals in dit gedicht ter afsluiting het observeren zijn eigenzinnige draai krijgt.

FIGURINE

I like too 
the shape you make
when you're trying on a new little something,
when facing away
from the full-length mirror
you hollow your back,
make a half-turn
so that the heel of one foot's lifted up,
and look appraisingly down
to observe the effect
from behind-
as if you're following yourself
home
incognito.

(Uit de bundel Paleface 1996)
Vrouw voor de spiegel Erwin Mackowiak S.M.A.K.

Het voorbije verkwanselen, verzilveren, of… Een bespiegeling.

Schedelreliekhouder Johannes de Doper in Gent Sint-Baafskathedraal

Sommige heilige lieden waren zo heilig dat elk onderdeel van hun verder gewone lichamen na hun dood in kostbare schrijnen als relikwieën bewaard werd. Zelfs wat ze hadden aangeraakt of gedragen bleek, na aanraking of na vroom gebed, wonderbare genezingen te bevorderen.

Foot-Reliquary of St.-Anselm

Ook de meest nuchtere mens begrijpt dat een haarlok van een geliefde of welbeminde ook na haar/zijn dood tedere herinneringen en weemoedige gedachten kan opwekken; of de foto van een glimlachend oudje —en alleen de fotograaf weet dat deze glimlach verkregen werd na de belofte dadelijk na het poseren een ruime Elixir d’ Anvers te consumeren- een foto die vrede kan brengen eens de wat stugge groottante het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld en een deel van haar opgespaarde bankproducten niet alleen voor de bouw van een hospitaal in Usumbura maar ook naar de achtergeblevenen hier ten lande zal overgedragen worden.

eigen collectie antieke foto’s


Wonderbare genezingen of boter bij de vis, een herinnering kan op allerlei manieren een stevige onderbouw verdragen.

Hangertje met haarlok

Dat ook vadertje-moedertje Staat na een burgerlijk verdwijnen nog een fameuze brok achtergelaten waarde tot tweemaal toe kan opeisen is noch met heiligheid noch met kosten op het sterfhuis te verklaren. In beschaafde landen zijn dergelijke belastingen afgeschaft en kunnen de overlevenden net door die post-mortale hulp beter op eigen benen staan en zelf hun schulden dankbaar vereffenen. Zo zou je dus beter van succesrechten dan van successierechten kunnen spreken en zal de overledene een heuse mooie herinnering blijven al dan niet met foto en ingekaderde lok op de schoorsteen.

Zo zou je ook niet dadelijk moeten vervallen in het kussen van nagelaten halsdoeken, haarlokken of dagboeken, maar kon je met een beetje inventiviteit belangrijke daden uit het leven van de afgestorvene aan de nog levende man/vrouw doorgeven.
Kan wielrenner Wout Van Aert een voorbije overwinning slijten aan iedereen die het digitale eigendomsrecht ervan aankoopt tegen een fikse som, zo zullen er weldra mogelijkheden zijn om de knappe overwinningen van prijsduif Armando nog eens over te doen met de digitale verkoop van zijn intussen lang vervlogen topprestaties.
Het wordt dus grondig het leven uitspitten van je heen gegane familieleden om bijzondere -pas op, ik zeg bijzondere, dus ik vel geen moreel oordeel- om dus bijzondere daden als NFT (non fungible token) op de markt te brengen. Zo’n token is dus een unieke digitale code waaraan een bijzondere daad is gekoppeld en kan op die manier verhandeld worden. Foto en beschrijving + code volstaan om de eeuwigheid in te gaan.

Eigen foto Antieke collectie

Kijk maar naar deze familiefoto die rond 1890 is gemaakt en waarop het kleinste jongetje Harold, (leunt tegen vaders schouder,) ondanks de familieziekte (lichte vorm van Ataxie van Friedreich waarbij de te zwakke nekspieren het hoofd voortdurend naar voren doen vallen) zou uitgroeien tot een uitstekend kaartlezer, eens de Amerikanen in 1917 aan de eerste wereldoorlog deelnamen en hij ondanks de slechte Franse kaarten zijn Amerikaanse makkers van de derde divisie feilloos naar de juiste stellingen kon leiden. Om maar te zwijgen van de jongen rechts achteraan, John, die met de ene verborgen hand de nek van zijn moeder ondersteunt en met de andere goed gecamoufleerde hand zijn zusjes hoofd rechtop houdt. John dus zou later ‘de winkelwagen’ uitvinden, en al zie ik de lezer glimlachen, stel je maar eens voor dat je je boodschappen in een handtas door de winkel zou moeten meesleuren bij de maandelijkse inkopen! Twee merkwaardige voorouders.
Met deze foto kunnen dus de nazaten van de familie Holden (schuilnaam) twee NFT’s verwerven en daar aardig wat geld voor vragen ook al zijn de betrokkenen al enige tijd overleden. Je kunt dus ook nu nog eigenaar worden van lang voorbije militaire triomfen en in elke supermarkt ‘it’s al mine’ mummelen eens je deze uitvinding als NFT hebt aangeschaft.

Eigen foto Antieke collectie

Kijk maar eens naar deze aandoenlijke familiefoto. Centrale figuur is het jolige kleine meisje dat niet toevallig door alle anderen -met uitzondering van de jongen- wordt vastgehouden. Marion was dan ook een echt haantje -of zeg ik hennetje- de (het) voorste. Het is niet alleen uit tederheid dat ze wordt aangeklampt maar inderdaad uit pure noodzaak. Zonder deze techniek zou deze foto nooit gelukt zijn. Vermoeiend dat wel. Maar ook in het hoofdje spookten heel wat ideeën. In 1946 vond Marion D. De waterdichte luier uit die ze in elkaar had geflanst met plastiek dat in gordijnen wordt gebruikt. Daarmee was de eerste wegwerpluier een feit. En zeg nu zelf. We zijn wel begonnen met bladeren en dierenhuiden, later gebruikten we doeken en katoenen luiers maar dank zij dit overactieve kind verloste zij talrijke ouderparen van dagelijkse handwasjes om van de volle drooglijnen nog te zwijgen. Nu nog een dapper jochie dat enkele ecologische alternatieven kan verzinnen en een vaak vervelende familiefoto wordt een bron van inkomsten . Jij bent dan de eigenaar van deze uitvinding, waarvan wij wel vermoeden dat je rijkelijk te laat bent gekomen.

Je kunt ook bijzondere eenmalige prestaties proberen te verzilveren mocht de maatschappij je links (of rechts) hebben laten liggen. Dat David Attenborough als ‘longest career as a TV presenter’ wordt opgenomen is geen geheim maar dat Marawa Ibrahim simultaan het hoogste aantal hula hoops ringen kon laten bewegen opent al een perspectief, net zoals de langste vingernagels ooit aan de vrouwelijke hand van ene Lee Redmond. Ook het meest noordelijk klimaat-protest van Mya-Rose Craig en de lengte van Robert Wadlow, (2, 72m ) blijven opzien baren en worden natuurlijk door het Guiness-boek geclaimd, maar een tocht door de eigen familiegeschiedenissen levert wellicht interessante ontdekkingen op die niet alleen door boze droevige auteurs worden geclaimd maar als FNT een nieuwe (financiële)betekenis kunnen krijgen.

Vaders avontuurtjes, moeders uitstapjes, de gulzigheid van oom X. En de wellust van groottante Agatha, het hoeft niet alleen maar kommer en kwel te zijn, maar kan mits foto en digitaal nummer een eigen koers gaan varen, mits de juiste zakelijke aanpak. Verzilver de familie-geheimen.

Er zijn er natuurlijk die het houden bij grootmoeders verhalen en opa’s fotoboek net zoals de relieken waarmee we dit verhaal begonnen volgens sommigen voor miraculeus spektakel zouden kunnen zorgen. Maar wie wil er niet een onvervangbare token bezitten waarmee de eigenaar(es) de gelukkige resultaten van anderen kan beheren. Zoals kinderen het voor Nijntje hebben, K3 en de Minions zalig vinden, zo kunnen wij onze voorouders opnieuw tot leven wekken, er televisieseries van maken, ze als merknaam voor gezonde voeding uitlenen, opa als een soort Bob de Bouwer, groottante Lea bezoekt met Thomas de trein My little pony, nonkel Jos heeft het voor super Mario, en even later worden ze zelf op alle mogelijke hapjes en lapjes afgedrukt en spreekt niemand nog van Kai Lan of Spiderman maar is uncle Harry -bij leven en werken een slome huisjesmelker- een springlevend Chugginton-treinkarakter, neen niet Old Puffer Pete maar Harrison die ‘I rule the rails’ toetert.

Eigen geschiedenis of amusement, de markt ligt open. Nu families zonder enige schroom de camera als broer of zus beschouwen, kunnen de verhalen van de voltooid verleden tijd uit de klagende romans geschud worden en als levende personages in allerlei programma’s aan bod komen. Verkoop dus op tijd de tijd van toen, blijf eigenaar van opa’s dromen en daden, grootmoeders ontsnappingsplannen en oom Bert’s Parijse jaren en koop -indien nog betaalbaar- op tijd een overwinning van bekende sportidolen als uniek verjaardagsgeschenk bij de 100.000ste aflevering van FC De Pioenen een feuilleton op de beurs genoteerd, intussen onbetaalbaar voor wie er eigenaar van wil worden. (Van het vorige feuilleton zijn er nog slechts relikwieën te koop.)

Een kast met kleine reliekhouders in het klooster Sint-Gabriël in Hekendorp (Wikipedia)

The memory monster (2)

Weekend à Oswiecim Imbert Patrick 14_4

Het boek “The Memory Monster, A Novel, Yishai Sarid vertaling uit het Hebreeuws door Yardenne Greenspan, Restless Books Brooklyn, New York, 2020.
De foto’ s bij deze aflevering zijn van de Franse fotograaf Patrick Imbert, niet te verwarren met gelijknamige filmregisseur. Hij vatte ze samen in een boek: Weekend à Oswiecim, de Poolse naam van een stadje dat wij als ‘Auschwitz’ kennen. ‘Il ne s’ agit pas de porter un jugement moral sur la touristique d’un lieu de mémoire, mais de montrer qie les grands événements historiques tendent à se fondre dans la quotidienneté.’ schrijft hij als slotwoord.
Ze vallen in dit geval samen met de inhoud van de novelle zonder dat ze elkaar dadelijk willen becommentariëren, een mooie taak voor de lezer-kijker.

Enkele wereldwijde persstemmen vertellen over de inhoud van het boek:

‘Translated from the Hebrew with a steady hand by Yardenne Greenspan, the entire book takes the form of a letter written to the chairman of the board of Yad Vashem, Israel’s national Holocaust museum. It is an apology, one that demands the writer unspool his entire life story to account for an act of violence that occurs in the final pages. We become acquainted with an impressionable man, yanked through his own life, who finds himself an expert on Nazi killing techniques almost by chance, Holocaust studies being the best way to make a decent living in Israeli academia. Once professorship passes him by, he finds work as a tour guide to the concentration and death camps in what is today Poland, leading high school students and soldiers, occasionally dignitaries and finally anyone who will pay through Sobibor, Majdanek, Treblinka, Auschwitz, in what becomes an increasingly claustrophobic loop.

Patrick Imbert 14_7

The pages of his letter, “overflowing with perversion and self-hatred and emotional vomit,” as he puts it, describe a breakdown. His immersion in the thinking and logic of the Nazis is so obsessive that he loses his bearings and begins to see the world in their zero-sum terms. And, worse, soon he hears these thoughts echo from the young Israelis visiting the camps — an “exposed reflection” — they who walk around wrapped in the flag, singing the national anthem, crying, but also whispering, “That’s what we should do to the Arabs.” It makes sense to the guide: “When they see this simple killing mechanism, which can be easily recreated in any place and at any time, it inspires practical thinking. And they’re still children, it’s natural, they find it hard to stop. Adults think the same things, but they keep it to themselves.” (Gal Beckerman NY Times 08/09/2020)

As the narrator chronicles his path, there is a constant tension between the historical facts that he recounts for others — the almost dry textbook recitation of events and dates, which most history is eventually reduced to — and the visceral, personal, deeply emotional reaction to the horrors, which were, after all, staggering in both scale and atrocity. The narrator is a true scholar of the Holocaust, an expert with all the facts at his fingertips — which also makes him a good guide — but the disconnect between all those ‘facts’ he has learned and deals with daily and the lived horror they represent, between the rational-analytic and the personal-emotional, is, unsurprisingly, something he has difficulty dealing with.

The narrator also explains:
At first, I tried to separate myself from the report and convey it in a clean, academic fashion, without bringing in my own personality or my private life, which, in and of themselves, are nothing worthy of discussion. But after writing only a few lines, I realized that was impossible. I was the vessel inside which the story lived. If I widened the cracks until I broke, the story would be lost, too.

The narrator is disappointed by the lack of engagement of his audience, and their unwillingness or inability to truly peer into the depths of this abyss. He also becomes increasingly troubled by some of the questions that inevitably arise, including what he would have done in the situation the Jews deportees found themselves in. So also the situation of the kapos and Sonderkommandos — prisoners who were part of the machinery — is a problematic one he struggles with.
When his own young son is bullied at kindergarten, he is aggressive in his reaction: “Force is the only way to resist force, and one must be prepared to kill”, he insists (not that the situation escalates to anywhere near that); tellingly, his approach doesn’t prove particularly successful in resolving the issue. (M.A.Orthofer, 6 September 2020 The complete review, Literary Saloon)

Patrick Imbert 14_1

Le narrateur s’interroge sur l’usage de la force et de la violence d’une manière radicale qui remue nos angoisses au-delà même de la tragédie de la Shoah. «Qu’auriez-vous accepté de faire pour survivre?» Ses questions incluent le rôle longtemps tabou des kapos juifs des camps, non pour les accabler, mais pour interroger l’instinct de survie et se persuader qu’il se serait comporté comme eux, aurait transporté les cadavres des chambres à gaz aux crématoires, aurait arraché les dents en or de leur bouche. Et de rappeler ces chiffres sur le «bon fonctionnement de l’extermination à Treblinka»: 30 Allemands, 150 Ukrainiens et 600 juifs y travaillaient. (Le Temps)

Patrick Imbert 14_26

Je häufiger der Erzähler in Sarids neuem Buch die Schüler durch Belzec, Treblinka, Sobibor, Auschwitz und Birkenau führt, desto klarer formuliert er seine Fragen. Wer wird zum Mörder? Wer nicht? Wer sind ihre Opfer? „Seltsamerweise hörte ich sie gerade in Majdanek, auf dem wenige Hundert Meter langen Weg von den Gaskammern zu Mausoleum und Krematorium, über Araber reden. In Flaggen gehüllt flüsterten sie: Araber, so müsste man es mit den Arabern machen. Nicht immer, nicht bei allen Gruppen, aber häufig genug, um mir im Gedächtnis zu bleiben.“ Und wenig später gibt der Erzähler die Antwort auf seine Frage selbst, warum sich der Hass ausgerechnet gegen die Araber richtet und nicht etwa gegen die Deutschen: „Aber Menschen wie die Deutschen können wir schwerlich hassen. Schaut euch die Fotos aus dem Krieg an, man muss der Wahrheit die Ehre geben, sie sahen total cool aus in diesen Uniformen, auf ihren Motorrädern, entspannt, wie Models auf Straßenreklamen. Den Arabern werden wir nie verzeihen, wie sie aussehen, mit diesen Bartstoppeln und den braunen Schlaghosen, mit ihren unverputzten Häusern, dem Abwasser in offenen Gossen und den Kindern mit Gerstenkorn im Auge, aber dieses helle, saubere europäische Äußere möchte man gern imitieren.“ (Franfürter Alg. Zeitung)

Patrick Imbert 14_22

De auteur zelf:

Né en 1965, fils d’un ancien ministre de Yitzhak Rabin et d’Ehud Barak, époux de la petite-fille de Moshe Dayan, lui-même ex-officier de l’armée israélienne, Yishaï Sarid porte avec force le questionnement de la mémoire de l’Holocauste pour des générations aux liens toujours plus ténus avec l’époque nazie. D’une précision ethnologique, son roman fouille dans les moindres détails l’efficacité mortifère des camps d’Auschwitz-Birkenau, de Treblinka, de Sobibor et de Belzec. Ecrasé par le poids de la mémoire qu’il a défrichée, le narrateur en arrive à douter des effets de sa parole sur les visiteurs qu’il guide.(Le temps)

DW: Your book is entitled The Memory Monster. Why is the memory of the Holocaust a monster?

Yishai Sarid: The history of the Holocaust is something that still has an intense impact on Israeli and Jewish life – both on a personal level, as a family trauma, and on an institutional level. The emotions that stem from it, like hatred and animosities, go in many different directions — and like a monster, you cannot control them.

DW: The main character in your book is a historian at Yad Vashem who guides Israeli tour groups through the death camps in Poland. His thoughts revolve around the Nazis’ cold-blooded mass murder. At times he even imagines he is one of them, while at the same time, he feels the eyes of the victims watching him. What is happening to him?

Yishai Sarid: The Holocaust becomes his personal monster. He relives the extermination process again and again and becomes obsessed by its dark fascination. It is a kind of pornography; evil has a certain attraction. It’s no wonder biographies of Nazis are published around the world. We are fascinated by their actions. We remember the German criminals because they lived on and they were active. That’s not fair. The protagonists should be the victims, not the criminals.

DW: Every year on Yom HaShoah, a siren sounds out across Israel, and life comes to a standstill for a minute as people commemorate the victims. What does Holocaust remembrance mean in Israel?

Yishai Sarid: This is the subject of my book. The lessons we learn from the Holocaust and how we handle this issue are quite problematic. The main lesson is still that the Jewish people need to be very strong and able to defend themselves. But take Yad Vashem. The Holocaust is first of all a Jewish tragedy, but it’s also a tragedy for humanity. They don’t teach young people the universal lesson of the Holocaust: What would you do if you were in the position of a German? How can we make sure that such things will never happen again anywhere? (interview en redactie: Sarah Judith Hofmann)

Een besluit?

Sarid is clearly very scared for Israel. The allegorical rhythms beat too loudly here to ignore. Other writers have described well the reverberations of trauma (like David Grossman in “See Under: Love”) but few have taken this further step, to wonder out loud about the ways the Holocaust may have warped the collective conscience of a nation, making every moment existential, a constant panic not to become victims again. Even considering his young son, bullied in kindergarten by another boy, the tour guide loses all proportion: “Force is the only way to resist force, and one must be prepared to kill.”

At one point, he has the task of helping the Israeli Army plan the logistics of what will be a symbolic invasion of one of the death camps, complete with helicopter landing and soldiers storming the grounds with automatic weapons. This sounds like satire, but in 2003, three Israeli F-15 fighter jets, piloted by the descendants of Holocaust survivors, carried out a flyover over Auschwitz — the once powerless desperate to show off their power, even to ghosts.

Memory is a monster, a “virus injected into these children’s bodies,” the tour guide writes, and he himself cannot escape the camps. He is condemned to visit them again and again; he comes to feel almost “at home” there behind the barbed wire, an offhand but terrifying admission. No longer just chased by the monster, he has been bitten and Sarid demands that we ask: What will he now become? (Gal Beckerman NY Times 08/09/ 2020)

Patrick Imbert 14_29

Tot slot twee bedenkingen van bijzondere denkers:

« La compassion est une émotion instable. Il faut la traduire en action pour ne pas qu’elle s’étiole. La question concerne ce qu’il faut faire des émotions qui ont surgi, du savoir qui a été transmis. Si l’on sent qu’il n’y a rien qu’ « on » puisse faire – mais qui est « on »? – et rien qu’ « ils » puissent faire non plus – et qui sont « ils »? – on commence à souffrir d’ennui, de cynisme et d’apathie. »  Susan Sontag
Patrick Imbert 14_24
"Développé par Foucault, le concept d’hétérotopie parle de « sortes de contre-emplacements, sortes d’utopies effectivement réalisées dans lesquelles les emplacements réels, tous les autres emplacements réels que l’on peut trouver à l’intérieur de la culture sont à la fois représentés, contestés et inversés, des sortes de lieux qui sont hors de tous les lieux, bien que pourtant ils soient effectivement localisables ». Un exemple parlant est le cimetière comme hétérotopie de la mort.
 Et il suffit de se tourner vers Wikipedia pour apprendre que « Un témoin est une personne (ou un objet) neutre, qui a vu ou entendu un fait ou un évènement et qui pourrait donc attester de sa réalité. »
Patick Imbert 14_30

In betere tijden zullen we nog andere aspecten van ‘herinneren’ bespreken. Laat ons deze dagen vooral zacht zijn voor elkaar. Elkaar bijstaan.

Patrick Imbert 14_20
De cette douleur si forte que sa seule expression est le blanc, le silence. Aucun mot, aucun son n’étant en mesure de dire ce qu’il y a à dire sans simultanément en détruire l’intensité. Le photographe n’est pourtant pas un épieur ici, pas plus qu’un voyeur – il est un témoin. Il est celui qui vient partager l’impartageable, lui donner une forme qui la rende saisissable sans l’amoindrir. Et c’est peut-être en ce sens que l’on peut évoquer le terme de démarche artistique. Parce que le témoin n’est pas un scientifique au regard analytique, il est une sensibilité, certes neutre, à la merci des énergies parcourant un lieu. Là pour opposer sa subjectivité au néant qui autrement engloutirait la mémoire. Le terme de documentaire serait donc à entendre dans le sens d’un Primo Levi dont la démarche et l’approche d’une humilité forcément sincère résonnent absolument avec l’oeil de Patrick Imbert: « L’auteur qui écrit sous la dictée intérieure de quelque chose ou de quelqu’un n’œuvre pas en vue d’une fin, son travail pourra lui valoir renommée et gloire, ce sera un surplus. » Et on lui souhaite, enfin, ce surplus.
Patrick Imbert 14_8