3 Poems from Kenyatta Rogers (USA)

Ik hoor je zuchten: ‘Jaja, in het wilde weg!’ En dat ‘wilde-weg’ mag je best noteren, of zou je tevreden zijn met ‘uitwaaieren’? Weg uit het besloten kamertje in je hoofd waar je nu al jaren lang… Of pleit ik gewoonweg voor ‘de associatie’ als denkoefening, als methodiek om met dat ‘associëren’ een poging te ondernemen om uit het muffe van mijn beperkt ego te ontsnappen? In het Anoniem Algemeen letterkundig lexicon wordt ‘associatie’ helder beschreven als:

associatie
Term uit de literaire kritiek, bekend geworden door S.T. Coleridge (1772-1834), waarmee wordt aangegeven dat ideeën of voorstellingen elkaar intuïtief kunnen oproepen in het bewustzijn. Vaak gaat het daarbij om woorden of woordgroepen die dat verband bereiken door formele of semantische (deel)overeenkomsten. Zo kan een deelvoorstelling een geheel oproepen, zoals in de stijlfiguur van het pars pro toto. Een zintuigelijke waarneming kan verbonden worden met iets uit het verleden. Daarbij kan men denken aan de madeleine van Proust, het bekende cakeje waaraan Marcel Proust in zijn roman À la recherche du temps perdu (1913-1927) een hele reeks associaties hecht.

In al deze gevallen krijgt een woord of tekstgedeelte een connotatieve (connotatie) meerwaarde, hetzij door de auteur expliciet bewerkstelligd, hetzij door de lezer (bijv. door invulling van een open plek) als zodanig gerecipieerd. Dergelijke associaties ontstaan doorgaans  door de suggestieve werking van de tekst.
Wassily Kandinsky Komposition VIII, 1923, Solomon R. Guggenheim Museum, New York

En hoe doet dichter Kenyatta Rogers dat?


But Kenyatta Rogers is a poet with a wonderful sense of flow. My favorites among his poems tend to be associative, with connective tissue that's more intuitive than logical. To write a poem of this sort requires a highly attuned awareness of balance, and an acceptance of the fact that sometimes the poem wants to become something greater than even the creator might anticipate.

Rogers has these qualities in full. The work I've chosen to include is one of my favorite list poems - versatile, funny, challenging and saddening by turns. With Rogers, you never quite know what you're going to get – but the surprise is always welcome.



Maar Kenyatta Rogers is een dichter met een heerlijk gevoel voor flow. Mijn favorieten onder zijn gedichten zijn over het algemeen associatief, met bindweefsel dat meer intuïtief dan logisch is. Om zo’n gedicht te kunnen schrijven, moet je heel evenwichtig zijn en accepteren dat het gedicht soms iets groters wil worden dan zelfs de maker kan verwachten.

Rogers heeft deze kwaliteiten ten volle. Het werk dat ik heb gekozen om op te nemen is een van mijn favoriete lijstgedichten – veelzijdig, grappig, uitdagend en bij vlagen droevig. Met Rogers weet je nooit precies wat je gaat krijgen – maar de verrassing is altijd welkom.

(Muzzle Fall 24)


Ars Poetica

Poems are bullshit unless they are broken  

like a horse, like a dog kicked in the ribs,  

Like your favorite toy that’s missing an arm.

Love can make you feel used. 

I want the poem that limps back to me. 

Poems should hurt like love,

like ice water on your teeth 

like a massage to smooth out a cramped muscle.

Give me the poem that’s like leather. 

Give me the poem that smells like gasoline.

I want a poem that is a warning,

a poem that makes me check to see

if I left the shotgun by the door, 

a poem that’s a runny nose, a sneeze, a poem

that’s the moment the sky turns green.

Kenyatta Rogers (USA)

Copyright © 2024 by Kenyatta Rogers. Originally published in Poem-a-Day on November 20, 2024, by the Academy of American Poets.

Wassily Kandinsky Der Blaue Reiter, 1903. (part.Coll.)
Ars Poetica

Gedichten zijn onzin tenzij ze gebroken zijn
als een paard, als een hond die in de ribben is geschopt,
Als je favoriete speeltje dat een arm mist.

Liefde kan je gebruikt laten voelen.
Ik wil het gedicht dat terug hinkt naar mij.
Gedichten moeten pijn doen zoals liefde,
als ijswater op je tanden
als een massage om een verkrampte spier glad te strijken.

Geef me het gedicht dat als leer is.
Geef me het gedicht dat ruikt naar benzine.
Ik wil een gedicht dat een waarschuwing is,
een gedicht dat me laat kijken
of ik het geweer bij de deur heb laten liggen,
een gedicht dat een loopneus is, een niesbui, een gedicht
dat het moment is dat de lucht groen wordt.

Kenyatta Rogers 2024
Assemblage, Marc Mestdagh

About this Poem

“Poet Stefania Gomez came to do a teaching demo at my school and gave the students a prompt to write an ars poetica after reading an excerpt of ‘Black Art’ by Amiri Baraka. I wrote along with them as we were asked, ‘What can a poem do? What can a poem be in the world?’ And I have been writing a lot this past summer, and in some ways, rediscovering poetry, and those questions really resonated with me. I guess for me, poetry is a love that never leaves and is always there when I’ve needed it. It’s a wild, crazy, unhinged fever dream of a love language, it can be.”
—Kenyatta Rogers

Kenyatta Rogers teaches at The Chicago High School for the Arts and is the co-host of the Sunday Reading Series with Simone Muench. He lives in Chicago.

Carpet Bomb
By Kenyatta Rogers


I can’t get rid of useful things
and nobody wants to pick them up,
I keep forgetting where I lay my umbrella.
 
I don’t leave footprints in the snow anymore,
we haven’t had a war on domestic soil in so long
I wonder if I still got it. Because once I had it.
 
I heard about a boy who once tied a string to his brother,
he tied his brother to the ocean and the ocean to the blackbird—
 
from the ground all the birds look like blackbirds
from the ground a Stealth Bomber looks like a spaceship.
 
The aliens are coming,
they walk through birthday parties
and basically go unnoticed.
 
And this is kind of how I go through life,
once I heated up a spoon in the microwave
the fish have so much mercury in them they spark.
 
I was handed a bayonet from the Civil War
and a copper penny corroded with rust.
When they take the Statue of Liberty apart to clean her
her neck explodes with a million little spiders.
 
Meanwhile in a forest somewhere
someone cut open my grandmother’s belly
and filled it with bricks
 
something is coming soon
I keep a bucket of lambs blood
by the front door.
met AI gemaakt naar het thema ‘dreiging’.

Tapijtbom

Door Kenyatta Rogers


Ik kan geen bruikbare dingen wegdoen
en niemand wil ze oprapen,
Ik vergeet steeds waar ik mijn paraplu neerleg.

Ik laat geen voetafdrukken meer achter in de sneeuw,
we hebben al zo lang geen oorlog op eigen bodem gehad
Ik vraag me af of ik het nog heb. Want ooit had ik het.

Ik hoorde over een jongen die ooit een touw aan zijn broer bond,
hij bond zijn broer aan de oceaan en de oceaan aan de merel-

vanaf de grond lijken alle vogels op merels
vanaf de grond lijkt een Stealth bommenwerper op een ruimteschip.

De aliens komen eraan,
ze lopen door verjaardagsfeestjes
en blijven eigenlijk onopgemerkt.

En dit is een beetje hoe ik door het leven ga,
Eens heb ik een lepel opgewarmd in de magnetron
De vissen bevatten zoveel kwik dat ze vonken.

Ik kreeg een bajonet uit de Burgeroorlog
en een koperen stuiver aangetast door roest.
Als ze het Vrijheidsbeeld uit elkaar halen om haar schoon te maken
explodeert haar nek met een miljoen kleine spinnen.

Ondertussen ergens in een bos
sneed iemand mijn oma’s buik open
en vulde haar met bakstenen

er komt iets aan
Ik bewaar een emmer met lamsbloed
bij de voordeur.

Copyright Credit: Kenyatta Rogers, "Carpet Bomb." Copyright © 2018 Kenyatta Rogers.
Kenyatta Rogers


Het Joodse volk moest tijdens de laatste plaag (de dood van elke eerstgeborene) klaar staan om weg te trekken. Als ze bloed (van een lam) op de deurpost hadden gesmeerd, zou de dood hun eerstgeborenen niet treffen. Midden in de nacht (het is volle maan) werden ze Egypte uitgejaagd.
The Jewish people had to be ready to move out during the last plague (the death of every firstborn). If they had smeared blood (of a lamb) on the doorpost, death would not strike their firstborn. In the middle of the night (it was a full moon), they were driven out of Egypt. 

Turner, John; Death of the First Born; National Museums Northern Ireland; http://www.artuk.org/artworks/death-of-the-first-born-122914
King Friday and the Land of Make Believe
By Kenyatta Rogers

This may not be the time to offer this,
but I’m not as good as you hope I’ll be.

When we’re in a tunnel and I’m driving
I’m sure it would seem imaginary,

when I ask to lie on your floor
I really want to say—

“Can I stay and watch you
chop up green onions?”

You’re better than me,
I don’t know if you ever heard me say that.

On your phone you keep
a picture of the human brain.

When your father was deep-frying a turkey
your mother told me to keep playing music.

Maybe now I finally know what love is—
taking pictures while your dog wears glasses,
trying to describe what stuffing should taste like.

In my friend’s basement
you gave everyone Polaroids of themselves,
then we laughed at a poster of the human body.

And this is the part where I sit on your couch
and watch you teach your friend merengue.

This is where I try
to prevent myself from smiling
and I hope Trolley doesn’t show up
to tell me it’s time to go home.

Source: Poetry (April 2021)

Koning Vrijdag en het land van de schone schijn
Door Kenyatta Rogers


Dit is misschien niet het moment om dit aan te bieden,
maar ik ben niet zo goed als je hoopt dat ik zal zijn.

Als we in een tunnel zitten en ik rij
Ik weet zeker dat het denkbeeldig lijkt,

als ik vraag om op je vloer te liggen
wil ik echt zeggen...

“Mag ik blijven en kijken hoe jij
groene uien hakt?”

Je bent beter dan ik,
Ik weet niet of je me dat ooit hebt horen zeggen.

Op je telefoon heb je
een foto van het menselijk brein.

Toen je vader een kalkoen aan het frituren was
zei je moeder dat ik muziek moest blijven spelen.

Misschien weet ik nu eindelijk wat liefde is-
foto's maken terwijl je hond een bril draagt,
proberen te beschrijven hoe vulling moet smaken.

In de kelder van mijn vriend
gaf je iedereen polaroids van zichzelf,
daarna lachten we om een poster van het menselijk lichaam.

En dit is het deel waar ik op je bank zit
en kijk hoe jij je vriend merengue leert.

Dit is waar ik probeer
te voorkomen dat ik lach
en ik hoop dat Trolley niet komt opdagen
om me te vertellen dat het tijd is om naar huis te gaan.

Wonderlijk licht in de donkerste duisternis: de heilige Lucia

De heilige Lucia voor Paschasius, ze weerstaat aan het bevel haar te verplaatsen (zie verhaal) (schrijn van de heilige Agatha). The Met museum

Vroeg donker, tijd om al dan niet oude (heilige) verhalen te vertellen hopend op het terugkerend licht van de lente. Ontdek dus Lucia van Syracuse zodat je in de nacht van de dertiende december, haar feestdag, al dan niet met kaarsen op het hoofd, het geloof of de hoop in (op) lichtende dagen kunt terugvinden. Deze bijdrage is vooral de geschiedenis van een beeldvorming, naar vorm en naar inhoud. De kracht van het vrouwelijke verbeeld in de gestalte van Lucia.

In een legendarische Passio uit de 5de of de 6de eeuw beschreven, op stevige historische bodem geschoeid door ontdekkingen van haar graf en een inscriptie die over de cultus bericht in de 5de eeuw, in haar stad Syracuse (Sicilië) weten we dat Lucia in 305/05 onder de vervolging van Diocletianus werd gedood.


Volgens de Passio kreeg het reeds met de consul Paschasius verloofde meisje, toen zij haar zieke moeder Eutychia naar het graf van »Agatha te Catania begeleidde, een verschijning van deze heilige. De moeder werd door Agatha genezen en Lucia kreeg het martelaarschap aangezegd, waarop zij haar bezittingen onder de armen verdeelde en haar verloving verbrak. Haar boze verloofde bracht haar aan. Vanwege Lucia's standvastigheid tijdens het verhoor besloot men haar in een bordeel te plaatsen, maar de maagd bleek zelfs niet door een aantal ossen te verporren. Toen verbranding mislukte, doodde men de martelares met een dolksteek in haar hals. Een later toegevoegd element in de legende zegt dat zij, om aan haar verloofde te mishagen, zich de ogen uitstak en hem deze toezond. (Lucia van Syracuse, Louis Goosen 1992 DNBL)

Op hetzelfde schrijn als hierboven: Lucia is duidelijk niet te verplaatsen. The Met museum

Latere toevoegingen hebben alles te maken met wat Louis Goossens een ‘populair misverstand’ noemt: haar naam zou verwant zijn aan ‘lux’, licht dus.

Rond Lucia's feestdag op 13 december ontstonden folkloristische midwintergewoonten: naast het plegen van orakels (vgl. Agatha's voorspelling) en het consumeren van het Luciabrood ook bezweringsgebruiken zoals het ontmaskeren van heksen en het laten verschijnen van schrikaanjagende figuren (Fersenlutzel, Frau Lutze). In de Scandinavische landen werd zij een geseculariseerde brengster van het nieuwe licht. Lucia's patronage heeft soms te maken met elementen uit haar legende: zo werd zij aangeroepen bij oogziekten en keelpijn en beschermt zij messenmakers. Soms heeft dit te maken met de folklore: zij is de patrones van de dienstmeisjes, die vaak in de nacht van haar feest met kaarsenkronen op het hoofd paradeerden; soms met elementen uit de Germaanse voorgeschiedenis: evenals de stralende en spinnende Berchta beschermt zij wevers en kleermakers. Lucia's attributen zijn naast palm, boek en kruis (algemeen voor martelaressen) een lamp, zwaard of dolk door de keel, fakkel of kaars en (vanaf de 14e eeuw) een schaaltje waarop twee ogen, soms vuur en vlammen aan haar voeten. Zij wordt altijd voorgesteld als een mooie jonge vrouw, soms met kroon of diadeem. (Louis Goossens)

Sint-Lucia door Francesco del Cossa, National Gallery of Art (Washington DC). Olieverf en bladgoud, iets na 1470.

Lees:

https://www.dbnl.org/tekst/goos020vana03_01/goos020vana03_01_0114.php

In Syracuse, de geboortestad van de heilige, begint de viering ter ere van Sint-Lucia op de vooravond van 13 december. Het zilveren beeld van de heilige wordt dan uit haar kapel naar het altaar van de kathedraal verplaatst en er wordt cuccia gegeten, een zoete Siciliaanse soep. Op de eigenlijke feestdag, 13 december, wordt het beeld in processie door de stad gedragen naar de kerk boven het graf van de heilige geplaatst. Acht dagen later volgt een processie in tegenovergestelde richting. In het zuiden en midden van Italië vieren diverse steden de dag van Sint-Lucia met processies, feesten en vuurwerk. (Wikipedia)

Schrijn van de heilige Agatha: Lucia deelt haar bruidschat uit aan armen en behoeftigen.
(Met-museum)

In het Noorden van Italië wordt er de nacht van 13 december een soort Sinterklaasfeest gevierd. Sint Lucia met ezel en koetsier brengen ’s nachts cadeautjes. De kinderen wordt verteld vroeg naar bed te gaan omdat de heilige anders as in hun ogen komt strooien, waardoor ze verblind kunnen raken. De volgende dag zoeken de kinderen hun cadeaus, die in het huis verstopt zijn.

In de Scandinavische landen is het een traditionele feestdag ook al is er sinds de Reformatie geen grote katholieke bevolkingsgroep meer. Waarschijnlijk stamt deze viering deels af van een voorchristelijke viering van de winterzonnewende. Traditioneel vormde de dag het begin van de adventstijd voor Kerstmis. Het feest wordt zowel thuis als op scholen en werkplaatsen gevierd met zoete lekkernijen en kaarslicht. Er worden optochten met fakkels of kaarsen gehouden waarin meisjes als de heilige verkleed gaan. (Wikipedia)

Francisco de Zubarian. Heilige Lucia

Wat kun je verwachten in Zweden op 13 december?

Het personage Lucia leidt de processie en wordt gevolgd door meisjes (‘tärnor’), sterrenjongens (‘stjärngossar’) en peperkoekmannen (‘pepparkaksgubbar’). Als kinderen deelnemen aan de processie, gaan ze vaak verkleed als kerstelfjes (’tomtenissar’). Lucia herken je gemakkelijk aan de verlichte krans boven op haar hoofd, ze loopt voorop. Traditioneel gebruikten ze echte kaarsen, maar om veiligheidsredenen zijn ze vervangen door lampjes op batterijen. Dat geldt ook voor de kransen die worden gedragen door de meisjes in de optocht, die meestal glitters of een krans (zonder kaarsen) in hun haar dragen. Ook dragen ze vaak een decoratief rood lint of glinterband om de taille. Sterrenjongens zijn geheel in het wit gekleed – net als Lucia en de andere meisjes – met kegelvormige hoeden en met sterren op stokken. De peperkoekmannetjes met lantaarns dragen peperkoekkostuums, met de herkenbare witte glazuur erop getekend of genaaid – je vindt deze in veel Zweedse winkels.

Het draait bij Lucia om uit het uitdragen van licht, maar lekker snoepen is net zo belangrijk. Lucia is vaak vereeuwigd – terwijl ze een dienblad draagt met fika lekkernijen – door verschillende iconische Zweedse kunstenaars, zoals Carl Larsson. Het eten bestaat uit peperkoekjes en een S-vormig saffraanbroodje genaamd “Lussekatt” – een traktatie die bijna net zo klassiek is als het kaneelbroodje. Veel Zweden zouden het heiligschennis vinden om een ​​’lussekatt’ te eten op een ander tijdstip dan Lucia en in de weken voorafgaand aan Kerstmis. Je drinkt er traditegetrouw “glögg” (glühwein) bij, geserveerd met amandelen en rozijnen. Ook koffie wordt vaak geserveerd.

(Visit Sweden Officiële website van Zweden voor Toerisme en Reisinfo)

https://visitsweden.nl/te-doen/cultuur-historie-kunst/zweedse-tradities/zweeds-kerstfeest-tradities/lucia-kerst/

In de Sint-Jakobskerk in Brugge bevindt zich een prachtig retabel ‘De legende van de heilige Lucia. 1480-1483. Klik op het onderschrift om het in al zijn glorie te kunnen bekijken.

‘De legende van de heilige Lucia. 1480-1483.

Lees ook hierover:

https://totindetail.be/nl/showcase/legende-van-de-heilige-lucia

Dit schilderij lijkt het vroegst bekende werk te zijn van de onbekende 'Meester van de Lucialegende' en het heeft de typische kenmerken van zijn hele oeuvre: de voorliefde voor architectonische elementen de bijna wetenschappelijke aandacht voor bloemen de slanke vrouwen met hun ovale gezichten met lichte spleetogen onder bolle oogleden de stijf weergegeven golvende haren de brede en clichématige gezichten van de mannelijke figuren met hun grote gesloten ogen en vlezige mond het harde coloriet. Aan de hand van deze kenmerken kunnen andere werken aan hem worden toegeschreven. Het schilderij verbindt deze meester met belangrijke Vlaamse schilders als Dirk Bouts in wiens omgeving hij mogelijk opgeleid is.

(in boven aangeduid totindetail kun je tot in de allerkleinste details scrollen.)

Het licht in je ogen in dit prachtige lied van Hildegard van Bingen: De Spiritu Sancto (Heilige Geest bezieler van het leven)

Het martelaarschap van Sint-Lucia Rijksmuseum

Het martelaarschap van de heilige Lucia. De heilige staande op een brandstapel wordt door een beul met een zwaard door de hals gestoken. Andere beulen wakkeren de vlammen aan met blaasbalgen, links kijken gezagsdragers toe. Op de achtergrond scènes uit het leven van de heilige. Linksachter staat Lucia voor een bordeel, rechts een vrijend paartje. Daarnaast tracht men Lucia met een span ossen voort te slepen. Lucia krijgt van een priester de laatste sacramenten toebediend. Rechts wordt de landvoogd Paschasius onthoofd. Het paneel vormde oorspronkelijk de achterzijde van de Kruisafneming, vroeger in het Kaiser-Friedrich-Museum.

Zie je ik hou van je,
ik vin je zo lief en zo licht –
je ogen zijn zo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.

En je neus en je mond en je haar
en je ogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.

Zie je ik wou zo graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.

O ja, ik hou van je,
ik hou zo vrees’lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen –
Maar ik kan het toch niet zeggen.


Herman Gorter (1864-1927)

Uit: Verzen (1890)
Uitgever: W. Versluys – 4e dr. 1916

Misprijs de levens van vrouwen niet. Ook toen al waren ze duidelijk in wat ze voorstonden. Zie hoe het verhaal van Lucia tijd en ruimte heeft ingenomen. Onwrikbaarheid in ruime mate met gulheid en consequentie aangevuld. In de uitlopers van het Romeinse rijk ontstaan en langs Italië en het Westen doorgedrongen tot in de protestantse Scandinavische streken. Het bekende gedicht van Herman Gorter hierboven is dan ook aan de liefste uit mijn eigen leven gewijd. Kaarsen hoef ik niet meer op mijn grijs hoofd te dragen, ze is met een lichtende oogopslag mijn dappere medestander. Haar blog, deze keer aan haar moeder gewijd, kan ik ten zeerste aanbevelen. En kijk, of je dit weekend de Leoniden vanuit de sterrenhemel de donkerte ziet oplichten. Een sterrenregen met haar moeders naam.

De meteorenzwerm Leoniden bereikt op zondag 17 november 2024, rond 8 uur, zijn maximum. De meteoren van de Leoniden zijn snel, en de zwerm is bekend vanwege zijn regens in 1799, 1833, 1866, 1966 en 1999. Wanneer de radiant in het zenit zou staan, zouden er van deze zwerm naar verwachting gemiddeld zo'n 13 meteoren per uur vallen. De radiant van de zwerm staat rond 7:00 uur in het hoogste punt aan de hemel, op 60° boven de horizon. Door de matige omstandigheden zijn er bij ons dan ieder uur vermoedelijk slechts ongeveer 2 meteoren zichtbaar van deze zwerm. Samen met meteoren van andere zwermen, en sporadische meteoren, zijn er bij donkere, heldere hemel in totaal circa 4–8 “vallende sterren” per uur te zien. De Maan is voor ongeveer 95% verlicht en is een flinke stoorzender; dit jaar zijn hierdoor alleen de helderste meteoren zichtbaar. Rond 7:30 uur gaat het schemeren en om 8:04 uur komt de Zon op.

‘De ogen’ titel van een kortverhaal dat ik schreef voor radio-1. Lang geleden.

Oorlog, het steeds ontstaan van nodeloze leegte

Michelangelo Buonarroti (Caprese 1475-Rome 1564) Archers Shooting at a Herm c.1530
Red chalk (two shades) | 21.9 x 32.3 cm (sheet of paper) | RCIN 912778
(vergroot door op onderschrift te klikken.)

De scène is een onbepaald rotsachtig platform waarop een groep figuren, mannen en vrouwen, staan alsof ze pijlen afvuren op een schild dat aan een kariatide (een vrijstaande zuil met de bovenste helft in menselijke vorm) is bevestigd. Sommige figuren, het duidelijkst de vrouw achterin de groep, staan in de lucht en de meesten dragen geen boog, hoewel er pijlen te zien zijn die in het doel en elders op de kariatide zijn gestoken.
Rechts op de voorgrond slaapt een gevleugelde Cupido, god van de liefde, met zijn boog en pijlen, terwijl helemaal links twee kinderen op een vuur blazen (met pijlen die uit de basis steken) en het voeden met bundels stokken.

The scene is an indeterminate rocky platform upon which a group of figures, male and female, are posed as if firing arrows at a shield fixed to a herm (a freestanding column with the upper half in human form). Some of the figures, most clearly the woman at the back of the group, are airborne, and most do not bear bows, though arrows are seen stuck into the target and elsewhere on the herm – their aim has been conspicuously awry. At the front of the group two figures sprawl on the ground, and two infants can be seen among the main group. In the right foreground a winged Cupid, god of love, is sleeping with his bow and arrows, while to the far left two children blow on a fire (with arrows protruding from its base) and feed it with bundles of sticks. Michelangelo plays with the contrast between the high polish of the central group and the looser finish of the sleeping Cupid and the herm. (Royal Trust Collection)

Deze prachtige tekening van Michelangelo koos ik als tijdsbeeld. De menselijke meute die met de onzichtbare bogen op een doel schieten dat aan de vrouwelijke kariatide is bevestigd. Gemaakt rond 1530 en voor mij helemaal actueel in 2024. Mannen en alvast één zichtbare vrouw op hetzelfde doel terwijl beneden Cupido, zijn boog in zijn armen, in slaap is gevallen en twee vurige soortgenootjes het strijdvuurtje aanblazen.
Plaats in de hedendaagse armen moderne wapens, vermenselijk het doel. En begrijp de diepe slaap van de liefdesgod.


I chose this beautiful drawing by Michelangelo as a period image. The human mob shooting with the invisible bows at a target attached to the female caryatid. Made around 1530 and for me entirely relevant in 2024. Men and at least one visible woman on the same target while below Cupid, his bow in his arms, has fallen asleep and two fiery peers are fanning the fires of battle.
Place in today's arms modern weapons, humanise the target. And understand the love god's deep sleep.

Een mij onbekende straatartiest in Lyon drukt het, ‘Place de la Paix (!)’ op zijn hedendaagse manier zo uit:

Zelf nog in de tweede wereldoorlog geboren, een grootvader als jongeman verminkt thuisgekomen na de ontploffing van het Naamse fort dat hij moest verdedigen, augustus 1914. en bij het einde van de reis, zijn kind en kleinkind, door oorlogen omringd en bedreigd. Een kring van vuur op de wereldkaart. Waarin komen je eigen kind en kleinkind met hun leeftijdsgenoten terecht?

Still born in the war himself, a grandfather as a young man maimed coming home after the explosion of the Namur fort he had to defend, August 1914. and at the end of the journey, his grandchild, surrounded and threatened by wars. A circle of fire on the world map. Where does that leave your own child and grandchild with their peers?
Self-portrait as a Prisoner of War by Otto Dix, 1947, via Otto Dix organization
 

Dix was conscripted into Volkssturm, the last resort of the Nazi party to halt the refraction of coalition troops on the territory of Germany. Men from  16 to 60 years old were forced to join the German Army. Otto Dix was captured by French troops as the Reich collapsed and imprisoned in a camp. Eventually, he was released in February 1946 and returned to Dresden.
 
His own contribution to highlighting the horrors of the war, along with those of other artists who had also lived through it, did not prevent the outbreak of World War II, unfortunately. After WWII, Dix gained recognition in both East and West Germany. His works act as a poignant reminder about the importance of artistic expression through hard times in history. Otto Dix continued to work until his death in 1969.

Otto Dix. De oorlog (1932)


Brian Turner's (1967-) gedicht " The Hurt Locker " beschrijft huiveringwekkende lessen uit Irak:

Niets dan pijn bleef hier over.
Niets dan kogels en pijn...
Geloof het als je het ziet.
Geloof het als een twaalfjarige
een granaat de kamer in rolt.
Henri Rousseau ‘La Guerre’. 1894 Klik op titel om te vergroten

'Dacht niet'
“Ik dacht niet aan mijn moeder toen ik de stengun plaatste in het open raam
Ik dacht ook niet aan haar toen ik vermoedde dat aan de overkant iemand geraakt was
Ik dacht pas weer aan haar toen ik die avond het geweer naar binnenhaalde
hoe zij met de hoek van haar schort de tafel veegde als ik weer had gemorst
en hoe ze dan zei: Pas op, de vensterbank is net geverfd, dat daar geen kras op komt. “

- Judith Herzberg
Wat is hybride oorlog?

Een militaire strategie die de conventionele oorlogsvoering mengt met niet-militaire middelen zoals desinformatie, propaganda en politieke intimidatie.

Kathe Kollwitz. De wachtende ouders

Oorlog is ontbinding. Hij maakt
van vrolijke mensen bange mensen
van sportvelden begraafplaatsen. Hij maakt
van benzinetanks gevangenissen. Van granaathulzen
vazen. Van voedsel stront, en van stront voedsel
Hij maakt van parket kachelhout, van een badkuip
een moestuin. Hij maakt van kinderwagens karretjes
om water mee te zeulen. Niets blijft wat het is,
of waar het voor bedoeld is
Oorlogen zijn de maden in het vlees
van de beschaving

(Van Duijnhoven 1996)
Oekraïne

Het is voor het Westen even wennen dat in deze multipolaire wereld niet meer iedereen achter ons aanloopt. Als je die relaties goed wilt krijgen, moet je je echt minder moralistisch opstellen.

Rob de Wijk: Europa heeft niet de capaciteiten om een oorlog te voeren. (The Hague Centre for Strategic Studies)

Geconfronteerd met wat hij typeert als ‘een Europese oorlog’ stelt de Franse filosoof Étienne Balibar zich voor wat Poetin zou kunnen doen terugdeinzen. Steun aan het verzet van het Oekraïense volk. Maar ook steun aan de Russische dissidente bevolking. Het is, denkt hij, de enige manier om een ‘wederopbouw van de blokken’ te vermijden. Als voorvechter van een Europees federalisme op democratische grondslagen, zoals ooit gedefinieerd door de Italiaanse communist en verzetsstrijder Altiero Spinelli, had hij niet voorzien dat Europa zich nog eens op het hellende vlak van militarisering zou bevinden – iets wat nu opeens onontkoombaar lijkt. Hij pleit voor een internationalisme dat tot stand komt via steun aan het verzet van het Oekraïense volk maar ook aan dat van het dissidente Russische volk. Want, zo denkt hij, het gaat hier uiteindelijk om een Europese oorlog. En in dat opzicht moet tegen elke prijs worden voorkomen dat er ‘een moreel ijzeren gordijn tussen “hen” en “ons” wordt opgetrokken’.

(Mathieu Dejan in De Groene Amsterdammer 11 maart 2022)


Faced with what he characterises as ‘a European war’, French philosopher Étienne Balibar imagines what might make Putin recoil. Support for the resistance of the Ukrainian people. But also support for the Russian dissident population. It is, he believes, the only way to avoid a ‘reconstruction of the blocs’. As an advocate of a European federalism on democratic foundations, as once defined by Italian communist and resistance fighter Altiero Spinelli, he did not foresee that Europe would once again find itself on the slippery slope of militarisation - something that now suddenly seems inescapable. He advocates an internationalism achieved through support not only for the resistance of the Ukrainian people but also for that of the dissident Russian people. Because, he believes, this is ultimately a European war. And in that respect, ‘a moral iron curtain between “them” and “us” must be avoided at all costs’.

Mei 1940
 
De geur van as en van seringen
 komt in de warme nacht van Mei
 beklemmend door het venster dringen,
 krimpt terug, en golft opnieuw nabij.
 
 In 't donker staat achter de ogen
 het beeld: seringen in een tuin,
 naast dode vensters, wreed verbogen
 binten van staal en walmend puin.
 
 Alles wat men geen naam kan geven,
 het meest het denken, wrang en zoet,
 aan wie ons lief zijn, schijnt te leven
 in deze geur: een smaak van roet
 
 ligt op de lippen. Hoeveel jaren
 gaan langs ons in dit machteloos uur?
 Men peilt vertwijfeld wat zij waren
 en keert zich dichter naar de muur.
 
 
 Ida Gerhardt Rotterdam 1940
Oekraine

Lees:



Voor de verdwenen jongens in Flanders Fields

Nog in augustuszon zo onbezorgd gevlogen
prikt u de minnaar in zijn kleurenkast
de schoonheid telkens weer bedrogen
heeft uw naam in steen gekrast.

In Flanders Fields de tuinen en ’t getoeter
dat het een vaderland was dat u als jongen at
en niet de wanhoop van een verre moeder
of een kind dat snel uw beeld vergat.

Uw honger naar de nieuwe tijd bekend
aan oude mannen in hun oorlogstooi
gooide u in ’t slijk en aan hun firmament
schitterde jouw jongensster als prooi.

In deze vlakten is geen plaats voor vredig slapen,
geen krans of heldensteen mag u bedekken.
Ook zal geen god de scherven van u samenrapen
slechts machteloze woorden proberen u te wekken.

En voetjes van al die ongeboren bleven, lopen
onder de Leoniden-sterrenregens naar u toe,
die door uw dood nooit naar buiten kropen
en willen dat ik even voor hen opendoe.

Zo scheur ik uit uw dood de niet-nakomelingen,
uw kinderen en zij die weer hun kinderen wilden zijn,
en daarvan weer de kinderen, en allen die ontspringen
maar zonder sprong stierven in uw levenslijn.

In Flanders Fields bevolken zij de nodeloze leegte,
de nooit gekusten, en zij die nooit zijn thuisgekomen.
Wie jou gedenkt, gedenkt meteen de uitgeveegden,
en droomt met hen de nooit gedroomde jongensdromen.

Gmt

De handpalm geopend naar het licht

Eigen foto Gmt

Zondagmorgen



Het licht begint te wandelen door het huis

en raakt de dingen aan. Wij eten

ons vroege brood gedoopt in zon.

Je hebt het witte kleed gespreid

en grassen in een glas gezet.

Dit is de dag waarop de arbeid rust.

De handpalm is geopend naar het licht.

Ida Gerhardt (1905-1997)
Eigen foto Gmt

DE WARE NACHT


Dieven, dichters en drinkebroers logeren in de nacht, geliefden
Trekken kroonkurken van de donkerte, baden zich met huurlingen
In een overschot aan trekkebekken en woordenpraal, kliefden zij
Jouw uitgegroeide stilte in gemakkelijke poëtische hebbedingen.

Dansers, dromers en dijenkletsers likken de hielen van de nacht,
Verknoeien toegangswegen tot het niemandsland met verzinnen
Van amoureus hartenzeer voor weinig kopergeld gratis thuisgebracht,
Op zilverschermen uitgesmeerd en eindeloos te herbeginnen.

Geen allegorie maar een alleenverkoop is de ware nacht, duisternis
Met een afschuwelijk gehalte aan gemis, jouw dood als nom de guerre.
Wat in de donkere kamer nog zichtbaar wordt, jouw opalen beeltenis
Verbrandt het heimwee niet.
Bloemetje uit het verdoemde vers van Baudelaire.

Gmt (naar onderstaand vers)

Un soir fait de rose et de bleu mystique,
Nous échangerons un éclair unique,
Comme un long sanglot, tout chargé d'adieux ;

Et plus tard un Ange, entr'ouvrant les portes,
Viendra ranimer, fidèle et joyeux,
Les miroirs ternis et les flammes mortes.

Uit: La morts des amants, Charles Baudelaire)

Weerspiegeling en Tuin in de beginnende herfst. Eigen foto Gmt

De ervaring van licht heeft dus alles met de donkerte te maken. Het licht immers is onzichtbaar. Het maakt zichtbaar maar blijft zelf onopgemerkt. Het is fraai om verschillende technieken te onderzoeken waarmee kunstenaars die zichtbaarheid realiseren: doorvallend licht, tegenlicht, strijklicht, glimlicht, verschillende schaduwsoorten, spiegeling, enz. Zo kan een schilder met bruine en groene omber beter schaduwen weergeven. Met licht en donker kun je ‘diepte’ weergeven.

Eigen foto Gmt


"Zelfs het witste wit is donkerder dan het licht.” Het is een uitspraak van kunstenaar Jan Andriesse, besproken door Joost Zwagerman in zijn laatste boek, De Stilte van het Licht. Andriesse probeerde het vormloze licht van de regenboog te schilderen, maar kwam tot de onvermijdelijke conclusie dat hij niet anders kon dan de regenboog donkerder te maken dan dat hij is. Want verf is nu eenmaal altijd donkerder dan licht, “zelfs het witste wit”.

Een van de bekendste “meesters van het licht” is misschien wel de 17e-eeuwse Italiaanse kunstschilder Caravaggio. Door extreem versterkte donker-lichtcontrasten die typisch zijn voor de chiaroscuro of clair-obscur, bereikt hij een groot dramatisch effect. Volgens Kieft is de duisternis op de achtergrond van Caravaggio's voorstellingen daarbij minstens zo belangrijk als het licht op de voorgrond.

Erwin Maas ‘Het onmogelijke licht in de kunst’

Caravaggio. Gevangenneming van Christus. 1602

Judas heeft Christus geïdentificeerd met een kus, terwijl de tempelwachters hem grijpen. De vluchtende discipel links is Johannes de Evangelist. Alleen de maan verlicht het tafereel. Hoewel de man uiterst rechts een lantaarn vasthoudt, is het in werkelijkheid een ondoeltreffende bron van verlichting. In de gelaatstrekken van die man portretteerde Caravaggio zichzelf, 31 jaar oud, als een waarnemer van de gebeurtenissen, een middel dat hij vaak gebruikte in zijn schilderijen. (ibidem)

“What if I could ride
a beam of light
across the universe ?”

Albert Einstein

In het Museum für Licht-Kunst in het Duitse Unna is een museum gewijd aan licht-kunst. Van Eliasson is er een waterval-installatie van zijn hand te zien, met stroboscopisch licht, waardoor de vallende waterdruppels in flitsen stil in de ruimte lijken te hangen. Een hallucinante ervaring.
Op YouTube hierboven is deze video te zien van de installatie “Notion Motion” van Elafur Eliasson. (Thijs van de Ven)

GERRIT ACHTERBERG (1905-1962)

November

De nederige dagen van november
zijn weer gekomen, grijze als een emmer;

tevreden met het licht dat minderde
op de gezichten van de kinderen.

De wereld heeft derde dimensie over.
Stakerig staan de bomen zonder lover.

Door iedereen van ver te onderkennen,
moeten wij aan het nieuwe platvlak wennen

en lopen groot voorbij de kale heg.
De fietsen rijden hoog over de weg.

Verwintering gaat zienderogen door.
De eerste kouwe handen komen voor.

Geslachte varkens hangen te besterven;
ontnuchteren de paarse boerenerven.

De protestantse dagen van november
dragen geen heiligen op de kalender.

Een rij weesjongens met gelijke trekken.
In ’t lege land opengebleven hekken.

Weduwen, terend op een schraal pensioen.
Gemeentewoningen die weinig doen;

Toon van november knalt het jagersschot.
Verder en verder valt een deur in ’t slot.

Eerlijke kerken houden voor ’t gewas
dankstonden achter dun, armoedig glas.

Alles wordt enkeling. Een eigen graf
wacht op het kerkhof zijn bewoner af.

Huizen verwijderen zich van elkaar.
Wij kijken in de gaten van het jaar.

Eigen foto Gmt

Niet alleen de bladeren, maar schrijft Rilke:

Herbst
Die Blätter fallen, fallen wie von weit,

als welkten in den Himmeln ferne Gärten;

sie fallen mit verneinender Gebärde.

Und in den Nächten fällt die schwere Erde

aus allen Sternen in die Einsamkeit.

Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.

Und sieh dir andre an: es ist in allen.

Und doch ist Einer welcher dieses Fallen

unendlich sanft in seinen Händen hält.

Herfst
De bladeren vallen – als uit oneindigheid,

als dorden er verre hemelse gaarden;

ze vallen met afwerende gebaren.

En ’s nachts, dan valt de zware aarde,

weg van de sterren, in de eenzaamheid.

Wij allen vallen. Het geldt ook deze hand.

En zie nu toch de anderen: het is in allen.

Toch is er Iemand die dit algemene vallen

oneindig teder met zijn hand omvat.

Kleine en grote bezieling voor donkere dagen (3) Drie zussen geportretteerd.

Ze kijken je aan, drie zusjes, three Bohemian Noble Sisters in the Emperor’s Court, en met enige verbazing lees je dat ze ‘AI generated’ zijn. Niet helemaal, wellicht hun kledij, de compositie…? Ja, en? Alsof AI niet als onderdeel van je technische mogelijkheden gebruikt kan worden. Illustratie? Ja, en? Kortom, laten we samen door de kunstgeschiedenis wandelen, op zoek naar hun soortgenoten. Drie zusjes, tot bij Tsjechov waar de drie generaalsdochters Olga, Masja en Irina hun heimwee naar Moskou proberen te overleven.

Bruno Cerboni. Three Bohemian Noble Sisters in the Emperor’s Court AI generated


Bruno Cerboni Bajardi was born in 1969. He lives in Urbino where he specialized in engraving at the Istituto Statale d’Arte “Scuola del Libro”.

He perfected his skills under the ‘maestros’ Calavalle, Bruscaglia, Quieti, Cionini and Peral, and since 1990 has been working for KBA-Notasys on the production of international banknotes, teaching the technique of engraving in both burin and digital form.

He combines his engraving work with constant painting, exhibiting as a painter, engraver and copyist at numerous group and solo exhibitions.


Three Sisters, 1922
George Harcourt RA (1868 – 1947)
George Harcourt exhibited this painting at the 1922 Royal Academy Summer Exhibition, where it was reproduced in the illustrated catalogue.  The ‘Three Sisters’ of the title may be his daughters, Mary Edeva Harcourt (1901-1984), Elizabeth Aletha Harcourt (1903-1985) and Dorothea Anne Adelene Harcourt (1907-1985), all of whom became artists. 
Henri Matisse
Les Trois Soeurs
1917
huile sur toile
H. 92 ; L. 73 cm avec cadre H. 112 ; L. 93 cm
Succession H. Matisse © RMN-Grand Palais (Musée de l’Orangerie) /

Ce portait de trois sœurs est l’une des œuvres magistrales de Matisse. Trois jeunes femmes brunes assises prennent place sur un fond bistre. Deux des jeunes femmes nous regardent tandis que la dernière est absorbée par sa lecture. Le peintre réussit ici l’équilibre parfait entre différents éléments apparemment inconciliables : la variété des attitudes des trois sœurs, des couleurs discordantes, l’impression de la juxtaposition de plusieurs niveaux de perspective. De multiples sources ont été invoquées pour la réalisation de ce tableau, la peinture de Manet (1832-1883), l’estampe japonaise ou encore la toile Les dames de Gand conservée au musée du Louvre et attribuée à l’époque à Jacques-Louis David (1748-1825), ont pu constituer une inspiration pour Matisse. 

(Musee Orangerie Paris)

Sofonisba Anguissola The Chess Game. c. 1555

Op dit schilderij zie je de drie zussen bij het schaken, , Minerva(rechts) en de jonge lachende Europa in het midden.
Een dienares vult de compositie aan en kijkt verbaasd hoe Lucia net de koningin van Minerva heeft genomen die van alteratie de arm opheft terwijl je de jongste hoort lachen.

Je merkt goed de Vlaamse invloed op dit doek.
Het landschap op de achtergrond, het sfumato waarin het tafereel zich baadt, de kleuren, de Vlaamse meesters zijn niet ver weg, en ook Corregio niet, schilder naar wiens werk Sofonisba’ s leermeesters vaak verwezen.

Bzoek ook:

(Three Sisters- A study in June Sunlight) Edmund Charles Tarbell. 1890

The subtitle of this first important Impressionist work by Edmund Tarbell is a clear indication of his interest in the new French style just recently introduced in America. The painting’s dappled light, brilliant palette, and short, textured brush strokes caused a sensation when it was exhibited in Tarbell’s hometown of Boston. The transient light and undiluted color create a warm atmosphere in which the figures are more solidly drawn. Posing his wife, her sisters, and his baby daughter in a lovely garden setting, Tarbell did not attempt probing portraits but instead sought to portray an affluent and tranquil way of life. The inclusion of the American colonial chair implies their New England heritage that underlies this seemingly French aesthetic.

Excerpt from Collection Guide: Milwaukee Art Museum, Milwaukee: 2004.

De ondertitel van dit eerste belangrijke impressionistische werk van Edmund Tarbell is een duidelijke indicatie van zijn interesse in de nieuwe Franse stijl die net in Amerika was geïntroduceerd. Het gedempte licht van het schilderij, het briljante palet en de korte, textuur-penseelstreken veroorzaakten een sensatie toen het werd tentoongesteld in Tarbells geboortestad Boston. Het voorbijgaande licht en de onverdunde kleur creëren een warme sfeer waarin de figuren steviger zijn getekend. Door in zijn werk zijn vrouw, haar zussen en zijn babydochter in een mooie tuin te plaatsen, probeerde Tarbell geen indringende portretten te maken, maar probeerde hij in plaats daarvan een welvarende en rustige manier van leven uit te beelden. De opname van de Amerikaanse koloniale stoel impliceert hun New England erfgoed dat ten grondslag ligt aan deze schijnbaar Franse esthetiek.

Uittreksel uit de Collectiegids: Milwaukee Art Museum, Milwaukee: 2004.

Léon Frederic. 1856-1940 Les 3 soeurs. 1896

In the 1890s Frederic’s paintings of impoverished workers and peasants in his native Belgium were celebrated for their forthrightness and arresting intensity. Here, the humdrum activity of peeling potatoes is vivified by the girls’ bright red dresses and gleaming red-gold and blond hair. Their downcast eyes and serene expressions recall representations of the young Virgin Mary in sixteenth-century Flemish art, which Frederic greatly admired. Nothing is known of the sitters beyond the painting’s title, which identifies them as sisters; the two eldest are so uncannily alike that they appear to be twins. (The Met Gallery 827)


In de jaren 1890 werden Frederics schilderijen van verarmde arbeiders en boeren in zijn geboorteland België geroemd om hun openhartigheid en pakkende intensiteit. Hier wordt de saaie bezigheid van het aardappels schillen verlevendigd door de felrode jurken en het glanzende roodgouden en blonde haar van de meisjes. Hun neergeslagen ogen en serene uitdrukkingen doen denken aan voorstellingen van de jonge Maagd Maria in de zestiende-eeuwse Vlaamse kunst, die Frederic zeer bewonderde. Er is niets bekend over de geportretteerden behalve de titel van het schilderij, die hen identificeert als zussen; de twee oudste lijken zo griezelig veel op elkaar dat het wel een tweeling lijkt.

(The Met Gallery. 827)
Portrait of the Three Egerton Sisters by Marcus Gheeraerts the younger. The sisters are Elizabeth, aged 6; Vere, age 5; and Mary, age 3. daughters of Thomas Egerton (d. 1599), elder son of Thomas Egerton, 1st Viscount Brackley and Lord Chancellor.

Mooiër kun je niet worden uitgewuifd. Of…als we als afscheid de laatste scene van ‘De drie zusters meegeven?

Irina legt haar hoofd tegen Olga’s borst :
Er komt een tijd dat iedereen weet waar het allemaal goed voor geweest is, dit lijden, dit verdriet, dan zijn er geen geheimen meer en tot zolang moeten we leven, moeten we werken, werken, anders niks.
Morgen ga ik weg, alleen, ik ga lesgeven op school en ik ga mijn hele verdere leven wijden aan degenen die het misschien nodig hebben. Nu is het herfst, het is zo winter, alles zal onder de sneeuw liggen en ik zal werken, werken…
(Olga omarmt haar beide zusters )
De muziek speelt zo vrolijk, zo opgewekt, dat een mens ernaar verlangt om te leven! O, mijn God!
De tijd gaat voorbij en we zullen voor eeuwig verdwijnen, ze zullen ons vergeten, onze gezichten, onze stemmen, ze zullen vergeten met hoevelen we waren, maar ons verdriet zal in vreugde veranderen voor ons nageslacht, er zal geluk en vrede zijn op de wereld en men zal degenen die nu leven met een goed woord gedenken, en ze zegenen. O, lieve zusters, ons leven is nog niet voorbij. We zullen leven! De muziek speelt zo vrolijk, zo blij, nog maar even, denk ik, en we zullen ontdekken waarvoor we leven, waarvoor we lijden… O, als we dat eens wisten, als we dat eens wisten.

De muziek klinkt hoe langer hoe zachter. Koelygin komt blijmoedig lachend met de hoed en de sjaal aanzetten, Andrei duwt de kinderwagen voort, waar Bobik in zit.
Tsjeboetikin zingt zacht
:
Tarara-boem-di-jee… wie zit, doet niet meer mee…
leest in zijn krant Wat maakt het uit, wat maakt het uit!
Olga: Als we dat eens wisten, als we dat eens wisten!

(vertaling en bewerking Chiem van Houweninge en Ton Lutz)

Foto Theater Zuidpool

Kleine en grote bezieling voor donkere dagen (2)

Two Moons, 2023
Gouache on panel
121.9 x 121.9 cm (48 x 48 inches)

© Anne Buckwalter – Photo: Thomas Lannes
Courtesy MASSIMODECARLO

Nog even te zien in New York ‘Reins on a rocking horse‘ van Anne Buckwalter (°1987) in de Rachel Uffner Gallery. Bezoek:

https://racheluffnergallery.com/artists/37-anne-buckwalter/

Anne Buckwalter’s creative practice explores female identity and the coexistence of contradictory elements. Inspired by the folk art traditions of her Pennsylvania Dutch heritage, her work arranges disparate objects in mysterious domestic interiors and ambiguous spaces. By imagining obscure narratives that embrace paradoxes, her paintings delve into questions about the body, femininity, sexuality, and desire. 

Anne Buckwalter
Empty Bathroom, 2023
gouache on panel
18 x 14 in
(45.7 x 35.6 cm)

Buckwalter utilizes a perspective that blends miniature painting with a commercial fisheye lens. All-encompassing frames generously span large kitchens with outside vistas, staircases reach to upstairs floors, and living rooms connect to dining nooks. Secrets, fantasies, and gossips, however, linger into the domestic sterility. The viewer’s omnipresent outlook is challenged by the hints the artist seeds about the unseen; settings reserved for domestic labor host carnal rituals, mostly captured in their aftermaths.

Anne Buckwalter
The Moon’s Too Bright/The Chain’s Too Tight, 2023
gouache on panel
36 x 48 in
(91.4 x 121.9 cm)


Buckwalter gebruikt een perspectief dat miniatuurschilderijen combineert met een commerciële fisheye lens. Allesomvattende kaders overspannen royaal grote keukens met uitzicht naar buiten, trappen reiken naar boven en woonkamers sluiten aan op eethoeken. Geheimen, fantasieën en roddels blijven echter hangen in de huiselijke steriliteit. De alomtegenwoordige blik van de kijker wordt uitgedaagd door de hints die de kunstenaar geeft over het ongeziene; instellingen die gereserveerd zijn voor huishoudelijke arbeid herbergen vleselijke rituelen, meestal vastgelegd in hun nasleep.

bezoek:

https://www.annebuckwalter.com/

Anne Buckwalter
Horse Girl, 2022
gouache on panel
24 x 36 in
61 x 91.4 cm

Ook de (pogingen tot) alledaagse bezieling, speels verbeeld door Anne Buckwalter horen bij ons perspectief. ‘De veelkantige werkelijkheid’.

Photo by Lyla Duey

Zal ik er eens even Sint Augustinus bijhalen? Uit zijn De Magistro (over de Meester) heb ik een mooie uitspraak genoteerd:

"Gij zult het mij dus niet kwalijk nemen, wanneer ik met u een inleidend spel speel, niet omwille van het spel, doch om onze krachten en de blik van onze geest te oefenen, opdat wij daardoor in staat gesteld worden, de gloed en het licht van dat land, waar het gelukzalige leven is, niet alleen te kunnen verdragen, doch zelfs te kunnen beminnen. "  (Augustinus De Magistro)

De schilder Benozzo Gozzoli (1420-1497). maakte een reeks van zeventien fresco’s met het levensverhaal van de kerkvader, naamgever van de orde van de Augustijnen en patroonheilige van hun kerk in San Gimignano. Hier een mooi voorbeeld:

Benozzo Gozzoli, Monica (links in witte kleding) brengt Augustinus naar de school van Thagaste

Links op het fresco brengt de moeder van Augustinus haar zoon(tje) naar school. De leraar ontvangt zijn nieuwe leerling allervriendelijkst door hem onder de kin te strelen. Rechts daarvan zien we een leerling met een boek. Rechts achter hem hebben we een kijkje in een klaslokaal. Daar is een aantal leerlingen bezig met een schrijfplankje en een schrijfstift. Er heerst blijkbaar orde en tucht op de school. De leraar die Augustinus nog zo vriendelijk ontving slaat rechts een jongetje, dat blijkbaar niet goed zijn best gedaan, met een soort roede op zijn blote billen. Het jongetje wordt door een andere jongen op zijn rug vast gehouden en kijkt angstig achterom.

(Kunstblikken Paul Bröker. 2023).

In detail:

Detail: Benozzo Gozzoli, Monica brengt Augustinus naar de school in Thagaste

bezoek: (een mooie bijdrage)

https://www.kunstblikken.com/post/augustinus-loopt-wat-over-het-strand-te-mijmeren-en-dan-komt-hij-plotseling-tot-inzicht

oegeschreven aan Gerard Seghers, Augustinus van Hippo, olieverf op doek: 114,5 x 142, ca. 1620-1651, Kingston Lacy, Dorset, Engeland

Iemand die het wereldse gebeuren vaak zelf met eigen ogen heeft gezien is de nu onbekende maar ooit zeer gelezen Duitse auteur Hans Wachenhusen (1823-1898). Eerst reisde hij naar Scandinavië, Noorwegen, Lapland en IJsland en maakte hij ‘literaire aantekeningen’ bij deze reizen. (met vertalingen uit het Deens, zelfs een bundel sprookjes publiceerde hij in 1854)

Zijn belangrijkste activiteit viel echter samen met de avonturen, gevaren en indrukken die hij beleefde en documenteerde als oorlogscorrespondent voor grote kranten sinds de Krimoorlog (1853-1856) en in latere conflicten. En vandaar reisde hij naar Rome, later met Garibaldi naar Napels om dan weer te verhuizen naar de Pruisische oorlogen. (1866)

Na 1866 woonde hij weer in Parijs, schreef een verslag tijdens de Wereldtentoonstelling in 1867 en was aanwezig bij de openingsceremonie van het Suezkanaal in Egypte in 1869. Tijdens de Frans-Pruisische oorlog van 1870 was hij weer actief als correspondent voor de Kölnische Zeitung. Zijn verslagen – gepubliceerd in twee delen onder de titel Tagebuch vom französischen Kriegsschauplatz 1870-71 – trokken de aandacht in vele kringen.

Na nog een verblijf in Parijs woonde hij in Wiesbaden, waar hij van 1857 tot 1865 het tijdschrift Der Hausfreund publiceerde. Naast zijn talrijke oorlogs- en reisbeschrijvingen schreef hij ook verschillende romans en korte verhalen. Veel van zijn werken verschenen als zogenaamde spoorwegliteratuur bij uitgeverijen die gespecialiseerd waren in conversatie- en reisliteratuur en werden in kleine formaten van 50 tot 100 pagina’s, die ook rijk geïllustreerd waren, voor weinig geld (een stuiver, ein Groschen) aan reizigers verkocht. (vandaar de naam: Groschenroman, bij ons: Stationsroman)

Tot mijn verbazing vond ik zelfs talrijke reprints van zijn boek ‘Eva in Paris’ dat na verschijnen in 1869 hier ten lande kritisch werd onthaald en in ‘Vaderlandsche Letteroefeningen. 1870’ door Johannes van Gogh werd besproken:

"Als moeder ‘Eva’ in het tegenwoordige ‘Parijs’ hare oogen opsloeg, zou zij ze met nog dieper schaamte nederslaan over de ongeloofelijke lichtzinnigheid en diepgezonken zedeloosheid harer dochteren, dan zij gevoelde toen ‘hare oogen geopend werden’ na den noodlottigen appelbeet. 't Is eene chronique scandaleuse, die hier wordt opgelezen! De voorstelling is vrij realistisch; wel niet zoo, dat de welvoegelijkheid aan de waarheid wordt opgeofferd, maar toch....wel een weinigje los, vooral omdat de schrijver ons wat veel badineert. Zoo kwam het ons reeds voor, toen wij fragmenten uit het boekje in het tijdschrift Europa aantroffen. Het wordt aldus verontschuldigd: ‘Wanneer een onzer moderne Raphaëls de schoonste vrouwen der aarde naar de natuur schildert, dan staat de gansche wereld van bewondering opgetogen en allen noemen hem een groot kunstenaar. Maar kom ik op mijne beurt en verhaal ik de wereld, volgens de meest evidente bewijzen en met de innigste oprechtheid, de levensgeschiedenis dier schoone vrouw, dan zeggen zij: dat is realistisch! foei! dat is...onzedelijk.’ Het eene staat met het andere niet gelijk. Doch daarover willen we nu niet twisten. ‘Onzedelijk’ is wel het meeste, dat in dit boekje verhaald wordt, maar de wijze waarop dit geschiedt, noemen we meer loszinnig dan onzedelijk. "

(Digitale bibliotheek voor de Nederlandse Letteren: Binnenlandse letterkunde en Bibliographie p. 236)
Eerste oorlogsfotograaf van de Londense krant the Times in de Krimoorlog

We namen je mee op een drievoudige reis waarin het bezielen telkens weer een andere invalshoek kreeg. Anne Buckwalter’s plezierige kijk op het alledaagse en de sporen van ontsnappingspogingen daaruit , het inleidende spel niet voor het spel maar om krachten en de blik van onze geest te oefenen volgens Augustinus, en leven en geschriften van Hans Wachenhusen waarin de harde werkelijkheid en het dagelijks dromen in geschriften ‘loszinnige’ bedenkingen teweeg brachten bij de toenmalige literatuur-besprekers. De donkere dagen zijn inderdaad uitstekende uitdagingen om oplichtende geesten te bezoeken.

Werk van Anne Buckwalter

Herfst, de kunst van het vallen

Four Putti flying Anonymus ? Volger van Cambiaso, Luca) XVI century Museo del Prado

Zwaartekracht schijnt voor deze vliegende putti onbestaand. Hun dartele manier van bewegen is eerder tuimelen. Onbevreesd in de diepte vallen waar op aarde Wassily Kandinsky met tinten blauw en groen omgeven, de vrucht- of bloemen dragende boom borstelde, herfst in Murnau. Kijk.

Gravity seems non-existent for these flying putti.  Their frisky way of moving is rather tumbling.  Falling fearlessly into the depths where on earth Wassily Kandinsky surrounded with shades of blue and green, brushed the fruit- or flower-bearing tree, autumn in Murnau.  See.

Vassily Kandinsky, 1908 Herfst in Murnau (klik op onderschrift om te vergroten)

In Arles
wisten twee met kleur doorweekte zielen
dat onvermijdelijk vallen
over de gekwetste tijden
uit te strijken.

In Arles
two colour-soaked souls knew
that inevitable falling
over the hurt times
out.

Paul Gauguin, Landscape in Arles near the Alyscamps, 1888, Musée d’Orsay, Paris, France.

The falling leaves drift by the window
The autumn leaves of red and gold
I see your lips, the summer kisses
The sun-burned hands I used to hold

Since you went away the days grow long
And soon I'll hear old winter's song
But I miss you most of all my darling
When autumn leaves start to fall

Het gevoel van dat noodzakelijke schoolopstel, een wandeling in de herfst, en dan vanuit je kamer dromen verzinnen -buiten is het nog te nat of gevaarlijk- en hoe zeere vallen z’af, de zieke zomerblaren van Gezelle daarna met puberstem op tape achterlaten want ik moet naar het zangkoor, ma- terwijl de lente in je lijf niet weet waar eerst uit te barsten, maar ook verloren lopen in weemoed, het wentelt onder ’t vallen en tenslotte voor levenslang sonnet 73 van de grote meester lezen en het jaren later begrijpen vanaf de eerste zin: ‘Dat jaargetij brengt mij in beeld voor jou.’



Dat jaargetij brengt mij in beeld voor jou,
als een of twee, of geen, geel blad nog hangt
aan takken die zich schudden in de kou-
naakt koorskelet, eens zoet van vogelzang.
Jij ziet in mij de schemer van de dag,
wanneer, ver west, het laatst, veeg licht vertrekt,
al haast vertreden door de zwarte nacht,
Doods schaduwbeeld, die 't al in doodsrust dekt.
Jij ziet in mij het gloeien van de gloed
die jeugdig vuur nog aanhoudt op zijn as
als op het doodsbed waar het sterven moet,
verteerd met dat wat eens zijn voedsel was.
Het sterkt je liefde, zou je daarvan leren
te minnen wat jou weldra zal mankeren.

(vertaling H.J.de Roy van Zuydewijn)

Denk je aan de titel van deze bijdrage: ‘Herfst, de kunst van het vallen’, dan gaat het de opsteller eerder over de diepte dan over het oplopen van kwetsuren. Denk aan Alice in Wonderland, zij valt in een konijnenpijp en komt daardoor in een absurde wereld terecht. Vallen is nieuwe evenwichten verkennen, jezelf bevragen, loslaten dus. De schrik voor de diepte overwinnen.

Wie ben jij?’ vroeg de rups.

Dat was geen bemoedigend begin voor een eerste gesprek. Alice antwoordde, nogal verlegen: ‘Ik… Ik heb geen idee, meneer, wie ik nu ben. Ik wist wie ik was toen ik vanochtend wakker werd, maar ik moet tenminste al wel zes keer veranderd zijn sindsdien.’ ‘Wat bedoel je daarmee?’ vroeg de rups streng. ‘Leg eens uit!’

‘Ik ben bang dat ik het niet zo goed uit kan leggen, meneer…’ stamelde Alice. ‘Omdat ik niet mezelf ben, ziet u.’

Het is maar één voorbeeld, maar in de kortende dagen, het vroege donker, de herdenking van wie ons voorgingen, de innigheid van de kersttijd, de hoop op het nieuwe jaar, spreekt het raadsel van wat, wie en waarom ons voortdurend aan. Je in de diepte toelaten kan voor wonderlijke dagen zorgen.



Herbsttag

Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr gross.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren lass die Winde los.
Befiehl den letzten Früchten voll zu sein;

gib ihnen noch zwei südlichere Tage,
dränge sie zur Vollendung hin und jage
die letzte Süsse in den schweren Wein.
Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.

Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleeen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Rainer Maria Rilke

Herfstdag

Heer: het is tijd. De zomer was zeer groots.
Leg op de zonnewijzers thans uw schaduw,
en stel de velden aan de winden bloot.
Beveel de laatste vruchten rijp te zijn;

verleen hun nog twee zuidelijker dagen,
stuw hen naar de voleinding, Heer, en jaag
de laatste zoetheid in de zware wijn.
Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer.

Wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven,
in lanen rusteloos dwalen, telkens weer,
als op de wind de blaren zullen drijven.

Anton Korteweg
Foto door Pixabay op Pexels.com

De stilte als vindplaats (2)

‘Stilte’ Nikolai Doubovskoi Tretyakov Gallery Moskou Klik op onderschrift voor veroting

Deze versie van een dreigend onweer is al een copie van het oorspronkelijke doek van de Russische landschapsschilder Nikolai Doubovskoi, in 1890 tentoongesteld en door Tsaar Alexander III onmiddellijk aangekocht. Dat oorspronkelijke doek kun je hieronder bekijken:

‘Stilte voor de storm’ Nikolai Doubovskoi Russisch Museum Klik op onderschrift voor vergroting

Er zwerven zeker nog meer al dan niet ‘officiële’ versies rond in diverse uitvoeringen want het thema van ‘de dreigende stilte’ spreekt aan, heeft vaak al een eigen ervaringscontext. Herinner je. In mijn eigen kindertijd zijn ze met de augustus-onweders verbonden. Geen angst, maar gordijnen open en stoelen op een rij alsof we naar een toneelstuk zouden kijken, tussen bliksem en donder aftellend. ‘Ja, het komt dichterbij!’ Olim meminisse iuvabit, later zal de herinnering genoegen verschaffen. Ja, later. Dus is enige troost voor dat helaas te vlug voorbije ‘later’ best op zijn plaats. De prachtige stemmen van Voces8 zingen ‘May it be’, het ‘Liedje van Enya’ uit de Lord of the Rings. Het betoverde eiland. (3’44”)

Liedje van Enya

May it be an evening star
Shines down upon you
May it be when darkness falls
Your heart will be true
You walk a lonely road
Oh, how far you are from home
Mornie utulie
Believe and you will find your way
Mornie alantie
A promise lives within you now
May it be the shadow's call will fly away
May it be your journey on to light the day
When the night is overcome
You may rise to find the sun
Mornie utulie
Believe and you will find your way
Mornie alantie
A promise lives within you now
A promise lives within you now

(Songwriters: Howard Leslie Shore
Songteksten voor May It Be © New Line Tunes)

Lesser Ury Gare haute Bülowstrasse La Nuit 1922 (klik op onderschrift voor vergroting)

Ach, de nacht: verdoken en verdrongen
bezoeken
oude en vaak vertelde verhalen
de noodzaak
het wonder wakker te schudden;
onwetend hoe en waar het zal verschijnen
en of genezen of verschrikken
aan de orde is.

Gmt
De nacht Wassily Kandinsky

Op zoek naar allerlei nachtelijke deurtjes om ‘oh’ of ‘ah’ te kunnen zeggen, vond ik een mooie, zeldzame vertaalde tekst van Kahlil Gibran, Libanese dichter en romanschrijver, bijna bij iedereen bekend met zijn werk ‘The Prophet’ uit 1933. Een overzicht, overgenomen van ‘gedichten nl.’


[Bsharri 1883 –  New York 1931]
Kahlil  (óók gespeld als Khalil) Gibran was een Libanese dichter en romanschrijver.
Hij schreef zowel in het Engels als in het Arabisch.
Gibran verhuisde naar  New York in 1912. Hij combineerde elementen van Oosters en Westers mystiek denken. Hij werd  wereldbekend met aforistische, poëtische werken zoals De Profeet (1923) en Jesus, de Zoon van de Mens (1928).

Kahlil Gibran heeft met zijn poëtische werken geschiedenis geschreven; zijn boek 'De Profeet' is aangeslagen bij het publiek en wordt tot op de dag van vandaag door velen gebruikt als persoonlijke leidraad.

Hij staat in de Arabische wereld bekend als een onafhankelijk denker, die schreef met een voorkeur voor het kijken over grenzen en verschillen heen. Zijn werk is toegankelijk voor godsdienstigen en atheïsten. Behalve schrijven schilderde hij;  zijn boeken worden soms verluchtigd door eigen werken.

Werk:
Ara'is al-Muruj (Nymphs of the Valley, vertaald als Spirit Brides, 1906) al-Arwah al-Mutamarrida (Spirits Rebellious, 1908) al-Ajniha al-Mutakassira (Broken Wings, 1912) Dam'a wa Ibtisama (A Tear and A Smile, 1914) The Madman (1918) al-Mawakib (The Processions, 1919) al-‘Awāsif (The Tempests, 1920) The Forerunner (1920) al-Bada'i' waal-Tara'if (The New and the Marvellous,1923) The Prophet, (1923) Sand and Foam (1926) The Son of Man (1928) The Earth Gods (1929) The Wanderer (1932) The Garden of The Prophet (1933)
Een foto uit zijn jeugdjaren vult aan wat niet dadelijk in taal te duiden is:


The Seven Selves
By Kahlil Gibran

In the stillest hour of the night, as I lay half asleep, my seven
selves sat together and thus conversed in whisper:
 


First Self:  Here, in this madman, I have dwelt all these years,
with naught to do but renew his pain by day and recreate his sorrow
 by night.  I can bear my fate no longer, and now I rebel.
 


Second Self:  Yours is a better lot than mine, brother, for it is 
given to me to be this madman’s joyous self.  I laugh his laughter 
and sing his happy hours, and with thrice winged feet I dance
 his brighter thoughts.  It is I that would rebel against my weary 
existence.
 


Third Self:  And what of me, the love-ridden self, the flaming brand 
of wild passion and fantastic desires?  It is I the love-sick self
 who would rebel against this madman.
 


Fourth Self:  I, amongst you all, am the most miserable, for naught
 was given me but odious hatred and destructive loathing.  It is 
I, the tempest-like self, the one born in the black caves of Hell,
 who would protest against serving this madman.
 


Fifth Self:  Nay, it is I, the thinking self, the fanciful self,
the self of hunger and thirst, the one doomed to wander without rest in search of unknown things and things not yet created; it is
I, not you, who would rebel.
 


Sixth Self:  And I, the working self, the pitiful labourer, who,
with patient hands, and longing eyes, fashion the days into images 
and give the formless elements new and eternal forms—it is I, the 
solitary one, who would rebel against this restless madman.
 


Seventh Self:  How strange that you all would rebel against this 
man, because each and every one of you has a preordained fate to
 fulfill.  Ah! could I but be like one of you, a self with a determined 
lot!  But I have none, I am the do-nothing self, the one who sits
 in the dumb, empty nowhere and nowhen, while you are busy re-creating 
life.  Is it you or I, neighbours, who should rebel?
 


When the seventh self thus spake the other six selves looked with pity upon him but said nothing more; and as the night grew deeper
 one after the other went to sleep enfolded with a new and happy 
submission.
 


But the seventh self remained watching and gazing at nothingness,
which is behind all things.
This portrait of 15-year-old Kahlil Gibran was made in 1898 by one of his mentors, photographer and publisher Fred Holland Day. (Library of Congress)


De zeven zelven.
Kahil Gibran


In het stilste uur van de nacht, toen ik half lag te slapen, zaten mijn zeven zelven samen en spraken fluisterend met elkaar:

Eerste Zelf: Hier, in deze gek, heb ik al die jaren gewoond, met niets anders te doen dan zijn pijn overdag te vernieuwen en zijn verdriet ’s nachts te herscheppen. Ik kan mijn lot niet langer dragen en ik kom nu in opstand.

Tweede Zelf: Jij hebt een beter lot dan het mijne, broer, want het is mij gegeven om het vreugdevolle zelf van deze gek te zijn. Ik lach zijn lach en zing zijn gelukkige uren, en met drie gevleugelde voeten dans ik zijn heldere gedachten. Ik ben het die zou rebelleren tegen mijn vermoeiend bestaan.

Derde Zelf: En hoe zit het met mij, het door liefde geteisterde zelf, het vlammende merk van wilde passie en fantastische verlangens? Ik ben het liefdeszieke zelf dat in opstand zou komen tegen deze gek.

Vierde Zelf: Ik, onder jullie allen, ben de meest ellendige, want niets werd mij gegeven dan verfoeilijke haat en vernietigende afkeer. Ik ben het, het onstuimige zelf, geboren in de zwarte grotten van de Hel, die moet protesteren tegen het dienen van deze gek.

Vijfde Zelf: Nee, ik ben het, het denkende zelf, het fantasierijke zelf, het zelf van honger en dorst, degene die gedoemd is zonder rust rond te dwalen op zoek naar onbekende dingen en dingen die nog niet geschapen zijn; ik ben het, niet jij, die in opstand moet komen.

Zesde Zelf: En ik, het werkende zelf, de meelijwekkende arbeider, die met geduldige handen en verlangende ogen de dagen tot beelden boetseert en de vormloze elementen nieuwe en eeuwige vormen geeft – ik ben het, de eenzame, die in opstand moet komen tegen deze rusteloze gek.

Zevende Zelf: Hoe vreemd dat jullie allemaal in opstand zouden komen tegen deze man, want ieder van jullie heeft een voorbeschikt lot te vervullen. Ach! Kon ik maar zijn als een van jullie, een zelf met een vastbesloten lot! Maar dat heb ik niet, ik ben de nietsdoener, degene die in het stomme, lege nergens en nu zit, terwijl jullie druk bezig zijn met het herscheppen van het leven. Zijn jullie het of ik, buren, die in opstand moet komen?

Toen het zevende Zelf aldus sprak, keken de andere zes zelven met medelijden naar hem maar zegden niets meer; en naarmate de nacht dieper werd, viel het een na het ander zelf in slaap, omhuld met een nieuwe en gelukkige overgave.

Maar het zevende zelf bleef kijken en staren naar het niets, dat achter alle dingen ligt.

(vertaling Gmt)

Designed and created by Kahlil George Gibran, a bronze plaque of Gibran holding a copy of The Prophet—one of the best-selling books of all time—was set atop inscribed granite in 1977 at the edge of Boston’s Copley Square, where it memorializes the writer and artist’s legacy of humanitarianism and generosity.

Bezoek: The borderless World of Kahlil Gibran

https://www.aramcoworld.com/Articles/July-2019/The-Borderless-World-of-Kahlil-Gibran

Later wordt het, maar nooit te laat(?) (3) ‘Devouring Time’

The Boy with the Arrow (Portrait of the Artist’s Son) (1903), Douglas Volk -Smithsonian American Art Museum-

Ook hier is een toevallige vondst, een schilderij: ‘The Boy with the Arrow’ van de Amerikaanse schilder Douglas Volk (1856-1935) een aanleiding om het over een aspect van de ‘tijd’ te hebben. Laten we maar meteen de meester citeren: ‘Devouring Time’, of het negentiende sonnet van William Shakespeare:

19

Devouring Time, blunt thou the lion's paws
And make the earth devour her own sweet brood,
Pluck the keen teeth from the fierce tiger's jaws
And burn the long-lived phoenix in her blood,
Make glad and sorry seasons as thou fleet'st,
And do whate'er thou wilt, swift-footed Time,
To the wide world and all her fading sweets.
But I forbid thee one most heinous crime:
O carve not with thy hours my love's fair brow
Nor draw no lines there with thine antique pen.
Him in thy course untainted do allow,
For beauty's pattern to succeeding men.
   Yet do thy worst, old Time. Despite thy wrong
   My love shall in my verse ever live young

Tijd, veelvraat, leg de leeuwenklauw aan banden,

Voer aarde op wat ze heeft uitgebroed,

Ontdoe de tijger van zijn rotte tanden,

Bereid de oude fenix in zijn bloed,

Maak de seizoenen goed of laat ze kwijnen,

Doe wat je wilt, jij gluiper Tijd, je ziet

Al wat de wereld mooi maakt weer verdwijnen.

Maar er is één ding dat ik je verbied.

Kerf niet je uren in mijn liefs gezicht,

En trek daar met je oude pen geen sporen,

Spaar hem, een nieuwe generatie richt 

Zich op zijn schoonheid, die mag niet verloren.
   
Ach, oude Tijd, doe maar je kwade werk.
   
Mijn vers houdt mijn lief levend, jong en sterk.

vertaling: Willem van der Vegt 2008

The boy in the painting is Volk’s own son Leonard during that time in a boy’s life where he is no longer a boy yet not quite a man either. This painting was displayed around the time that Peter Pan was first introduced to the public. It’s thought that Peter Pan had many thinking about this time in a boy’s life called adolescence and might have influenced how popular this painting was at the time.
The painting depicts young Leo sitting in the woods on a large rock while holding an arrow and looking into the distance as if contemplating some major decision. He is dressed as a typical American boy of the period and sits in the shade of a large tree.

Je moet al een beetje verder gaan zoeken naar de biografische achtergrond. Leo, eerste zoon van schilder en kunst-pedagoog Douglas Volk is heel jong gestorven. Nauwelijks acht jaar geworden. De dromerige jongen hierboven een voorloper van de geciteerde Peter Pan is een poging van de schilder de ‘devouring Time’ toch nog even te verschalken, of is de toewijzing gewoon een fout in het biografisch materiaal? Maar ook dan blijft het een poging om het snel voorbijgaan van de tijd te isoleren in een portret dat voor altijd het jeugdige bevriest. Er zijn immers talrijke vormen van aanwezigheid. Het beeld. Een gedicht. Zoals je de woorden uitspreekt, hun melodie hoort en de betekenis weer op een heel andere manier tot je doordringt. Luister. Een minuut veertien seconden.

Soms komt er een woord op bezoek. Een vermoeid woord. Vragen om onderdak.

Woord op bezoek

Gewoon een vermoeid woord was het,
-of het enkele weken mocht logeren
 in de stille hoeken van het huis –
er zijn als ik naar de rood verkleurende
wingerd keek achter in de tuin, of naast de kat
mocht slapen die zacht kreunend droomde,
vier witte voetjes bij elkaar, kussentjes als
uitstekende rustplaats voor een vermoeid woord.
Ook in het strijklicht van de late middag in de veranda
zou het zich ontrollen, zijn letters loslaten
in de spiegeling van het vijverwater op de zoldering.

Onuitgesproken kon het zijn klanken 
met de vroege avond laten vallen.
In het donker van mijn ogen slapen
was veel gevraagd, maar het kon.

Van de boeken bleef het ver vandaan,
het was maar een eenvoudig woord, zei het,
wars van literaire pretenties,
maar niet zo simpel of zo slaafs als een lidwoord,
wel te lui  voor dubbelzinnigheid.

Graag ontdaan van zijn betekenis zou het
doorzichtig en onzichtbaar zijn,
-ik dacht aan het volle maanlicht in het trappenhuis-
maar in haar sluimerslaap schrok de poes
toen het smartelijk om verloren letters riep.

Die nacht, in het donker van mijn ogen,
droomde ik zijn verlangen om bij het ander woord te zijn.
Met enkele krullen en wat streepjes meer
zou het van zijn woordblindheid genezen.
Een woordspeling hoefde niet,
gewoon samen in het woordenboek wonen
zoals ‚gaandeweg’ of ‚pepermunt’.

We werden heel vroeg wakker,
droevig om elkaars tekort.

'On' en 'af', twee vermoeide woorden in een winternacht.
Wie ons verenigde, herkende wel
het eigen heimwee naar verloren letters en dies meer.

Onaf maar onafscheidelijk.

Gmt
Man in Hammock Albert Gleizes, 1913



Word on visit

Just a tired word it was,
-whether it could stay for a few weeks
in the quiet corners of the house -
being there when I looked at the red discoloured
vine at the back of the garden, or next to the cat
was allowed to sleep groaning softly dreaming,
four white feet together, cushioned as an
excellent resting place for a weary word.
Even in the floodlight of late afternoon in the veranda
it would unfurl, releasing its letters
in the reflection of the pond water on the ceiling.

Unspoken it could let its sounds
drop with the early evening.
Sleeping in the darkness of my eyes
was asking a lot, but it could.

From the books it stayed far away,
it was just a simple word, it said,
averse to literary pretensions,
but not as simple or as slavish as an article,
too lazy for ambiguity, though.

Gladly stripped of its meaning, it would
transparent and invisible.
-I thought of the full moonlight in the stairwell-
but in its slumber the cat was startled
as it cried out grievously for lost letters.

That night, in the darkness of my eyes,
I dreamed its desire to be with the other word.
With a few more curls and a few more dashes
would cure it of its word blindness.
There was no need for a pun,
just live in the dictionary together
like 'ongoing' or ‘peppermint'.

'On' and 'off', two tired words on a winter night.
Those who united us did recognise
their own nostalgia for lost letters and the like.

Undone but inseparable.

Gmt
Slapende vrouw met Kat Władysław Ślewiński, 1896

Er is het beeld, de poëzie om jou uit de muil van de verslindende tijd terug te halen, hoe tevergeefs ook. Maar ook de muziek. ‘Come again, sweet love doth now invite.’ van John Dowland naar een anonieme tekst. Uitvoering Konstantin Mizkevitch en ensemble. Full page is de tekst goed leesbaar.

Come again
Sweet love doth now invite
Thy graces that refrain
To do me due delight
To see, to hear
To touch, to kiss
To die with thee again
In sweetest sympathy
Come again
That I may cease to mourn
Through thy unkind disdain
For now left and forlorn
I sit, I sigh
I weep, I faint
I die, in deadly pain
And endless misery
Gentle love
Draw forth thy wounding dart:
Thou canst not pierce her heart;
For I that do approve
By sighs an d tears
More hot than are
Thy shafts, did tempt while she
For scanty tryumphs laughs

Het beeldtype stelde Hypnos voor als een adolescent of, in sommige varianten, als een nog jonger kind. Hij werd voorwaarts rennend afgebeeld, met klaprozen in zijn rechterhand en een drinkhoorn in zijn linker, waaruit hij vermoedelijk een slaapdrankje goot. Op dit hoofd is te zien hoe vleugels uit zijn slapen ontsprongen en zijn haar was uitvoerig gerangschikt in een reeks weelderige lokken, sommige vielen vrij, andere waren vastgebonden in een knoop achter op het hoofd.
Hypnos duikt voor het eerst op in de mythologie in het werk van een van de vroegste Griekse dichters, Hesiod (leefde rond 700 voor Christus), waar Hypnos (Slaap) en Thanatos (Dood) de verschrikkelijke zonen van Nyx (Nacht) waren. Hypnos werd echter over het algemeen gezien als goedaardig voor de mensheid. De god werd vaak genoemd in literaire bronnen en werd geassocieerd met klaprozen en slaapmiddelen. De vleugels van Hypnos stelden hem in staat om zich snel over land en zee te verplaatsen en om het voorhoofd van de vermoeiden te wapperen tot ze in slaap vielen. Zijn zoon was Morpheus, de personificatie van dromen.




Georg Johan Elser: “Ik wilde de oorlog tegenhouden.”

Mijn zoon Georg Johann is op 4 janauri 1903 in Hermaringen, district Heidelhem, geboren.  Hij is de oudste van mijn kinderen.

Mijn moeder woonde toen nog bij haar ouders; die waren wagenmakers en ze hadden ook een klein boerenhof. Een jaar na mijn geboorte zijn ze getrouwd. Ja, toen werd ik wettelijk.

Een volgzame jongen, zorgde nooit voor problemen.  Tamelijk rustig - volgens ons te rustig.

Mijn hele jeugd heb ik in Köningsbronn doorgebracht. Met vijven waren we.


Ook op school heeft mijn broer zelden vrienden gehad. Eén keertje maar: de blinde pianospeler van de dansschool. Waarschijnlijk voor de muziek.

Toen Georg nog naar school ging, heeft hij eens een dorsmachine gebouwd en die dan aan de naaimachine van moeder gekoppeld. We hebben er koren in gedaan en echt gedorst.

Ik ben in april naar de Bodensee getrokken. Ik had in de fabriek waar ik eerst werkte een schrijnwerker leren kennen. Leo. Hij speelde klarinet in zijn vrije tijd. In feite wou hij naar Konstanz; daar kon hij dan lid worden van een muziekvereniging. Zo begonnen we in augustus 1925 beiden in de uurwerkfabriek in Konstanz te werken. Als schrijnwerkers natuurlijk. Ik heb toen ook een cither gekocht. Voor 20 Mark. Ik werd lid van de volksdansgroep ‘Obereinthaler’. Elke zaterdag oefenden we in het stamcafé ‘Zum Kratzer”.

In Konstanz leerde hij nogal wat meisjes kennen.  Mathilde.  Een dienster. Ja, dat had ook gevolgen.  Er kwam een kind van.  Een jongen.  Manfred.  Nu 9 jaar.  Ik heb altijd gewild dat hij later bij mij zou komen wonen.

Ik heb altijd voor de KP gestemd. Van in het begin had ik niet veel sympathie voor de Nazi’s. Ik dacht, de KP dat is een arbeiderspartij. Op bijeenkomsten die ik meemaakte werd er alleen over loon gesproken- dat het hoger moest zijn, en over betere woningen en van die dingen.

Als Ortsgruppenleiter heb ik meegemaakt dat Elser bij de 1ste mei-parade zich vlakbij de vlag omdraaide en wegliep.  Dat zegt nog niet weel maar ik dacht toen al:  dat is geen man voor het Derde Rijk.

Sedert de machtsovername door de Nationaalsocialisten liggen de lonen lager. Zo lang ik in de uurwerkfabriek in Konstanz werkte, kreeg ik gemiddeld 50 Mark per week. Van die 50 werden er 5 afgetrokken voor belastingen, ziekenfonds, werklozensteun en het invalidenfonds. Wie in 1938 25 Mark per week verdiende moest echter evenveel inleveren. In 1929 kreeg een schrijnwerker één Mark per uur. Vandaag verdient hij 68 Pfennig per uur.

Over politiek heeft mijn broer Georg nooit gesproken.  Maar Hitler kon hij niet verdragen.  Als Hitler in de radio sprak, verliet hij de kamer.

Sinds Hitler aan de macht is gekomen staan de arbeiders onder dwang. Zij mogen niet meer van werk veranderen als zij dat willen. Door de Hitlerjugend zijn zij ook geen baas meer over hun kinderen. En ook op godsdienstig vlak doen zij niet wat zij goeddunken. De arbeiders zijn woedend op de regering. In 1938 waren de arbeiders ervan overtuigd dat er een oorlog zou komen. Met de Sudeten-crisis heb ik dat ook gedacht, dit loopt slecht af. Ik was er zeker van dat het niet bij het verdrag van München zou blijven en Hitler tegenover andere landen ook nog eisen zou stellen. Hij wou meer landen inlijven. Een oorlog was dan niet meer te vermijden. Ik heb altijd met die gedachte geleefd. Ik heb er dus over nagedacht hoe men de situatie van de arbeiders zou kunnen verbeteren en hoe we de oorlog zouden kunnen vermijden. Ik ben tot het besluit gekomen dat er alleen iets kan veranderen als het huidige bewind verdwijnt. Hitler, Göring en Goebbels. Hoe er dan plaats is voor een andere regering. Een regering die aan het buitenland geen onmogelijke eisen zou stellen, die geen vreemd land wil inlijven. Een regering die meer bekommerd zou zijn om de sociale situatie van de arbeiders. Ik kon het niet meer uit mijn hoofd zetten. Uiteindelijk besloot ik zelf het driemanschap te liquideren.

Mijn broer heeft zich altijd met problemen beziggehouden die bij een ander nooit zouden opkomen.  En hij loste ze ook op, dat wel.

Ik nam mijn beslissing in de herfst van het jaar ’38.

Als Georg iets in zijn hoofd had, dan moest dat ook gebeuren.  Of dat moeilijk was kon hem niet schelen.  Hij was een keikop.

Ik las in de krant dat de volgende bijeenkomst waar de Führer bij zou zijn in de Bürgerbräukeller plaats vond. Op 8 en 9 november. Een herdenkingsfeest voor de oud-strijders. Daarom reed ik op de 8ste november naar München. Met de trein. ’s Namiddags was er gelegenheid om de Bürgerbräukeller te bezichtigen. Ik ging er naartoe. Ik bekeek de zaal en kreeg te horen waar het spreekgestoelte stond.

Het vaandel hing altijd aan dezelfde zuil waar Hitler zijn toespraak hield.  Het zag er al jaren ongewassen uit. Vaak kwamen er vrouwen om bloemen op de vlag te steken of om de vlag te kussen.  Wij, diensters, wij stonden er dikwijls mee te lachen.  Er zijn ook wel eens vrouwen die het glas wilden kopen waaruit Hitler had gedronken.  Ik had er een fortuin mee kunnen verdienen.

In de loop van de volgende weken bedacht ik dat het goed zou zijn springstof te bevestigen in de zuil die achter het spreekgestoelte stond. Die springstof moest ik dan met de hulp van een of andere installatie op het juiste moment tot ontploffing brengen. Toen het ongeveer duidelijk was hoe de constructie van het apparaat er moest uitzien -ik had al een schets gemaakt- wist ik dat ik ook de juiste maten van de zuil moest hebben. Daarom ben ik in april nog eens naar München gereden. Terwijl ik in het Bürgerbrau-restaurantje iets at kwam ik in gesprek met de knecht van de Bürgerbräukeller. Hij vertelde mij dat hij waarschijnlijk zou opgeroepen worden voor zijn militaire dienst. Ik moest niet lang nadenken om te beseffen dat, indien ik zijn job kon overnemen, het mijn plan zou helpen slagen. Daarom heb ik hem meer dan eens gevraagd met mij een biertje te drinken op mijn kosten. Hij zou mij schrijven, zei hij. Maar ik heb nooit nog iets van hem gehoord. Enkele dagen na mijn terugkeer uit München kreeg ik een job in de steengroeven van Köningsbronn.

Het heeft mij verbaasd dat hij, die toch een degelijke stielman was, als gewone arbeider in de steengroeven is gaan werken.  En hij had nog net zo'n prachtig naaikastje voor mij gemaakt.

Het was voor mij de plaats waar ik springstof zou kunnen vinden voor de aanslag. Ik wist dat men daar ging dynamiteren.

Mij persoonlijk is het niet opgevallen, maar mijn ploegbazen is het wel opgevallen dat Elser veel interesse had voor het dynamiteren.

De springstof werd in een betonnen huisje vlakbij de steengroeve bewaard. Met een sleutel uit het huis van mijn ouders in Köningsbronn geraakte ik binnen . Ik ben ’s nachts -ik geloof zes keer- springstofpatronen en capsules gaan halen, ze in een rugzak naar huis gedragen. Daar heb ik ze in een houten koffer met dubbele bodem bewaard. Hij stond naast mijn bed en was altijd op slot. De sleutel droeg ik steeds op zak. De zestiende mei had ik in de steengroeve een arbeidsongeval.

Elser stond aan de band.  Ik heb gezien dat hij een zware steen optilde en dat hij die op zijn voet liet vallen.

Mijn voet zat tot boven de enkel in het gips maar ik moest niet opgenomen worden. Tijdens mijn herstelperiode heb ik mij vooral beziggehouden met de constructie van mijn apparaat; ik tekende de hele tijd. Ik heb alle mogelijkheden van zo’n ontploffing bestudeerd. Daarna heb ik in een afgelegen boomgaard in Köningsbronn een experiment gedaan en vastgesteld dat ik met de patronen een capsule kon aansteken. Ik heb het experiment regelmatig herhaald. Pas wanneer het drie-vier maal na elkaar lukte, was ik tevreden. De vijfde augustus kwam ik in München aan. Ik huurde een kleine kamer in de Türkenstrasse 94/11. Bij behanger Lehmann. Ik betaalde er 17,50 Reichsmark voor, zonder ontbijt. Ik vertelde de familie Lehman dat ik aan een uitvinding werkte en dat ik daarom naar München was gekomen.

Hij had een paar zware kisten meegebracht.  Mijn man heeft hem nog geholpen om ze in de kelder te dragen. Eén houten kist moest naar boven. Maar ze kon niet in zijn kleine kamer, daarom hebben ze wij ze op de overloop gezet.

Ik zei dat er tekeningen voor mijn uitvinding in zaten en dat ik bezig was met een soort uurwerk dat ’s morgens niet alleen wekt maar ook het licht doet aangaan. De derde of vierde nacht na mijn aankomst in München ben ik in de zaal aan het werk gegaan. Tussen 20 en 22u. ging ik naar gelagzaal van de Bürgerbräukeller. Ik gebruikte er mijn avondmaal.

Ja, meneer Elser was een stamgast.  Hij at elke avond maar dronk er nooit iets bij. Hij was nogal armoedig gekleed.  De dagschotel kostte bij ons 60 reichspfennig.  Daar liet hij altijd nog een portie van over.  Meestal van het vlees of van de worst.  Dat gaf hij dan aan de waakhond Ajax waarmee hij vriendschap had gesloten.

Rond 22 uur betaalde ik meestal en verliet ik de gelagzaal. Ik ging naar de garderobe in de grote zaal die nog niet afgesloten was. Langs de trap achteraan kwam ik op de galerij en daar verstopte ik me in een bergplaats. Ik bleef er zo lang tot de grote zaal gesloten werd. Meestal tussen 22.30 uur. en 23.30 uur. Voordien had de toiletjuffrouw nog de katten eten gegeven maar op de galerij kwam ze nooit. Daarop draaide ze de sleutel drie keer om.

Ik bleef de hele nacht in de zaal. Tussen 7 en 8 werd ze weer opengemaakt. Tussen twee en drie uur stopte ik meestal met mijn werk. Daarna ging ik naar de bergplaats om er op een stoel wat te knikkebollen. Ik was meestal tamelijk moe omdat ik de hele tijd -verstopt onder een tafel- op mijn knieën moest werken.

Op een morgen kon meneer Elser niet opstaan.  Ik vroeg of ik een dokter moest halen. Maar hij zei dat zijn knieën alleen maar een beetje ontstoken waren.  Dat zou overgaan.  Ik heb te veel gelopen, denk ik, zei hij.

Eerst zaagde ik een deel van een plank van de zuilbekleding zodanig uit dat ik er een deurtje van kon maken. Je kon niet zien waar ik had gezaagd. Daar had ik drie nachten voor nodig. Het had echter het voordeel dat ik altijd direct met mijn werk kon beginnen als ik het deurtje had geopend en dat ik bij het einde van mijn nachtelijk werk de deur maar hoefde te sluiten om mijn bezigheden binnen in de zuil volledig te verbergen. Het overige werk voerde ik met de beitel en de beitelboor uit want binnenin was de zuil uit baksteen. Eerst moest ik de bepleistering verwijderen op de bakstenen. Omdat het minste gerucht in de lege zaal ’s nachts geweldig weergalmde, moest ik zeer voorzichtig zijn. Daarom duurde het werk ook zo lang. Wilde ik er een steen uitnemen dan wachtte ik tot ik in het toilet van de Bürgerbräukeller de automatische spoeling hoorde. Dat was ongeveer om de tien minuten het geval en het duurde maar enkele seconden. Daarna moest ik weer wachten tot het spoelsysteem werkte. Pas op het eind van oktober was ik met het uitbreken klaar. Ik kon trouwens maar werken bij het licht van een afgedekte zaklamp. Puin en stenen heb ik opgevangen in een zak die ikzelf had gemaakt van een handdoek. Was de zak vol dan heb ik de inhoud in een kartonnen doos gekieperd die ik altijd in de bergplaats op de galerij liet staan. Die valies maakte ik leeg op een terrein achter het zwembad aan de Isar. Overdag werkte ik aan de definitieve en precieze constructie van mijn machine. Eind oktober kon ik pas de precieze grootte ervan vaststellen na het beëindigen van het breekwerk.. Het was voor mij duidelijk dat ik een klok nodig had om de ontsteking op een vooraf bepaald tijdstip te kunnen vastzetten. Een paar van dergelijke klokken had ik bij mijn weggaan uit de firma in Konstanz in het voorjaar van 1932 mee gekregen.. Eén klok was niet genoeg, dus om het welslagen van mijn plan niet aan het toeval over te laten heb ik nog een tweede klok aangesloten. De twee klokken hadden elk een looptijd van zeven dagen. Ik kon dus 144 uur op voorhand het moment van de explosie vastleggen op een kwartier na. De eerste november bracht ik het ontstekingsmechanisme en de springstofhouder in de zuil aan. De tweede november vulde ik die met springstof. De derde november had ik de twee klokken ingepakt en wou ik ze naar de zuil brengen, maar op die avond was de ingang die ik altijd gebruikte gesloten. Ik bleef dus maar de hele nacht in de tuin van de Bürgerbräukeller onder een afdak waaronder ook biervaten waren opgestapeld. De volgende nacht, het was een zaterdag, vond ik de Bürgerbräukeller een dansavond plaats. Ik kocht een toegangskaartje, ging de zaal in en trok recht naar de galerij waar ik de klokken in de bergplaats verstopte, vlakbij het muziekpodium en vandaar bekeek ik de dansers. Na afloop trok ik mij weer in mijn schuilplaats terug en wachtte ik een half uur tot er zeker niemand nog in de zaal was. Toen ik echter de klokken in de zuil wilde inbouwen stelde ik vast dat de ruimte daarvoor te smal was. Ik heb mijn klokken maar weer ingepakt en gewacht tot het morgen werd. Thuis heb ik de klokken dan afgerond en geveild. Op zondag 5 november terug naar de Bürgerbräukeller waar weer gedanst werd. ’s Nachts plaatste ik de klokken die deze keer pasten. Tot slot moest ik de klokken die bij het transport waren blijven staan weer op gang brengen en juist afstellen. Op 6 november was ik daarmee klaar, ’s morgens om zes uur.



Mijn man en ik hebben Georg gevraagd wat hij eigenlijk van zin was. Hij zei alleen dat hij vlug weg moest zijn. Waarschijnlijk naar Zwitserland. Toen we het hem vroegen waarom, heeft hij alleen maar gezegd:"Ik moet." Dan heeft hij nog gezegd: er is niets aan te doen.

Van het station ben ik regelrecht naar de Bürgerbräukeller gegaan. Ik heb ’s nachts alleen alles nog eens gecontroleerd. De klok werkte. De volgende morgen kocht ik een reiskaartje derde klas naar Friedrichshafen. Ik kon niet langer in Duitsland blijven. Ik wou in Zwitserland zijn voor mijn klokken het ontstekingsmechanisme in gang zouden zetten. Zwitserland. Ik kende de. grensovergangen naar Zwitserland sinds ik in Konstanz had gewerkt. Ik bereikte Konstanz met de stoomboot. Het was acht uur.


Toen Hitler zijn redevoering begon stond ik met een paar collega's buiten aan het toilet een sigaret te roken. We bleven staan ook toen het Deutschlandlied werd gezongen. Pas toen we hoorden dat er stoelen werden verschoven zijn we weer in de zaal gegaan. Vroeger ging Hitler na zijn redevoering naar boven, naar de kleine zaal waar er veel van zijn oud-strijders zaten -ongeveer vijfhonderd- die hadden zijn redevoering alleen via de luidsprekers gehoord en ze hadden hem dus niet direct kunnen zien. De 8ste november 1939 trok Hitler echter niet meer naar boven. Hij verliet direct na de redevoering die veel korter was dan anders de grote zaal door de hoofdingang. Hij had haast, zeiden ze later. Hij moest zo vlug mogelijk met de trein naar Berlijn en dat hij eigenlijk niet naar München had willen komen deze keer omdat de generaals moeite hadden met de aanvalstermijn in het Westen. Daarom was hij ook vroeger met zijn toespraak begonnen en had hij zo snel gesproken. Toen hij met zijn staf weg was, wilde ik net de tafel afruimen, vlak voor Hitler zijn zuil. Toen ik tien kruiken wilde meenemen was er een luchtverplaatsing die mij naar de uitgang smeet. Stenen vlogen boven mijn hoofd, overal puin en een stofwolk liet mij bijna stikken. Achter mij was het hele plafond ingestort. Acht doden waren er en meer dan zestig gewonden.

Dat heb ik niet gewild- dat heb ik niet gewild!

Het was ongeveer 20.45u.  We zaten voor het open raam van het Wassenberghuis toen we de man zagen.  Mijn collega sprong recht en riep naar de man.  Die deed nog een paar stappen van de perelaar tot aan de appelboom en dan bleef hij staan.  Mijn collega vroeg wat hij hier te zoeken had.  De man zei dat hij verdwaald was. 

Ik werd door een ambtenaar die mij eerst alles afnam wat ik bij had naar een dienstvertrek gebracht. Daar werd ik gearresteerd.

In de zakken van de gearresteerde werd het volgende gevonden:  1 nijptang, 1 harde worst, enkele muntstukken, enkele stukjes metaal, spiraalveertjes, bouten en schroeven en ook een onbeschreven prentkaart van de zaal van Bürgerbräukeller in München.

Wat ik toen heb gedaan weet ik niet meer

Hij zat in het midden van de kamer op een stoel.  Ik zou hem nauwelijks herkend hebben.  Zijn gezicht was gezwollen en bont en blauw geslagen.  Ook zijn voeten waren gezwollen en ik denk dat hij daarom op een stoel zat.  Hij kon bijna niet meer staan. Een ambtenaar ging achter hem staan en gaf hem voortdurend een stomp in zijn nek of in zijn rug om hem te doen spreken.  Ik ben ervan overtuigd dat hij alleen gesproken heeft omdat hij bang was voor slagen.

Ik wou de leiding raken maar dat is mij niet gelukt.

Reeds drie dagen na de aankomst van Elser in het kamp van Dachau bezorgden wij hem een cel die eigenlijk tot een kleine schrijnwerkerij werd omgetoverd.  Dat moest zo van hogerhand.  Er werd gezegd dat Elser na de 'Endsieg" als kroongetuige zou moeten optreden in een monsterproces tegen de Engelsen.  Men wilde niet geloven dat hij de aanslag alleen had gepleegd; ze wilden hoe dan ook de aanslag in de schoenen van de Britse geheime dienst schuiven.  Tot dan moest Elser goed geconserveerd worden.  Twee dagen na zijn aankomst kreeg hij de cither die hij reeds in Sachsenhausen had gemaakt.  Hij bleef de hele dag in zijn cel, sneed figuren maakte poppenkamers voor de kinderen van de bewakers.  's Avonds speelde hij altijd cither.  Huiveringwekkend was het als hij speelde.  Liederen uit Wenen.  " Irgendwo, auf der Welt, gibt's ein kleines bisschen Glück. Ein bisschen Seligkeit."

Ik moet u toch eens iets vragen, meneer Lechner. U zult het zeker weten. Wat is er nu eigenlijk beter: het vergassen, ophangen of een nekschot?

Op een dag toen ik weer dienst had en mijn rondgang deed kwam er een bode aangelopen.  Elser moet verhoord worden, en hij knipoogde.  Ik wist het direct.  Dat is het einde.
Berlijn 5 april 1945.  Een schrijven van de Gestapo aan de commandant van het concentratiekamp Dachau.  Betreft onze begunstigde gedetineerde Georg Elser.  Bij de volgende terreuracties in de omgeving van Dachau is Elser blijkbaar dodelijk verongelukt.  Ik verzoek u Elser op een zeer onopvallende wijze te liquideren.
Ik opende de cel van Elser en ik zei:  mijnheer Elser, u moet verhoord worden.  Hij draaide zich om en vroeg heel onschuldig:  moet ik iets meenemen meneer Lechner?  Ik zei hem:  U hoeft niets mee te nemen, u bent dadelijk weer terug.  Ja, zei hij, dat is goed.  Zo ging hij weg.  Hij nam geen afscheid van mij en ik ook niet van hem want dat zou hem direct opgevallen zijn.

Elser werd langs de elektrisch geladen omheining weggeleid, voorbij de poort van het kamp; hij stak de kampplaats over. Dan kwam er een stenen muur, daarin een kleine ijzeren deur, daarachter bevond zich een crematorium, een heel onopvallende bouw. Als je de ijzeren deur opende kwam je in een kleine bureau, een soort ontvangstkamer zodat de gevangene het gevoel had dat hij voor een verhoor kwam. Hier zat de onderofficier die tegen de gevangene zei: ‘Komt u mee.” En hij leidde hem dan naar een executieruimte. Iedereen die bij ons geëxecuteerd werd, moest zich uitkleden. ‘U moet eerst een bad nemen want u wordt naar een ander kamp gebracht,’ was de uitleg. Als de gevangene dan naakt was en onder de douche ging staan werd hij -zonder het te vermoeden- neergeschoten. Nekschot. Elser zal op deze manier zijn omgebracht.

Georg Johan Elser stierf op 9 april 1945. Twintig dagen voor de bevrijding van Dachau door de Amerikanen.

Georg Johan Elser
Deze tekst is gebaseerd op de Radio-drama productie van Sender Freies Berlin 'Ein Deutsches Schicksal' geschreven door Valerie Stiegele.  Marc Colpaert maakte de vertaling van de oorspronkelijke brochure.

Bezoek:

https://www.georg-elser.de/georg-elser/georg-elser-lebensdaten



Befehl zur Ermordung Georg Elsers, Schreiben des Chefs der Geheimen Staatspolizei Heinrich Müller an den Kommandanten des Konzentrationslagers Dachau, Berlin, 5. April 1945.

Georg Elser wird am 9. April 1945 erschossen. Am selben Tag werden im KZ Flossenbürg Dietrich Bonhoeffer, Wilhelm Canaris, Karl Sack und andere Widerstandskämpfer sowie im KZ Sachsenhausen Hans von Dohnanyi ermordet. Die NS-Führung will nicht, dass ihre schärfsten Gegner überleben und die Zukunft mitgestalten können. Georg Elser wird erschossen, weil er als erster dem Ziel, Hitler zu töten, denkbar nahe gekommen ist.

Quelle: Institut für Zeitgeschichte, München, ZS/A-17/5

Ontsloten en genoten(2) Isaac Israëls(1895-1934)

“Etalage”( oliefverf op doek Rijksmuseum A’dam ‘1894’)
‘Ezeltje rijden op het strand’


Isaac Israëls is een meester in het schilderen van alledaagse taferelen. Kenmerkend voor zijn impressionistische stijl is het gebruik van intense kleuren en losse schildertoetsen. Het palet van Israëls is licht en fris. Isaac Israëls is er veel aangelegen om niet mee te liften op het succes van zijn vader, de beroemde Haagse school-schilder Jozef Israëls. Hij wil juist zijn eigen stijl ontwikkelen. Israëls is reislustig, woont enige jaren in Parijs, Nederlands-Indië en Londen. In 1923 keert hij terug naar Nederland, om te gaan werken in het mooie Haagse atelier van zijn vader. Zijn nieuwe woonplaats geeft zijn werk een enorme boost. Het Den Haag van die tijd groeit en bloeit als nooit tevoren en Scheveningen is een mondaine badplaats, bij uitstek een plek waar kunstenaars graag komen.

Ook Isaac Israëls vertoeft vaak op het strand om er en plein air te werken. Regelmatig schildert hij er, zelfs in gezelschap van zijn vader. Israëls heeft talloze strand-scènes geschilderd, van deftige, flanerende dames op de Boulevard tot vrolijke kinderen die op een ezeltje rijden op het strand, zoals dit aandoenlijke schilderij hierboven van drie meisjes op ezels. De voorstelling oogt als een fotografische snapshot. Met veel gevoel voor beweging weet Israëls de kinderen, ezeltje rijdend bij de branding, vast te leggen.

(Mark Smit Kunsthandel)

Een van de vroegste verwijzingen naar de impressionistische tentoonstellingen was van Marcellus Emants, Nederlandse literator en criticus die in de jaren 1870 af en toe tentoonstellingen recenseerde. Wanneer hij de nieuwe artistieke benaderingen van de Haagse School besprak, was hij gematigd liberaal, maar wanneer het op het impressionisme aankwam, overheerste zijn conservatieve houding. Emants schreef over de tweede tentoonstelling (1876), en hij was verre van enthousiast. “Ik zou het moeilijk vinden om een naam te geven aan wat ik daar zag hangen. De meeste dingen zijn zeker geen schilderijen, tenzij je een paar klodders kleur een schilderij wilt noemen. En het zijn zeker geen tekeningen, want het is nog moeilijker om er een goede lijn in te ontdekken dan in de geulen die kinderen in het zand op een Nederlands strand graven nadat de golven eroverheen zijn gespoeld […]”

De criticus vergeleek Caillebotte’s Déjeuner (afbeelding hieronder) met ‘Chinese’ perspectiefprincipes’, een interessante – zij het verkeerde – vergelijking. We mogen aannemen dat hij eigenlijk doelde op Japanse prenten, die zoals bekend een grote invloed hadden op de impressionisten.”

(Benno Tempel)

Le déjeuner (1876) Gustave Caillebotte

Je zou vader Jozef Israëls nog kunnen thuisbrengen in ‘De Haagse School’, zoon Isaac werd de ‘leading figure’ van de Amsterdamse Impressionisten zodat eerder naar hem dan naar zijn vader werd verwezen, een vaststelling die Tachtiger, literator en later beste vriend van de schilder, Frans Erens in 1900 verwoordde in ‘Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, jaargang 10‘, hier in de oorspronkelijke versie afgedrukt:

“Een groote zoon van een groot vader is een zeldzaam verschijnsel in de historie en vooral in de kunsthistorie. De zoon van Racine was een in Duitschland die zich beklaagde, dat hij nooit bij zijn naam werd genoemd: het was de zoon van den wijsgeer Mendelsohn, die tegelijkertijd de vader van den componist was. In zijn jeugd werd hij de zoon en op zijn ouden dag werd hij de vader van Mendelsohn geheeten.
Sinds jaren heet de schilder Isaac Israels niet meer de zoon, maar wordt niet meer zijn vader genoemd, zelfs dikwijls niet meer aan den vader gedacht. Dit is een goed teeken zoowel voor den vader als den zoon.”

Twee vrouwen, Catherinettes, Parijs (ca. 1905)

“Weldra wist men dat men bij den jongen schilder met een soort wonderkind had te doen, die niet alleen kleur en lijn wist te besturen, maar een intelligent kenner was van de meeste europeesche litteraturen, iemand die op zestien jaar Dante en Leopardi had gelezen in het Italiaansch, en uit Cervantes heele volzinnen van buiten kende, die Russisch kon verstaan en Horatius in het latijn opdreunen.
Zijn bibliotheek bestond uit de meest geraffineerde werken van dichters en prozaschrijvers. Het waren geen verzorgde mooie bandjes, alhoewel er keurige edities bij waren, maar zij vlogen door zijn atelier op goed geluk of soms verschroeid door begin van brand, of dienend als hoofdkussen voor het moede hoofd van een model uit de achterbuurten of als onderstel voor een bord met een warm gebakken biefstuk. Eenmaal gelezen verdwenen de boeken onnaspeurlijk langzamerhand het een na het ander.”

(F. Erens ibidem)

Café-chantant in the Nes, Amsterdam 91.5 x 106.5 cm – oil on canvas – c. 1893 – Kröller-Müller Museum, Otterlo

De Nes, een smalle straat in Amsterdam die parallel liep aan een hoofdstraat, was in Israëls tijd de thuisbasis van het variététheater; entertainment voor de middenklasse. In de verschillende cafés traden chantant dansers, zangers en andere variétéartiesten op terwijl de patroons rookten, dronken en genoten van het buffet. In dit kleurrijke schilderij vestigt Israëls de aandacht op de artieste; zij is zeer zeker een zangeres en hoogstwaarschijnlijk een danseres. Ik vraag me af wat de groep vrouwen die om haar heen zitten eigenlijk van haar presentatie vinden. Ze treedt vol zelfvertrouwen op, maar zonder uitzondering zitten de omringende vrouwen onderuitgezakt, zien er lusteloos uit, ook al geven hun felgekleurde jurken normaal gesproken een vrolijk effect. Sommige leden van het publiek zijn, zoals je gemerkt zult hebben, ook afgeleid.

Dit café-chantant heeft geïnvesteerd in elektrische verlichting. Door de gloeilampen in de achtergrondspiegel te laten reflecteren heeft Israëls een opvallend schouwspel gecomponeerd. De bovenste helft van het schilderij, met de stralende lampjes en de al even stralende jurken, gloeit. Israëls 'schilderde rechtstreeks vanuit de natuur'; hij bezocht regelmatig dit soort etablissementen. Het is meer dan waarschijnlijk dat Israëls bij deze voorstelling aanwezig was en hoogstwaarschijnlijk direct achter de man zat, met zijn rug naar ons toe. Vanuit die positie kon Israëls het toneel schetsen.

(Yvonne Beurnkes, 2021. Art & Dance)
Zicht op het Muntplein Amsterdam

“De weg afgelegd tusschen zijn werk van ’83 en het huidige is een groote vooruitgang ook. Want waren zijne menschen toen nog ietwat stijf in hun bewegingen, het coloriet nog ietwat droog, nu is dit anders geworden. Schittering en Beweging zijn de qualiteiten van zijn werk en al is hij in het schilderen van het menschelijk naakt de mindere van Breitner, in het weergeven van den Amsterdamschen stratenstroom is hij onovertroffen. Vooral is hij, de kernige stoere zetter der pootige lijnen, in het weergeven van dansende paren. Dat vliegen der breede gecrinolineerde rokken is als een wervelwind die u aanblaast uit zijne doeken en teekeningen, uit de losse bladen zijner schetsboeken. Wanneer men het voorrecht heeft hem aan het werk te zien kan men gadeslaan hoe hij telkens prikt als met een dolk tegen het doek stooten als van plotseling korte inspiratie direct geexcuteerd, onderbroken door wachten en zinnen, telkens een serie tremolos van kleur gebroddeld op het geduldig doek, toch ziet men vastheid en zekerheid in de bewegingen van hand en arm.”

(Frans Erens Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, jaargang 10′ 1900)

In ‘Vervlogen Jaren’ vertelt dezelfde Frans Erens in 1938 over de intussen overleden ‘Isaäc Israels’. Hun zoektochten naar een goed en rustig onderkomen, hun schaakmomenten waarin de schilder hem steeds weer de baas was.

'En toen gebeurde er iets, dat bij het schaakspelen niet dikwijls voorkomt, geloof ik, want zooals ik zeide, ik heb er weinig ondervinding van. Na bijna een uur te hebben gespeeld, was er van beide zijden geen enkel stuk gevallen, zelfs geen pion. De stukken waren hier en daar vermetel binnengedrongen in het vijandelijke kamp. Zwijgend zat Isaäc toe te zien. Opeens stond ik mat. De koning was gevangen, kon niet verder. Geen enkel onderdaan had hij verloren, geen enkel onderdaan kon hem ter hulp komen. Ook de zegevierende vijand had geen soldaat op het slagveld gelaten. In stilte zaten wij verbaasd. Een fijne glimlach verscheen het eerst om den guitigen mond van den overwinnaar en ik, als overwonnene, bracht hulde aan zijn veldheerstalent.' 

(BNL Vervlogen jaren Frans Erens)
De Schaakspelers. Isaac Israel.
"Hij had niet het air van te observeeren; zijn blik was zacht en leek onverschillig. Wanneer hij iets had gezien, kon men op zijn gezicht nauwelijks waarnemen, dat het hem aandeed. Hij scheen te staan in den geest boven alles uit, breed omvattend en in zich opnemend wat hem omringde. Hij bezat die gelukkige goedmoedigheid, welke hem tegen alles wapende en waarop alle tegenstand afstuitte. Die goedmoedigheid is het ook geweest, die hem een zoo hoogen ouderdom heeft doen bereiken.

Zooals hij verhalen maakte van zijn schilderijen, kon hij een verhaal vertellen in een reeks achter elkaar voortrollende tafereelen. Zoo heeft hij mij eens het geheele boek Esther verhaald. Het duurde lang, maar verveelde mij niet, hoewel ik den inhoud ervan zoo goed kende als hijzelf; zijn vertelling boeide mij van het begin tot het einde." ibidem)

bron:

https://www.dbnl.org/tekst/eren003verv01_01/eren003verv01_01_0030.php

Portret van Frans Eerens, beste vriend van schilder Isaac Israël

‘Met zijn vader en zijn vriend, de schrijver Frans Erens, maakte Isaac een reis door Spanje en Noord-Afrika. Jozef Israëls was er niet erg gelukkig. Velasquez stelde hem teleur (‘is niet beter dan Rembrandt’), maar Isaac vond zijn schilderslust definitief terug. Hij was het jaar daarvoor al weer gaan werken, getuige bijvoorbeeld het prachtige ‘De hoedenwinkel van Mars bij avond’. In Amsterdam werd een aantal van zijn werken tentoongesteld en dat bleef niet onopgemerkt.

(De schaduw van de vader, Froukje Holtrop. De Groene Amsterdammer 19 december 2008)

De Hoedenwinkel van Mars bij avond

Toen hij twintig was, in 1885, maakte Isaac zich los van zijn vader. Met George Breitner verruilde hij het Haagse voor Amsterdam. Ze meldden zich bij de Rijksacademie, waar ze na een jaar werden weggestuurd. De directeur, August Allebé, beschouwde hen als volleerd. Isaac verzeilde vervolgens in de kringen van de Tachtigers. Hij ging op in het uitgaansleven en schetste en krabbelde in cafés. Verder produceerde hij niets. In feite verdween hij een aantal jaar uit het kunstleven.
Zijn moeder maakte zich daarover ernstige zorgen. Ze vroeg Frederik van Eeden, schrijver, en psycholoog, om een oordeel over haar zoon. Van Eeden zag duidelijk dat hier iemand zijn beroemde vader en zijn dominante moeder wilde ontvluchten. Hij antwoordde: ‘Hij gaat, zoals hij altijd gedaan heeft, stilletjes zijn eigen gang. Hij wil juist onder niemands invloed staan en ik verzeker u, al is hij op het ogenblik een beetje de kluts kwijt – maak u niet bezorgd, bij iemand als Isaac komt dat snel genoeg terecht. Dacht u dat een kranig artiest als uw zoon onder zou gaan als hij in zijn jeugd een tijdje moet tobben en zoeken?’ (ibidem als hierboven)

Liggend naakt (Sjaantje van Ingen)


In 2009 werd Israëls' Liggend naakt verkozen tot het mooiste naaktschilderij van Nederland. Het schilderij kreeg de meeste stemmen in de verkiezing georganiseerd door Oog, het tijdschrift van het Rijksmuseum Amsterdam. Het publiek kon kiezen uit 69 schilderijen van Nederlandse schilders die door een redactie waren geselecteerd, variërend van Rembrandt tot Appel. Ruim tienduizend mensen brachten hun stem uit, 1113 stemmen werden uitgebracht op Liggend naakt.

Israëls schilderde in zijn schildersloopbaan een hele reeks volwaardige en realistische naakten. Als model gebruikte hij vaak jonge vrouwen uit de Amsterdamse volksbuurten. De vrouw op dit schilderij heet dan ook gewoon Sjaantje van Ingen. Zij was een model dat voor meerdere Amsterdamse schilders poseerde. Over haar leven is verder weinig bekend. Israëls heeft haar eind jaren 1890 meerdere malen afgebeeld, soms in nagenoeg identieke poses als op het hier besproken schilderij

(Wikipedia)

Isaac Israels. Naakt olieverf op doek

Dicht bij de tijd waarin hij schilderde ben ik gebleven, dicht bij de mensen die hij kende en waardeerde. Bio’s zijn er in ruime mate aanwezig, maar de tijdsdocumenten, de mensen die hem hebben gekend vermenselijken het beeld. Je bekijkt zijn werk vanuit die tijd, vanuit de mensen die hem lief waren. Het gaat dus niet om volledigheid, -Breitner ontbreekt bv-, maar om stemmen uit de voltooid verleden tijd die ons dichter bij zijn werkelijkheid brengen dan abstracties vanuit de hedendaagse kunstterminologie. Een mooie verzameling van zijn werk kun je hier in alle rust op groot scherm bekijken.

Isaac Israëls. Zelfportret

Ontsloten en genoten (1) Luc Devoldere



Heimwee naar huis,
vreemd genoeg
het gevoel dat deze maanden
ontkennend en negerend, -dat wel-,
door menig reiziger wordt weggedrukt
en het zuchten in de trant van
‘we-gingen-weer-eens-wat-doen!’
is bij vertrekkenden ingebouwd.

Wij zijn de thuiswacht.
Wij slaan boeken en tijdschriften open
en strooien volgaarne troost
bij regen- en stormweer.

Ook de geest
verlangt naar verten,
de sleur voorbij.
En wat zingt de merel
nog even zalig in de tuin
net voor de grote rui.
Merelgezang 1′ 52″

In deze bijdrage teksten uit het prachtige boek van Luc Devoldere ‘Lucifers bij de brand Notities‘ Uitgeverij Atlas-A’dam Antwerpen. 2009

“Er zijn twee soorten steden: de stad waar men woont, en alle andere. In alle andere kijkt men in de straten op naar de verlichte ramen en beeldt men zich in hoe daar onder de lampen wordt geleefd, en hoe het zou zijn als men er zelf leefde. In de stad waar men woont, verplaatst men zich. Men heeft er al een plek, dus kan men er niet dromen. Tenzij van de andere steden. Soms zeg ik wel eens tegen mijn vrouw als de kinderen het huis uit zijn, gaan we in de grote stad wonen. Alsof ik de kinderen echt het huis uit wil. Alsof ik er echt ooit zal terechtkomen. Ik heb de stad waar ik zou willen wonen nodig. Ik houd 
niet-geverfde kamers aan, niet- afgewerkte ruimtes om mij zelf ervan te overtuigen dat ik er toch niet blijf, dat ik ‘voorlopig’ woon. Ik woon er omdat ik nu eenmaal ergens moet wonen.
 Misschien wil ik gewoon in de tot staan gekomen beweging die een huis is, de tent blijven vasthouden; iets behouden van het atavistisch geloof dat men elk moment kan opbreken om een kudde of een windrichting te volgen.” (Pagina 11)

Sasha Drutskoy.

Perceptie


Esse est percipi was ooit de kreet van het Idealisme: zijn is waargenomen worden. Tot Nietzsche kwam. Wie had ooit gedacht dat zijn ontdekking dat alles perceptie is, waarneming, interpretatie vanuit één punt, en dat interpretatie dus een machtsgreep is, zou leiden tot de terreur die vandaag het gedrag van iedereen in de openbare ruimte conditioneert: het komt niet meer op de werkelijkheid aan van wat men is, denkt, maar op het beeld dat ervan verschijnt in de openbaarheid. ]e zou er opnieuw heimwee naar de werkelijkheid van gaan krijgen.

(‘Lucifers bij de brand’, Luc Devoldere Uitgeverij Atlas-A’dam Antwerpen. 2009, p.20)

“Het fenomeen is bekend: hoe ouder men wordt, hoe meer
 jeugdherinneringen er opduiken. De slang rekt zich uit en bijt zich in zijn staart. Ik heb vandaag veel aan de tijd gedacht toen ik nog geen twintig was, maar dat was omdat ik C. in de trein heb gezien, de naam en foto van G. in een tijdschrift, R. in de universiteitsbibliotheek (waar zij nog altijd werkt) en omdat L. mij een prospectus heeft gestuurd met haar schilderijen. Zij wordt vandaag tweeënvijftig. Het was zesendertig jaar geleden dat wij aarzelend en schichtig elkaars lippen zochten, speeksel
 uitwisselden, elkaar proefden. Het was voor ons beiden de eerste keer, en daarom blijft het onvergetelijk.”

(Luc Devoldere. ‘Lucifers bij de brand’. p 144)

The Dinner Horn by Winslow Homer. 1870

“Wij leven in een wereld van gekakel, die te weinig schrik heeft van woorden, en te veel het woord ‘waarden’ van stal haalt. ]e zou er heimwee van gaan krijgen naar het scheermes van Ockham of naar Wittgenstein. Maar het is niet anders.
 We trachten overeind te blijven in leeuwenkuilen. Het kiezende volk is een schip vol zeezieke passagiers. De redenaars van gisteren, nu en altijd, zijn voedsters die voor het kind dat ze verzorgen hapjes voorkauwen, maar de hapjes doorslikken en dan de zuigeling… speeksel om de mond smeren. Dit zijn metaforen van Demosthenes.
 Wij waden met ons allen door de brij van kreten en rouwregisters. We verzuipen in een oceaan van meningen, maar meningen zijn nog geen ideeën.”

(Luc Devoldere. ‘Lucifers bij de brand’. p 157)

Tingletangle by Edvard Munch, 1895 – Postcard


Dit is een atypisch, verbrokkeld boek. Een essay in scherven, waarin genres en stijlen worden uitgeprobeerd. Het wordt alleen bijeengehouden door de man die het schrijft. Beschouw het als een werkplaats, als een verzameling aantekeningen, aanzetten, anekdotes en bedenkingen; als parerga kai paralipomena: bijzaken, accessoires, alles wat men aan de kant laat liggen. Zwerfhout. Achtergelaten bagage langs de wegen als men op de vlucht is voor de vijand. Alles moest erin kunnen en mogen. Het was de bedoeling een beeld op te hangen van wat de auteur beweegt en treft. De fragmenten zouden het geheel vervangen. Het wil geen dagboek zijn, maar een commentaar. Op het leven, de dingen en de boeken. Ook op de waan van de dag. De auteur wilde op een afstand gaan staan van die waan, en dan zijn lucifertje afstrijken bij de brand.

Luc Devoldere (Kortrijk, 1956) studeerde oude talen en wijsbegeerte en was lange tijd werkzaam als leraar. Sinds 2002 is hij hoofdredacteur van de culturele instelling Ons Erfdeel vzw. Hij publiceerde eerder onder meer De verloren weg Van Canterbury naar Rome en Mijn Italië.

(Hebban voor lezers door lezers)
the James Ensor Exhibition at the Salon des Cent in Paris), 1898

“Niets zo mooi als een jongen die zich zijn adolescentie bij elkaar aarzelt, een houding aanneemt, bewegingen uitprobeert, mompelend een taal zoekt, proeft op lippen, zijn te lage, lome en gestaalde lichaam afzet tegen spiegels, om het binnen afzienbare tijd te gaan inzetten op de vrije markt van andere lichamen.
 Niets zo hartverscheurend als een zoon.”

(Luc Devoldere. ‘Lucifers bij de brand’. p.210)

Dick Ket Zelfportret

Fragment uit kleine verhandeling over retorica

Wie de teloorgang van de klassieke welsprekendheid heeft betreurd, moet weten dat ze ook tot Goebbels heeft geleid. Met overdrijving zou je kunnen zeggen dat de klassieke retorica die dag in februari 1943 in het Berlijnse sportpaleis is gestorven. Met minder overdrijving: zich voor altijd heeft gecompromitteerd.
Hoe moet het met de retorica na Goebbels nu verder? We weten sinds Nietzsche dat we in een universum leven waarin alles en iedereen zijn macht wil uitbreiden. Nietzsche haalde die intuïtie overigens al bij (weer dezelfde) Gorgias, die in de vijfde eeuw voor Christus al goed had gezien dat we in
 een retorisch universum leven, waar iedereen iedereen wil overtuigen, verleiden, bezweren. We zitten gevangen in de netten van de taal, en we kunnen niet buiten de taal gaan staan: er is geen hors-langage (R. Barthes). Er lijkt geen ontsnappen aan de macht en het geweld van het woord. Zodra taal wordt geuit, zelfs in de diepste intimiteit van het ik, treedt ze in dienst van
 een macht, stelde dezelfde Barthes in zijn inaugurale rede voor het College de France in I977 vast: ‘Des qu’elle est proferée, fût-ce dans l’intimité la plus profonde du sujet, la langue entre au service d’un pouvoir.’


Zolang dat in een open samenleving gebeurt, valt daarmee te leven: op de verschillende fora, de publieke plaatsen (van parlement tot opiniepagina, van televisiestudio tot internet) bouwen wij aan ‘waarheden’ die tot stand komen in overleg en discussie. Zolang we spreken, vechten we niet. We bek-vechten wel, maar er vallen geen doden. Zolang we met dezelfde wapens aan de start verschijnen, is er hoop dat de confrontatie fair verloopt. Maar dan moet men wel met de wapens leren omgaan. Een echte debatcultuur veronderstelt mondigheid: niet alleen het vermogen zijn mond te openen, maar vooral het vermogen iets zinnigs te zeggen.

(fragment ui:t Kleine verhandeling over retorica. p. 158)

De twee laatste fragmenten uit het boek ‘Lucifers bij de brand’ van Luc Devoldere wil ik je niet onthouden.

“Cesare Pavese schreef op 5 november 1941 – het Afrikakorps van Rommel en drie Italiaanse divisies waren op dat ogenblik bij El Alamein net door Montgommery verslagen- in zijn dagboek deze verschrikkelijke zinnen die je één keer per dag zou moeten prevelen: “Voor de Romantiek bestond de intellectueel niet, omdat er geen tegenstelling bestond tussen leven en kennis. (Dit verband heb je al eens geconstateerd.) Wanneer iemand zich op een gegeven ogenblik ervan bewust wordt dat het leven belangrijker is dan de gedachte, dan betekent dat dat hij een literator is, een intellectueel: het betekent dat zijn eigen gedachtenwereld niet tot leven is gekomen.”

en tenslotte de laatste bijdrage uit het boek:

“Maar elke zin, elk boek is ook een bewijs van iets wat men aan het leven ontstolen heeft. Het gestolen leven. Dat men aan het leven zelf teruggeeft.”

Luc Devoldere ‘Lucifers bij de brand’ Notities.

The Garden of Earthly Delights (detail 5) By Hieronymus Bosch, c.1500 –

Waar leg je de tijd?

Foto door Alena Darmel op Pexels.com

Luxe van een leeg rek waar, lang geleden, een foto stond van iemand die voor niemand nog iemand was: moeilijk te zeggen, jongen of meisje, meneer of mevrouw, een foto met kijken. Aankijken. En tegelijkertijd je blinddoeken terwijl je dat intense Andante Maestoso tot in je vingertoppen kon reconstrueren. (nu met YouTube onmiddellijk uit de vergetelheid te halen.)

‘Waar leg je de tijd?’ Wakker gemaakt door een verdwenen foto, hoorbaar zelfs en toch onbereikbaar. Samen te zijn zoals we toen waren?


Luxury of an empty shelf where, long ago, there was a picture of someone who was not yet someone to anyone: hard to say, boy or girl, Mr or Mrs, a picture with looking. Looking at. And simultaneously blindfolding you while you could reconstruct that intense Andante Maestoso to your fingertips. (Now with YouTube instantly retrievable from oblivion.)

‘Where do you put the time?’ Awakened by a vanished picture, audible even and yet unattainable. To be together as we were then?
Double Virginal
Lodewijck Grouwels Flemish, active The Netherlands 1600

‘Elk lichaam is een verzamelaar van tijd. Het telt de tijd met verschillende klokken en verwerkt de loop van al die tijden door het hele systeem. De lichamelijke tijd tikt niet overal en altijd hetzelfde. Het hart dat snel of langzaam klopt, de circulatie van het bloed, het ritme van het in- en uitademen, cellen die groeien en afsterven, het knipperen van de ogen. En het geheugen verzamelt tijd in de vorm van herinneringen en beelden, vermaalt ze en vervormt ze, en slaat fragmenten op
 in spiegelzalen en magazijnen tot ze in toevallige constructies in het heden opduiken.
Volgens de alwetende verteller in Virginia Woolfs roman Orlando functioneert de herinnering ‘als verstelnaaister en dan nog een zeer nukkige bovendien. De Herinnering hanteert de naald, stikt op en neer, heen en weer, van achteren
naar voren en van voren naar achteren. […] Zo kan de simpelste beweging die men maar bedenken kan, zoals het gaan zitten aan een tafel en het naar zich toe trekken van een inktpot, duizend vreemde, onsamenhangende fragmenten in be-
weging brengen […]. In plaats van een eenvoudig, eerlijk, gaaf stuk werk te leveren, waarvoor geen mens zich hoeft te schamen, is alles wat wij doen, zelfs het gewoonste, omgeven door het geklapwiek en en gefladder van vleugels, het glanzen en het doven van het licht.”

“De alchemie van de tijd”, Greet Van Thienen p 31-32 (Letterwerk, Borgerhout 2024)

Greet Van Thienen vraagt zich af hoe we vrijheid kunnen vinden in de snellende tijd. Wat is de alchemie van tijd en mens? Want hoewel tijd niet tastbaar is, drukt hij zich uit in alle levende wezens. Hoe werkt de tijd door ons heen? Wat kunnen wij ermee doen? Van Thienen onderneemt deze tijdreis samen met filosofen, schrijvers en wetenschappers die iets van het fenomeen tijd blootleggen. Denkers die aan bod komen zijn onder meer: Hannah Arendt, Simone Weil, Virginia Woolf, Einstein, Blaise Pascal, Jean-Paul Sartre en Byung-Chul Han. Zijn we tovenaarsleerlingen die, gebukt onder het vluchtige en snelle, toch het eeuwige blijven zoeken? 

Greet Van Thienen is auteur. In 2021 publiceerde ze ‘De stuntelende mens’, genomineerd voor de Socratesbeker en voor de Hypatiaprijs. Tot 2022 was ze radiomaker bij VRT Klara, waar ze reeksen en podcasts maakte over filosofen en schrijvers. (Letterwerk.be)
KLEINE MILDE KLAAGZANG

O, tuin bij regen
o, gulzige.
Wat kruipt en vliegt verbergt zich
onder oude varens.
Hoorbaar drinkt de grond.

O, duif bij regen,
o, onzichtbare.
Op weg naar huis, geringd, geroepen
vergeet ze haar beminde.
De katten wachten geduldig.

O, man achter het raam,
o, ouderling.
Duizend regenbuien uit het verleden,
een modderstroom verwoest de tuin
in zijn hoofd..
Geuren  hangen als kinderen in de takken.

Gmt
SMALL GENTLE LAMENT

O, garden by rain
O, greedy one.
What crawls and flies hides
Under old ferns.
Audibly drinks the ground.

O, dove by rain,
O, invisible one.
On her way home, ringed, called
she forgets her lover.
The cats wait patiently.

O, man behind the window,
oh, elder.
A thousand rains from the past,
a mudslide ravages the garden
in his mind.
Scents hang like children in the branches.

Gmt
Foto door Anthony ud83dude42 op Pexels.com

Meermaals hebben wij de Poolse dichter Adam Zagajewski belicht. Greet Van Thienen geeft hem ook een plaats in haar boek. Onder de titel ‘Tijdscapsules in zwart wit’ schrijft zij over de momentele conflicten in de wereld die voor de betrokkenen voor een zekere ’tijdloosheid’ zorgen.

“Het is niet dat ik door de tijd reis — naar het verleden of de toekomst — maar het verleden komt naar mij toe via de objecten. De draden die de punten verbinden, lichten op. Dis 1945 plotseling niet zo ver verwijderd van 2024 en is het vernietigde Berlijn verbonden met Kiev of Bachmoet van nu. Met de verschrikkingen in Israël en de ruïnes van Gaza. Zelfs met de ervaring van mijn moeder als tiener, die aan het begin van de oorlog op een kostschool moest blijven terwijl haar ouders, broers en zussen op de vlucht sloegen voor de Duitsers. Ze werd later op de fiets opgepikt door haar broer. Zij achterop en vermoedelijk een koffer met kleren en schoolboeken tussen hen in geklemd. De Poolse dichter Adam Zagajewski beschrijft in ‘Vluchtelingen’, een gedicht uit 1994, de tijdloosheid van vluchtende mensen, op zoek naar een onbekende bestemming — ‘naar het land van nergens, de stad van niemand’. Ze dragen rugzakken, bundels, praktische spullen en allerlei dingen die ‘thuis’ vertegenwoordigen. ‘Oude vrouwen met gerimpelde gezichten, die iets vasthouden — een zuigeling, een lamp — als herinnering — of een laatste homp brood.’ Waarom zou je een lamp meenemen? Omdat het een erfstuk is of een souvenir van een gelukkige reis. Omdat je hem nog snel van het dressoir kon grissen, en het licht van de lamp een thuis zal scheppen. Ooit, ergens, misschien. Omdat je wordt afgesneden van je verleden en het voorwerp toch enigszins dat verleden symboliseert.”

(Greet Van Thienen, De alchemie van de tijd, p.56-57)

Ramon van Flymen ANP-Foto
Probeer de verminkte wereld te bezingen.


Probeer de verminkte wereld te bezingen.
Denk weer aan de lange junidagen,

aan de rozijnen, de druppels van de rosé.

Aan de distels die de verlaten erven

van ontheemden stelselmatig overwoekerden.

Je moet de verminkte wereld bezingen.

Je hebt sierlijke zeiljachten en schepen gezien;

een ervan had een lange reis voor de boeg, 

een ander wachtte slechts het zoute niets.
Je hebt vluchtelingen gezien die nergens heen gingen, 

beulen gehoord die een lied van vreugde zongen.

Je moet de verminkte wereld bezingen.

Denk aan de momenten waarop jullie samen

in de witte kamer waren en de vitrage bewoog.

Keer terug naar dat concert, toen de muziek losbrak.

In de herfst verzamelde je eikels in het park

en de bladeren wervelden boven de littekens

van de aarde. Bezing de verminkte wereld

en het grijze veertje, dat een lijster heeft verloren,

en het zachte licht dat dwaalt en verdwijnt

en steeds terugkomt.

Try to praise the mutilated world’ , Adam Zagajewski.
 Vertaling Gerard Rasch, in Mystiek voor Beginners, Meulenhoff



Try to Praise the Mutilated World
By Adam Zagajewski
Translated by Clare Cavanagh

Try to praise the mutilated world.
Remember June's long days,
and wild strawberries, drops of rosé wine.
The nettles that methodically overgrow
the abandoned homesteads of exiles.

You must praise the mutilated world.
You watched the stylish yachts and ships;
one of them had a long trip ahead of it,
while salty oblivion awaited others.
You've seen the refugees going nowhere,
you've heard the executioners sing joyfully.
You should praise the mutilated world.

Remember the moments when we were together
in a white room and the curtain fluttered.
Return in thought to the concert where music flared.

You gathered acorns in the park in autumn
and leaves eddied over the earth's scars.
Praise the mutilated world
and the gray feather a thrush lost,
and the gentle light that strays and vanishes
and returns.
 

Leg hem in je handen
de tijd
schrijven kan hij:
uitzweten ook,
of de dagen aftellen
of, terwijl je kind
je ogen bedekt
zalig blind
'Ah, vous dirais-je maman'
voor haar (hem) spelen.
12 variaties.
Twaalf prachtige vindplaatsen
voor voorbije
momentele
en toekomende
tijd.


Put it in your hands
the time
he can write:
sweat it out too,
or counting down the days
or, while your child
covers your eyes
blissfully blind
'Ah, vous dirais-je maman'
playing for her. (him)
12 variations.
Twelve beautiful finds
for past
present
and future
time.

Met de Ziel(s)-genoten



Landschap met vader
 
Languit ben je de heuvels
 geworden hier, de bruine
 hellingen met stoppels van struiken,
 de gladgewaaide breuken
 in je voorhoofd van grijze steen.
 Een okeren dorp in je wang.
 De olijfgaard in je handpalm
 groeit over je vingers heen.
 
 Nu is het een warm seizoen
 boven je voeten. Pluizige
 wolken dragen koelte
 aan voor de avond. Koerend
 verbergen slaperige duiven
 zich in de rand van je haar.
 
 Als de regen komt deze winter
 gaat je oog langzaam open:
 een klare vijver in de droge
 kom van de zomer. Kinderen
 spelend voorovergebogen
 kijken in je binnen.
 
 Wat een verbaasd landschap. Vast
 had je zelf ook niet gedacht
 dat je zo stil was.

Willem van Toorn
Twee Toscaanse gedichten
Afgelopen vrijdag, 31 mei 2024,  is schrijver, dichter en vertaler Willem van Toorn overleden. Hij werd 88 jaar. Dat meldt zijn uitgeverij Querido. Van Toorn, in 1935 geboren in Amsterdam, schreef in totaal ruim veertig romans, verhalenbundels, dichtbundels en essays.

Van Toorn vertaalde ook poëzie van Franco Loi en Cesare Pavese, en proza van Klaus Mann, Franz Kafka, Stefan Zweig, Christopher Isherwood, John Updike en E.L. Doctorow. Zijn eigen werk werd onder meer in het Italiaans, Duits, Engels en Afrikaans vertaald. (De Standaard)
Foto door Vlado Paunovic op Pexels.com

Ook wat niet ademt of wortelt, de zgn. ‘levenloze’ dingen een ziel toekennen, een eigenschap die (sommige) kinderen nog hebben, het bezielen van je knuffel, een gesprek met een stoel, een voor ons onzichtbaar speelkameraadje. Keer even terug naar je kleine kindertijd, probeer je te herinneren.

Van het Latijn 'animus', dat 'geest', of 'ziel', of 'leven' kan betekenen. De term werd verzonnen door Edward Burnett Tylor in 'Primitive Culture', uitgegeven in 1871. Animisme is het idee of de overtuiging dat alles ziel heeft. Een animist gelooft zowel in het bestaan van goede als in die van kwade geesten; geesten, die onder meer in bomen, dieren en gebruiksvoorwerpen kunnen huizen.


Animisme is geen religie op zich, maar maakt deel uit van bijna alle religies ter wereld. Elke religie gebruikt zijn eigen ritueel om de zielen, of geesten, gunstig te stemmen zoals het brengen van offers, een rituele dans of strikte (gemeenschaps)regels. Vooral in het sjamanisme komt animisme sterk aan bod.

Een groot aantal mythologische figuren zijn gebaseerd op animisme, zijnde: het geloof in zielen. In de moderne wereld komt een milde vorm van animisme voor in de filmindustrie, of in sprookjes, waar voorwerpen of dieren tot leven komen.

Kleuters hebben vaak een animistische houding ten opzichte van de wereld om hen heen, vooral in het geïndustrialiseerde deel van de wereld. Voor een kleuter kunnen bomen praten, wonen kabouters in paddenstoelen en kunnen dingen menselijke eigenschappen bezitten. Vanaf ongeveer 6 jaar krijgen kinderen een meer algemeen aanvaard beeld van hun leefwereld. (Spiritualia.be)
Foto door Karolina Grabowska op Pexels.com

Animisme is, binnen de kunstgeschiedenis, een stroming in de Vlaamse schilderkunst van de 20e eeuw

De animisten in de Vlaamse schilderkunst vormden geen echte school. De min of meer willekeurige benaming werd gebruikt door Paul Haesaerts, waarmee deze de houding en de esthetiek van enkele los van elkaar staande kunstenaars omschreef, die werkten tussen de twee wereldoorlogen.

Het ging daarbij onder meer om Henri-Victor WolvensAlbert Van DyckJozef Vinck. Deze kunstschilders reageerden op wat zij als een buitensporige ontwikkeling van het expressionisme aanvoelden, waarbij zij in opvatting en vorm het ‘menselijk-gevoelige’ voorop stelden. Deze kunstenaars richtten zich meer op het introspectieve dan het expressionisme. Poëtische gevoeligheid speelde daarbij een rol. (Wikipedia)

Twee kinderen in een landschap Albert Van Dyck ca 1944 Museum voor Schone Kunsten Gent

Kijk ook:

https://vlaamsekunstcollectie.be/makers/albert-van-dyck

TEAPOT WITH PERSIMMON FRUIT

Those afternoons when the phases of silence
grow longer than the shadows in winter,
that’s when we turn to the idea of still-life.   
 
The room becomes image, and everything in it,
through the open doors the onlooker fades away.
Light moves over the furniture, floors, and rests
on the teapot, the persimmon fruit on the plate,
fixes their contours flawlessly like glue.
It is writing a book about superfluous things.
 
In times when there was nothing going on, the old
Japanese masters would paint only the inanimate:
teacups and folding screens. That was enough.

Durs Grünbein
Paul Gaugain La Théière et les Fruits 1896


THEEPOT MET KAKIKLEURIG FRUIT

Die middagen waarop de fasen van stilte
langer worden dan de schaduwen in de winter,
dan grijpen we naar het idee van het stilleven.

De kamer wordt beeld, en alles wat zich erin bevindt,
door de open deuren vervaagt de toeschouwer.
Licht beweegt over de meubels, vloeren en rust
op de theepot, het kaki fruit op het bord,
en fixeert hun contouren feilloos als lijm.
Het is het schrijven van een boek over overbodige dingen.

In tijden dat er niets aan de hand was, schilderden de oude
Japanse meesters alleen het levenloze:
theekopjes en kamerschermen. Dat was genoeg.

Dürs Grunbein
One of Gauguin’s most treasured possessions was a painting by Cézanne, Still Life with Fruit Dish (1879–80, now Museum of Modern Art, New York ), which he emulates in this picture. Within a similarly compressed space, Gauguin substituted mangoes for Cézanne’s apples and a Tahitian-style printed cloth for a French floral wallpaper design. One significant departure is the human figure at the upper right, glimpsed through a door or window. The year after he completed this work, Gauguin’s finances were so dire that he arranged for the sale of his prized Cézanne.

Een van Gauguins dierbaarste bezittingen was een schilderij van Cézanne, Stilleven met fruitschaal (1879-80, nu Museum of Modern Art, New York), dat hij in dit schilderij heeft nagebootst. Binnen een vergelijkbaar gecomprimeerde ruimte verving Gauguin de appels van Cézanne door mango's en een bedrukte doek in Tahitiaanse stijl door een Frans bloemetjesbehang. Een belangrijke afwijking is de menselijke figuur rechtsboven, gezien door een deur of raam. Het jaar na voltooiing van dit werk waren Gauguin's financiën zo slecht dat hij zijn kostbare Cézanne liet verkopen.
Paul Cézanne Nature Morte au Compotier (MOMA)

Zielsgenoten’ zie je hier samenvloeien, geheel toevallig: het gedicht van Willem van Toorn over zijn overleden vader waarin de verstilling een resultaat is van een versmelting: vader en landschap vormen een ‘verbaasd’ landschap waarin de stilte duidelijk een teken is van die versmelting.
Een andere stilte ontstond door een groepje schilders, voornamelijk uit de Kempen die zich van het expressionisme afkeerden en met een eenvoud van portretteren hun stilte, hun innigheid wilden realiseren, een eenvoud die uitloopt in het schilderij van Gaugain, op zijn beurt een verwijzing naar Cézannes werk met gelijkaardige inhoud.

Een stilleven hoeft zich dus niet te beperken tot een compositie van voorwerpen maar kan ook een landschap voorstellen waarin de concentratie van een nieuwe aanwezigheid duidelijk wordt. Het zichtbaar maken van een ‘animus’, (vrouwelijk; anima) een ziel, de meest directe ervaring van een totale aanwezigheid. (zonder ons in de psychiatrie en aanverwante werelden te storten, mijn beperktheid is groot.). Heel dichtbij kom je als je een klein kind kunt observeren in een gesprek of handeling met pop of knuffel. Het geloof in de aanwezigheid van een ziel, nodig overigens om de eigen ziel te ontdekken. Indien mogelijk: herinner je.

Eigen foto Gmt

Kijk naar de trailer van de video van Antje Van Wichelen ‘Lost and Found’



Animatie, hier de levenloze dingen een ‘animus’ (ziel) geven in zijn mooiste betekenis.

‘Dit is een heel concreet verhaaltje van handschoenen die verloren zijn en in de stad ronddwalen. Het is iets heel tactiels, dat je zo echt met die materies bezig bent, ook al doordat die handschoentjes met hun vingertopjes alle materialen beroeren. Door met die materies bezig te zijn, door het licht dat anders is, doordat  de passerende mensen en auto’s vervaagd zijn en we specifiek niet hebben gefocust op de lichtreclames, krijg je een andere blik op de stad. Terwijl het eigenlijk een heel concrete, reële blik op de stad is.’ (MO) Hieronder zie je hem helemaal: 9′. 34″



A cold winter night in Brussels. Behind a hole in a wall, a woman lies suffering from the cold. Her shivering sounds attract the attention of the lost gloves of the city. They start on an adventurous journey.
The film was entirely shot at night in the city with no extra light; each photo had an aperture time between 4 and 12 seconds, shot with a very small diaphragma.
Tamara de Lempicka (1898-1980). Girl with gloves


Anima/animus

Carl Jung merkt op dat we tijdens het sociale kneden van de persona bepaalde masculiene en feminiene eigenschappen onderdrukken of benadrukken, afhankelijk van onze identificatie als man of vrouw. De anima vertegenwoordigt het vrouwelijke deel, terwijl de animus de mannelijke kant representeert. Het valt Jung op dat we de tegenpool van het deel dat wij ontwikkelen vaak de rug toe keren. Toch blijft dit aanwezig in het onbewuste. Zowel anima als animus weerspiegelen traditionele ideeën die wij hebben geërfd van vorige generaties en die zich kunnen ontwikkelen met de tijd en cultuur, zegt Carl Jung. (Filosofie Magazine)
'Dat ik dan toch blijf wachten
hier bij het poppenspel, en zo volledig toezie,
dat, om ten slotte aan mijn toezien tegenspel
te bieden, een Engel op moet komen, die de poppen
omhoog rukt. Engel en pop: dan is er eindelijk schouwspel.
Dan pas komt samen wat wij steeds, in ons bestaan,
gescheiden houden. Dan pas ontstaat
de kringloop van het eeuwig vernieuwen
uit onze jaargetijden. Boven ons uit
speelt dan de Engel.'

Rainer Maria Rilke, uit 'de 4de Elegie', vertaling Jelema en Blok
‘Hand of Rodin with a Female Figure’ – Auguste Rodin (French, 1840 – 1917), The National Gallery of Art
‘When I feel
like waiting in front of the puppet theatre, no,
rather gazing at it, so intently, that at last,
to balance my gaze, an Angel must come
and take part, dragging the puppets on high.
Angel and Doll: then there’s a play at last.
Then what we endlessly separate,
merely by being, comes together. Then at last
from our seasons here, the orbit
of all change emerges. Over and above us,
then, the Angel plays.’

Rainer Maria Rilke. The fourth Elegy Translated by A.A. Kline
‘Memorial Relief (Hand of a Child)’ – Auguste Rodin (French, 1840 – 1917), The Los Angeles County Museum of Art

In de zomer van 1903 vertelt Rilke aan Salomé hoe hij dit afgrondelijke van de jeugd zelf heeft ervaren. ‘Ver in mijn kindertijd kwamen onbeschrijfelijk grote angsten op. Alles veranderde en ik voelde mij uit de vertrouwde zinvolle en nabije wereld geperst, in een andere, onzekere, naamloze en bange omgeving. Het leek net of ik niemand zou herkennen en ook niemand herkende.’

“De poppen waar het kind een moment daarvoor nog naar hartenlust mee speelde, werden nu kapotgemaakt of gedumpt. Volgens Salomé zijn het zelfs vaak de meest geliefde poppen die hier het slachtoffer van worden. ‘De haat is eigenlijk niet zozeer tegen de pop gericht maar komt uit de angst voor zichzelf voort: geboorteangst en angst om verlaten te worden.’ Kinderen leggen zich met andere woorden niet zomaar bij de afzondering van de wereld neer, maar proberen met geweld hun oude wereld te behouden.”

(Joke J. Hermsen, Heimwee naar de mens, De Arbeiderspers Antwerpen Amsterdam 2003. p.119-120)

Bronzino. Ritrato di ragazzo. 1540-45

En, zucht de auteur, laat hij/zij/wij het verlorene terugvinden in zijn/haar/onze creatieve mogelijkheden of…in de liefde, vult Salomé aan. Zij wist waarover zij sprak. ‘Heimwee naar de mens’ van Joke J. Hermsen, ten zeerste aangeraden. Laten we mooie dingen (s)maken.

Tintoretto Wedstrijd tussen Apollo en Marsyas. (1545)

Kunst en ontroering, een verkenning

Rik Wouters, Portret van Rik [zonder hoed], [1911], olieverf op doek, 30 x 32 cm, Privéverzameling – Foto: Vincent Everarts Fotografie Brussel

Er is vooreerst de stad. Mechelen. Hendrik Wouters is er geboren. Op 21 augustus 1882.

Rik gaat op twaalfjarige leeftijd in de leer bij zijn vader, die meubelmaker is. Enkele jaren later trekt hij naar de academie van Mechelen. Van 1900 tot 1905 volgt hij de hogere artistieke opleiding aan de academie in Brussel. Hélène of Nel Duerinckx vertelt zelf, in haar “Memoires”, hoe zij op zestienjarige leeftijd de jonge academiestudent verleidt. Rik en Nel trouwen en gedurende meer dan 5 jaar leven zij in moeilijke omstandigheden in Bosvoorde aan de rand van het Brusselse Zoniënwoud. (erfgoedinzicht.be)
Rik Wouters, Dame in het blauw voor een spiegel, [1914], olieverf op doek, 121 x 123 cm Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel, legaat mevr. Delporte-Livrauw en dr. Franz Delporte, 1973-76, Foto: J. Geleyns-Ro scan

Er is zijn andere draden dan de naam van een stad: de innerlijkheid waarmee hij je aankijkt. Niet verwonderd, noch boos, eerder nieuwsgierig. Sinds 1911 heeft hij honderdduizenden aangekeken vanuit dat jaar dat in de nabijheid van de Grote Oorlog in 1914 zijn mobilisatie nodig maakte. Zijn wanhopige brieven aan Nel. Schilderen of beeldhouwen had op dat moment nog weinig betekenis. En de hoofdpijn, de steeds terugkerende hoofdpijn. Hij wordt uiteindelijk in Nederland geïnterneerd.

In het najaar van 1915 werd de oorzaak van zijn fatale ziekte duidelijk geworden: kanker in het bovenkaakbeen. Hij kreeg een - naar hij dacht - 'gratis operatie' aangeboden (betaald door kunstverzamelaar Eppe Roelfs Harkema), op 4 oktober uitgevoerd door de toen beroemde chirurg Prof. Rotgans; een maand later schilderde hij met slechts één oog zijn bekende Zelfportret met de zwarte ooglap, waarin de focus lag op de niet-verminkte kant van zijn gezicht (Wikipedia)
Rik Wouters, Rik met de zwarte ooglap, 1915, KMSKA, olieverf op doek, 102 cm x 85 cm – CC0, beeld artinflanders.be, foto Hugo Maertens

Neen, het wordt geen aflevering rond leven en werk van Rik Wouters al kan ik je lectuur en exploratie rond zijn persoon, liefde voor Nel en werk ten zeerste aanraden. Ik wilde graag op zoek gaan naar mogelijke verbindingen met de vraag: welke onzichtbare draden verbinden de kunstenaar met de kijker-lezer-luisteraar? Wat veroorzaakt die verbinding? Waar en waarom kan hij/zij ons beroeren, vervoeren en ontroeren? En laat ons spaarzaam zijn met moeilijke woorden, we hebben onze lesjes intussen wel geleerd (zie vorige aflevering, de tekst van Verschaffel) Er is dus niet één juist antwoord, maar elke aandachtige kijker zal op zijn (haar) manier die mogelijke verbinding, of de afwezigheid ervan, al dan niet kunnen aanvoelen, zonder woorden. En of het nu om schilderkunst, muziek, of literatuur gaat, bekijk-beluister ze onder dezelfde noemer. Daarom geen wegwijzer maar een verzameling mogelijkheden. Een (voorlopige) verkenning.

Rik Wouters, Zittende vrouw bij het venster / Portret van Nel Duerinckx, de vrouw van de kunstenaar, 1915, MSK Gent, olieverf op doek, 96,2 cm x 74,6 cm – CC0, foto Michel Burez
‘Ontroering heeft iets buitengewoon intrigerends. Wat is het toch dat een grap, een vondst, een gebaar, een foto, een schilderij, een paar regels, dat die iets teweeg kunnen brengen, iets onverhoeds kunnen laten gebeuren dat lijkt op het losspringen van een slot. Een op het eerste gezicht onbetekenende sleutel past op een slot waarvan je niet wist dat je dat in je omdroeg. Ik ben al lang nieuwsgierig naar die sleutels en die sloten, dat mechaniek van de klik.’

Rutger Kopland ‘Het mechaniek van de ontroering’


IK BEN JE VRIEND

Mors nog wat wijn op tafel, veeg de kruimels samen,
steek de tandenstoker in het kaarsvet van de kaars
die flakkert tussen ons. We zijn nog eens bijeen,
je bent nog steeds een vriend en ik verraad je niet.

Je hebt gelijk, elk jaar is minder licht en moeizamer
ontwaken, we drinken minder dan voorheen,
we praten zachter als de nacht ons insluit
in het heden. Maar je bent nog steeds
een vriend voor heel het leven en
vergeet je niet - ik niet.

Luister naar het kraken van de klimboom
in de tuin, grijp het rafeltouw
tussen de takken met beide handen vast
en zwaai over de vijver naar de overkant.

Ik ben je vriend. Ik zal je vangen.

Marc Reugebrink uit 'Om honing gaat het niet' (2023)

Après-midi à Amsterdam. (1915)

De literatuur is niet bij machte ons te verlossen uit ons lijden. Ze is niet bij machte van ons iemand anders te maken, om de wereld te veranderen, om datgene te doen wat schrijvers in het verleden allemaal hebben beweerd dat literatuur zou kunnen doen. Maar literatuur is wél bij machte ons te laten zien wie we zijn, zelfs als we dat niet willen zijn. Ze laat ons de paradox ervaren waarbij we ieder voor zich bestaan. Ze geeft vorm aan het menselijk tekort en stelt zo scherp wat we in onze alledaagse beslommeringen gewoonlijk vergeten.

Uit: Marc Reugebrink, Het geluk van de kunst (2012)
Bezoek:

Poëzie & tranen

Foto door Pixabay op Pexels.com

Sprekend over de directheid, de ‘onmiddellijkheid’ van sommige schilderijen zegt Francis Bacon:

‘One of the things I’ve always tried to analyze is why it is that, if the formation of the image that you want is done irrationally, it seems to come onto the nervous system much more strongly than if you know how you could do it. Why it is possible to make the reality of an appearance more violently in this way than by doing it rationally? Perhaps it’s that, if the making is more instinctive, the image is more immediate.’

Nieuwsgierig om het artikel te lezen?

https://www.dbnl.org/tekst/_tir001199001_01/_tir001199001_01_0047.php

Left: Study after Velazquez’s Portrait of Pope Innocent X, by Bacon 1953. Right: Portrait of Pope Innocent X, by Velazquez 1650
 
WAT ZIJ BEDOELEN

Schilders schilderen wanneer zij
't kunnen 
't engelgezicht van wie zij beminnen

maar ik die niet schilder
wat moet ik beginnen

In lied in muziek klinken tonen van liefde

die 't luisterend oor van beminden bekoren

maar ik die niet speel

kan mij niet laten horen

Anderen zijn er die fijn kunnen spreken

en schalks en levendig wat zij bedoelen

kunnen vertellen

ik kan 't alleen voelen

Want mij werd tot nu toe het lot slechts beschoren
om ver van je weg en in somber verlangen

met onzichtbare draden

aan je beeltenis te hangen

Jan Hanlo (1912-1969)
Foto door pedro18 op Pexels.com

Ook dichter en auteur J. Bernlef schreef in Tirade, jaargang 34 1990, over ‘Ontroeringen’. Je kunt het artikel zelf lezen via de wegwijzer hieronder. Het eindigt zoals het begon, helemaal in stijl:

“Zowel aan de kant van de ontvanger als van de zender van ‘ontroeringen’ zijn de processen dus in neurologische nevelen gehuld.
Ik ben daar niet eens zo rouwig om. Want is ontroering wel het hoogste goed in de kunst? Zijn kunstwerken die in hun geheel een grote, gelijkmatig verdeelde gevoeligheid bij de ontvanger veroorzaken, zonder dat hij precies weet waar het hem nu in zit, niet eigenlijk te prefereren?
Ik weet niet goed waar het ontroerende in Vermeers of Saenredams schilderijen nu precies in schuilt. Als ik aan die schilderijen denk, denk ik aan hen als aan een geheel, nooit als aan een deel dat meer spreekt dan een ander deel. Het is juist deze geheimzinnige som der delen die meer is dan die delen afzonderlijk die het hem doet.
Ja, ik weet eigenlijk wel zeker dat die gelijkmatig verdeelde sensibiliteit het kenmerk van het ware, het misschien wel absolute is.
Ik sta op en zet Bach’s Wohltemperierte Klavier, gespeeld door Sjaroslav Richter, op en vergeet alles.”

https://www.dbnl.org/tekst/_tir001199001_01/_tir001199001_01_0047.php




Pieter Jansz Saenredam. Interior of St. Bavo Haarlem
Studie (Stefan Hertmans)
 
Haar horen spelen in het
 afnemend licht, bedenkend
 dat deze rijen en rijen
 dansende noten op het blad
 de meesters van haar vingers zijn,
 
en opgehouden.
 
Ik hield op - herhaling
is een opmaat voor verdwijnen.
 Alleen het luisteren biedt meer.
 
 Ze speelt. Een zich door muren
heen voortplantend hardop denken,
uitbreidende vlek welluidendheid.
 Haar jeugd gebogen boven
 zwart en wit,
 
 Mendelssohn en Ravel, en dan
steeds weer dat onbekende
dat mij kwelt.
Meisje aan de piano. 1879. Jacob Maris

Voor de fijnproevers: Herman Parret, filosoof, emeritus gewoon hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van Universiteit Leuven,, schreef in 2004 een mooie verhandeling: ‘Beroering en ontroering. Over de zinnelijkheid van het gemoed.’ Een fragment:

“Het gewone, alledaagse leven wordt gekenmerkt door redundantie, herhaling en eentonigheid. Tegen die achtergrond wordt de guizzo ervaren als een fractuur. De alledaagse tijdelijkheid wordt beleefd als een ongeritmeerde lijn waarop het nu-moment ononderbroken en als vanzelf naar een toekomst van verwachtingen toegaat. De guizzo onderbreekt deze tijdslijn en voert spanning en onverwachtheid in. De guizzo is breuk, fractuur: het sostenuto van de banale tijd wordt opgeheven, onrust en spanning kleuren het gemoed, een cataclysme dreigt. Het woord guizzo duidt op plotsheid (denk aan het spartelen van het visje dat uit het water wordt gehaald), op een schoksgewijze ritmering van het tijdsverloop, op een fractuur dus waarvan het momentane het hele zielenleven opslorpt. Het plotse van de guizzo schort de lineaire tijd op en doet de ruimte verstijven. Bij deze culminatie van aisthèsis wordt de blik verblind. Inderdaad, bij een intense esthetische ervaring sluit je de ogen. En die esthetische verblinding (éblouissement) activeert onze andere zintuigen: de geurende jasmijn, de vallende regendruppel, de fluwelen wang zijn niet langer figuren van de zichtbare wereld, maar sensibilia die zich richten op onze intieme zintuiglijkheid die ruikt, luistert, voelt.”

Zestien pagina’s voor fijnproevers vind je als pdf:

…met het mooie slot:

“De sleutel tot het geluk ligt in de ontroering en beroering van het zinnelijke gemoed, in het gegrepen worden door de schoonheid van de aisthèta, binnen de affectieve gemeenschap die ons aller deel is.”

“Een filosofie van het zinnelijke gevoel doet twee dingen: zij onttroont het oog om in dezelfde beweging de hand op te waarderen; zij relativeert de machten van het zien, die in de geschiedenis van de Westerse metafysica steeds bovenaan in het vaandel stonden, en herwaardeert het tactiele, het haptische met zijn rijke variëteit aan synesthesieën. ‘We moeten ons eraan gewennen’, zo schrijft Merleau-Ponty, ‘dat al het zichtbare gesneden is in het tastbare (tout visible est taillé dans le tangible)’. In dit perspectief heeft de hand meer verbeelding dan het oog. Aanwezigheid is dan in de eerste plaats tastbare aanwezigheid.” (Herman Paret, Beroering en ontroering. Over de zinnelijkheid van het gemoed.)