‘Aren lezen’ (2)

Geschreven werd en wordt er, geschilderd en gedicht, kortom pakhuizen gevuld met creaties. Eens de velden gemaaid zijn door de sikkels van de tijd, blijven er allerlei resten en fragmenten liggen. Anderen werden glanzend tot letteren- of beeldenvoedsel verwerkt maar daarna door de muizen van de vergetelheid weg geknabbeld. Ook in de schuren en de serres van het internet zijn er talrijke overblijfsels van vroegere oogsten weinig of nooit meer bezocht.  En het 'voorbije' is steeds sneller voorbij.  

Aren lezen zal tussen de duizenden teksten en reproducties dwalen en schoonheid verzamelen die lang in het duister of de schemer van de tijd is achtergebleven en best weer het licht in de ogen kan verdragen.
Jean-François Millet Des glanseuses 1857


Si le glanage est d’un autre âge, le geste reste inchangé dans notre société
qui mange à satiété.’
(Agnès Varda, Les glaneurs et la glaneuse, 2000)


‘Het rapen van achtergebleven delen van de oogst mag dan tot het verleden behoren, ook in een samenleving zoals de onze, die zich te pletter (vr)eet, ziet men gelijkaardige praktijken opduiken..’

Foto door Pixabay op Pexels.com

Judith Herzberg (geb. 1934) is van een generatie die de grote woorden voorlopig voor gezien hield. Al te goed kent zij de holle leuzen, de gebralde begrippen, de machinaties van de taal zoals deze in deze eeuw plaatsvonden. Debuterend na de Tweede Wereldoorlog en na de manifestaties van de Beweging van Vijftig die de chaos en het naoorlogs puin in kaart trachtte te brengen – ‘ik bouw nauwgezet en wanhopig’ dichtte Lucebert – zochten dichters als Judith Herzberg eerder heil en heul in het kleine gebaar, in schakeringen eerder dan in primaire kleuren, in intieme waarnemingen liever dan in globale visies. Daarmee zou zij kunnen worden gezien als iemand die de Criteriumpoëzie, die van ‘het klein geluk’, voortzet. Zeker, ook Judith Herzberg heeft à la Vasalis ‘eerbied voor de gewone dingen’, maar zij heeft toch een geheel andere optiek. Zij is vervuld van wantrouwen jegens het bestaande. Zij accepteert de dingen niet zoals ze zijn en heten. Voor haar moet alles nog een naam krijgen. De taal van voorheen is onaanvaardbaar. Niet de chaos, maar wat daarna overbleef moet in de taal vorm krijgen. Dit doet zij altijd nauwgezet, een enkele keer wanhopig.

(Ons Erfdeel jaargang 36. 1993 ‘Judith Herzberg: ‘Zoals.’ Dirk Kroon)

Zoals

Zoals je soms een kamer ingaat, niet weet waarvoor
en dan terug moet langs het spoor van je bedoeling,
zoals je zonder tasten snel iets uit de kast pakt
en pas als je het hebt, weet wat het was,
zoals je soms een pakje ergens heen brengt
en, bij het weggaan, steeds weer denkt, schrikt,
dat je te licht bent, zoals je je, wachtend,
minutenlang hevig verlieft in elk nieuw mens
maar toch het meeste wachtend bent,
zoals je weet: ik ken het hier, maar niet waar het om ging
en je een geur te binnen schiet bij wijze van
herinnering, zoals je weet bij wie je op alert
en bij wie niet, bij wie je kan gaan liggen,
zo, denk ik, denken dieren, kennen dieren de weg.

Judith Herzberg. in 'Zoals' 1993
Door haar hechtheid van taal - alliteratie, assonantie en zo meer - en de hierboven aangeduide openheid, reageert een lezer op de naam die deze dichteres de dingen geeft. De bescheidenheid waarmee zij de dingen benadert is, behalve sympathiek, vooral een teken van vakmanschap. Wie tegelijkertijd ruimte laat en zeer precies omschrijft, garandeert enerzijds de beweeglijkheid van poëzie en maakt anderzijds een kleine buiging voor elk wonder en toont aldus de volle eerbied voor de ongewone dingen.
(Dirk Kroon)


.. Met onbedroefde
 kinderogen vlak voor de voeten
 kijken, een van de vroege
 genoegens die wij delen.

Judith Herzberg
Lucebert I ‘Cherries (De kers)’ Acrylic on canvas 81×100cm 1978
natuurlijk is er veel meer
dan enkel het lichaam

er is het oog dat alle
lichamen omsingelt en
een overwinnaar is voor de
spelende handen

alles is maar spel tenslotte
waar maak je je druk over
en waarom dans je niet

de lente maakt deuren
de wind is een open hand
wij moeten nog beginnen te leven

als ik in de gele nacht sta
op het blauwe tapijt van mijn hart

Hans Lodeizen (1924-1950)

Foto door Simon.lovi op Pexels.com

Natuurlijk heb ik de vraag aan AI gesteld of ‘hij’ poëzie kon genereren. Dat kon. Wij zullen hier vermijden over het wezen van ‘poëzie’ te discussiëren, daar zijn avonden, kroegen, boshutten en wolkenluchten eerder voor geschikt (dacht ik) maar er werd mij dadelijk een ‘sentimentanalyse’ voorgesteld:

Een andere belangrijke techniek is sentimentanalyse, die machines helpt de emotionele inhoud van een tekst te begrijpen. Dit kan nuttig zijn bij het genereren van poëzie die bepaalde emoties of stemmingen bij zijn lezers oproept. Sentimentanalyse kan machines ook helpen om ongepaste of ongevoelige inhoud te vermijden.

Nog beter werd het indien ik ‘modellen voor natuurlijke taalverwerking (NLP) zou gebruiken:

Een belangrijke techniek voor het opstellen van AI-poëzie is het gebruik van modellen voor natuurlijke taalverwerking (NLP). NLP stelt computers in staat om menselijke taal te begrijpen en te interpreteren, wat essentieel is voor het maken van goede poëzie. Deze modellen kunnen worden getraind in grote datasets van bestaande gedichten en kunnen worden gebruikt om nieuwe te genereren. Deze techniek omvat ook het gebruik van algoritmen die op zoek zijn naar patronen in de gegevens om woorden en structuren te identificeren die vaak samen in poëzie worden gebruikt.

Er is zelfs een ‘poetry camera’. Je richt de lens op een onderwerp en bijna onmiddellijk volgt ‘een gedicht’.

Te bekijken:

https://interestingengineering.com/culture/poetry-camera-ai

En wil je haiku’s schrijven dan is daar een kant en klaar programma voor:

https://www.poem-generator.org.uk/haiku/ (helaas ‘FORBIDDEN’) Je kunt het adres kopiëren en dan werkt het wel. Of naar een heuse haiku-werkplaats:

En verder shoppen kan in de gpt-store onder de afdeling poetry:

https://gptstore.ai/gpts/categories/poetry

“The poems that ChatGPT writes are riddled with cliché and wince-worthy rhymes, but it isn’t just issues of quality that separate AI- and human-generated compositions. Poetry, whether in the style of Heaney or Dickinson or your journal from fourth grade, comes from the felt necessity to speak a truth, whatever kind of truth that might be, in a tongue that you’ve inherited or learned—or that has been imposed upon you by force or violence. That’s obvious to anyone who, for reasons they can’t fully explain, sits down and organizes their words into a pattern that’s slightly different from the language they use at the dinner table.” (

Walt Hunter is an associate professor and the chair of English at Case Western Reserve University. He is a contributing editor at The Atlantic, focusing on poetry.

De gedichten die ChatGPT schrijft zitten vol clichés en huiverwekkende rijmpjes, maar het zijn niet alleen kwaliteitskwesties die het verschil maken tussen AI- en door mensen gegenereerde composities. Poëzie, of het nu in de stijl van Heaney of Dickinson is of je dagboek uit de vierde klas, komt voort uit de gevoelde noodzaak om een waarheid te spreken, wat voor waarheid dat ook mag zijn, in een taal die je hebt geërfd of geleerd – of die je is opgedrongen met geweld of dwang. Dat is duidelijk voor iedereen die, om redenen die hij niet helemaal kan verklaren, gaat zitten en zijn woorden ordent in een patroon dat net iets anders is dan de taal die hij aan tafel gebruikt.

En dat dachten we althans in 2017. Een eeuwigheid geleden dus. Dichter bij huis, 2024 althans:

“Wat ik meenam uit het avondje robotliteratuur: AI-poezie is een vorm van conceptuele kunst. Het procedé is minstens even belangrijk als het uiteindelijke resultaat. Wanneer ik op een AI-poëzie site de regel lees, The sun is a beautiful thing/in silence is drawn/between the trees/only the beginning of light, is dat een esthetische ervaring. Dat ik niet precies weet naar welke stem ik luister – artificieel, posthumaan – maakt de dichtregel des te intrigerender.

De vraag is, denk ik: waarom zou de mens het alleenrecht hebben op het maken van kunst, op het produceren van schoonheid? Waarom kan de waarde en betekenis van kunst en schoonheid niet liggen in een netwerk van vroegere, hedendaagse en toekomstige expressievormen geproduceerd door mens, natuur en machine, zonder hiërarchie of monopolie?”

Julien Ignacio (1969)

Hij is schrijver en blogger. Redacteur van Tirade en publiceerde theaterstukken en korte verhalen.



Introduction to Poetry
-Billy Collins

I ask them to take a poem
and hold it up to the light
like a color slide

or press an ear against its hive.

I say drop a mouse into a poem
and watch him probe his way out,

or walk inside the poem’s room
and feel the walls for a light switch.

I want them to water-ski
across the surface of a poem
waving at the author’s name on the shore.

But all they want to do
is tie the poem to a chair with rope
and torture a confession out of it.

They begin beating it with a hose
to find out what it really means



Inleiding tot de poëzie
-Billy Collins

Ik vraag ze een gedicht te nemen
en het tegen het licht te houden
als een kleurplaat

of druk een oor tegen zijn nestkast.

Ik zeg laat een muis in een gedicht vallen
en kijk hoe zij haar weg naar buiten zoekt,

of loop de kamer van het gedicht binnen
en aan de muren voelen voor een lichtknopje.

Ik wil dat ze waterskiën
over het oppervlak van een gedicht
zwaaiend naar de naam van de auteur op de oever.

Maar het enige wat ze willen doen
is het gedicht met touw aan een stoel vastbinden
en er een bekentenis uit martelen.

Ze beginnen erop te slaan met een tuinslang
om erachter te komen wat het echt betekent.

Om goed te kunnen villen had de beul een scherp mes nodig. Vervolgens werd bij deze martelmethode de huid langzaam afgesneden, vaak tot de verdachte brak of stierf.
© Gerard David/Groeningemuseum

‘Aren lezen’ (1)

Naar de Mozaïsche wet (Lev. 19 : 9) mochten de hoeken van het land door den eigenaar niet worden afgemaaid, maar moesten voor de armen blijven. Ook mochten de eigenaars de op het veld overblijvende aren niet verzamelen, want het nalezen bleef voor de armen ; zelfs de schoven, die door onachtzaamheid waren blijven liggen, behoorden hun; de eigenaar had het recht niet ze terug te halen.
fragment Jules A.A. Louis Breton. ‘The Gleaners’
The Old Testament of The Bible mandated Hebrew farmers to leave a portion of their crops unharvested, allowing poor neighbors and strangers to enter their land to pick what remained for themselves and their families.

In England and France, the government safeguarded the rights of the rural poor to glean. This practice permitted gleaners to collect leftover crops and resources from the ground of nearby farmers' fields. Picking leftover crops for the local community was an integral part of farm life and the harvest process for hundreds of years, until new private property laws and farming technology began to restrict gleaners' rights. It was common to see people in fields picking leftover crops until after the end of World War II.

Geschreven werd en wordt er, geschilderd en gedicht, kortom pakhuizen gevuld met creaties. Eens de velden gemaaid zijn door de sikkels van de tijd, blijven er allerlei resten en fragmenten liggen. Anderen werden glanzend tot letteren- of beeldenvoedsel verwerkt maar daarna door de muizen van de vergetelheid weg geknabbeld. Ook in de schuren en de serres van het internet zijn er talrijke overblijfsels van vroegere oogsten weinig of nooit meer bezocht.

Aren lezen zal tussen de duizenden teksten en reproducties dwalen en schoonheid verzamelen die lang in het duister van de tijd is achtergebleven en best weer het licht in de ogen kan verdragen.

There was and is writing, painting and poetry, in short, warehouses filled with creations. Once the fields are mowed by the sickles of time, all sorts of remains and fragments remain. Others were glossily processed into literary or sculpture food but then nibbled away by the mice of oblivion. Even in the sheds and greenhouses of the internet, numerous remnants of past harvests are little or never visited again.

Gleaning will wander among the thousands of texts and reproductions and collect beauty long left behind in the darkness of time and best to bear the light in the eyes again.

Vincent van Gogh. Aren lezende boerin. 1885
Maar als een kip
pik ik mijn eten hier
en daar, mijn wetens-
waardigheden bij elkaar,
en o de spijt voor wie dit mist,
al deze zeer diverse dingen

fragment Judith Herzberg (geniet van de de mooie binnenrijmen)

He was born Lawrence Monsanto Ferling in Yonkers, New York, to a French mother, Albertine Mendes-Monsanto, and an Italian father, Carlo Ferlinghetti, an auctioneer, who had shortened the family name to Ferling. His parents were unable to care for him, however (sometimes Ferlinghetti said his father had died before his birth, sometimes after), and he was rescued by an aunt, Emily Monsanto, who took him to France for his first six years. Returning to the US, Emily was employed as a governess by a family called Lawrence, a branch of the one that founded Sarah Lawrence College. “Then she left me there,” Ferlinghetti told an interviewer in 1978. “She just disappeared one day, and that family brought me up.”

Lawrence Ferlinghetti. before his bookstore in San Francisco

To the Oracle at Delphi

Lawrence Ferlinghetti (1919-2021)

Great Oracle, why are you staring at me,
do I baffle you, do I make you despair?
I, Americus, the American,
wrought from the dark in my mother long ago,
from the dark of ancient Europa—
Why are you staring at me now
in the dusk of our civilization—
Why are you staring at me
as if I were America itself
the new Empire
vaster than any in ancient days
with its electronic highways
carrying its corporate monoculture
around the world
And English the Latin of our days—

Great Oracle, sleeping through the centuries,
Awaken now at last
And tell us how to save us from ourselves
and how to survive our own rulers
who would make a plutocracy of our democracy
in the Great Divide
between the rich and the poor
in whom Walt Whitman heard America singing

O long-silent Sybil,
you of the winged dreams,
Speak out from your temple of light
as the serious constellations
with Greek names
still stare down on us
as a lighthouse moves its megaphone
over the sea
Speak out and shine upon us
the sea-light of Greece
the diamond light of Greece

Far-seeing Sybil, forever hidden,
Come out of your cave at last
And speak to us in the poet's voice
the voice of the fourth person singular
the voice of the inscrutable future
the voice of the people mixed
with a wild soft laughter—
And give us new dreams to dream,
Give us new myths to live by!

Read at Delphi, Greece, on March 21, 2001 at the UNESCO World Poetry Day
-Sybil was hem genadig. Hij overleed in 2021 en werd dus 101 jaar.-
"I really believe that art is capable of the total transformation of the world, and of life itself," Ferlinghetti said. "And nothing less is really acceptable. So if art is going to have any excuse ... beyond being a leisure-class plaything, it has to transform life itself."

“Ik geloof echt dat kunst in staat is om de wereld en het leven zelf totaal te veranderen,” zei Ferlinghetti. “En niets minder is echt acceptabel. Dus als kunst een excuus wil hebben... behalve een speeltje voor de vrijetijdsklasse te zijn, dan moet ze het leven zelf transformeren.”


Zo kwamen ze weer bij elkaar.
 Maar het lekkers,
 dat was raar, dat was weg
 en als ik zeg: ze waren
 net twee helften
 van één zoet broodje
 op elkaar dan is dat niet waar;
 ze leefden kort en breekbaar
 als twee crackers.

Judith Herzberg, Dagrest. Tweede druk, Amsterdam 1984

Foto door Tim Mossholder


ZIEKENBEZOEK

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee toch niet,
je moet het maar eens proberen.

-------------------------------
uit: Beemdgras (1968). Judith Herzberg


Muara Enim (1926)
 
Oud jeugdhuis waarvan ik geen inhoud weet
 dan schaduw flakkerend in het olielicht,
 angst door het krijsen van katten in duisternis,
 nog bang zijn voor slangen als het gras beweegt.
 
 Mijn moeder naaide, soms bakte zij brood.
 Maar wat speelden wij kinderen in het lege
 huis, de verwilderde tuin? Ik heb het ook nooit,
 voordat het te laat was, zelfs willen weten.
 
 Losse momenten die evenveel leegte
 lieten, nooit samenvielen met het verslag
 van de foto's, tot aan de dag dat mijn vader zag
 dat hij mij had leren lezen. Toen bleven de vele

 huizen waar wij eens woonden verder bevolkt
 door mensen, meubels en boeken, en toen begon
 mijn geschiedenis. Met wie kan ik die delen?

Tineke Sanders , geliefde van Leo Vroman
Leo Vroman en Tineke Sanders in september 1947 in de Verenigde Staten (Schrijversprentenboek 29, p. 89).

“Hoe is het dus met die ‘Nederlander in het Buitenland, of Nederlanders vanuit het Buitenland gezien’, want daar vroeg Ons Erfdeel naar. Het is vrij goed met hem, hij leeft buiten de oorlogen met een vrouw waar hij eigenlijk belachelijk veel van houdt, zoiets komt gewoon niet voor, en zij vindt hem ook niet zo gek gelooft hij. En hun kinderen: Geri zo bijna zonder lichaamsgewicht en toch zo schrikwekkend gevoelig en redelijk tegelijk, en Peggy zo vreselijk ziek geweest en die alles kan maken wat ze wil en guitaar en allergekst acteren, in haar kamer, met de rat en het konijn in hun kooien elkaar en de dingen lodderig en achterdochtig van onder allerlei rare wimpers bekijkend, lodder, knaagknaagknaag, lodder. Zo wonen wij. Soms komt een buurvrouw iets lenen, vaak komen de vrienden en vriendinnen van ons en van de kinderen binnen, praten, proberen vreemde spelletjes. Is dat Amerikaans? Hollands? Misschien wel Indonesisch.”

(Uit: Waar ben ik? Leo Vroman-New York-USA in ‘Ons Erfdeel Jaargang 12 1968-69)

Behalve dichter was Vroman bioloog, tekenaar, joods, eigenzinnig, nieuwsgierig, geestig. Zijn werk heeft een unieke speelse toon en fantasie, hij schrijft even onbekommerd over de dood als over zijn liefde voor het leven in het algemeen en voor zijn vrouw Tineke in het bijzonder. Zijn poëzie is onverschrokken: hij houdt zich aan geen enkele conventie en schuwt gruwelijkheid noch schoonheid.
In al zijn werk schrijft hij grotendeels direct vanuit en over zichzelf. Over zijn persoonlijke geschiedenis en zijn kijk op het leven. Over het grasveldje van zijn jeugd in Gouda, over de ‘hullende’ adem van zijn Tineke en het diepe gemis van haar tijdens de oorlog. Over de bloedplaatjes die hem fascineren, over wiskundige reeksen en ingewanden, over de kamers van zijn dochters, zijn reacties op wat er in de wereld gebeurt: aardbevingen, verkrachtingen, moord en geweld. Over zijn ouder wordende ledematen, zijn ingewanden, zijn aaiende vingers, zijn nieuwsgierigheid naar de dood. Hij schreef door tot enkele dagen voor zijn dood in februari 2014, het gedicht ‘Einde’:

Hij lijkt vast minder erg –
die lief bijeengebrachte
hoop spaanders van mijn gedachten –
op mij dan op een berg.

Waar zal die laaiende gestalte
van mij dan uit bestaan
en waar kwam die al te late
eerste vonk vandaan?


(Die vleugels II, 2015)

Bezoek zijn mooie bio:

https://literatuurmuseum.nl/nl/ontdek-en-beleef/literatuurlab/online-exposities/leo-vroman

een van zijn vele zelfportretten

Zelfportret, voor den heer en mevr. J. Greshoff. Het genoegen blijft aan mijn kant 1940. 22,2 x 17,5 cm. (Foto’s Letterkundig Museum).


'Kom vanavond met verhalen

hoe de oorlog is verdwenen,

en herhaal ze honderd malen:

alle malen zal ik wenen.'

Wisteria’s weemoedig blauw in mij en mei verzameld.

Eigen foto Gmt

De spiegeling van de metalen voordeur met zicht op de winterse binnenkant van het huis. Naar buiten. Naar de tuin als bewijs: de maand mei est arrivé! ‘Ce moys de may’. De Blauwe Regen (Wisteria) overvloediger dan alle vorige jaren zal je verwelkomen.

eigen foto Gmt

Ce moys de may,
ma verte cotte je vestiray.
De bon matin me lèveray,
ce joly moys de may.
Un sault, deux saults, trois saults,
en rue je feray,
Pour voir si mon amy verray.
Je luy diray qu'il me descotte;
Me descottant le baiseray.
This month of May
my green skirt I'll wear
early in the morning, I'll rise
in this lovely month of May
one hop, two hops, three hops
into the street I'll make
to see if I'll see my friend
I'll tell him to remove my skirt
while he removes it, I'll kiss him.
Eerste Editie - Clément Janequin: 	1529 in 31 Chansons musicales a quatre parties (No.21) 
Uit de tijd toen wij nog waren opgehokt:

eigen foto Gmt
Eigen foto Gmt

It Is a Small Plant

William Carlos Williams. (USA 1883-1963)

It is a small plant	
delicately branched and
tapering conically
to a point, each branch
and the peak a wire for
green pods, blind lanterns
starting upward from
the stalk each way to
a pair of prickly edged blue
flowerets: it is her regard,
a little plant without leaves,
a finished thing guarding
its secret. Blue eyes—
but there are twenty looks
in one, alike as forty flowers
on twenty stems—Blue eyes
a little closed upon a wish
achieved and half lost again,
stemming back, garlanded
with green sacks of
satisfaction gone to seed,
back to a straight stem—if
one looks into you, trumpets—!
No. It is the pale hollow of
desire itself counting
over and over the moneys of
a stale achievement. Three
small lavender imploring tips
below and above them two
slender colored arrows
of disdain with anthers
between them and
at the edge of the goblet
a white lip, to drink from—!
And summer lifts her look
forty times over, forty times
over—namelessly.
eigen foto Gmt
Het is een kleine plant	
delicaat vertakt en
conisch toelopend
naar een punt, elke tak
en de top een draad voor
groene peulen, blinde lantaarns
die vanaf
de stengel in elke richting naar
een paar blauwe
bloemetjes: het is haar aanzien,
een plantje zonder bladeren,
een afgewerkt ding dat
haar geheim bewaart. Blauwe ogen-
maar er zijn twintig blikken
in één, zoals veertig bloemen
op twintig stelen. -Blauwe ogen
een beetje gesloten bij een wens
bereikt en weer half verloren,
terugkrabbelend, omkranst
met groene zakken van
tot zaad geworden tevredenheid,
terug naar een rechte stengel - alsof
iemand in je kijkt, trompetten!
Neen. Het is de bleke holte van
het verlangen zelf dat telt
steeds maar weer het geld van
een oudbakken prestatie. Drie
kleine lavendel smekende punten
daaronder en daarboven twee
slanke gekleurde pijlen
van minachting met helmknoppen
ertussen en
aan de rand van de bokaal
een witte lip, om van te drinken!
En de zomer verheft haar blik
veertig keer, veertig keer
opnieuw - naamloos.

William Carlos Williams. (USA 1883-1963)


In Eastern cultures, wisteria is a symbol of longevity and immortality. It is often associated with virtues like persistence and endurance. In Chinese folklore, wisteria is linked to the legend of the ‘White Snake,’ which tells the tale of a love that transcends time and earthly boundaries.

In the Western world, wisteria is a symbol of romance, poetry, and the beauty of love. Its delicate, cascading flowers evoke a sense of nostalgia and dreaminess, often found in romantic novels and literature.

Wisteria (right screen) by Maruyama Ōkyo 1733-1795– Ink and color on gold-foiled paper – 18th century, Edo Period, Japan [NEZU Museum, Tokyo]

Ōkyo, geboren in Kyoto, werd sterk beïnvloed door zowel Chinese als Nederlandse artistieke tradities en nam de technieken daarvan over in zijn creaties. Hij ontwikkelde het megane-e perspectief om schilderijen of prenten te maken. Wanneer deze schilderijen bekeken werden door een kijkdoos (nozori karakuri in het Japans) of een Nederlandse bril (Oranda megane in het Japans), een lens en spiegel, creëerden ze een driedimensionaal effect. Misschien raakte Ōkyo wel gecharmeerd van dit ingenieuze Europese apparaat in de tijd dat hij in een speelgoedwinkel in Kyoto werkte. In die tijd, tijdens de sakoku, oftewel het bewuste isolement van Japan ten opzichte van de rest van de wereld, was de enige officiële verbinding die Japan had met de buitenwereld de Nederlandse VOC, oftewel de Verenigde Oost-Indische Compagnie, gevestigd op het eiland Dejima in de baai van Nagasaki. (CCDA)

Utagawa Hiroshige Swallows and Wisteria, from the series Japanese and Chinese Poems for Recitation (Wakan rôeishû) 1842-43

Wisteria by Philip Levine (USA 1928-2015)


The first purple wisteria
I recall from boyhood hung
on a wire outside the windows
of the breakfast room next door
at the home of Steve Pisaris.
I loved his tall, skinny daughter,
or so I thought, and I would wait
beside the back door, prostrate,
begging to be taken in. Perhaps
it was only the flowers of spring
with their sickening perfumes
that had infected me. When Steve
and Sophie and the three children
packed up and made the move west,
I went on spring after spring,
leaden with desire, half-asleep,
praying to die. Now I know
those prayers were answered.
That boy died, the brick houses
deepened and darkened with rain,
age, use, and finally closed
their eyes and dreamed the sleep
of California. I learned this
only today. Wakened early
in an empty house not lately
battered by storms, I looked
for nothing. On the surface
of the rain barrel, the paled,
shredded blossoms floated.
Eigen foto Gmt
Wisteria
door Philip Levine (1928-2015)

De eerste paarse blauwe regen
die ik me herinner uit mijn jeugd hing
aan een draad buiten de ramen
van de ontbijtkamer ernaast
bij Steve Pisaris thuis.
Ik hield van zijn lange, magere dochter,
dat dacht ik tenminste, en ik zou wachten
naast de achterdeur, onderdanig,
smekend om aangenomen te worden. Misschien
waren het alleen de bloemen van de lente
met hun misselijkmakende geuren
die me besmet hadden. Toen Steve
en Sophie en de drie kinderen
inpakten en naar het westen verhuisden,
ging ik lente na lente door,
leeg van verlangen, half slapend,
biddend om te sterven. Nu weet ik
dat die gebeden werden verhoord.
Die jongen stierf, de stenen huizen
werden donkerder en donkerder door de regen,
ouderdom, gebruik, en sloten uiteindelijk
hun ogen en droomden de slaap
van Californië. Ik leerde dit
pas vandaag. Vroeg wakker
in een leeg huis dat de laatste tijd niet
gehavend door stormen, zocht ik
naar niets. Op het oppervlak
van de regenton, verbleekte,
versnipperde bloesems.
Eigen foto Gmt

Het geheimschrift
van dit blauw
verenigt
vergift en vergeven:
tranen en de dauw
met zuiderwind
geschreven.

Honderd jaar slapen, bespraakt en besproken

Een vrolijke boodschap deze morgen in de mailbus. Bij de bovenstaande foto: ‘Doornroosje weer te zien na groot onderhoud.’

Voor het eerst sinds de opening in 1952 kun je helemaal rondom het kasteel van de Schone Slaapster wandelen. 

En gaat het hier in het bekende sprookjespark ‘De Efteling’ natuurlijk over- wij citeren-

‘Voor de stimulering van de biodiversiteit in het bos zijn een aantal bomen weggehaald. Hiervoor in de plaats zijn verschillende andere bomen geplant. Ook is de vijver een stuk vergroot en zijn er watervallen toegevoegd.’

Toch zagen wij in onze perfide ideeën dat groot onderhoud wel degelijk aan de sprookjesfiguren, incluis de inhoud van het bekende verhaal.

‘Flaming June’. Frederic, Lord Leighton. 1895
Frederic, Lord Leighton schilderde zijn meesterlijke Flaming June rond 1895. Het is een beeld van een onschuldige, slapende vrouw in een oranje, doorschijnende jurk waaronder haar vrouwelijke vormen voorzichtig worden bloot gegeven. De bank waarop ze ligt is bekleed met kussens en rode doeken, op de achtergrond de glinstering van de zon in de zee. Met de weelderige lijnen en warme zonnige kleuren is dit schilderij een voorbeeld van Leightons voorliefde voor klassieke schoonheid en harmonie. 

(Tekst: Kunstmuseum Den Haag, schilderij nu Museo de Artre de Ponce)
Edward Coley Burne Jones. The Sleeping Beauty

Charles Perrault beschreef de schone slaapster als ‘la belle au bois dormant‘, waarbij je je kon afvragen hoe zo’n bois dormant eruit zag terwijl de gebroeders Grimm het over ‘Dornröschen’ hebben, een meisje dat zich in slaap zou prikken.

En…de jaren kwamen, de jaren gingen, de rozen groeiden en groeiden. Honderd jaar slapen.
Marja Pruis schrijft in de Groene Amsterdammer van 18 juli 2012 :

'Een vrouwenlichaam kan een man verleiden om een duivelse wereld binnen te treden. Dat heb ik niet verzonnen, maar dit schreef de Japanse schrijver Yasunari Kawabata in zijn roman Nemureru bijo (1961), in 1968 vertaald door C. Ouwehand als De schone slaapsters, laatstelijk bij Meulenhoff uitgegeven als ‘moderne classic’ (1987). In het nawoord schrijft de vertaler overigens dat de romantitel in een letterlijke vertaling De slapende schonen had moeten luiden. In overleg met de auteur had hij besloten tot De schone slaapsters, immers ‘voor de westerse lezer een bekend motief.’

Op de achterflap van het boek ‘De Schone Slaapsters’ van Yasunari Kawabati

Kawabata is een van de meest geprezen en geliefde Japanse auteurs van de twintigste eeuw en winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur

In een ingetogen, poëtische stijl onderzoekt Yasunari Kawabata in De schone slaapsters de grens tussen fantasie en realiteit in de gedachten van de oude heer Eguchi.

Met een belofte om de regels van het huis te volgen begint Eguchi zijn leven als lid van een geheime club van oudere mannen. In een herberg in de buurt van Tokyo geven ze toe aan een laatste pleziertje: de nacht doorbrengen naast een prachtig, jong, slapend meisje. Eguchi raakt verslaafd aan deze bezoekjes en fantaseert erover de regels te verbreken. Naarmate het verhaal vordert blijkt steeds duidelijker dat de erotische spanning, die zorgvuldig wordt opgebouwd, in het teken staat van de naderende dood. Uitgegeven door Meulenhoff Boekerij B.V.

Slaap en dood, ouderdom en eenzaamheid zijn de belangrijkste thema’s van deze indrukwekkende roman.

De verwantschap van erotiek, slaap en dood wordt door Kawabata met enkele verrassende ontwikkelingen aan het licht gebracht.
Voor oude mannen is die verwantschap niet
 bijzonder, zij beseffen immers dat in alles wat zij zijn de dood nabij is. Kawabata laat dat Eguchi even kort als krachtig verwoorden: ‘Oude mannen zijn buren van de dood.’(Hans van der Heijde)





Doornroosje


Houthakkers, die zich in het bosch verklikken.
Slooten, die op hun bodem staan te roesten.
Je eigen in de hoogte hooren hoesten.
Een edelhert met plotselinge schrikken.

Spechten, als zachte mitrailleuren, tikken
tegen de honderd jaar in eikenknoesten.
Dat wij elkander tegenkomen moesten
was te voorzien met langgeworden blikken.

Hier is het uur. Op deze ronde plek
heeft het tusschen ons plaats, een vuur,
dat niet verglaast. De groene diepte drinkt.

Terwijl de stilte verder openspringt,
met boomen van verbazing opgewekt,
omklemmen wij het eeuwig avontuur.


Gerrit Achterberg
In: Doornroosje (1947).

Foto door Alexandru Cojanu op Pexels.com

Doornroosje,

Je kent me niet.
Ik ben een prins – de prins – die jou wakker zal kussen.
Ik kom naar je toe.
Je slaapt negenennegentig jaar. Je moet, volgens het sprookje waarin je slaapt, nog één jaar slapen. (Maar je sprookje kan het heel goed mis hebben.)
Ik weet niet waar je woont en ik weet helemaal niet waarom ik je wil wakker kussen. Als je wakker bent zal ik, volgens de wetten van sprookjes en legendes, met je moeten trouwen, en wil ik dat wel, wil jij dat wel?
Ik vermoed dat ik je wakker móét kussen. Mijn wil staat daarbuiten. (Ik weet trouwens van niets zo weinig als van mijn wil.)
Je slaapt, dus je kunt deze brief niet lezen.
Ik schrijf alsof je hem wel kunt lezen.

Toon Tellegen uit ‘ Brieven aan Doornroosje’

 In 365 brieven schildert de prins het openhartige zelfportret van een tobber, maar een tobber met een rijke verbeelding en een goed gevoel voor de absurditeiten van het sprookjesleven. Deze eigenschappen voorkomen dat de brieven gaan vervelen, al is het waarschijnlijk geen goed idee om ze allemaal achter elkaar te lezen. De prins schreef zijn Brieven aan Doornroosje beetje bij beetje, en het resultaat laat zich ook het prettigst beetje bij beetje lezen. Wie vanaf vandaag één brief per dag leest, heeft over een jaar de bladzijde bereikt waarop de prins eindelijk zelf eens post krijgt. (Literair Nederland)

Meestal is slapen in je kindertijd een opdracht die volbracht moet worden om mooie dagen en gebeurtenissen te bereiken: nog drieëndertig keer slapen. Slapen als kind is een uitzonderlijke genade. Een slaapje als tijdseenheid (in de auto) tussen het huis van opa en oma en je eigen thuis. Het overbruggen van afstanden.Slapen moet altijd te vroeg, net zoals opstaan als je ouder wordt. Een mooie versie van Doornroosje uit Sesamstraat wil ik je niet onthouden.




Doornroosje is een sprookje van dood, slaap en opwekking uit de slaap. De roos is steeds een geheimzinnig beeld, enerzijds de liefde, anderzijds het dodende van de dorens. Over de betekenis van het sprookje is in de loop der tijd veel geschreven. Het sprookje wordt geduid als het verhaal van de levenscyclus: het jaarritme en de zonnecyclus. Opvallend hierbij is dat vooral wordt uitgegaan van de Grimm versie en deze min of meer als oerversie wordt beschouwd, terwijl zowel Grimm als Perrault in hun tijd een stevige literaire en inhoudelijke redactie aanbrachten. Vooral het seksuele motief uit oudere versies is door beiden geheel weggelaten.

Meer psychologische interpretaties zien in het sprookje het rijpingsproces van een jong meisje uitgebeeld. Tijdens de puberteit (de honderdjarige slaap) schermt ze zich af tegen het mannelijk geslacht (de doornhaag) en ontwikkelt ze zich tot vrouw. Men kan er ook meer in het algemeen het rijpingsproces van de menselijke ziel in zien, waarin tegenslagen zowel kunnen leiden tot desoriëntatie en inactiviteit als tot grotere kracht. In een aantal sprookjes/mythologieën komt het spinnewiel voor als symbool van het rad van Fortuin.
(Volksverhalen Almanak )

Lees meer:

https://www.beleven.org/verhaal/doornroosje

Edward F. Brewtnall (1546-1902) Sleeping Beauty

Dichtbij het grote slapen
ontdekken
dat ontwaken in letters
en het smaken van verten
de ware ogen wekken.
[The Prince arrives at the castle]. Walter Crane, RWS (1845-1915). Engraved and printed in colour by Edmund Evans. The Sleeping Beauty, pp. 4-5. 1898 ed., but the tale with these illustrations was originally published separately by Routledge in 1876.

De reacties hieronder zijn door hun bleekheid moeilijk leesbaar.  Wil zo goed zijn er even met je cursor over te gaan zodat ze leesbaarder worden.  We zoeken een betere oplossing!

Een zachter regel

Edvard Munch – Four Women in the Garden, 1926


Spraakzaam in de spreuken


In het dialekt van een mus hoor ik
mijn moeder roepen; verdwaald tussen
de bloemen moet ik haar zoeken. Purper
valt haar mantel op het koningskruid.

Zij is mijn moeder: hoe bedrijvig
waren de mieren in het handwerk
van haar vreugde.

Ik heb mij vaak in haar huis betrapt.

In niets werd zij misleid: aan de wijnkleur
van de daken was de liefde te herkennen.

Nog wiedt zij een hemel van kers
en radijs, op zachte knieën maakt zij
onderscheid tussen waarheid en leugen.
En waar zij van loutere goedheid spreekt,
wordt haar tong met laurier bedekt.

Een zachter regel heeft de liefde niet.

Gwij Mandelinck (1937-2024)
Uit: De wijzers bij elkaar (1974)
Moeder en dochter in de tuin. Edvard Munch 1920

Mandelinck was de vader van de journalist en schrijver Jan Haerynck (1964-2023) en van de kinderimmunoloog Filomeen Haerynck (1972). Zijn pseudoniem komt van de rivier de Mandel die te Wakken in de Leie vloeit. Paul Snoek zou hem hebben opgedragen een pseudoniem te kiezen, omdat die één vissennaam in de Vlaamse literatuur wel genoeg vond.

Hij overleed op 5 april 2024 (Wikipedia)


Schemerzone

Dat er sterren
 
Dat er sterren boven ons gespijkerd staan,
 het gehamer aanhoudt in ons hoofd;
 dat de wereld ons te buiten gaat alsof men
 op het kookpunt van het water naar
 
 ons fluit; dat wij van dorst vergaan,
 er dode vissen op de rugkant drijven;
 dat je een hand verheft die voor een zee van
 tijd het zoute van het zoete water scheidt.

Gwij Mandelinck
Douviehoeve Kunstenfestival Watou foto: Onzekopthee. Leny & Chris

In liefdevolle herinnering?
Zou het kunnen dat het een te verwerven kunst is, liefdevol herinneren?
Wacht.
Je moet een stapje achteruit zetten, weg uit de spiegeling van jezelf.
Weg van wat anderen je hebben gezegd wat liefdevol was en wat niet.
Dat is een grote stap.
Uit de cirkel van het geraas en gemurmel.
Uit de koepel van nu naar de aanwezigheid van toen.
Tussen Proust die het verleden opnieuw wil beleven en Walter Benjamin het verleden als voorteken van wat er nog moet gebeuren ontleedt. Je kunt beiden idealiseren of verdoemen. Het nu als de ellendige plaats van een verloren paradijs of een verdoemd voorteken van rampen allerlei.


Hannah Arendt omschrijft de eindigheid van de mens als iets dat onherroepelijk gegeven is door de korte duur die we doorbrengen binnen de oneindige tijd. Zij strekt zich oneindig ver uit naar het verleden, en in tegenovergestelde richting, oneindig ver naar de toekomst. Zodra we met onze geboorte de ruimte van de wereld binnenkomen, zijn we ook in de tijd. We herinneren, we verzamelen en, zoals Augustinus dat zegt: we halen uit de buik van het geheugen terug wat niet meer tegenwoordig is. We denken echter niet alleen na over het verleden, over wat is geweest, we denken ook vooruit de toekomst in en maken plannen voor wat nog niet is. (De herinnering en de herhaling, (Heidi Dorudi)




We mogen niet vergeten dat een herinnering zich altijd in het heden afspeelt. We mogen niet vergeten dat telkens wanneer we een herinnering oproepen, die aan verandering onderhevig is, maar we mogen ook niet vergeten dat er in het kielzog van die veranderingen waarheden kunnen komen bovendrijven.

En:

Iedereen zeult zijn verleden met zich mee naar een stoel en gaat naast iemand zitten die haar verleden ook bij zich heeft – moeders en vaders en tantes en ooms en vrienden en vijanden en geboorteplaatsen en wegen en brievenbussen en straten en etentjes en wolkenkrabbers en bushaltes zijn allemaal aanwezig in de gebeurtenissen die hem of haar zijn bijgebleven omdat ze pijn of plezier of angst of schaamte veroorzaken.

(Uit: Siri Hustvedt, Herinneringen aan de toekomst.)

Herinneringen aan de tuin van Etten. Vincent van Gogh (Ladies of Arles) 1888

Die ene mooie versregel ‘Een zachter regel heeft de liefde niet’ uit het gedicht ‘Spraakzaam in de spreuken’ van de gisteren overleden dichter Gwij Mandelinck was de aanleiding om het mysterieuze van herinneringen en verwachtingen te belichten, en de betovering ervan te smaken. Elke kunstwerk kan andere woorden en beelden oproepen, biedt plaats aan onze eigen ervaringen, en schenkt het niet altijd troost, het verzekert ons dat we niet alleen zijn met onze herinneringen en verwachtingen maar wij bij elkaar kunnen te rade gaan met de zekerheid dat ons verblijf in de tijd steeds weer door vroeger en later gedragen wordt. Wij zijn niet tijdelijk maar met velen van gisteren en morgen in de tijd. ‘Een zachter regel heeft de liefde niet.’

Laten wij zacht zijn voor elkaar.

Twee jongetjes, kunstwerk van Clemens Bierings.

Het werk ‘Mother and Child gardening’ bij de titel is van de Amerikaanse schilder Frederick Carl Gottwald 1858-1941

Judas Iskariot, een portret?

Judaskus 14de eeuw Fresco.

Lees ik je verhalen door de eeuwen heen dan heb je bijna elk menselijk lot gedeeld: van de vuigste verrader tot de hemelse uitverkorene. Enkele evangelies zwijgen over je dood. Buiten de vier evangeliën kom jij, Judas nauwelijks ter sprake. De eerste dertig, veertig jaar na dato is het opvallend stil rond zijn persoon, schrijft Arie W. Swiep in zijn ‘Judas Iskariot: de rare sprongen van een kat met (minstens) negen levens’. (Vrije universiteit Amsterdam 2020)

Hans Holbein D.Ä. Christus gevangenname. 1501

Is er sprake van een doofpotaffaire vraagt de onderzoeker zich af.

‘Werd hij misschien doodgezwegen? Daar was in elk geval alle reden toe. De Judas-affaire moet een zwarte bladzijde in het geheugen van de eerste christenen zijn geweest. Het paste niet goed in hun kijk op Jezus. Als Jezus, toen hij Judas als discipel uitkoos, niet wist hoe het met Judas af zou lopen, wat zegt dat dan over hem? Dat hij een fatale inschattingsfout had gemaakt? En als Jezus het wel van tevoren wist, wat zegt dat dan? Heeft hij Judas er dan ingeluisd? Volgens sommige onderzoekers wijst dat erop dat Judas een verzonnen figuur is, resultaat van vroegchristelijke legendevorming, omdat er nu eenmaal een zondebok gevonden moest worden om de pijn wat te verzachten. Maar waarom zou iemand het in zijn hoofd halen om zo’n bizarre figuur te verzinnen? (ibidem)

De hedendaagse bespreker maakt er zich van af dit verzwijgen een typisch voorbeeld van Freudiaanse repressie van het collectieve geheugen te noemen. En dit verzwijgen te verbinden met de Neurenberger processen na de Tweede Wereldoorlog waarin de daders, kampbeulen hun gruwelijkheden verdrongen is een betwistbare stelling.

“Uiteindelijk hebben de pogingen om Judas dood te zwijgen echter niet geholpen: de verhalen over hem konden niet onderdrukt of verzwegen worden en op een gegeven moment barstte de bom …” 

The Kiss of Judas. (fragment) Photograph: HKI Institute/The Fitzwilliam Museum, Image Library

Zet ik dan de versies bij elkaar dan zie je een merkwaardige verzameling van menselijke mogelijkheden:

Judas hangt zichzelf op.
Judas sterft door een dodelijke val.
Pogingen om deze versies te harmoniseren.
Judas bezwijkt aan een dodelijk gezwel
Judas wordt overreden door paard en wagen
Judas werpt zichzelf in zee met een molensteen om zijn hals
Judas sterft aan het kruis in plaats van Jezus
Judas wordt gestenigd (verdwijnt in een wolk?)
Judas sterft aan difterie en een zenuwaandoening
Judas sterft een natuurlijke dood
Judas wordt vermoord door twee medediscipelen
Judas wordt 30 jaar later door de Romeinen gekruisigd (roman Jeffrey Archer)
Judas onderneemt een (mislukte) hemelvaart.

Het document kun je raadplegen:

‘The Disembowelment of Judas’ by Giacom/ Giovanni Canavesio (1491)

Ik wil je het besluit van deze studie niet onthouden:

‘Hoe kan ik voorkomen dat mijn manier van Bijbellezen destructief uitwerkt
en eerder schade aanricht dan dat die heilzaam is. Voor de teksten over Judas geldt: Handle with (extreme!) care. Zo bezien is de kwestie Judas een feilloze graadmeter om erachter te komen waar we staan, wie we zijn als lezers, hoe we de ander respecteren of niet: een testcase die helaas zijn waarde in de geschiedenis maar al te vaak heeft bewezen.’ (Arie W Swiep)

Er is ook het boek van Peter Stanford, Nederlandse versie :

Judas: de verontrustende geschiedenis van de afvallige discipel, Peter Stanford. De Bezige Bij 2016

Judas Iskariot. (1878) Eilif Petersen. (Noorse schilder. 1852-1928)

Peter O’Neill:

I am always reminded of the Rolling Stones song on Exile of Main Street in which Jagger sings ‘don’t talk to me about Jesus, I just want to see his face!’ And of course, Oscar Wilde’s unforgettable lines taken from The Ballad of Reading Goal:

Yet each man kills the thing he loves,
By each let this be heard,
Some do it with a bitter look,
Some with a flattering word,
The coward does it with a kiss,
The brave man with a sword!
Judas. Carravaggio


She goes unmentioned in the Bible, but Mrs Judas Iscariot is finally getting recognition thanks to her first-ever portrait, which is the star attraction at a new exhibition of paintings set to tour cathedrals.

The show, inspired by ancient stories that fleshed out Biblical characters centuries afterwards and even added new ones, seeks to give a voice to unnamed and forgotten women in the scriptures.

Artist Chris Gollon has painted 17 new works for Incarnation, Mary & Women from the Bible, which opens at Chichester Cathedral next week and will subsequently travel to the cathedrals of Durham and Hereford.

One of the most striking new works is the portrait of Judas’s wife, a figure who does not feature in the Bible but begins to be referenced in story fragments from as early as the fifth century. (Independent. 2015. Nick Clark)

Gollon’s ‘Judas’s Wife’
(Chris Gollon)

“In de Bijbel is Judas een van de figuren die de meeste vragen oproept – het is dan ook niet verwonderlijk dat mensen hem een achtergrondverhaal begonnen te geven.”

“Een papyrusfragment met Koptische tekst dateert uit de vijfde eeuw en vertelt het verhaal van Judas’ vrouw die hem overtuigt om Jezus te verraden en vervolgens weigert wroeging te voelen nadat hij dat heeft gedaan.


In dit detail uit het "Laatste Avondmaal" van Andrea del Castagno (ca. 1423-1457) zien we Judas (zittend tegenover Jezus). De andere twee discipelen zijn Petrus (links) en Johannes (rechts).
“Verraad is de enige waarheid die blijft hangen." - Arthur Miller
Judas brengt de zilverstukken terug en gooit ze voor de voeten van het Sanhedrin op de grond.(klik op onderschrift om te vergroten en 2x om terug te keren)

Rembrandt’s Judas geeft de dertig zilverlingen terug, voltooid in 1629, toen hij net drieëntwintig jaar oud was, wordt al lange tijd gezien als het eerste volwassen werk van de kunstenaar, zijn eerste meesterwerk. Het schilderij toont veel van de kenmerken die Rembrandts stijl zouden gaan bepalen: dramatische belichting, een ritmische harmonie van compositie en zijn uitzonderlijke vermogen om de emotionele dramatiek van een scène over te brengen.(Morgan Library)


Completed when he was just twenty-three years old, Rembrandt’s Judas Returning the Thirty Pieces of Silver has long been recognized as the artist’s first mature work, his first masterpiece. The painting demonstrates many of the characteristics that would come to define Rembrandt’s style: dramatic lighting, a rhythmic harmony of composition, and his exceptional ability to convey the emotional drama of a scene. (Tekst Morgan Library NY)

Judas' plan


Hij, die jongeman
die geneest
en goede woorden
brood en vissen voor de hongerigen
deelt incluis de raad
met anderen te doen
wat je wenst dat aan jezelf wordt gedaan;
boze geesten verjaagt
en lammen lopen laat;
hij die jongeman
van nauwelijks dertig
die zich de zoon des mensen noemt.

Stel dat ik hem overlever.
Voor een beetje geld, de schone schijn nietwaar.
Zal hij dan eindelijk in volle glorie verschijnen
en de machtigen het zwijgen opleggen?

Dat heb je goed gedaan, zal hij daarna zeggen.
Kom ga naast Johannes zitten.
En wees met hem de leerlingen
die ik het meest heb lief gehad.

Taferelen uit het lijden van Christus. Nederrijn ca. 1480. Museum Catharijne Convent

Te bezoeken:

https://adlib.catharijneconvent.nl/Details/collect/466200

Massamensen en mensen in de massa: een lijdensverhaal (3)

Doodstrijd in de tuin van Olijven. Francisco Goya 1819

De schilder maakte dit paneel voor 'de vrome scholen' in Madrid, een instelling van de Orde der Piaristen, een orde die als doel had onderwijs en opvoeding te bieden aan de zgn. 'onderkant' van de samenleving.

De omgeving is zwart. Duisternis in alle betekenissen van het woord. Na hun laatste avondmaal waren ze met zijn allen naar de tuin bij de Olijfberg gegaan. (hof van Gethsemane) De leerlingen legden zich neer en vielen in slaap. Hij kende het vervolg van de nacht en de volgende dag. Door diepe angsten aangegrepen vraagt hij : Wilt ge deze drinkbeker van mij wegnemen, maar niet mijn maar uw wil geschiede.

Andrea Mantegna. Gebed op de Olijfberg circa 1455
In veel van Mantegna's werk komen harde, kale rotspartijen voor. Hier lijkt hij het 'godverlaten' en woeste karakter van het stenige landschap te gebruiken om de eenzaamheid en angst van Jezus te benadrukken.

Drie volgelingen liggen te slapen terwijl Jezus in doodsangst tot zijn vader bidt. Hij voelt zijn einde naderen. Dat naderen wordt ook letterlijk getoond door het groepje mannen rechts: Judas en de soldaten die Jezus zullen arresteren. Rechts is de lucht al lichter aan het worden; de nieuwe dag is aanstaande. (Bijbelse Kunst)

Giovanni Bellini. Gebed in de hof van Gethsemane 1465

Uit het lijdensverhaal volgens Marcus:

‘Zij kwamen nu aan een landgoed dat Getsemane heette. Daar zei Hij tot zijn leerlingen: ‘Blijft hier zitten terwijl Ik bid.’ Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en begon zich ontsteld en beangst te gevoelen. Hij sprak tot hen: ‘Ik ben bedroefd. tot stervens toe. Blijft hier en waakt.’ Nadat Hij een weinig verder was gegaan wierp Hij zich ter aarde en bad dat dit uur, als het mogelijk was,aan hem mocht voorbijgaan. ´Abba,Vader,’-zo bad Hij- ‘voor U is alles mogelijk; laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt.’ Toen ging Hij terug en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus: ‘Simon, slaapt ge? Ging het dan uw krachten te boven één uur te waken? Waakt en bidt dat gij niet op de bekoring ingaat. De geest is wel gewillig maar het vlees is zwak.’ Opnieuw verwijderde Hij zich en bad met dezelfde woorden. En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap want hun oogleden waren zwaar; ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden. Toen Hij voor de derde maal terugkwam sprak Hij tot hen: ‘Slaapt dan maar door en rust uit. Het is zover, het uur is gekomen; zie, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de zondaars. Staat op, laten we gaan: mijn verrader is nabij.’

Paul Gaugain Christus in de Olijventuin. 1889
 Gij badt op eenen berg alleen,
en... Jesu, ik en vind er geen
waar 'k hoog genoeg kan klimmen
om U alleen te vinden
de wereld wilt mij achterna,
alwaar ik ga
of sta
of ooit mijn oogen sla;
en arm als ik en is er geen
geen een,
die nood hebbe en niet klagen kan;
die honger, en niet vragen kan;
die pijne, en niet gewagen kan
hoe zeer het doet!
o Leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!

Guido Gezelle
Christus op de Olijfberg. Sandro Botticelli. 1499

In het evangelie van Marcus dat, als dc oudste bron, gewoonlijk als het betrouwbaarst wordt beschouwd, wordt Jezus als een volstrekt normaal mens voorgesteld, met ouders en broers en zusters. Er waren geen engelen die zijn geboorte aankondigden of boven zijn kribbe zongen. In zijn jeugd of jongelingsjaren onderscheidde Hij zich in geen enkel opzicht van anderen.
Toen Hij zijn leer begon te verkondigen waren zijn Nazareense stadsgenoten stomverbaasd dat de zoon van de plaatselijke timmerman opeens zo’n wonderkind bleek te zijn. Marcus laat zijn verhaal direct bij Jezus’ loopbaan
beginnen. (Karen Armstrong 'Een geschiedenis van God, vierduizend jaar jodendom, christendom en islam)
De tuin van Getsemane (CC BY-SA 4.0 – Tango7174 – wiki)

“Net als de rabbijnen geloofde Jezus dat de Heilige Geest niet slechts voor een geprivilegieerde elite was weggelegd, maar voor alle mensen van goede wil; sommige bijbelpassages suggereren zelfs dat Jezus geloofde, opnieuw zoals enkele rabbijnen, dat zelfs de gojiem de Heilige Geest konden ontvangen. Als zijn discipelen ‘geloof” hadden, zouden ze zelfs opzienbarender dingen kunnen doen. Niet alleen zouden ze zonden kunnen vergeven en boze geesten kunnen uitdrijven, maar ze zouden zelfs een berg de zee in kunnen slingeren. Ze zouden merken dat hun broze, sterfelijke leven was getransfigureerd door de ‘krachten’ van God die in de wereld van het messiaanse koninkrijk aanwezig en werkzaam waren.
”

(Karen Armstrong ‘Een geschiedenis van God, vierduizend jaar jodendom, christendom en islam)

Antonie Wierix II Christus in de hof van Getsemane (Rijksmuseum)
Gethsemane
 
Zij gingen zóó zich in hun leed verdiepen,
Dat zij, schoon op hun elleboog geleund
Om Hem te zien, wel zeiden: hoe Hij kreunt,
Maar dan stil schreiden, snikten en weer sliepen.
 
Hij bad tot God, Wiens grimmigheid Hem trof.
Die zag in Hem den vuigen mensch der zonde.
En toen Hij nergens troost erlangen konde,
Kroop Hij, een worm, wanhopig in het stof.
 
Toen sterkte God Hem, dat Hij op kon staan.
Hij riep de jongren: Laat ons henengaan!
Reeds rinkelde het harnas der soldaten.
 
De fakkels vlamden over schild en kling.
Toen Hij zich overgaf en medeging,
Had zelfs Johannes Hem verschrikt verlaten.


Willem de Merode

Gethsemane, 1944 by Mark Rothko



The Old and New Testaments also became a rich source of inspiration, as seen in Gethsemane. The title refers to the garden near Jerusalem that was the scene of the agony and betrayal of Christ.

In a radio broadcast Rothko responded thoughtfully to the question:

Are not these pictures really abstract paintings with literary titles? If our titles recall the known myths of antiquity, we have used them again because they are the eternal symbols upon which we must fall back to express basic psychological ideas. They are the symbols of man’s primitive fears and motivations, no matter in which land or what time, changing only in detail but never in substance….Our presentation of these myths, however, must be in our own terms which are at once more primitive and more modern than the myths themselves–more primitive because we seek the primeval and atavistic roots of the ideas rather than their graceful classical version; more modern than the myths themselves because we must redescribe their implications through our own experience….The myth holds us, therefore, not through its romantic flavor, not the remembrance of beauty of some bygone age, not through the possibilities of fantasy, but because it expresses to us something real and existing in ourselves, as it was to those who first stumbled upon the symbols to give them life.

(Masterpieces by Mark Rothko)

Number 14, by Mark Rothko

Zijn deze schilderijen niet eigenlijk abstracte schilderijen met literaire titels? Als onze titels herinneren aan de bekende mythen uit de oudheid, dan hebben we die opnieuw gebruikt omdat het de eeuwige symbolen zijn waarop we moeten terugvallen om fundamentele psychologische ideeën uit te drukken. Het zijn de symbolen van de primitieve angsten en drijfveren van de mens, ongeacht in welk land of welke tijd, alleen in detail veranderend maar nooit in substantie….Onze presentatie van deze mythen moet echter in onze eigen termen zijn, die tegelijkertijd primitiever en moderner zijn dan de mythen zelf – primitiever omdat we op zoek zijn naar de oeroude en atavistische wortels van de ideeën in plaats van naar hun sierlijke klassieke versie; moderner dan de mythen zelf omdat we hun implicaties opnieuw moeten beschrijven aan de hand van onze eigen ervaring…. De mythe houdt ons daarom vast, niet door haar romantische smaak, niet door de herinnering aan schoonheid van een vervlogen tijdperk, niet door de mogelijkheden van fantasie, maar omdat ze voor ons iets wezenlijks en bestaands in onszelf uitdrukt, zoals het was voor degenen die voor het eerst op de symbolen stuitten om ze leven te geven.

Blue, Green, and Brown (1952) by Mark Rothko

In Blue, Green, and Brown (1952), color and structure are inseparable: the forms themselves consist of color alone, and their translucency establishes a layered depth that complements and vastly enriches the vertical architecture of the composition. Variations in saturation and tone as well as hue evoke an elusive yet almost palpable realm of shallow space. Color, structure, and space combine to create a unique presence. In this respect, Rothko stated that the large scale of these canvases was intended to contain or envelop the viewer--not to be "grandiose," but "intimate and human."



Misschien kon ik geen betere week uitkiezen dan deze die nu net voorbij is. Gebeurtenissen in een gevangenis en legereenheid sluiten zonder veel omwegen bij mijn onderwerp aan.
Vernederingen, lijfelijk leed, aanslagen op je geestelijk welzijn.
De stilte van de mensentuin wordt door het lawaai van het naderend geweld teniet gedaan.
Een van de twaalf zal hem verraden met een kus.
Een andere van de twaalf zal weldra verklaren dat hij niets met deze man heeft uit te staan.
De andere tien slaan op de vlucht en alleen Johannes keert terug tot onder het kruis.
Als een misdadiger zal hij voor de geestelijken van het Sanhedrin verschijnen, voor de plaatselijke autoriteit Herodes en voor de vertegenwoordiger van het Romeinse gezag, Pilatus.
Hij is dan tussen dertig en drieëndertig. Het volk dat hem enkele dagen geleden toejuichte, schreeuwt dat hij gekruisigd moet worden.
Met het gevoel van de totale verlatenheid tot diep in zijn ziel.

Mark Rothko, Reds no. 5, 1961, Staatliche Museen zu Berlin, Neue Nationalgalerie / Giotto di Bondone, Kreuzigung Christi, ca. 1315, Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie © VG Bildkunst Bonn, 2008, Foto: Volker-H. Schneider / © Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie Foto: Jörg P. Anders

Massamensen en mensen in de massa: een lijdensverhaal (2)

Pieter Pourbus 1548. Het Laatste Avondmaal Groeningemuseum Brugge
(klikken op onderschrift en dan op kleine afbeelding voor vergroting– op close om terug te keren)

Je hebt wel even tijd nodig om de verschillende handelingen van de personages te bekijken. Het is een vrij rumoerig ‘Laatste Avondmaal’. Vooral de gestalte rechts die slechts gedeeltelijk zichtbaar is. De dood. Hij, de duivel-dood, komt binnen als de centrale rechtstaande figuur buiten gaat. Dat is duidelijk, beurs in de linkerhand, Judas. Wij weten waarom hij het pand verlaat.
De apostel op de rug probeert hem, door zijn mantel te grijpen, tegen te houden terwijl het jongetje de gevallen stoel opraapt. Jezus zelf zegt iets tegen Petrus terwijl de geliefde Johannes dicht tegen de meester zich van de wereld heeft afgezondertd.



De vraag blijft waarom Pourbus hier koos voor een minder bekende iconografie. De aanwezigheid van de Duivel, de heftige beweging van Judas en de reacties van de andere aanwezigen geeft het geheel een theatraal karakter. Het is geweten dat Pieter Pourbus contacten had met de Brugse rederijkerskamer ‘De Heilige Geest’. Dit was een zeer actief gezelschap van (amateur)dichters, die ook vaak toneelstukken schreven. Deze rederijkers kwamen jaarlijks op Witte Donderdag bijeen om het Laatste Avondmaal te herdenken aan de hand van voorgelezen teksten. Daarin werd beschreven hoe de Duivel binnenwandelde op het ogenblik dat Judas het gezelschap ontvluchtte. Liet Pourbus zich voor dit schilderij inspireren door een dergelijke Witte Donderdag opvoering? Misschien is de figuur links in contemporaine kleding met de roze frygische muts, wel het bijhorende gedicht aan het voorlezen vanaf zijn blad!  (Musea Brugge)

Gustave Van de Woestyne. Laatste Avondmaal 1927 Musea Brugge


Terug uit Groot-Brittannië na de Eerste Wereldoorlog is Van De Woestyne een veelgevraagd portrettist. Hij wordt directeur van de Academie van Mechelen en geeft in Antwerpen en Ter Kameren les over monumentale kunst. In de bijzonder vruchtbare jaren 1920 zet hij ook monumentale nieuwtestamentische taferelen op doek. De gelovige kunstenaar streeft ernaar de christelijke boodschap te verzoenen met een moderne vormentaal. In het Laatste Avondmaal geeft hij Christus en zijn apostelen weer in verwrongen houdingen en met expressieve koppen en karikaturaal grote handen. Ze zitten dicht bijeen rond een tafel in een beklemmend kleine ruimte. Merkwaardig detail: Van de Woestyne beeldt zichzelf af als de derde apostel links.

Van de Woestyne kan beschouwd worden als een van de vernieuwers van de Belgische religieuze kunst. Maar bij zijn katholieke tijdgenoten lokt zijn religieuze werk vooral afkeuring uit. Zij noemen het ‘vulgair’, ‘macaber’ en zelfs ‘een gruwel’.

Recent werd het monumentale Laatste Avondmaal van Gustave Van de Woestyne bij Musea Brugge verplaatst. Een huzarenklus die door het technisch atelier en de afdeling collectie van Musea Brugge met expertise succesvol werd uitgevoerd. Bekijk hieronder de indrukwekkende beelden. (Vlaamse Kunstcollectie )

Veel vreugde mocht je niet dadelijk wensen als je naar de hoofden van de apostelen kijkt en hun ongemakkelijke houding in de lege kamer bestudeert. Het was nu eenmaal de tijd van de Nieuwe Zakelijkheid en dan, zoals dat wel eens meer gebeurde, haalde de vormgeving het op de essentie van de inhoud. De wet van de essentie: brood en wijn en de geknielde houding voor het heilig moment. Laten we maar enkele dagen terugkeren naar de intocht van Jezus in Jeruzalem, wat wij nu ‘palmen-zondag’ noemen.
Het geheiligde even terzijde. Een jonge dertiger dus. Op een ezelin gezeten en zijn volgelingen daar achteraan. Het volk troept samen, zwaaiend met lange palmbladeren; sommigen leggen hun mantels op de grond als teken van eerbied, anderen roepen luid. Een intro van een ware volksheld. Dat ‘roepend volk’ zullen we enkele dagen later nog eens horen, maar wel in een andere toonaard. Prachtig geschilderd als fresco in Assisi door Pietro Lorenzetti (1320). Een echt kijkplaatje waarop verleden en heden samen gebeuren.

Pietro Lorenzetti. 1320. De intocht van Jezus en gezelschap in Jeruzalem

Best mogelijk dat je in de volgende weken of maanden ‘Jesus Christ Superstar ziet langskomen, de musical van Tim Rice en componist Andrew Lloyd Webber in een nieuwe regie van Ivo van Hove. De ontwerpers gaven Judas de vertellersrol. En het is Judas die Jezus waarschuwt voor zijn volgelingen in zijn beginlied: ‘‘I am frightened by the crowd/ For we are getting much to loud’. Uitgerekend hij voorziet het fanatisme van zijn aanhangers: ‘All your followers are blind/ Too much heaven on their minds.’ In zijn bespreking legt Marijn van der Jagt (De Groene Amsterdammer 31 januari 2024) het accent op de gevolgen van dit fanatisme:

'Judas neemt afstand van het groepsgebeuren: pas maar op met die lui. Wat hij Jezus voorhoudt, geldt voor iedere leidersfiguur die wordt gezien als de ultieme redder van een volk, een natie of de mensheid. Jouw aanhang zal zich tegen je keren als jij hun verwachtingen niet waarmaakt. En Judas krijgt gelijk: het toegestroomde volk dat Jezus aanvankelijk juichend de stad binnenhaalt, eist later even fanatiek zijn dood. Op dit spanningsveld tussen de adoratie en de haat van de massa legt Ivo van Hove de focus.'

‘Judas’ is ook een boek van Amos Oz (2015, De Bezige Bij)

In Judas keert Amos Oz terug naar de omgeving van zijn meest succesvolle en geliefde boeken: het Jeruzalem van halverwege de twintigste eeuw. Judas is een liefdesverhaal en een coming of age-roman, waarin Oz op openhartige en moedige wijze het thema verraad verweeft.
Net als in Een verhaal van liefde en duisternis combineert Oz zijn persoonlijke visie op historie en heden van Israël met een meeslepende plot en een schitterende schrijfstijl. (De Bezige Bij)

Over de figuur van Judas zegt de auteur bij een bezoek aan Europa:

‘In het denken van miljoenen is Judas de personificatie van het lelijkste verraad denkbaar. Voor miljoenen is hij ook de ultieme Jood. De figuur van Judas is al duizenden jaren het Tsjernobyl van antisemitisme. Mijn protagonist in dit verhaal, Sjmoeël Asj, probeert dat personage te herlezen. Hij begint met een paar eenvoudige vragen over de beroemdste dertig zilverstukken uit de geschiedenis, over de bekendste kus, befaamder dan die van Romeo en Julia. Waarom zou deze welgestelde man zijn ­meester verkopen voor dertig zilverstukken? Omgerekend naar hedendaagse valuta zijn die zilverstukken samen ongeveer zeshonderd euro waard. Als hij zijn meester al verraadde, deze landeigenaar met bezittingen en slaven, waarom hing hij zich dan naderhand op? Nog zo’n vraag: wie had er dertig zilverstukken voor over, of zelfs maar vijftig cent, voor een kus die Jezus zou verraden zodat Hij opgepakt zou kunnen worden? Heel Jeruzalem kende Hem. (Nederlands Dagblad)

https://www.nd.nl/cultuur/boeken/602112/amos-oz-judas-maakte-jezus-juist-succesvol

De Judaskus Jakob Smits (1856-1928)

Robert Desnos: J’ ai tant rêvé de toi

Met de nasmaak van Valentijn? Of toch, eerlijk, geënt op hetzelfde verlangen -maar in de diepte of de hoogte, deze klassieker, dit surrealistisch doorvoelen van wat vrijwel niet in taal of beeld is uit te drukken, geschreven door een man die in 1945 in het concentratiekamp van Terezin, Theresienstadt aan tyfus sterft: dichter, schrijver Robert Desnos. (1900-1945)

'Ainsi Robert Desnos sortait-il de l'anonymat d'un simple numéro de matricule tatoué sur son bras. À peine la nouvelle de sa mort était-elle connue qu'une légende prit naissance. D'un poème qu'il avait écrit en 1926 J'ai tant rêvé de toi, la dernière strophe, à travers des traductions en tchèque et en français, devint pour la conscience collective l'ultime message du poète à la femme aimée sous le titre Le Dernier Poème. La voix de Robert Desnos résonne désormais dans un poème qui a cessé de lui appartenir pour devenir la voix de tous.' (Robert Desnos Association)

'J' ai tant rêvé de toi.'



J’ai tant rêvé de toi que tu perds ta réalité.
Est-il encore temps d’atteindre ce corps vivant
et de baiser sur cette bouche la naissance
de la voix qui m’est chère ?
J’ai tant rêvé de toi que mes bras habitués en étreignant ton ombre
à se croiser sur ma poitrine ne se plieraient pas
au contour de ton corps, peut-être.
Et que, devant l’apparence réelle de ce qui me hante
et me gouverne depuis des jours et des années
je deviendrais une ombre sans doute,
Ô balances sentimentales.

J’ai tant rêvé de toi qu’il n’est plus temps sans doute que je m’éveille.
Je dors debout, le corps exposé à toutes les apparences de la vie
et de l’amour et toi, la seule qui compte aujourd’hui pour moi,
je pourrais moins toucher ton front et tes lèvres que les premières lèvres
et le premier front venu.

J’ai tant rêvé de toi, tant marché, parlé, couché avec ton fantôme
qu’il ne me reste plus peut-être, et pourtant,
qu’à être fantôme parmi les fantômes et plus ombre cent fois
que l’ombre qui se promène et se promènera allègrement
sur le cadran solaire de ta vie.

Robert Desnos “A la mystérieuse”, in Corps et Biens, 1930

Kijk naar de geanimeerde kortfilm, groot scherm aangeraden:


Ik heb zoveel van je gedroomd dat je je realiteit aan het verliezen bent.
Is er nog tijd om dit levende lichaam te bereiken
en op deze mond de geboorte te kussen
van de stem die mij dierbaar is?
Ik heb zoveel van je gedroomd dat mijn armen, gewend om je schaduw te omarmen
te kruisen over mijn borst, niet wilden buigen
naar de contouren van je lichaam, misschien.
En dat, geconfronteerd met de echte verschijning van wat me heeft achtervolgd
en me al dagen en jaren beheerst
Ik ongetwijfeld een schaduw zou worden,
Oh sentimentele weegschaal.

Ik heb zoveel van je gedroomd dat er waarschijnlijk geen tijd meer voor me is om wakker te worden.
Ik slaap rechtop, mijn lichaam blootgesteld aan alle verschijningen van het leven
en van de liefde en jij, de enige die er vandaag voor mij toe doet,
Ik zal je voorhoofd en lippen minder snel aanraken dan de eerste lippen
en het eerste voorhoofd dat voorbij komt.

Ik heb zoveel van je gedroomd, zoveel met je geest gelopen, gepraat en geslapen
dat er voor mij misschien niets anders overblijft, en toch
maar om een geest onder de geesten te zijn en honderd keer meer een schaduw
dan de schaduw die dwaalt en gelukkig zal dwalen
op de zonnewijzer van je leven.

Robert Desnos (1900-1945)
Marc Chagall, Around Her, 1945. Oil on canvas, 131 × 109.5 cm. Centre Pompidou, Paris, Musée national d’art moderne
I’ve dreamed of you so much

I’ve dreamed of you so much that you are losing your reality.
Is there still time to touch this living body
And to plant on this mouth the birth
Of the voice that I hold dear?

I’ve dreamed of you so much that my arms accustomed
In embracing your shadow to crossing over my chest would not reach
Around your body, perhaps.
And that, before the real semblance of what has haunted
And governed me for days and years,
I would become a shadow, doubtless.
Oh sentimental hesitations.

I’ve dreamed of you so much that there is
Doubtless not time for me to wake up now.
I sleep standing up, my body exposed
To all semblance of life
And love and you, the only one
Who matters to me now,
I would be less able to touch your forehead
And your lips than the first lips
And first forehead to come my way.

I’ve dreamed of you so much, walked, spoken,
Slept with your ghost so much
That all that remains for me to do perhaps,
And yet, is to be a ghost
Among the ghosts and a hundred times
More shadow than the shadow which strolls
And will stroll blithely
On the sundial of your life.
Les comptes du poète (crayon sur papier). Robert Desnos



De eerste gedichten van Desnos (onder invloed van Rimbaud) verschenen al in 1917 in La Tribune des Jeunes. Door Benjamin Péret werd hij vervolgens geïntroduceerd in het dadaïstische en surrealistische milieu van Parijs (André Breton, Louis Aragon, Paul Eluard). Het resulteert in de poëziebundel Rose Sélavy (1922-1923), waarin hij een lans breekt voor de ‘écriture automatique’ en de droomwereld gebruikt als sleutel naar het onderbewuste. Ook Corps et Biens (1930) bevat veel van dergelijke experimenten en kan gelden als typisch voor wat de surrealisten in de jaren 1920-1930 zochten en beproefden. In 1930 brak Desnos echter met Breton en zijn medestanders, stellende dat hij zich niet meer kon vinden in het tot systeem gevonden surrealisme. (Wikipedia)


De dichter Robert Desnos schreef op 8 februari 1944 in zijn dagboek: ‘Wat ik hier of elders schrijf zal in de toekomst zonder enige twijfel maar een paar nieuwsgierigen, verspreid over de jaren, interesseren.

Om de vijfentwintig of dertig jaar zal men in vertrouwelijke publicaties mijn naam en een paar fragmenten uit mijn werk, steeds dezelfde, naar voren brengen. De gedichten voor kinderen zullen iets langer overleven dan de rest. Ik behoor toe aan het hoofdstuk van de beperkte belangstelling. Maar dat zal langer duren dan veel van huidige schrijfsels’.

(Dick Broer, Robert Desnos, de onbekende)


 Zeg voor mij gedag aan het meisje van de brug
aan het kleine meisje dat van die mooie liedjes zingt
aan mijn boezemvriend die ik verwaarloosd heb
aan mijn eerste minnares
aan hen die haar je weet wel hebben gekend
aan mijn echte vrienden hen zal je gemakkelijk herkennen
aan mijn zwaard van glas
aan mijn sirene van was
aan de monsters aan mijn bed
Wat jou betreft waar ik meer dan wat ook ter wereld van hou
Ik zeg je nog geen gedag
Ik zal je weer zien
Maar ik ben bang dat ik je nog maar even kan zien

(fragment uit het lange gedicht Siramour uit 1942)


Twee kleine bijlagen (3:19″): ‘The description of a dream: ook in de radiostudio was hij thuis. In 1938 maakt hij er onder de algemene noemer ‘Fantomas’ ‘The house of hidden knowledge, of de geschiedenis van een droom, een verhaal met geluiden en muziekfragmenten. In een blog waar het ‘hoorspel’ in al zijn gedaanten thuis is mag dit niet ontbreken.


Desnos was een flamboyante verschijning in het Parijs van het interbellum. Niet alleen bewoog hij zich te midden van avant-gardistische schrijvers, maar ook schreef hij scenario’s voor experimentele films, zoals Emak Bakia (1927) en L’étoile de mer (1928) van Man Ray. Hij was veelvuldig te zien in het uitgaansleven, werd zwaar verliefd op chanteuse Yvonne George en trouwde met de extravagante Youki Foujita. In de jaren dertig had Desnos ook een spraakmakend radioprogramma op de nationale, genaamd ‘Fantomas’. Hij was bevriend met artistieke grootheden als Pablo Picasso, Ernest Hemingway en John Dos Passos. (wikipedia)

Bezoek de (tanende) website:

https://web.archive.org/web/20100702080246/http://www.robertdesnos.asso.fr

Een beetje frisser, hedendaagser:

https://www.robertdesnos.com/biographie

Achter de titel van deze bijdrage, foto van Youki en Robert Desnos



“Que ferai-je à l’avenir? Si tous les projets ne se mesuraient à la longueur de la vie, je voudrais reprendre des études mathématiques et physiques délaissées depuis un quart de siècle, rapprendre cette belle langue. J’aurais alors l’ambition de faire de la “Poétique” un chapitre des mathématiques. Projet démesuré certes, mais dont la réussite ne porterait préjudice ni à l’inspiration, ni à l’intuition, ni à la sensualité. La Poésie n’est-elle pas aussi science des nombres?»

Robert Desnos. (Fortunes, 1942, nu Collection Poésie/Gallimard (nr 42) 1969)

Het zelfportret geportretteerd (2):


God hath given you one face and you make yourselves another.’

William Shakespeare, Hamlet.

De beschrijving van ‘het Zelf’ zou je langs kronkelige (pseudo) filosofische paden kunnen leiden, een euvel dat beeldende kunstenaars aardig wisten te vermijden door zichzelf woordeloos te verbeelden zodat toeschouwers alle mogelijke wegen ter interpretatie kunnen debiteren. 
Richten we ons met deze bijdrage tot de letteren als materiaal voor het zelfbeeld, dan versmallen de wegen tot paadjes naar wat als ‘innerlijk’ kan doorgaan. Het wezen van ‘het Zelf’ beletteren vraagt alleszins meer wikken en wegen al blijft de schone schijn en het paadje van zelfbeklag ook letterkundig te bewandelen. 

Wil je als intro een combinatie, dan vond ik een fraai gedicht van Ann Van Dessel die met fotograaf Joost Bataille op stap ging. Haar gedicht: ‘fotograaf zoekt sanseveria’ mag van beide betrokkenen een zelfbeeld geven. Elk portret is een zelfportret, althans volgens ‘Meander’ waar de tekst gepubliceerd werd in 2014 zonder echter de naam van de dichteres te vermelden.


fotograaf zoekt sanseveria

of hij mij op een ijskoude zondag in maart
honderd keer mag nemen want ik rijm zo mooi
met de troosteloze straat waarin ik woon

en inderdaad; de huizen staren uit hun ramen
gordijnen vriezen in hun vouwen vast
een bloempot beeldt een orchidee uit

ik mag niet lachen. hij wel. zijn ogen spreken
de straat aan en af. hij lacht naar de lantaarnpaal
en onder zijn blik staan de beukenhagen te blozen

hij kleeft mij midden op het kruispunt. ik versteen,
verkleed als een koud meisje met te veel armen
om ergens te laten en een gezicht dat pret verbijt

we ontdooien in een warm huis, snijden rug aan rug
groenten en trekken een fles wijn later
een ijzige lentenacht over ons heen

Ann Van Dessel. (Uit de bundel: Ik voel me verf samengesteld door fotograaf Joost Bataille) (2014)

Vijftig portretfoto’s van Nederlandse en Vlaamse stadsdichters. En hun gedichten over het maken ervan.

Te doorbladeren: (de eerste foto is Ann Van Dessel, ikzelf vond nergens een betere afdruk, excuses daarvoor.)


Ann Van Dessel (1961) is dichter en schrijfdocent aan de SchrijversAcademie in Antwerpen. In 2012 verscheen haar poëziedebuut ‘Een kei in duren’ (2012), daarna de bundels ‘Toverstroming’ (2017) en ‘Als de lucht valt’ (2021). Samen met enkele bevriende dichters schreef ze ook ‘Een kier in het rumoer: gedichten over stilte' (2015) en ‘Lopen op los zand: gedichten om kanker neer te schrijven’ (2017). Samen met Hans Claus en Nicole Van Overstraeten is zij samensteller van 'Het was de achtste dag: gedichten bij de Verklaring van 30 november' (2022). Alle uitgaven werden verzorgd door Uitgeverij P in Leuven.

https://annvandessel.com

http://www.joostbataille.nl

Self Portrait, Cat Graffam, Oil on Panel, 2016.

Self-Portrait in the Bathroom Mirror

Some days, everything is a machine, by which I mean remove any outer covering, and you will most likely find component parts: cogs and wheels that whirr just like an artificial heart, a girl in a red cap redacting the sky, fish that look like blimps and fish-like blimps, an indifferent lighthouse that sweeps the horizon. I wasn’t a child for long and after I wasn’t, I was something else. I was this. And that. A blast furnace, a steel maze inside, the low-level engine room of an ocean liner. My eye repeats horizontally what I by this time already know: there is no turning back to be someone I might have been. Now there will only ever be multiples of me.

Mary Jo Bang (1946-)

From A Doll for Throwing by Mary Jo Bang. Copyright © 2017 by Mary Jo Bang. Used by permission of The Permissions Company, Inc., on behalf of Graywolf Press, www.graywolfpress.org.

Zelfportret in de Badkamer-Spiegel

Op sommige dagen is alles een machine, en dan bedoel ik dat je alle buitenste bedekkingen moet verwijderen en dan zul je waarschijnlijk onderdelen vinden: radertjes en wieltjes die zoemen als een kunsthart, een meisje met een rode pet die de lucht bewerkt, vissen die eruitzien als blimps en visachtige blimps, een onverschillige vuurtoren die de horizon schoonveegt. Ik was niet lang een kind en toen ik dat niet meer was, was ik iets anders. Ik was dit. En dat. Een hoogoven, een stalen doolhof binnenin, de lage machinekamer van een oceaanstomer. Mijn oog herhaalt horizontaal wat ik nu al weet: er is geen weg terug om iemand te zijn die ik had kunnen zijn. Nu zullen er alleen maar veelvouden van mij zijn.

Mary Jo Bang (1946-)

Mary Jo Bang was born on October 22, 1946, in Waynesville, Missouri, and grew up in Ferguson, which is now a suburb of St. Louis. She received a BA and an MA in sociology from Northwestern University, a BA in photography from the Polytechnic of Central London, and an MFA in creative writing from Columbia University.
David Hockney

En graag wil ik nog een voorbeeld van de Poolse dichter Adam Zagajewski meegeven, dichter die in ons blog meermaals aan het fraai en dichterlijke woord kwam, zie verwijzingen onderaan.

Self-Portrait

Adam Zagajewski
1945 –
2021

Between the computer, a pencil, and a typewriter
half my day passes. One day it will be half a century.
I live in strange cities and sometimes talk
with strangers about matters strange to me.
I listen to music a lot: Bach, Mahler, Chopin, Shostakovich.
I see three elements in music: weakness, power, and pain.
The fourth has no name.
I read poets, living and dead, who teach me
tenacity, faith, and pride. I try to understand
the great philosophers—but usually catch just
scraps of their precious thoughts.
I like to take long walks on Paris streets
and watch my fellow creatures, quickened by envy,
anger, desire; to trace a silver coin
passing from hand to hand as it slowly
loses its round shape (the emperor’s profile is erased).
Beside me trees expressing nothing
but a green, indifferent perfection.
Black birds pace the fields,
waiting patiently like Spanish widows.
I’m no longer young, but someone else is always older.
I like deep sleep, when I cease to exist,
and fast bike rides on country roads when poplars and houses
dissolve like cumuli on sunny days.
Sometimes in museums the paintings speak to me
and irony suddenly vanishes.
I love gazing at my wife’s face.
Every Sunday I call my father.
Every other week I meet with friends,
thus proving my fidelity.
My country freed itself from one evil. I wish
another liberation would follow.
Could I help in this? I don’t know.
I’m truly not a child of the ocean,
as Antonio Machado wrote about himself,
but a child of air, mint and cello
and not all the ways of the high world
cross paths with the life that—so far—
belongs to me.

From Mysticism for Beginners by Adam Zagajewski, translated by Claire Cavanaugh. Translation copyright © 1997 by Farrar, Straus & Giroux, LLC. Reprinted by permission. All rights reserved.

Zelfportret


Tussen de computer, een potlood en een typemachine
gaat de helft van mijn dag voorbij. Op een dag zal het een halve eeuw zijn.
Ik woon in vreemde steden en praat soms
met vreemden over zaken die mij vreemd zijn.
Ik luister veel naar muziek: Bach, Mahler, Chopin, Sjostakovitsj.
Ik zie drie elementen in muziek: zwakte, kracht en pijn.
Het vierde heeft geen naam.
Ik lees dichters, levende en dode, die me leren
vasthoudendheid, geloof en trots. Ik probeer
de grote filosofen te begrijpen -maar vang meestal slechts
flarden van hun kostbare gedachten op.
Ik maak graag lange wandelingen door de straten van Parijs
en kijk naar mijn medemensen, opgewonden door afgunst,
woede, verlangen; om een zilveren munt te volgen
dat van hand tot hand gaat terwijl het langzaam
zijn ronde vorm verliest (het profiel van de keizer wordt uitgewist).
Naast me bomen die niets anders uitdrukken
dan een groene, onverschillige perfectie.
Zwarte vogels lopen over de velden,
geduldig wachtend als Spaanse weduwen.
Ik ben niet meer jong, maar iemand anders is altijd ouder.
Ik hou van diepe slaap, wanneer ik ophoud te bestaan,
en snelle fietstochten over landwegen wanneer populieren en huizen
oplossen als cumuli op zonnige dagen.
Soms spreken de schilderijen in musea tot me
en is ironie plotseling verdwenen.
Ik kijk graag naar het gezicht van mijn vrouw.
Elke zondag bel ik mijn vader.
Om de week spreek ik af met vrienden,
en bewijs zo mijn trouw.
Mijn land heeft zich van een kwaad bevrijd. Ik wens
dat er nog een bevrijding zou volgen.
Zou ik daarbij kunnen helpen? Ik weet het niet.
Ik ben echt geen kind van de oceaan,
zoals Antonio Machado over zichzelf schreef,
maar een kind van lucht, munt en cello
en niet alle wegen van de hoge wereld
kruisen paden met het leven dat – tot nu toe –
mij toebehoort.

eigen foto

Lees ook:


Zelfportret



Je ziet een man in de tuin

hij lijkt verzonken in zichzelf

die man ben ik, ik weet het

maar als je lang kijkt naar een foto

van jezelf verval je in gepeins -

wie je bent en wie je bedoelt

als je ik zegt, enzovoort

ik kijk en kijk in dat gezicht

en inderdaad – ben ik dat?

over het ik is veel nagedacht

ook door mij, maar de meningen

lopen nog steeds ver uiteen

ook die van mij – zoals dat gaat

met woorden die niet kunnen

worden begrepen

niemand heeft ooit zichzelf gezien

maar het verlangen blijft

naar het onzichtbare ik

je zoekt in wat er van je

overbleef een man in de tuin

Rutger Kopland

Doordeweekse deemoed (2): Ons soortelijk gewicht

Jules De Bruycker. Zelfportret. 1933


Korte overweging over reageerbuizen

Je neemt
  een stuk vuur, een stuk water,
  een stuk konijn of een stuk boom,
  of een willekeurig stukje mens,
  je mengt het, schudt het, kurkt het,
  legt het op een warme, donkere, lichte, koude plek,
  laat het een poos met rust - zelf niet gerust -
  maar dat is nu juist de grap.

Na die poos
  ga je kijken - en ziedaar, het groeit,
  een klein zeetje, klein vulkaantje,
  en klein boompje, klein hartje en klein kopje,
  zo piepklein dat je het niet eens hoort lamenteren
  dat het eruit wil,
  maar dat is nu juist de grap: niet horen.

Dan loop je weg
   en schrijft alles op, allemaal streepjes of
   allemaal kruisjes, een enkele met uitroepteken,
   allemaal nullen, allemaal cijfers, sommige met uitroepteken,
   dat is nu juist de grap: eigenlijk is een reageerbuis
   een toestel om nullen te veranderen
   in uitroeptekens.

Dat is nu juist de grap:
  een poos lang vergeet je
  dat je het eigenlijk zelf bent.

In de reageerbuis.


Miroslav Holub
vertaling Kees Mercks
Miroslav Holub (Pilsen, 13 september 1923 – Praag, 14 juli 1998) was een Tsjechische dichter, arts en immunoloog.

Holub werkte als wetenschappelijk medewerker aan het biologisch instituut in Praag. Pas tijdens de dooi (van de 'verbanning' van kunst in de USSR) in de tweede helft van de jaren 50 publiceerde hij zijn gedichten. Samen met Milan Kundera en anderen stichtte hij het poëzieschrift 'Kveten' (Mei). Door zijn actieve deelname aan de Praagse Lente werd hij na de inval ontslagen aan het onderzoeksinstituut en verdwenen zijn boeken uit de rekken van bibliotheken en winkels. Pas na de publieke schuldbekentenis kreeg hij een nieuwe functie, maar zijn poëzie bleef verbannen tot 1982. (Wikipedia)

Jakup Ferri. (Pristina °1981). Untitled. 2023

Untitled (2023). In dit werk openbaart zich een andere inspiratiebron van de kunstenaar, namelijk de eigenaardige micro-organismen (schimmels, virussen, bacteriën) gezien door een elektronenmicroscoop. Met iedere nieuwe blik door de microscoop openbaart zich een nieuw micro-universum bevolkt door sprookjesachtige figuren waarvan de contouren zich continu transformeren. De naamloze man uit het laboratorium komen we vaker tegen in Jakup Ferri’s eigen micro-universums: hij rijdt, jongleert, eet, speelt instrumenten, of gaat op in alledaagse activiteiten. (Andriesse eyck galerie Amsterdam)
Jakup Ferri Kunstmuseum Luzern. ‘We, We or Me

Nullen in uitroeptekens veranderen? Een fraaie poëtische analyse van Miroslav Holub. Kun je nog de nullen achter winstcijfers kwijt, de analyse zal menselijk al te menselijk zijn, het eeuwige leven glimlacht geduldig als het onze berekeningen van zich afduwt en ons het begrip van kortstondigheid aanreikt bij gebrek aan kinderlijke dromen. Laten we de dichter in zijn volgend werk het woord aan Einstein geven, niet de eerste maar wellicht nog vaak de beste als het over denken gaat.


Korte overweging over de relativiteitstheorie

Albert Einstein, in gesprek-
/Knowledge is discovering
what to say/ - in gesprek dus
met Paul Valéry,
kreeg de vraag:

Meneer Einstein, hoe doet u dat nu
met uw gedachten? Tekent u ze op
zodra ze in u opkomen? Of pas
de avond of ochtend erna?

Albert Einstein antwoordde meteen:
Meneer Valéry, in ons métier
zijn gedachten zo zeldzaam dat
als je er al op eentje komt,
je die beslist niet zult vergeten

Zelfs niet een jaar erna.

Miroslav Holub
vertaling Kees Mercks

Paul Valéry. Yun Gee

Wat menselijker is.

-Sommigen geloven dat de levensduur van werken van hun ‘menselijkheid’ afhangt. Ze proberen waar te zijn. Maar hoe staat het dan met de langere duur van werken die met fantasie geschreven zijn?…

Het onware en het wonderbaarlijke zijn menselijker dan de ware mens.

-Angst voor het belachelijke. Terreur van het banale. Nagewezen worden met de vinger, niet opgemerkt worden. Twee afgronden.

-Een groot mens is wie de anderen in verwarring achter zich laat.

-De meest bijzondere kunstwerken, de subtiliteiten van de lijnen, het proeven van de finesses en van de overeenstemmingen met een volmaakte taal, de bijzonderheden van bepaalde mathematische dubbelzinnigheden, de precisie die men bij het onderzoek van de ziel kan bereiken - dat alles is een zaak die zich tussen een paar personen afspeelt. Neem ze weg - wie zou over zo'n groot verlies zijn twijfels hebben?

(Paul Valery, vertaling Jan Fontijn)



Biographie

Le parcours du poète et philosophe français Paul Valéry (1871-1945) est particulier. Influencé par Verlaine et Mallarmé, il écrit une centaine de poèmes symbolistes. Un bouleversement passionnel le fait renoncer à la poésie. Après vingt ans de silence, elle le rappelle. Le mécanisme de la création poétique le fascine ; en quête d’idéal de poésie pure, il crée un langage dans le langage, une union intime entre parole et esprit, une magie poétique pour des poèmes refusant toute finalité. Difficultés, contraintes, art classique et obscurité sont des conditions requises. Il est membre de l’Académie française.

Doordeweekse weemoed bracht twee dichters en een tekenaar samen bij mogelijkheden van zelfonderzoek: bleef het bij nullen die in uitroeptekens veranderden, of ervaarde je ook de clementie, het mededogen met onze beperktheden, met de schaafwonden van de droom, genade voor het bijna mogelijke, het geduld bij verwarring, een huis voor herinneringen, de stilte waarin ze openbloeien? Ons soortelijk gewicht.

Doordeweekse deemoed (1). Blaise Pascal (1623-1662)

Alec Soth, “Cammy’s View. Salt Lake City,” 2018.Credit…© Alec Soth Courtesy of Sean Kelly, New Yorkal)
Tout le malheur des hommes vient d'une seule chose, qui est de ne savoir pas demeurer en repos dans une chambre. (Blaise Pascal)

Zoek je het begrip ‘deemoedig’ op bij van Dale, dan krijg je eerst: ‘vol nederige onderworpenheid’. Of als synoniem: ’Ootmoedig: ‘nederig’. Niet dadelijk woorden om een zeker enthousiasme op te wekken. De auteur van de bovenstaande beschrijvingen, Blaise Pascal, Frans wis-en natuurkundige en filosoof (1623-1662), publiceerde o.a. in zijn ‘Pensées’ voornamelijk deze gecondenseerde wijsheden.


L'homme , qui n'aime que soi , ne hait rien tant que d'être seul avec soi.
De mens die slechts zichzelf bemint, haat niets zozeer, als met zichzelf alleen te zijn.
Blaise Pascal

-deemoed zn. 'ootmoed, onderworpenheid'
-categorie: leenwoord, leenvertaling in brontaal
-Vnnl. demoedt 'ootmoed' [1591; WNT versiering].
-Dit woord moet zijn ontleend aan het Nederduits, vermoedelijk in de context van de Moderne Devotie; de Nederlandse ontwikkeling zou hebben geleid tot *diemoed. Kiliaan noemt het bijwoord deemoedichlick in zijn Tetraglotton van 1562 "ger.sax.sic.", d.w.z. Duits, Saksisch, Sicambrisch (= Ripuarisch).
-Ohd. thiomuoti is een zeer vroege vertaling van de christelijke notie vervat in Latijn humilitas; mhd. diemuot (nhd. Demut) en mnd. demot (15e eeuw) en vnnl. demoed. Het eerste element, pgm. *þew-, drukt dienstbaarheid uit, vgl. ohd. dio, oe. þēow, got. þius, 'knecht, slaaf'; < pgm. *þewaz 'dienaar'; en -thu- in onl. underthudig 'onderhorig' [10e eeuw; W.Ps]. Zie verder deern, dienen. Het oudere Nederlandse woord is ootmoed.
◆ deemoedig bn. 'ootmoedig'. Mnl. demoedich 'id.' [1477; Teuth. ootmoedich], naast demoedelick 'id.' [1501; WNT waalsch]. Afleiding van deemoed met het achtervoegsel -ig.
-Fries: deemoed◆deemoedich`(etymologisch woordenboek)

Deemoedig is in de zestiende eeuw, waarschijnlijk in christelijke kringen, ontleend aan het Duits: het Duitse woord is Demut. Dat is te herleiden tot het Oudhoogduitse thiomuoti, en uiteindelijk gaat het daarbij om een vertaling van de christelijk-Latijnse term humilitas, ‘nederigheid’.
Een ander oud woord voor ‘nederig, onderdanig’ is ootmoedig. (Onze Taal)

Edv. Munch: De nachtwandelaar

Bij leven en werken heb ik zowel Blaise Pascal’ s driehonderdjarige geboortedatum (1623 Clermont) als zijn driehonderdjarige sterfdatum (1662 Parijs) mogen gedenken. Niet eens veertig is hij geworden.

Zijn onderzoekingen omtrent de luchtledige ruimte naar aanleiding van de proeven van Torricelli hielden indertijd de natuurkundigen bezig. Op technisch gebied ontwerpt hij, twintig jaar oud, een rekenmachine, die hij in de handel wil brengen. Hij wil deelnemen aan de uitvoering van het droogleggen der plassen van Poitou en aan het organiseren van een busdienst met een karos. Maar zijn belangrijkste reputatie kreeg Pascal als auteur van de Lettres Provinciales en van de Pensées. (H. Robbers. Streven jaargang 15. 1961-62)

Hannah Vandenbussche, lange afstandsloper en filosofe, schreef ‘Noch engel, noch beest’- Het bittere mensbeeld van Blaise Pascal als pleidooi voor mildheid- (Houtekiet) Een geïllustreerde intro kun je hier raadplegen:

Met Jacotte Brokken had zij een uitgebreid gesprek op radio 1 bij ‘Voorproevers’ en dat kun je via Vrt max en deze links beluisteren. Lekker warm bij het vuur. Pascal zou het hoofdschuddend gewaardeerd hebben. (25′)

https://www.vrt.be/vrtmax/podcasts/radio1/v/voorproevers/2/wat-filosoof-blaise-pascal-ons-nog-te-vertellen-heeft/

Blaise Pascal. Versailles
"Les discours d'humilité sont matière d'orgueil aux gens glorieux, et d'humilité aux humbles."

“Betogen over ootmoed vormen stof tot trots voor de trots en en tot ootmoed voor de nederigen.”

Een “Pascaline” rekenmachine gesigneerd door Pascal in 1652

Achttien werd ik vooraan in dat jaar toen wij Pascals driehonderdste sterfdag herdachten, 1962 dus, tijdspanne dat de eerste paperbacks op de markt waren gekomen en je voor weinig geld heuse boeken kon aanschaffen. Mijn ‘Pensées’ met slappe kaft waarop de genaamde je levenslang zou aankijken werd uitgegeven door Editions du Seuil, texte établi par Louis Lafuma met Préface d’ André Dodin in de serie ‘Livres de Vie’.
Eerlijkheidshalve (mooi woord, vooral wegens die ‘helft’) moet ik zeggen dat de Franse taal waarmee wij toch zeven jaar waren opgeleid van een ander gehalte was dan wat wij in de cursus Frans hadden opgedaan. (Combien de marins…-gedicht ‘Oceano nox’ van Victor Hugo waarbij je als extra tachtig onderdelen van een toenmalig zeilschip in het Frans moest van buiten leren!)

Oh ! combien de marins, combien de capitaines
Qui sont partis joyeux pour des courses lointaines,
Dans ce morne horizon se sont évanouis !
Combien ont disparu, dure et triste fortune !
Dans une mer sans fond, par une nuit sans lune,
Sous l'aveugle océan à jamais enfouis !

Dessin de Victor Hugo pour son roman”Les Travailleurs de la mer”

Mooi, maar de eigenlijke tekst heb ik jaren later mogen ontdekken.
Les pensées op goedkoop papier zag er niet dadelijk aantrekkelijk uit. Je moest op zoek. Wat sprak je op dat moment aan? Tussen toen en nu verschilde dat wel eens. De omstandigheden, zoals dat heet?

343(691)
Propheties. Le grand Pan est mort.
361
Es-tu moins esclave pour être aimé et flatté de ton maitre; tu as bien de bien, esclave, ton maitre te flatte. Il te battra tantôt.
Ben je minder een slaaf om geliefd en gevleid te worden door je meester; je hebt veel goeds, slaaf, je meester vleit je. Hij zal je spoedig slaan.

18.
Les inventions des hommes de siècle en siècle vont de même, la bonté et la malice du monde en général en est de même.
De uitvindingen der mensen gaan van eeuw tot eeuw vooruit; de goedheid en de slechtheid der wereld blijven in 't algemeen onveranderd.

Maar dan ben je toch al twintig en dertig jaar verder.
En zo zijn de pensées, met hier en daar een lichtflits steeds met mee gereisd. Levenslang. Alle huizen. Soms als een tedere herinnering, soms als een zucht. Soms, zoals vandaag met deze pas ontdekte vraag:

68
Quand je considère la petite durée de ma vie absorbée dans l’ éternité précédente et suivante - le petit espace que je remplis et même que je vois abimé dans l’infinie immensité des espaces que j’ ignore et qui m’ ignorent, je
m’ effraye et m’étonne de me voir ici plutôt que là, car il n’y a. point de raison pourquoi ici plutôt que la, pourquoi a présent plutôt que lors. Qui m’y a mis?
Par l’ordre et la conduite de qui ce lieu et ce temps a(-t-)il été destiné à moi ?
68
Als ik denk aan de kleine duur van mijn leven geabsorbeerd in de voorafgaande en volgende eeuwigheid - de kleine ruimte die ik vul en zelfs die ik beschadigd zie in de onmetelijkheid van de ruimten die ik negeer en die mij negeren, dan ben ik bang en verbaasd om mezelf hier te zien in plaats van daar, omdat er geen reden is waarom hier in plaats van daar, waarom nu in plaats van toen. Wie heeft me daar neergezet?
Door wiens bevel en leiding was deze plaats en tijd voor mij bestemd?
Foto door Felix Mittermeier op Pexels.com

Le nez de Cléopâtre: s'il eût été plus court, toute la face de la terre aurait changé.

Op zoek naar de vijand? Het verhaal Saul en David

Een vrolijk begin is het niet, maar als einde van het verhaal door niemand te ontlopen. Händel componeerde het oratorium ‘Saul’ in de zomer van 1738. Nog geen jaar daarvoor was het door hem geleide en gefinancierde operagezelschap ten onder gegaan door de enorme concurrentie van rivaliserende operahuizen, werd hij door een beroerte getroffen, zodat hij door uitval van zijn rechterarm moeilijk kon componeren en er werd zelfs bijna luidop gefluisterd dat hij ze niet allemaal meer op een rijtje had. Een kuur in Aken zal hem echter deugd hebben gedaan want daarna zette de intussen 52-jarige Händel zich aan het componeren, ongeveer vier jaar voor hij zijn meesterwerk ‘Messiah’ zou creëren.

‘Saul’. Het is een verhaal over oorlog waarin de jonge herder David een reus van een tegenstander doodt en het leger van Saul de overwinning bezorgt. Het is een verhaal van Davids vriendschap met Jonathan, de oudste zoon van koning Saul. Was deze vorst ooit een wijze man, met de jaren verandert hij in een jaloerse gek die David naar het leven staat. In een gevecht met de de Filistijnen sneuvelt Saul en zijn drie zonen, Jonathan inbegrepen. Davids klaagzang eindigt met deze zinnen:

 Dochters van Israël, weent over Saul,
die u kleedde met scharlaken, met weelde,
die gouden sier bracht op uw gewaden.

Hoe zijn de helden gevallen in het heetst van de strijd !
Jonathan, op uw hoogten doorboord

Het beklemt mij om u, mijn broeder Jonathan, dierbare vriend !
Wonderbaarlijker was mij uw liefde
dan de liefde der vrouwen.

Hoe zijn de helden gevallen
verloren gegaan, het oorlogstuig.
Lucas van Leyden, David Playing the Harp before Saul, c. 1508

En wie is de vijand? Een herdersjongen – eerst een bondgenoot, schakelt de gevaarlijke reus Goliath uit en wordt ook nog de beste vriend van ’s konings oudste zoon Jonathan. Een gedroomde opvolger. Tokkelt aardig op de lier, noem het gitaar en bedwingt daarmee de ziekelijke melancholie van de oude Saul, maar krijgt als beloning bijna een speer door zijn nog jonge lijf. Wordt ook nog eens ’s konings oudste dochter verliefd op het joch en van die gelegenheid maakt Saul gebruik om hem haar hand en bijbehoren te schenken als hij de gevaarlijke reus doodt. De afloop van die ’tweekamp’ is bekend maar ’s konings dochter wordt aan een ander uitbesteed en David mag in dienst van de vorst ten oorlog trekken maar overleeft glansrijk die boosaardige missie en keert terug als een toegejuichte held met nijdig koninklijk tandengeknars op de achtergrond. Luister hoe Händel het muzikaal verwoordt, het machteloze gevoel van de jonge David met de liefdevolle vraag: ‘…heal his wounded soul.’ Medelijden dat in medevoelen verandert.


David:
O Lord, whose mercies numberless
O'er all thy works prevail:
Though daily man Thy law transgress,
Thy patience cannot fail.
If yet his sin be not too great,
The busy fiend control;
Yet longer for repentance wait,
And heal his wounded soul.
Saul en David Rembrandt

David:
O Heer, wiens barmhartigheden talloos
Over al Uw werken heersen:
Al overtreedt de mens dagelijks Uw wet,
Uw geduld kan niet falen.
Als zijn zonde niet te groot is,
De drukke duivel onder controle;
Wacht nog langer op berouw,
En genees zijn gewonde ziel.
Guercino Saul wil David doden 1646

Bij het verzameld werk deel 3 van auteur Arthur van Schendel (1874-1946) las ik ‘Saul en David’, (Bijbelse verhalen). Vergeten wij te vlug, zijn we alleen op het allernieuwste uit? Een fragment:

“Maar hij verdroeg niet dat zijn onderdaan meer bemind en meer geprezen werd dan hijzelf, de ijverzucht begon hem weer te steken en menig keer brak zijn woede razend uit. Eens, toen hij op zijn troon zat met gebogen hoofd vol grimmige gedachten, loerend naar David, die aan de wand tegenover op zijn citer speelde, greep hij plotseling zijn speer en wierp die met sterke hand om David aan de muur vast te steken. David week al spelend terzijde, de speer drong in de wand. Toch sprong hij ijlings de zaal uit voor de razernij en van dit ogenblik begreep hij dat de koning hem naar het leven stond.”

Lees 'Saul en David' en op de volgende pagina 'David en Jonathan'

https://www.dbnl.org/tekst/sche034verz04_01/sche034verz04_01_0077.php

Otto Dix Saul and David 1958 lithografie

De verhaallijnen blijven actueel: een machtige man (koning) heeft met de hulp van een aankomend talent allerlei bedreigingen overwonnen. Talent huwt met (tweede) dochter van de machtige en vindt bij de bewonderende oudste zoon innige vriendschap. Maar…De jaloezie. En ’s konings donkere gedachten.

"Hij begon hem te vrezen en te haten tegelijk en wanneer David in zijn zaal de citer voor hem speelde zag hij hem aan met ogen fel van wrok. Hij had hem gemakkelijk kunnen doodslaan, maar David was bemind bij het volk. Toen Saul bemerkte dat hij zich niet langer kon beheersen verwijderde hij hem uit het koningshuis door hem het bevel over een leger te geven en hem in de oorlogen te zenden." (Arthur van Schendel Saul en David)

Maar ook in het Engeland van toen waar het oratorium ‘Saul’ van Händel werd opgevoerd bleek het niet alleen om een bijbels gebeuren te gaan:

Het verhaal van Saul riep, zoals gezegd, overduidelijk vaderlandse associaties op. Ook in Engeland verdwenen officieel gezalfde koningen van het toneel.

In 1649 was Charles I door het Parlement afgezet en terechtgesteld. Elk jaar werd deze aanslag op een wettige koning op de dag van zijn executie in kerken over het hele land en in het Parlement herdacht met een plechtige dienst. De voorgeschreven Bijbellezing tijdens deze herdenkingsdienst was de klaagzang van David bij de dood van Saul en Jonathan uit het Oude Testament.

Tijdens de zogenaamde ‘Glorious Revolution’ werd in 1688 de katholieke koning James II, de tweede zoon van Charles I en de laatste Stuart (die in eigentijdse geschriften met Saul werd vergeleken), opzijgezet voor de gezagsgetrouwe Nederlandse stadhouder en protestant Willem III van Oranje (die gehuwd was met James’ dochter Mary), ter herstel van de ‘ware religie’.

In 1739, toen Haendels Saul in première ging, was Georges II koning van Engeland, de vroegere keurvorst van Hannover bij wie Haendel enige tijd in dienst was geweest. Georges was in feite slechts de 58ste in de rij van troonpretendenten! Het gevaar voor rebellie vanuit de in ballingschap verkerende Stuarts was dan ook reëel. Enkele jaren nadien sloegen die inderdaad toe: in 1745 leidde een van de verbannen Stuarts vanuit Schotland de katholieke Jakobitische opstand, die echter fataal afliep in de slag van Culloden. De overwinning inspireerde Handel in 1746 tot het patriottische oratorium Judas Maccabaeus.

(Kunstontmoetingen 28 januari 2021)

Saul eindigt echter niet zoals in de Bijbel met de klaagzang en de daaropvolgende burgeroorlog in Israël. Zoals in de opera was in het oratorium een happy end wenselijk – en verdedigbaar –  om te kunnen afsluiten met een positieve boodschap. Het slotkoor is een oproep tot de rechtmatige strijd om de natie in haar waardigheid te herstellen en te behouden. (ibidem)

Raadpleeg:

https://www.kunstontmoetingen.com/haendel-rembrandt-saul-david

David & Koning Saul ca 1891 John William Brown Glas in lood St Andrew’s Church, Ashburton, UK

Een mooie uitvoering met het Rias kamerkoor en Concerto Köln olv. Rene Jacobs. (1/46) Voor een innige avond.

Ook in het theater zichtbaar, en misschien helaas wel live in datzelfde land waar het ooit werd opgetekend, met dezelfde vragen en eerder twijfelachtige oplossingen, … voorlopig. 


Laat niemand nog in eigen zwaard
zijn einde vinden;
elkanders armen
zijn een beter plaats
om eens wij de laatste reis beginnen
het eeuwig licht
te delen,
zoals land en graan
van ons allen was
en wij kinderen
als broers en zussen
mogen achterlaten.

Saul’s zelfmoord, Engelse Bijbel 13de eeuw Angers Bibliotheque municipale

Wensen met ‘wee-moed’

Diana Calvert Stella by the fire 

Warmte voor wie, alleen in koude dagen,
vermoeid is van het jachten en het jagen.

F.E. Laszlo: Honert, Taco Hajo and his sister Henriette 1905

Gezelschap
en
een boek:
het geraas
is even zoek

Jons Jeronimus Nostalgia

Foto


Weemoed is een foto van voor twintig jaar.
Familie, nog samen, nog gezond.
Is toen. Met een lijst van nu errond.
Het nu houdt het verleden bij elkaar.
En omgekeerd. Want nu is maar even.
Is opschrikken en vragen:
waar waren we gebleven?
Bij jou. In Die Dagen.
Alles is ver. En de liefste dingen nog verder.
Maar door het verleden wordt het bij elkaar
gehouden, als schapen door een herder.


Herman de Coninck
uit: Met een klank van hobo (1981).

Volgens van Daele zou ‘weemoed’ een zacht treurige stemming zijn. Er blijken meer betekenissen of schakeringen aanwezig, maar daar moet je voor betalen. Ik ga niet betalend op zoek naar ‘de dichtwerken van P.A. de Génestet. (auteursrechtvrij!) In 1869 schrijft hij dit mooie vers:

XCVII.  Weemoed en Hope

Op den bodem van het leven,
In de diepte van het hart
Rust de Weemoed
En de Smart;
Maar de hope rijst er neven,
In’t geslingerd menschenhart

Tusschen weemoed, strijd en hope
Vliedt het leven snel voorbij:
Waakzaam, werkzaam
Wachten wij
Dat het Raadsel zich ontknoope,
Wat ons leven zij

Het gaat over een raadsel dat zich moet ‘ontknopen’, en ‘wat ons leven zij‘ daar ben je dus wel even zoet (weemoedig) mee. Nog een geluk dat ‘de hope rijst er neven’. Wanhoop ongewenst. Het blijft bij dat trage ‘ontknopen’, en daar zijn niet alleen kunstenaars maar ook wij allen een tijdje mee bezig, vrijwel levenslang.

Frits van den Berghe. ‘De val van de heiligen’

Misschien verwachtte je een avondlandschap, een weemoedige zonsondergang maar ‘de val van de heiligen’ van schilder Fritz van den Berghe (1883-1939) maakt duidelijk dat je toch niet in hogere sferen moet verkeren om aan de aardse zwaarte te ontsnappen. Het is hier op aarde dat het hart ‘ontknoopt’ moet worden, ‘wat ons leven zij.’ De weemoed schuwt humor niet. ‘Door het verleden wordt het (de liefste dingen) bij elkaar gehouden’ (Herman de Coninck) Al moet ik toegeven dat op 8 oktober 2014 een asteroïde (10074) naar Van den Berghe werd genoemd,. Hoe diep je ook valt, de hoogte is bereikbaar. Kijk naar zijn fantastische ‘Boom in bloei’ (jaartal onbekend) als je graag met beide voeten op de grond blijft.

‘Boom in bloei’ olieverf op doek Frits van den Berghe

Je zou denken dat weemoed vooral een beetje bedroefd zijn is om iets fijns dat voorbij ging: met weemoed terugkijken op je voorbije jeugd, om één van de beschrijvingen weer te geven. Nostalgie, melancholie, spleen. Of: wat toen belangrijk was, is het niet meer. Dichtbij de saudade huist het heimwee.
Onderzoek of het voorbije juist door zijn afwezigheid overgewaardeerd is geweest, het verleden als barmhartige samaritaan; meestal vergeten we één belangrijk aspect van weemoed: de kracht erin vinden om het verlies om te zetten in het tweede deel van het woord: wee-moed. Moed om wakker te blijven, waakzaam te zijn, verder te studeren, je medemensen te waarschuwen voor wat helaas aan rampzaligheid onderweg blijkt te zijn, enz. Wee-MOED als dunamis, power, kracht.
Om aan te sluiten bij kunstenaar-schilder Frits van den Berghe, bekijk een aspect van zijn werk dat niet zo bekend is gebleven:



Van 1931 tot aan zijn dood in 1939 was Frits Van den Berghe, een van de grootste Belgische expressionistische/surrealistische schilders, huistekenaar bij de krant Vooruit. Schitterend zijn de karikaturen die hij maakte voor het humoristisch weekblad Koekoek, waarin hij vooral het opkomend nazisme en fascisme op de korrel nam. Zeer volks en bijzonder grappig is de stripreeks Brieven van Pierken (in het Gents dialect) die hij samen met schrijver en redacteur Richard Minne maakte. Behalve de kranten zelf en de nummers van Koekoek bezit Amsab-ISG ook heel wat originele tekeningen. Verder ontwierp Frits Van den Berghe, die bij Vooruit signeerde met FREE, ook enkele erg sterke affiches. (Amsab ISG)

Je vindt voorbeelden van zijn 124 van zijn tekeningen bij:

https://www.amsab.be/beleef/topstukken/124-tekeningen-frits-vandenberg

Of hij bij de heiligen hoorde die uit de hemel vielen? (nvdr)

Het gloednieuwe jaartal 2024 honderd jaar terugdraaien naar 1924, dan kom je bij de bovenstaande figuratie uit bij de man die net, na de mislukte putch van november 1923, de gevangenis heeft verlaten en succesvol aan zijn (haken)kruistocht begint. 1924 als kanteljaar. (Titel van het boek van Peter Ross Range, nog bij de Slegte verkrijgbaar)

“Met zijn aanspraak op de mantel van de filosoof-politicus’ – een moderne versie van de ‘filosoof-koning’ – had Hitler de sluitsteen geplaatst in de psychologische triomfboog die hij bouwde. Zoals een van zijn helden, Napoleon, zichzelf tot keizer had gekroond in 1804, zo had Hitler zichzelf gezalfd als de grote man van zijn tijd. (…) Uit dat model groeide de Führermythe, die unieke vorm van dictatuur, waarmee hij later Duitsland overheerste en ruïneerde.” (272)

(bronnen geciteerd uit 'Historiek' online geschiedenismagazine )
Chaplin bestreed H. met zijn film The Great Dictator

Ja, weemoed en kunst? Gerard Walschap hield er een fraai betoog over in…1941. Je kunt zijn bijdrage lezen in de Nederlandse bibliotheek voor de Nederlandse letteren, maar ik wil je het citaat waarmee hij besluit niet onthouden. Het komt van Goethe: “Gefühl habt ihr alle, aber kein Geist.” De interpretatie laat ik aan de lezer over maar het is duidelijk dat weemoed ons makkelijk in haar emoties vangt zodat we eerder de moed verliezen dan haar in de veelvuldigheid van mogelijkheden als zachte kracht leren gebruiken om wat verloren dreigt te gaan weer nieuwe vorm en inhoud te geven: het voorbije met het toekomende te verbinden in het dagelijks bestaan dat zelfs 366 dagen voor ons open ligt in 2024. (schrikkeljaar)

Een onbekende meester uit het gevolg van de schilder L. Cranach schilderde in 1528 deze mooie versie van ‘Allegorie van Melancholia’ 

Melancholie, dat in 1983 door het Musée d'Unterlinden werd aangekocht, is ongetwijfeld geïnspireerd op een gravure over hetzelfde thema die Dürer in 1514 maakte. Melancholie, een onderwerp van reflectie sinds de Oudheid, maakt deel uit van de medische theorie van de vier humeuren, waarvan het relatieve evenwicht bepalend is voor de gezondheid van de mens. In tegenstelling tot de Middeleeuwen waardeerde de Renaissance deze toestand en associeerde het met het artistieke temperament, waardoor het de gisting van alle schepping werd. Cranach leende motieven van Dürer, maar transponeerde ze om een van Luthers preken te illustreren waarin melancholie werd gehekeld als een toestand die eigen is aan een wezen dat door Satan is beïnvloed en waartegen men moet eten en drinken. (Wikipedia)

Vlieg met de gevleugelde vrouw in deze schilderij. Laat jouw dromen en wensen voor 2024 meespelen. Wij wensen je een behouden maar durvende vaart want er schuilen meer landschappen in onze zielen dan wij vermoeden. Een mooie ontdekkingstocht gewenst.

Over ‘De Melancholie’ maakten we in 2005 enkele korte afleveringen waarin het terrein werd beschreven. De eerste aflevering vind je hier:

Kleine recepten voor de kortste dagen (1): “Winterwende”

Eigen foto

En alle goede werken worden wakker, haasten zich naar die van goede wille zijn terwijl het in de straten lichtjes regent en elk marktplein de zwervenden van drank en drukte wil voorzien. Winterwende. En met dat woord hoor ik het, lees ik het uitgesproken en beschreven door de dichter Albert Verwey in de bundel: ‘De figuren van de sarkofaag’. (1930) Het derde deeltje in Winterwende: ‘Een nieuw patroon’. (pagina 23)

 Temidden van de drift, de jacht, de woeling,
 Stil in de wereld staan, gevoelloos voor
 De vormen die bekoorden, die ontroerden:
 Een stilstaand oogenblik, volkomen nieuw,
 Maar dat opmerkzaam is op de ongesproken
 Inwendig ritselende wil. Daarna
 De daad, het grijpen, of een snel gebaar,
 Waarmee ge u invlecht in het weefwerk van
 De Tijd, als een patroon naast andre, tevens
 Saam met die andere in een vast verband.
 De Tijd weeft voort. Hij is die raadselgeest
 Die in u werkte en naar u greep: uw greep
 Was toch de zijne: en zijn voorteekening
 Bepaalde alreeds de vorm naar u genoemd.
(foto Metaal Kathedraal)

Dat is mijn eerste receptje, terugkeren, of het ontdekken van de dichter-schrijver Albert Verwey (15 mei 1865 – 8 maart 1937) We hebben al eens bij de bespreking van de schilder Jan Veth Verwey’s prachtig jeugdig portret getoond.( 19 augustus 1922) Hier met graagte bij deze winterwende:

Jan Veth. Portret van Albert Verwey. 1885

Dit portret om niet te vergeten dat, hoe ver terug ook, er steeds weer jonge mensen waren en zijn met hun eigen ideeën en eigen schriftuur, zichtbaar in hun werk, aanwezig ook in deze rumoerige tijden.

Een mooi memento met een overzicht van dit boeiende leven vind je in de tekst van Onno Blom die op 5 oktober 2011 op de Algemene Begraafplaats in Noordwijk bij de onthulling van het gerestaureerde graf van Albert Verwey deze mooie rede uitsprak. Neem je tijd. Lees ze in de stilte van de winterwende en ga op ontdekking. Hier alvast de inleiding:

‘De dood zat in u en ge wist het niet’

Als voorjaarswinden blazen / Bloeien uw tuinen / Als najaarsstormen razen / Schutten uw duinen,’ dichtte Albert Verwey over Noordwijk aan Zee, het dorp waar hij de laatste zevenenveertig jaar van zijn leven woonde. In 1890 betrok de jonge dichter samen met zijn echtgenote Kitty van Vloten Villa Nova, op de helling van een duin op de hoek van de Nieuwe Zeeweg. Het statige huis lag aan de rand van het destijds nog allerminst mondaine vissersdorpje. Er heerste volmaakte rust. Met aan de ene zijde uitzicht op de duinen en aan de andere zijde op ‘de toegedekte landen’, in de lente een waar bloementapijt. Het enige wat er te horen viel, was het fluiten van de zeewind om het huis en het knarsen en piepen van het stoomtrammetje naar Leiden, dat onder het duin doorreed.

En verder dan:

https://www.textualscholarship.nl/?p=10042

Jan Toorop. Portret van Stefan George en Albert Verwey. 1896

En een jongere versie van Chopin’s winter Wind!

‘De figuren van de Sarkofaag’, dichtbundel (1930) kun je volledig raadplegen in de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren:

https://www.dbnl.org/tekst/verw008figu01_01/verw008figu01_01_0005.php