Orpheus, omkijken: noodzaak en verlies

Orpheus en Euredice JacquesLouis David foto Hugo Maertens MSK Gent

Terwijl jouw appartement verbouwd wordt, ben je nu waarschijnlijk voor een tijdje een kust-bewoonster. Van het Antwerpse uitzicht op de rode achter-de huizen-boom naar een breed beeld van strand en een zekere hoeveelheid water die in een bepaald ritme dichterbij komt en weer terugtrekt, en daarbij de getijden van licht en donker, herinneringen en verwachtingen en talrijke andere bewegingen die ook onze emoties en gedachten in beweging zetten. Vaak voel ik me gewiegd in de ritmes waarin wij de tijd vermalen en die ik in allerlei mooie muziek terugvind, waarin het ritme en de melodie-ontwikkeling mij doen denken aan het ‘wiegen’, het net zo heen en weer bewegen van de getijden en het licht. Je kunt die dagelijkse wisselingen vergroten naar jaargetijden zodat je merkt dat het ‘panta rei’, alles beweegt, een geldende uitdrukking blijft in schijnbaar bewegingloze werkelijkheden.

Ik draai er een cello-sonate bij van Beethoven die diepte geeft aan de cirkel waarin we de tijd waarnemen. Alsof de muziek de cirkel kan stopzetten en je even in de waan laat dat je aan het nooit stoppende voortbewegen (het malen van de tijd) een andere draai kunt geven.
Zweven in de innerlijke ruimte. Maar vergis je niet want er staat duidelijk een tijdsduur bij, 13’57 voor het adagio sostenuto-allegro en 7’09” voor het allegro vivace.
Toch gooi je ankers uit die sterk met het verleden (ver of nabij) gelieerde ervaringen weer nabij brengen of het onzekere van wat nog te gebeuren staat verzoenen met de mist die er meestal boven hangt. Wonderlijk is dat je met het jaar 1796 verbonden bent, de datum van de schriftuur. Beethoven was toen in Berlijn, onze geliefde pleisterplaats. Hij ontmoette er de pruisische koning Friedrich Willem II, een muziekfan en ‘keen cellist’ zoals Wikipedia beweert al zouden deze sonates eerder door de de eerste en tweede cellisten van de vorst hun première beleven.

Romeins mosaik Dallas museum of art

Het feit dat je bijna 225 jaar overbrugt geeft je de mogelijkheid de oorspronkelijke ideeën te ervaren zonder de tijdselementen van letters die anders dan muziek hun ouderdom zichtbaar maken, meer lijden aan ouderdomskwaaltjes want taal haakt zich op een andere manier aan de tijd dan muziek. Het vrij zijn van ingewikkelde etnisch gebonden symbolische tekens, geeft de muzikale taal een zuiverheid die elke geschreven bron mist. Haar taal is onmiddellijk door alle wereldbewoners (met enige muzikale opleiding) leesbaar en (met enige muzikale opleiding) uitvoerbaar.

'Worte gehen noch zart am Unsäglichen aus…
Und die Musik, immer neu, aus den bebensten Steinen,
baut im unbrauchbaren Raum ihr vergöttlichtes Haus.
Orpheus temt de dieren
Jan van Ossenbeeck in or after 1660 Rijksmuseum A’dam.

Daarmee ben ik bij Orpheus. Alvast bij ‘de sonetten aan Orpheus’ van Rainer Maria Rilke bij wie de taal nog steeds weinig van haar oorspronkelijkheid heeft moeten afgeven aan de tijd.
De oerbron van het oude verhaal is onvindbaar. In onze literatuur verwijzen we naar Vergilius en Ovidius. De latere bewerkingen voor toneel, opera, poëzie, roman en film zijn niet te tellen.
Stephen Fry maakt er in zijn ‘Helden’ (het tweede boek met Griekse mythen en sagen) een fraai verhaal van.

Marc Chagall The myth of Orfeus
Het vermogen om het wilde beest te kalmeren

Orfeus was de Mozart van de oudheid. Meer dan dat. Orfeus was de Cole Porter, de Shakespeare, de Lennon en McCartney, de Adele, Prince, Luciano Pavarotti, Lady Gaga en Kendrick Lamar van de oudheid, de alom erkende zoetgevooisde meester van woorden
en muziek. Tijdens zijn leven verspreidde zijn faam zich over het Middellandse Zeegebied en daarbuiten. Er werd gezegd dat zijn zuivere stem en ongeëvenaarde spel de viervoeters in het veld, de vissen in de zee, de vogels in de lucht en zelfs de gevoelloze rotsen en wateren konden betoveren. Rivieren verlegden hun loop om hem te horen. Hermes bedacht de lier, Apollo verbeterde die, maar Orfeus vervolmaakte hem.
Er is overeenstemming over de vraag wie zijn moeder was, maar over zijn vader bestaat onzekerheid. Hier stuiten we op een thema dat in dit Tijdperk van de Helden vele malen terugkeert: dat van dubbel ouderschap. KALLIOPE, Mooie Stem, de Muze van de epische dichtvorm, schonk Orfeus het leven nadat ze was bezwangerd door een sterveling, de Thracische koning OIAGROS. Maar naar verluidt was ook Apollo Orfeus’ vader, en Orfeus was zeker een van de lievelingen van de god. In elk geval dartelde de jonge Orfeus met zijn moeder en acht Muze—tantes rond op de berg Parnassos, en daar schonk de verknochte vader Apollo zijn zoon een gouden lier, die hij hem persoonlijk leerde bespelen.
Binnen de kortste keren kon het wonderkind al beter met het instrument overweg dan zijn vader, nota bene de god van de muziek.
In tegenstelling tot Marsyas, die mogelijk zijn stiefbroer was, schepte Orfeus niet op over zijn vaardige spel en hij maakte ook niet de fout om zijn goddelijke vader uit te dagen tot een wedstrijd. Hij probeerde zijn spel te verbeteren en betoverde de vogels in de lucht en viervoeters in het veld. Zelfs de takken van de bomen bogen zich omlaag om naar zijn lier te luisteren, en de vissen sprongen en glommen van vreugde vanwege zijn zachte, verlei-
delijke melodieén.
Zijn karakter was net zo lieflijk als zijn spel en zang. Hij speelde omdat hij van muziek hield, en zijn liederen waren een eerbetoon aan de schoonheid van de wereld en de glorie van de liefde.
(Stephen Fry, Helden, de grote avonturen uit de Griekse mythologie, vertaling Ineke van Elskamp, Thomas Rap A'dam 2019)
Orpheus and the animals Roelant Savery (1576-1639) ca 1630

Het vehaal van Eurydice is vrij bekend. Een grote liefde. Een groot feest. Een zalig leven samen tot…Een boze god van minder allooi het mooie meisje achterna zit, (hij was een imker, vertelt Vergilius) zij in het water springt om aan hem te ontkomen maar daar zwom net een adder die een giftige knauw in haar hiel achterlaat, met de dood tot gevolg. Algemeen verdriet. Meer dan een jaar. Tot Apollo hem opdraagt Eurydice uit de onderwereld terug te halen. Met zijn muziek kan hij de vreselijke hellehond met drie koppen en een slangenstaart, Cerberus, in slaap wiegen, kan hij Charon, de veerman, overtuigen hem over de Styx te zetten en nadien, bij de ingang, de vreselijke drie rechters vermurwen hem door te laten. Bij Hades, de god van de onderwereld lukt het tenslotte ook nog een keer en daar staat dan Eurydice die hij mee terug naar de levenden mag voeren. Echter, hij mag niet omkijken voor ze helemaal boven zijn want anders wordt ze voor altijd naar de onderwereld verbannen. En jawel, net voor ze boven zijn…Hij kan niet langer wachten, draait zich om…De rest is droevige geschiedenis.

John Roddam Spencer Stanhope Orpheus and Eurydice on the Banks of the Styx, 1878

In de literatuurgeschiedenis kun je je afvragen of dat omkijken van Orfeus een rebellie is. Ik laat Dennis Koopman aan het woord in zijn masterscriptie: Orpheus: Geen omkijken naar?

Orpheus negeert net als de vrouw van Lot een goddelijk gebod. Maar is dit rebellie? Orpheus is eerder helbezoeker dan hemelbestormer. De blik achterom mag dan geen bewuste en doordachte actie zijn, het blijft een verzet, een overtreding, hoe onbedoeld misschien ook. De goden denken er hetzelfde over en zijn onverbiddelijk. Maar of Orpheus nu in opstand komt of dat het een fatale vergissing is, het blijft menselijk. We kijken voortdurend achterom, uit veiligheid, instinctief. Maar ook symbolisch: de mens kijkt maar al te vaak terug, naar het leven dat al geleefd is. Misschien moet Orpheus eigenlijk enkel en alleen in die context worden opgevat: het is een les om in het heden te leven, in plaats van in het verleden te blijven hangen.

Orpheus and Eurydice is a painting by Gaetano Gandolfi

‘Een andere benadering is die van een ongewoon soort creatieve therapie: rouwverwerking door die vrouw een tweede maal te scheppen, in wat voor vorm dan ook. We zagen al dat het levend houden van de herinnering, van de verbeelding van de geliefde soms de voorkeur verdient, vooral als ze (voorgoed) onbereikbaar is. Het verlies moet worden getransformeerd, het verdwenen vlees en bloed vervangen. Of het niets vluchtigs is als een lied, of iets tastbaars als een boek of een schilderij: iets moet de plaats innemen van de geliefde. De balans moet worden hersteld; waar iets vernietigd is, moet iets worden geschapen. Een ode voor de dode. Alles wat Orpheus na de dood van Eurydice gedicht en gecomponeerd heeft zijn requiems, lamento’s en elegieën, te vergelijken met rouwliteratuur, boeken waarin het verlies beschreven wordt om het te verwerken, zoals Schaduwkind(2003), Komt een vrouw bij de dokter (2003), Contrapunt (2008) en Tonio (2011).
Mislukking en verlies liggen misschien wel ten grondslag aan de westerse literatuur.
(Dennis Koopman)

Orpheus and Eurydice Edward Poynter(1836-1919)

In de Groene Amstrdammer, 13 juni 2005 schrijft Sandra Kooke een boeiende bijdrage over ‘de talloze gestalten van Orpheus’:
‘In Orpheus komen talloze symbolen samen. Zijn zangkunst hoort bij de rationele god Apollo, wiens zoon hij volgens sommige schrijvers is, zijn dood hoort bij de god van de oergevoelens, Dionysos. Voor latere interpreten krijgt hij een zekere gelijkenis met Jezus. Orpheus is immers een soort leraar, zowel in de muziek als in de jongensliefde. Bovendien gaat hij uit liefde de strijd aan met de dood en wil hij een gestorvene tot leven wekken. Voor anderen is hij de ultieme kunstenaar, al dan niet met ijdele trekjes.

Orpheus’ tocht naar de Onderwereld is te beschouwen als een opdracht, die tot een innerlijke rijping zal leiden. Het is ook een onderzoek naar de betekenis van leven en dood en tot slot een verhaal over de (on)macht van de liefde of van de kunst. Juist de veelheid aan symbolen en interpretaties maakt hem geschikt voor sublimering in de kunst.

Talloze verklaringen bestaan er voor dat omkijken van Orpheus. Een vergissing (Monteverdi), hij kon haar smeken om haar aan te kijken niet weerstaan (Gluck, Couperus), hij was al terug in het zonlicht, zij nog niet (Nicolaas Matsier), de ijdele kunstenaar keek om te zien of ze zijn lierspel wel mooi vond (Simon Vestdijk), hij ontdekte dat hij haar niet meer terugwilde (Helène Nolthenius), het heeft geen zin een dode terug te halen (Cesare Pavese).

De mooiste komt van Jacques Offenbach. In ‘Orphée aux Enfers’ willen Orpheus en Eurydice scheiden, maar het personage Publieke Opinie maakt dat onmogelijk. Als zij sterft, is Orpheus opgelucht. Maar Publieke Opinie eist dat hij haar terug gaat halen uit de onderwereld. (Orpheus zingt daar zelfs een schijnheilige snotteraria op de muziek van Glucks beroemde aria ‘Che faro senza Eurydice’).

Daar is verder niemand blij mee: Orpheus niet, Eurydice niet en Zeus en Pluto niet, omdat ze allebei hun oog op Eurydice hebben laten vallen. Uiteindelijk dwingt Publieke Opinie Orpheus om zonder omkijken terug te lopen. Maar Zeus laat hem zo schrikken met een donderklap, dat hij toch omkijkt. Eind goed, al goed.

Dürer De dood van Orpheus 1494

Er zou nog een hoofdstukje over het smartelijk einde van Orpheus kunnen volgen, maar ik heb me in deze bijlage vooral gecentreerd op de poging van de zanger-dichter-kunstenaar om zijn geliefde uit de dood terug naar de levenden te voeren, een poging die iedereen in dit bestaan die geliefden heeft aan ‘de overkant’ best zal begrijpen. De dichter-muzikant zal duidelijk de grenzen voelen van het ‘weer tot leven brengen’ en zich daarbij in laatste instantie van de kunst moeten bedienen, zonder ooit de poging op te geven die droom te benaderen met inbegrip van het omkijken als menselijke bekommernis als hij voor de zoveelste maal opnieuw begint met het bekende ‘witte blad’ in zijn hoofd. De goden trotseren heeft zijn prijs.

Lieve vriendin aan de woelige herfstzee, graag copieer ik je tot slot het tweeëntwintigste sonnet uit het eerste deel van ‘de sonnetten aan Orpheus’.

Wir sind die Treibenden. 
Aber den Schritt der Zeit, 
nehmt ihn als Kleinigkeit 
im immer Bleibenden. 

Alles das Eilende 
wird schon vorüber sein; 
denn das verweilende 
erst weiht uns ein. 

Knaben, o werft den Mut 
nicht in die Schnelligkeit, 
nicht in den Flugversuch. 

Alles ist ausgeruht: 
Dunkel und Helligkeit, 
Blume und Buch. 

Rainer Maria Rilkee

lees: https://ziladoc.com/download/orpheus-geen-omkijken-naar-masterscriptie_pdf#

Poetry is not a project: Noah Falck

Gordian Knot Henrique Oliveira (Brazil)

Poetry is not a project, dat was de kreet die het pamflet van dichteres Dorothea Lasky samenvatte en in wie de dichter die wij hier voorstellen, Noah Falck, zich terugvindt. Een citaat van Lasky: “Nowadays, poetry critics and scholars often refer to an entire body of work by one poet as a “project,” but I don’t think poems work that way. I think poems come from the earth and work through the mind from the ground up. I think poems are living things that grow from the earth into the brain.”
Lees je de gedichten van Noah Falck dan voel je inderdaad dezelfde richting. Zijn laatst bundel ‘Exclusions’ draagt dan ook een duidelijke titel. Het gaat dus niet over ‘uitsluitingen’, naar de heersende morele opvattingen, maar je sluit zelf een aantal voor de hand liggende mogelijkheden uit om een nieuwe kern te ontdekken en die in je brein mogelijkheden tot ‘uitwas’ te geven.

'Poem Excluding Air Quotes

Start with how your father died.
In the hospital, his legs
couldn’t even whisper beneath
the thin sheets. You sat in a plastic
chair and took in a view of the parking
garage. The hallway was busy
with the occasional sound of toddlers
chasing balloons, of nurses, fake smiles.
You decorated his bedside with a get-
well card from an ex-wife, a tall glass
of ice water. When he passed, you
wondered how many people
had died in this room,
on this bed,
at this time of night
when the darkness was making
a meal of the world.

Excerpted from Exclusions by Noah Falck, Tupelo Press
Foto door Pixabay op Pexels.com
Gedicht "tussen-haakjes" uitgesloten

Begin met hoe je vader stierf.
In het hospitaal, zijn benen
konden niet eens fluisteren onder
de dunne lakens. Je zat op een plastieken
stoel met zicht op de parkeer-
garage. De gang erg druk
met af en toe de klank van kleuters
ballonnen jagend, van verpleegsters, neppe glimlachjes.
Je decoreerde zijn nachtkastje met een beterschaps-
kaart van een ex-vrouw, een lang glas
met ijswater.Toen hij stierf, vroeg je
je af hoeveel mensen
in deze kamer gestorven waren,
op dit bed,
deze tijd van de nacht
wanneer. de donkerte een maal maakte
van de wereld.

vertaling Gmt
Noah Falck (1977) is a poet and educator. He was born and raised in Dayton, Ohio, and attended the University of Dayton. He is the author of the poetry collections Exclusions and Snowmen Losing Weight as well as several chapbooks including You Are In Nearly Every Future and Celebrity Dream Poems.
He co-edited the anthology My Next Heart: New Buffalo Poetry, and has received fellowships from the Kenyon Review Writers Workshop, The Ohio State University, and Antioch Writers’ Workshop. His poetry has appeared in Boston Review, Conduit, Kenyon Review, Literary Hub, Ploughshares, Poets.org, and has been anthologized in Poem-A-Day 365 Poems for Every Occasion.
For ten years, he taught elementary school, and currently spends his summers mentoring young writers as a faculty member in the Kenyon Review Young Writers Workshop. Now living in Buffalo, New York, he works as Education Director at Just Buffalo Literary Center and curates the Silo City Reading Series, a multimedia poetry series inside a 130-foot high abandoned grain elevator.
Poem excluding modern technology

You fill the pool with cough syrup,
and the hot tub with a thousand
hollowed-out cicada shells.
A man becomes the state bird
in the riflescope of a child,
and the trees remember
themselves as seedlings.
A teenager mistakes his shadow
for an old friend. Together they
think the unthinkable.
You climb a tree
and grow your hair shoulder length.
We are almost too young.
Gedicht moderne technologie uitgesloten.

Je vult het zwembad met hoestsiroop,
en het bubbelbad met een duizendtal
uitgeholde cicade-schelpen.
Een man wordt de mascotte
in het geweer-vizier van een kind,
en de bomen herinneren
zichzelf als zaailingen.
Een teenager houdt zijn schaduw
voor een oude vriend. Samen
denken ze het ondenkbare.
Jij klimt in een boom
en laat je haar schouderlang groeien.
We zijn vrijwel te jong.
Anushree Rani Persistence of Memory
I think poems are one of the few places in this life where you can be yourself. Whatever “being yourself means.” I think it means trusting who you are, but also giving yourself the permission to explore and learn more about yourself. Explore the private curiosities, concerns, and excitemen of your time. Explore the long list of things that quicken your heart. I like to think I approach poems in this fashion. But maybe I just want to bear hug the world with language.

I’ve been working out of my dining room for nearly 5 years, really since our daughter came into the world. However, I’m currently transitioning into a makeshift space up into the attic. It needs a bit of work or more realistically a lot of work, but it has a window and my old desk and I think that’s enough. I only recently began to drink coffee within the past year or so, before that I was a strict tea guy. I definitely need a warm beverage beside me during my morning writing time, that caffeine trigger, along with my notebooks and the books I’m currently reading. Sometimes I listen to music, sometimes I need total silence.

Foto door Martin Damboldt op Pexels.com

Histogram of the Moments You Were Alive

Take a deep breath. Find beauty in the bar graph. In the nerves of a river bending. The rodents now silenced in the walls of the house where you grew up. Remember the chapter trying to cancel the world. The one trying to save it. Scroll through the times in which we live. The intervals of hysteria when all the art is quiet. You know the story: Vandalism in the venn diagram; Wind in a valley filled with the same feeling of what dynamite does to buildings; And how ghosts interpret our lives the same as machines. So it goes. Time’s an ocean’s worth of downed power lines over a field of sleeping deer. A bonfire left alone for an entire season, blurring a ratio of color into the aftermath. Into the day. Ambushed myths smothered like clouds in a retelling of the sky. There’s something missing. Let’s say it’s the night with an endless vocabulary of darkness.

Foto door Alex Conchillos op Pexels.com

Lees: https://www.raintaxi.com/im-still-trying-to-figure-it-out-an-interview-with-noah-falck/

The Year Everything Looked Like Sky

Tonight I can’t remember
the specifics of our honeymoon.

You say typical, and turn
your eyes to our child

who clacks dolls together
on the living room floor.

I think of the photograph
of you on a balcony

in a black bikini
swallowed by all the light,

scattered storms widening
on the horizon, on your face.

Maybe the specifics
are more in how I don’t

remember the newlywed
conversations or the island air

rushing in and out of our lungs.
Rather, the room we are in now

and the meaning it seems to hold.
The patterns of the days we

spend together, apart, together,
apart. A sort of blueprint for
the weather we’ve become.
Foto door Trace Hudson op Pexels.com
Poem Excluding Fiction

We live in the most fortunate of times. And
who’s to blame? Our moods like the four
seasons in a tinted window overlooking a
bank robbery. Everyone is raising children
on cable television, on leashes, on the slot
machines that have become our elegies. We
live other lives in high school, college, on the
porch reading the obituaries. Say I miss you
into the mirror while shaving, brushing teeth,
plucking something meant to grow forever.

bezoek: https://www.noahfalck.org/

De autobus, een kleine parabel

'We hebben een bus!'
Dat werd tijd na de weken, maanden, helemaal alleen
de fiets, de brommer, jolige vespa en stoere harley davidson.
Nu was het met zijn allen samen op weg.
Dus holden ze de bus binnen, zetten ze zich comfortabel,
telden af -boef-kapotte sloef- wie de chauffeur mocht zijn, 
-althans voor de eerste rit-,
want het laatste woord daarover hing nog in de lucht.
De deuren klapten dicht.
Hehe. Dat werd tijd!
'Nu nog de wielen en we zijn weg,' zuchtte de voorlopige chauffeur.

'Nog een geluk dat we het wrak van de vorige bus hebben gevonden!'
Ze knikten.
Wielen herinneren zich weinig.
Als ze maar kunnen draaien.
De chauffeur-ad-interim wreef zich in de handen.
'Riemen vast, we gaan snelheid maken!'
'Ik wil best van het landschap genieten, collega.'
'Ik wil gewoon vooruit,' zuchtte zijn gebuur.
'Enfin, on a le vent en poupe.'
De motor kreunde even en viel stil.
'C' est dans le besoin qu'on reconnait ses vrais amis.'
'Rondjes rijden?' vroeg de nog niet aangestelde chauffeur.
'Dat zijn die tweedehands wielen van onze vorige bus gewoon!'
'Rondjes rijden tot we een restaurant zien waar we rustig…
-maar geheel naar corona-normen- 'onderbrak een collega-
'Maar geheel naar de normen elkaar bij een hapje met vijg en geitenkaas op een prikker kunnen vinden!'
'Un entrecote bordelaise!'
'Frietjes met stoofvlees, goede vrienden.'
'Boeuf bourguignon!'
(Maar dat kon ook een scheldwoord zijn geweest.)
En weg waren ze. De rondjes tegemoet.
Carousel
Melanie Martinez

Round and round like a horse on a carousel, we go
Will I catch up to love? I could never tell, I know
Chasing after you is like a fairytale, but I
Feel like I'm glued on tight to this carousel
Come, come one, come all
You must be this tall
To ride this ride at the carnival
Oh, come, take my hand
And run though playland
So high, too high at the carnival
And it's all fun and games
'Til somebody falls in love
But you've already bought a ticket
And there's no turning back now
Round and round like a horse on a carousel, we go
Will I catch up to love? I could never tell, I know
Chasing after you is like a fairytale, but I
Feel like I'm glued on tight to this carousel
This horse is too slow
We're always this close
Almost, almost, we're a freakshow
Right, right when…

De gang als verbeeldende verbinding

Vaak begin ik met een eigen herinnering.
Een herinnering is een mooie toegangsdeur tot de opslag in de breedte en de diepte die wij als ‘kunst’ bestempelen. Ik keer zo ver mogelijk terug in mijn eigen herinneringen. Misschien zijn het slechts vage plaatsen, onduidelijke atmosferen, aangevuld met wat ik op vroege foto’s zag. Ik zal ze dus aanvullen met interpretaties. Ons autobiografisch geheugen start rond op 3,5 – 4,5 jaar.
Zoals filosoof Gaston Bachelard in zijn boek: ‘La poétique de l’ espace’ ons de droom van het eigen huis voorstelt:

"En nous référant à l'œuvre du philosophe brésilien, Lucio Alberto Pinheiro dos Santos Ainsi, la maison rêvée doit tout avoir. Elle doit être, si large qu'en soit l'espace, une chaumière, un corps de colombe, un nid, une chrysalide. L'intimité a besoin du cœur d'un nid. Érasme, nous dit son biographe, fut longtemps « à trouver, dans sa belle maison, un nid où il pût mettre en sûreté son petit corps. Il finit par se confiner dans une chambre au point qu'il pût respirer cet air cuit qui lui était nécessaire »

Zo keer ik terug naar mijn eigen eerste kinderhuis, mijn eerste nest.
Het adres ken ik nog. Het kleine huurhuis van het jonge onderwijzerspaar.
Er zijn vooral foto’s van het binnenkoertje met kippenhok.
Een kind in een derdehands trapautootje waarop mijn vader een grote witte Amerikaanse ster heeft geschilderd. De oorlog is nog niet lang voorbij.
Van het huis binnen zijn er nog onduidelijke beelden van een kamertje waar ik sliep. De geur van appelen die daar te drogen lagen, wintervoorraad. Een misdaad ook: appelen die de grond oprollen en een vader die boos de trap opkomt. En er is de gang. Een lange gang van de voordeur naar de keukendeur met midden rechts als je binnenkomt, de trap naar een overloopje met buitenraam.
Ik herinner mij geen details, eerder atmosferen.
Het beeld van de gang, een treffend symbool voor mijn kleine kindertijd. De lange smalle gang met de trap. De verbinding van buiten met het innerlijke.

Het waren jaren waarin alles tot bedaren kwam.
Voor de jaren van verstand en versterving.
Jaren waarin het begin en de overloop naar de volgende jaren nog naamloos bleken.

Er was een gang naar de deur met daarboven een breed glazen oog. Daarachter lag de straat waar mensen liepen. Je kon ze soms horen stappen of praten.
Opkijken naar was nog opkijken tegen.
De hoogte zag ik nog niet loodrecht dichtbij.
Als je in je bedje lag kon je rechtdoor naar boven kijken. Dat vlak werd later 'zoldering' genoemd: plaats van glijdende lichtvlekken en dansende schaduwen.
Lange mensen waren onderaan, bij de benen, dichtbij maar om er boven bij te kunnen moest je ja armpjes uitsteken tot je werd opgetild.

Het licht van het oog boven de deur vertelde je of het buiten donker of dag was.
Van bij de deur kon je naar de trappen kijken. Tot aan een raam. Soms bewoog er iets achter dat raam. Dat bleken later de takken van een boom te zijn.

In de gang was het altijd koel of koud.
Je moest eerst door de deur achteraan om warmte te voelen. Daar stond er een tafel en daarrond stoelen.
Ik speelde graag in de gang. Zingen klonk er luider dan buiten of in een kamer.
Je kon er lopen of op de trappen gaan zitten.
Hoog de trappen op klimmen was zonder lange mens achter jou verboden.

Als je er zong, klonk het mooier dan buiten.
Foto door Octoptimist op Pexels.com

Bruce Nauman’s corridors sluiten bijna onmiddellijk aan bij de emoties die de vroege huisgang in mijn herinneringen losmaakte. De isolerende werking ervan confronteert de bezoeker met een sterker bewustzijn van zijn aanwezigheid.

Nauman began making his corridors in 1969; the first was built as a prop for a video, yet he soon introduced them into gallery settings, allowing the audience to walk down them, and, in so doing, put in their own performance. These pieces are simple, gypsum-walled walkways, into which the artist sometimes introduces lights, video cameras and monitors, or speakers; some were too narrow walk down; others were wedge shaped.

“Put in extreme terms,” writes Plagens, “he’s the lab scientist and we’re the rats. Nauman’s nicer than that, though. We volunteer to go into the gallery or museum, we volunteer to enter those corridors with ample width and tempting monitors, and we are free to leave any time we want to. Nauman seldom, if ever, makes us close a literal door behind us. He forgoes explicit instructions to the viewer in favour of the de facto action-limiting proportions of the corridors.”

Nevertheless, the corridors do retain a certain Kafkaesque quality, with something as simple as a pair of walls; proof, perhaps, of the American artist’s skill and originality.
Bruce Nauman Corridor Installation (Nick Wilder Installation), 1970.
Wooden wallboards, water-based paint, three video cameras, scanner, frame, five monitors, video recorder, video player, videotape, black and white, silent, Dimensions variable (11 × 40 × 30 ft. as installed at Nicholas Wilder Gallery, Los Angeles, in 1970).

Nauman’s original Live-Taped Video Corridor consisted of two closed-circuit video monitors positioned at the end of a narrow 30’ corridor. The lower monitor featured a pre-recorded videotape of the empty corridor, while the upper monitor showed a live video feed from a camera positioned above the corridor entrance. As viewers walked toward the monitors, they saw themselves from behind on the top monitor and a persistently empty corridor on the bottom monitor. The closer a viewer got to the monitor, the smaller their image became, frustrating their desire to see themselves, while the empty corridor on the bottom suggested that they had become invisible or dislocated in time.

Vincent van Gogh Corridor in the Asylum 1889

The long, narrow hall conveys a sense of futility as it seems to never end. Yet, there is an experience of confinement that portrays the artist’s loneliness and isolation in being trapped within the halls of the asylum. The dull and somber colors of the interior of the asylum convey Van Gogh’s sadness during his stay and through his illness journey. The symmetry and repetition in shape and color of the painting generates a feeling of boring routine and monotony. The never-ending corridor is elongated by this repetition and creates a space that seems enclosed and unceasing, reflective of Van Gogh’s feelings of his time spent there, isolated and directionless. (Julianne Kim in Medium 2019)

De Vasari-corridor

Een heel ander soort gang, de Vasari corridor, werd ontworpen en uitgevoerd in 1564 door Giorgio Vasari en dat deed hij in zes maanden! We zijn in Florence. Hierlangs konden Cosimo de’ Medici en andere Florentijnse edelen veilig de stad doorkruisen. Van het machtscentrum in het Palazzo Vechio naar hun private residentie, het Palazzo Pitti. De slagerij-winkels daarboven werden vriendelijk verzocht op te krassen en in hun plaats kwamen er juweliers. Geld stinkt namelijk niet. Dacht men. Nu kun je in de passage meer dan duizend schilderijen bekijken uit de 17de-18de eeuw met daarbij een belangrijke collectie zelfportretten door de meest beroemde meesters tussen de 16de en de 20ste eeuw. Werden de eerste portretten nog door de Medici aangekocht daarna kwamen er vooral ‘giften’ van de schilders zelf, een handig gebaar ter introductie.

Straatzicht vanuit de corridor

The Corridor 1950 is a rectangular, horizontally orientated painting by the Portuguese artist Maria Helena Vieira da Silva that appears to represent an internal architectural structure. The work depicts a claustrophobic grey interior of a room or corridor with a low ceiling, close walls and a sharp vanishing point, to which the eye is led by multiple conflicting perspectival lines. The surfaces of the space are rendered as if entirely covered in a dizzying mosaic of small geometric tiles, except for four narrow unadorned structural bars that run along the top of the interior walls and toward the vanishing point, and one vertical column which is positioned in the left of the composition. The tiles are square, rectangular and triangular and appear predominantly white, grey and black in colour, with a small number of pale yellowish-grey ones dotted throughout. The painting is inscribed ‘Vieira da Silva | 1950’ at the bottom left. (Judith Wilkinson Tate Museum)

The Corridor 1950 Maria Helena Vieira da Silva 1908-1992 Purchased 1953 http://www.tate.org.uk/art/work/N06189

The work forms part of a series of paintings made by Vieira da Silva (1908-1992) after she moved to Paris in 1948. Despite appearing largely monochromatic, The Corridor contains violet, blue, green, yellow, red, black, grey and white – a palette similar to that used by post-impressionist painter Paul Cézanne (1839–1906). Unlike Cézanne, however, Vieira da Silva mixed her colours with large quantities of white paint, so that from a distance it is difficult to distinguish between the hues. Vieira da Silva’s obsession with perspective was also in part motivated by her interest in Cézanne. Discussing Vieira da Silva’s influences in her early career during the late 1920s and the 1930s, art historian Gisela Rosenthal has observed: ‘It was Cézanne who attracted the young artist most strongly. In his paintings he had attempted to make the structures underlying the visible reality, and found new ways of representing space’ (Rosenthal 1998, p.15).

Maria Helena Vieira da Silva (Portuguese-French, 1908-1992) 
The Corridor or Interior, N/D

Begin je dus de gang los te maken uit zijn rechtlijnigheid of los je zijn versmalling op dan sta je inderdaad voor het raadsel of je ook het doel, de verbinding tussen vertrek en aankomst, niet kunt manipuleren. Een gang wordt dan een dwaalgang, een doolhof. In verschillende culturen was zo’n doolhof niet alleen vermaak maar ook een duidelijke terechtwijzing om op het juiste (of in die tijd juist geachte) pad te blijven. Het begint al in het labyrinth waar Theseus met de hulp van Ariadne ten strijde trekt tegen de Minotaurus.

Deze middeleeuwse voorstelling van het verhaal toont de dappere Theseus in het centrum terwijl hij het toch wat zielige monster een letterlijk kopje kleiner maakt terwijl Ariadne de draad bewaakt. (zonder vrouwelijke hulp was de held nooit bij het monster geraakt, laat staan weer veilig buiten het labyrint gekomen.)

In het fraaie werk van studio Gijs Van Vaerenberg – een samenwerking tussen Pieterjan Gijs en Arnout Van Vaerenberg -denk ook aan hun doorzichtige kerk- was er een eigen interpretatie van het labyrint in het C-mine kunstcentrum in Genk op de vroegere Winterslag koolmijnen-sité ter gelegenheid van het tienjarig bestaan.

Labyrinth” by Gijs Van Vaerenbergh © Philip Dujardin
“Labyrinth” by Gijs Van Vaerenbergh © Philip Dujardin
“Labyrinth” by Gijs Van Vaerenbergh © Philip Dujardin
Gijs Van Vaerenbergh is an artistic collaboration, established by Pieterjan Gijs and Arnout Van Vaerenbergh (both 1983) after they graduated as architects. Central to their practice is a research into the fundaments of constructing and their impact upon the viewer. The duo misappropriates the language of architecture to use it as a medium for relatively autonomous and self-reflexive projects.

Their interventions transform space and lay bare underlying, almost evident qualities. Among their earlier works are: ‘The Upside Dome’ (Leuven, 2010), ‘Reading between the Lines’ (Borgloon, 2011), ‘Framework’ (Leuven, 2012) and ‘Bridge’ (Brussels, 2014).
“Labyrinth” by Gijs Van Vaerenbergh © Philip Dujardin

Zo was het beeld van de gang in het kleine-kinderhuis een begin van een uitwaaierende exploratie. Maar je mag ook het woord niet vergeten, zeker als het in de architectuur van een gedicht is verpakt. ‘Meester’, van een meester: Joost Zwagerman. Hij beschrijft een erg bekende schoolfunctie van de ‘gang’.

Meester

Meester stelt in de klas een vraag.
Jij bent niet in die klas,
Jij moet wachten op de gang.

‘Wanneer is iets kunst?’
De kinderen schrijven een antwoord op.
Tom/Kick: Als het mooi is.
Max: Als het zomer is.
Bodhi: Als het een beetje cool is.
Ebba: Als je in een museum bent.
Jules: Als het licht geeft.
Selma: Als je je best hebt gedaan.
Quirijn/Kesso: Als iets glimt.

Jouw antwoord doet niet mee.
‘Als God Zijn zegen geeft.’

Altijd sta je te wachten,
en altijd is het wachten
op een langer wachten.

Meester laat je achter in de gang.
Je staat er nog, nu al zo lang.

Joost Zwagerman (1963-2015)
uit: Wakend over God (2016)

Zwischen Schock und Schönheit: Hans Scheib (1949)

Hans Scheib, Die Welle (The Wave)

Op mijn tochten langs de Berlijnse gallerijen ontdekte ik zijn werk, voornamelijk in hout, maar ook in brons. Liefde op het eerste gezicht. De direktheid, de humor maar ook het kwetsbare en de verwantschap met de grote klassieke verhalen. In de schijnbare onvolkomenheid raakt hij mijn eigen onaf-zijn, maar troost hij ons ook: het is de ziel die telt, het wezenlijke, niet altijd vleiend voor de ogen, maar zoals Paul Klee schreef: ‘Kunst reproduceert niet het zichtbare, maar maakt zichtbaar.’

Hans Scheib, Guter Morgen (A Good Morning), 2012

“Art does not reproduce the visible, but makes visible.” These words by Paul Klee seem to be written especially for the sculptor Hans Scheib, who was born in Potsdam in 1949. “As long as I can think back, I have dreamed of becoming an artist,” says this great, much honored wood sculptor of himself, who has always consistently refused to accept any fashionable or political trend in his free thinking.

Zeus und Europa . 2005 . 165 x 165 x 66 cm

With a chainsaw and chisel – sometimes in bronze – he creates figures of striking immediacy, interpreting the world in an honest, humorous and even unmistakably personal language. His timeless figures, often borrowed from mythology, tell of longing, loneliness, fragility, sexual hunger, humour and tragedy. Far from the aesthetics of beautiful appearance, he bases his work on the tradition of expressive formal language, which is rooted in the deliberate reflection of the coloured wooden sculpture of the Brücke Expressionists. Scheib’s creatures reflect the general human. They address us in a lively and profound way, touching us with their often wide open eyes, twisted thin legs and angular upper bodies, robust and fragile at the same time. In addition to his sculptures, he also created a large graphic oeuvre.

Donald und Franciscus . Kaltnadel . 2017 . 30 x 21 cm

“He is interested in his very personal message. His figures live from the dramaturgical gesture, from the emotional condensation in the interplay of form and colour. The sculptural is a sensual, meaningful pleasure between shock and beauty,” as Ingeborg Ruthe once described it in the Berliner Zeitung.

Ephebe . 2013 . 32,5 x 12 x 7 cm Bronze

“I never knew what I was going to do tomorrow. When I came to West Berlin, nobody did work like me. I have always taken the step into the unknown, to the blue horizon of unexpected possibilities. (Gallerie Brockstedt Berlin)

Kleiner Engel mit schwarzen Flügeln . 2017 . 97 x 19 x 19 cm

‘Zur damaligen Zeit arbeitete kein anderer Berufsbildhauer in Ost- oder Westdeutschland mit diesem Material. So holte sich Scheib seine künstlerischen Bezugspunkte aus der tiefsten Vergangenheit, aus der ägyptischen und römischen Plastik und der gothischen Skulptur des 16. Jahrhunderts. Die figürlichen Holzschnitzereien von Die Brücke entdeckte er erst Jahre später, da die ostdeutschen Sammlungen keine dieser Arbeiten enthielten.’

Mephisto . 2018 . 168 x 44 x 40 cm

‘Solange ich zurückdenken kann, habe ich davon geträumt, Künstler zu werden. Ich besuchte die Schule, dann die Oberschule und schließlich die Dresdner Hochschule für Bildende Künste, damit ich ein Stück Papier vorzeigen konnte, auf dem stand, dass ich Künstler war. Das brauchte ich, damit mich die Polizei nicht als ‚asozial’ einstufen konnte. Meine Großmutter ist schuld, denn sie hat mir meinen ersten Zeichenblock geschenkt“.

Stanze . 2005 . 49 x 39 x 20 cm

In meinen Arbeiten habe ich versucht, die Geschehnisse um mich herum zu interpretieren. Können Sie sich also vorstellen, wie es für mich war, als man mir im Alter von 30 Jahren sagte, ich könne nie die Welt sehen“? fragt er mich. „Ich wurde verückt. Ich war immer weniger einverstanden mit dem Regime und erkannte die Diskrepanz zwischen Traum und Wirklichkeit. Im Jahr 1985 stellte ich einen Antrag auf ständige Ausreise nach Westberlin – mitsamt meiner Frau, meinen Kindern, meiner Katze und meiner Arbeit. Ich glaube, die Behörden waren froh, mich loszuwerden“, lacht er. „Um meine Reise in die weite Welt anzutreten, musste ich nur über die Straße gehen“. (Meet the Germans)

Elefantenmädchen . 2014 . 19 x 33 x 9,5 cm
Hurra ich bin ein Schulkind. 2015 . 127 x 40 x 30 cm
Phaethon I . 1999 . 260 x 400 x 800 cm
Phaethon . 1996 . 275 x 800 x 400 cm
Hans Scheib studied sculpture in the Academy of Fine Arts, Dresden. His works are included in prestigious public and private collections internationally including the Museum of Modern Art, Berlin; the Albertinum, Dresden; the Grassi Museum, Leipzig; the National Gallery, Berlin; the Kunsthalle Mannheim, Mannheim; and the National Art Museum of China, Beijing. He is the recipient of the 1995 Supporting Award for the Arts from the Academy of Arts, Berlin); the 2015 Bautzen Award for Fine Arts, and 2014 Egmont Schaefer Award for drawing.
Houyhnhnm . 1987 . 250 x 230 x 40 cm

bezoek: https://hansscheib.de/

Mensen en modellen: een verbeelde gemeenschap?

Jacques Blézot The busy man, 2016

Er was eens een zakenman die niet kon stilzitten, maar ook stilstaan of zelfs stilliggen was voor hem een moreel probleem. Toch was deze actieve eigenschap niet dadelijk waar te nemen als je bijvoorbeeld met de man van gedachten wisselde omtrent de lopende coronacrisis of het nijpend drinkwatertekort in de toekomstige samenleving. Hij luisterde aandachtig, formuleerde enkele goed onderbouwde stellingen, besloot rustig met een hoopvolle oplossing en hoopte dat het niet zo’n vaart zou lopen en dat hij had genoten van deze korte maar intensieve ontmoeting waarbij hij niet vergat de groeten voor mevrouw en kinderen in zijn slotzin onder te brengen.

Niemand echter besefte dat hij ondertussen de huidige beursstand van zijn net verworven aandelen had vergeleken met de goede raad van een deskundige collega en dat daardoor de aankoop van een nieuwe koelkast tot de mogelijkheden begon te horen waarvoor het bedrag nog in de vroege uren bij het risicokapitaal was geklasseerd. Om maar te zwijgen dat de drinkwaterdiscussie hem aan een afspraak bij de uroloog herinnerde die hij vorige week door een dringende niet vooruit geplande vergadering had moeten cancellen. Om volledig te zijn was er ook de goudprijs en de aanvraag van een studiebeurs voor zijn oudste dochter met de organisatie van het vervoer naar de voetbaltraining van zijn jongste zoon door zijn hoofd gegaan en zonder al te veel omhaal in het juiste gedachtenvakje geklaseerd nog voor hij op zijn kantoor arriveerde.

‘Training en een goed gecontroleerde ademhaling,’ antwoordde hij toen ik hem bij een etentje ontmoette waar we over opvattingen omtrent sociale huisvesting zouden praten met het oog op een gemeenteraadszitting diezelfde avond.
‘Onze tijd op aarde is beperkt, dat hoeft geen betoog als we er aan denken dat het over enkele maanden al weer eens kerst en nieuwjaar zal zijn terwijl de vorige vieringen daaromtrent niet eens zo lang geleden hebben plaats gevonden. Een goede denkhygiëne is dan ook het enige middel om hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden.’
Of hij misschien wel eens wakker lag van al die drukte in zijn hoofd, het voortdurend multitasken?
‘Ik beschouw het als een sport. Dat betekent dat concentratie erg belangrijk is. Op dit ogenblik heb ik geen enkel ander idee dan de inhoud van dit gesprek. Wel voel ik een zijlijn naar een symposion over collegialiteit en vriendschap, besef ik dat er nog een meeting op me wacht over het absorberende van de kapitaal-onrust, maar ik blokkeer die zijpaden omdat ze mijn energie die ik hier nodig heb onnodig zouden verbruiken. Dat is enerzijds training maar anderzijds openstaan voor het genot van de flexibiliteit. U draagt overigens een mooie das.’

Businessman high jump pop art retro style.

Zijn wederhelft was duidelijk met de bovenstaande wijsheid in het drukke hoofd gekozen. Ze vormden samen een team in dezelfde business. Hun electronische agenda’s waren piekfijn op elkaar afgesteld en er was voldoende ruimte om samen met de kinderen leuke dingen te doen en het geruzie te laten.
‘Ruzie immers tast de energie aan, verlaagt de streefdoelen aanzienlijk.’
‘Maar slapen, tot rust komen, dat moet niet gemakkelijk zijn!’
Hij schudde zachtjes zijn goed verzorgd hoofd en keek me in de ogen.
‘De kortstondigheid van ons bestaan vraagt dat we zuinig zijn met zorgen, beste. De meeste zorgen ontstaan uit mentale slordigheid. Niet goed of genoeg gepland, niet naar juiste waarde ingeschat, of te lange rouwprocessen bij mislukkingen, ik noem maar wat.’
‘Wij zijn tenslotte maar mensen, en…’
‘Nagel op de kop. Wij zijn tenslotte maar mensen, dat is een basisbegrip in onze planning.’

Nieuwsgierig geworden naar de diepere beweegredenen van dit drukke bestaan nodigde ik hem graag uit om samen een goed glas wijn te drinken. Met de wijn kwam het gesprek op onze oenologische voorkeuren en bijgevolg ook op de plaats van al dat lekkers, de wijnkelder die in zijn woning ook nog een andere functie had vervuld.

‘Onze oude wijnkelder heeft een heerlijk lange galm. We besloten dat het leuk zou zijn opgekropte weerstanden -om frustraties een andere naam te geven- in deze ruimte geheel privé uit te schreeuwen, maar dat kwam toch eerder als teken van innerlijke zwakte over, en toen een van de kinderen geheel toevallig ongewild getuige werd van een reeks nogal brutale verwensingen aan elkaars adres hebben we ons herpakt. Het was de laatste stuiptrekking van het oude denken. Alsof de gemoedsrust een waarborg zou zijn voor betere prestaties. We hebben onszelf statistisch onderzocht: een klare definitie, een gemiddelde, de totale som gedeeld door het aantal, een kind kan de was doen, en met de mediaan te onderzoeken kom je verder dan met wat een zielefluisteraar je kan bijbrengen.
Ordenen, analyseren en interpreteren. Je zou ze boven elk kinderbed moeten hangen deze kostbare woorden. Ik heb meer van de variatiecoëfficiënt geleerd -de resultaten van verschillende onderzoeken met elkaar te vergelijken- dan wat er ons aan groepsvorming in de psychologie wordt voorgehouden. En niet bang zijn om jezelf te corrigeren, laten we dat niet vergeten. Met de standaardafwijking en de variatiecoëfficiënt kun je jezelf vrijwel niets meer wijs maken. Ik gebruik nu de eenvoudigste begrippen omdat wij een andere taal spreken: wij modelleren de werkelijkheid, dat hebben we gemeenschappelijk met onderandere de psychologie, het gaat tenslotte om het verwerken van informatie door bijvoorbeeld computersimulaties te gebruiken. Dat is niet moeilijk om te begrijpen. De werkelijkheid is beter met cijfers te vangen dan met romans of emotionele reacties.’
Tijd om het glas te heffen.

‘Maar vergis je niet, wellicht hebben we het over hetzelfde: het beheersen van diezelfde veel besproken werkelijkheid. De interactie tussen boze echtgenoten heb ik via enkele eenvoudige wiskundige modellen beter leren begrijpen dan met een goed bedoeld dieptegesprek bij de therapeut. En tussen dezelfde haakjes: in 1907 bedacht Einstein een modelsysteem waarin hij het basisidee van zijn algemene relativiteitstheorie kon uitdrukken: personen in een lift zonder ramen. Die personen kunnen geen onderscheid maken tussen een verblijf op aarde en een toestand waarin de lift in een raket gemonteerd is en waarvan de motor een versnelling genereert die gelijk is aan de zwaartekrachtsversnelling op aarde. In beide gevallen voelt de persoon een kracht in de richting van zijn voeten. Ook kan de persoon geen onderscheid maken tussen een lift in vrije val en een in een baan om de aarde. Dat model werkte hij in 1915 uit tot zijn algemene relativiteitstheorie.’
Stilte genoeg om even het glas te hervullen en te nippen.

Hij zat op een bank in zo’n ondergeschoven parkje tussen de stadskern, villawijken en de buitenwijken. Hij zag me schrijven, notities voor mijn stuk over modellen en de werkelijkheid. Sjofel zou je als bijvoegelijk naamwoord kunnen gebruiken om zijn kleding te beschrijven.
Of ik ook ‘sprookjes’ schreef voor een of andere krant?
‘Sprookjes? Neen. Integendeel. Ik probeer de werkelijkheid te begrijpen.’
Hij stak zijn wijsvinger op alsof hij in de klas zat.
‘U zit hier op een goede plaats. Op de grens.’
Hij ging rechtop staan, spreidde zijn armen, keek naar links en dan naar rechts.
‘Bedoelt meneer de werkelijkheid van die kant -de villawijken- of van die kant -de buitenwijken-?
Mijn verbazing gaf hem moed.
‘Langs die kant hebben de kinderen een grote tuin met wel eens een zwembad inbegrepen, ieder kind een computer voor het zogenaamde afstandsleren en misschien ook een tweede verblijf aan zee of in de ardennen. Aan de andere kant…’
Hij wees naar een van de grote woonblokken en zweeg zodat ik ruim de tijd tot invullen kreeg.
‘Over die kant -de welstellenden- krijgen we geregeld nieuws te horen en weten we via allerlei programma’s zoals ‘huizenjacht ‘of’ blind gekocht’ hoe het eraan toe gaat, wat ze hebben en nog niet hebben, maar van die kant…? ’t Is maar dat u het weet, nietwaar?’
Hij salueerde en liep richting woonblok.

Een sprookje?
Zouden de computersimulaties van mijn drukke zakenman het al eens een keertje over ‘dat’ deel van de stad hebben gehad? Of was de stad van de modellen inderdaad een ‘imagined community’ zoals Benedict Anderson het samenleven benoemde. Een verbeelde gemeenschap die we met zijn allen kennen en herkennen?
Of is dat ene deel van de stad niet zo geschikt voor computermodellen?
We zijn tenslotte maar mensen.

Met dank voor het artikel van Eric Corijn, 18 mei 2020 ‘Het scheefgetrokken beeld van de samenleving’ in Apache/inhoud heerst en helemaal te lezen op:

The Urgency of Now by Karla Rosas and Fernando Lopez, created for ROOTS Week 2020, featuring C. Gypsi Lewis. Click here to read the artists’ statement.

Het gouden september-licht

Helen McNicoll, The Apple Gatherer, c. 1911
Oil on canvas, 106.8 x 92.2 cm
Art Gallery of Hamilton

Nog maar net is de deur naar september geopend als het licht merkbaar van intonatie is veranderd. Was de vroege zon in het oosten de bode voor de lange zomerdag, nu kunnen de ‘vroege vogels’ op dat tijdstip alleen nog genieten van een schitterende ster als Venus, na de zon en de maan het helderste object aan de hemel, eens zij vier uur voor de zon opkomt in het oosten.
En om verder Frank Deboosere te citeren: in de ochtend van 14 september 2020 staat de maan in de buurt van Venus. Een mooie samenstand.

septemberlicht op de varens eigen opname

Het daglicht verschijnt steeds later en door de invalshoek keren we terug naar het mooie strijklicht dat de weemoed van het voorbije verzacht. Het gouden septemberlicht.
September kan nog zomers zijn.
Als kind strekte de grote vakantie zich uit van 15 juli tot 15 september. De herinnering aan het bloeien van de verschillende soorten heide waaruit de meisjes mooie korfjes vlochten om ze dan met pralines te vullen als geschenk voor de gastfamilie is een echte september-herinnering. (dat jaar, 1949, tekende Ukkel 35 zomerdagen op!)
Een weemoedige blik op een vroege-september picknick van dat jaar, met broertje, grootmoeder, tante en vriendinnen.

Corsendonck 1949

Het gouden licht heeft dus ook een herinnerend karakter. Try to remember this kind of september. Ook al ben je dan ‘deep in december’.

Try to remember the kind of September
When life was slow, and oh so mellow
Try to remember the kind of September
When grass was green and grain was yellow
Try to remember the kind of September
When you were a tender and callow fellow
Try to remember and if you remember
Then follow
Try to remember when life was so tender
That no one wept except the willow
Try to remember when life was so tender
And dreams were kept beside your pillow
Try to remember when life was so tender
And love was an ember about to billow
Try to remember and if you remember
Then follow

En dan keren we terug naar de Canadese laat-impressioniste Helen McNicoll van wie het licht van de prachtige appelpluk onze bijdrage opende. In haar ‘Sunny September’ voelen we de warmte van die septemberzon, ruiken we de nabije oceaan, en hoor je de wind in de hoge grassen. Veel septembers heeft ze niet mogen meemaken, en wat dat horen betreft, als kind was ze door een ziekte haar gehoor verloren, maar blijkbaar niet haar liefde voor het licht ook al mocht die grote liefde nog geen 36 jaar duren. (1879-1915)

Sunny September 1913 Helen McNicoll

In het landschap leven, dat is een mooie bepaling voor de kindertijd van toen. De bossen, vennen, de slotgrachten rond de vroegere priorij: er was geen verloop van tijd, je ontwaakte, buiten was de tafel gedekt, je voederde de eenden en de geiten, en was je moe dan lagen er wel ergens dekens of kussens waar je een slaapje kon doen. Alle leeftijden leefden door elkaar heen, vertelden hun verhalen, gingen op ontdekkingstocht en haastten zich naar huis bij naderend onweer om dan aan de grote ramen naar het prachtigste vuurwerk te kijken, dicht en veilig bij elkaar. Try to remember.

Easter Lilies Helen McNicoll 1907

Het licht van alle seizoenen bundelt zich in de nadagen van de zomer. Het zich herinnerend licht. Met de voornaam van mijn stille grootmoeder, Theresia, verbind ik ‘Trezekes-zomer’, de kleine zomertjes in het najaar, vooral rond het feest van de heilige Theresia al is dat eerder een zonnige periode in de tweede helft van oktober. En volgens de weerspreuken kon hij wel vijf dagen duren.

15 oktober (Sint Teresia) :
Sint-Trezeke plukt het laaste bezeke
Een schoon nakomerken, is Trezia’s zomerken
5 dagen zonneschijn om elkeen te verblij’n

Ik verbind het zomertje dan maar met de appelsoort, Trezeke Meyers die eind september kan geplukt worden en tot februari te bewaren is.

Zacht licht in een september-namiddag

Aarzelend kwamen ze onder de atlasceder voorbij drijven, september-wolkjes. De zachte zon zou niet lang blijven. Twijfelweer. Maar met het zachtste licht dat er voorradig was, en met de waarschijnlijke zekerheid dat het zou terugkeren de volgende septemberdagen. En of zoals dichteres Hanny Michaelis schrijft het licht ‘ziek’ zou zijn: ‘De bomen roesten in het zieke licht…’ kan ik betwijfelen, al weet je dat zoals in ‘Laat septemberlicht‘ van Paul Rodenko het onontkoombare van het sterven niet kan gecamoufleerd worden. Toch is september een halflichte zolder voor onze zomerherinneringen. Zelfs Frank Sinatra zingt een fraaie ballade daaromtrent: ‘The september of my years’, en hij doet dat voortreffelijk.

The September Of My Years

One day you turn around and it's summer
Next day you turn around and it's fall
And the springs and the winters of a lifetime
Whatever happened to them all?

As a man who has always had the wand'ring ways
Now I'm reaching back for yesterdays
'Til a long-forgotten love appears
And I find that I'm sighing softly as I near
September, the warm September of my years

As I man who has never paused at wishing wells
Now I'm watching children's carousels
And their laughter's music to my ears
And I find that I'm smiling gently as I near
September, the warm September of my years

The golden warm September of my years
Helen-McNicoll-Watching-the-Boat-1912

Hand geborduurde pixels: Diane Meyer fotografe

BRANDENBURG GATE, HAND SEWN ARCHIVAL LINK JET PRINT, 2015

In de geborduurde kruisjessteek kreeg de wereld een vrij huiselijk karakter. Was dit vroeger nog een proeve van kunnen bij het vak ‘handwerk’ dan kan de begenadigde borduurster (of-der) met allerlei pakketten alle kanten uit. Van ‘meesjes in een bloemenkrans’, geduldig gecrocheteerde letters op huishoudlinnen tot kussen-decoraties en geduldig opgezette wandtapijten. En al roept de reclame in deze corona-tijd: ‘de kruisjessteek van bomma is weer helemaal in’ (bomma was een jonge vrouw tijdens de zestiger jaren, niet dagelijks met dat soort handwerk bezig), het blijft -op afstand bekeken- niet dadelijk een vernieuwend medium. Voor kunstenares fotografe Diane Meyer (USA) echter wordt die kruisjessteek een heus medium door ze op twee series foto’ s met verschillende doeleinden te gebruiken.

Yellowstone I, 4.5 x 4.5 inches, 2016
Recently I have been working on two different series of hand embroidered photographs exploring issues of memory and history. One series consists of 43 hand-sewn photographs taken along the entire roughly 100 mile path of the former Berlin Wall. Sections of the photographs have been obscured by cross-stitch embroidery sewn directly into the photograph. The embroidery is made to resemble pixels and represents the exact scale and location of the former Wall offering a pixelated view of what lies behind. In this way, the embroidery appears as a translucent trace in the landscape of something that no longer exists but is a weight on history and memory.
CHECKPOINT CHARLIE, HAND SEWN ARCHIVAL LINK JET PRINT, 2015
In the second series, Time Spent That Might Otherwise Be Forgotten, cross stitch embroidery has been sewn directly into family and travel photographs from periods throughout my life. The images are broken down and reformed through the embroidery into a hand-sewn pixel structure. As areas of the image are concealed by the embroidery, small, seemingly trivial details emerge while the larger picture and context are erased. I am interested in the disjunct between actual experience and photographic representation and photography’s ability to supplant memory as well as the ways in which photographs transform personal history into nostalgic objects that obscure objective understandings of the past. By embroidering a pixel structure into the images, a connection is made between forgetting and digital file corruption. The tactility of the pieces also reference the growing trend of photos remaining primarily digital- stored on cell phones and hard drives, but rarely printed out into a tangible object.
Group I, 7×9 inches, 2016

Het is een dubbele beweging: in de Berlijnse serie maakt zij de nu zichtbare wereld -bij ons bewust door op dezelfde maat van de vroegere Berlijnse Muur te werken- opnieuw onzichtbaar, terwijl wat zichtbaar is geweest in onze snapshots nu achter de ‘kruisjessteek’ wordt verborgen met de intentie te waarschuwen dat onze dagelijkse beelden inderdaad onzichtbaar zullen worden als we ze niet afdrukken : ‘in which photographs transform personal history into nostalgic objects that obscure objective of the past.’

New Jersey III, 6.25 x 7.5 inches, 2012
POTSDAMER PLATZ, HAND SEWN ARCHIVAL INK JET PRINT, 2017
 

Zijn we gewoon geworden de wereld via ‘afbeeldingen’ te consumeren, bewegende of stilstaande, de inhoud is als ‘opslag voor het geheugen’ bedoeld alsof we de voorbij tijd in een verzameling ‘pixels’ kunnen opslagen en weer oproepen. Diane Meyers werkwijze maakt ons attent op de onmogelijkheid daarvan. Die onmogelijkheid heeft met ons tekort aan verbeelding te maken, of met ons onvermogen werkelijk te kijken, de inhoud van een beeld te leren lezen niet alleen als prentje maar als condensatie van gebeurtenissen, verhoudingen, ons dus te verbazen of beter nog: te verwonderen.

New Jersey VIII, 5.5 x 6.5 inches, 2012
Berlin KIELER STRASSE, HAND SEWN ARCHIVAL INK JET PRINT, 2012
Diane Meyer (b. 1976) received a BFA in Photography from New York University and an MFA in Visual Arts from the University of California, San Diego. She has been living in Los Angeles since 2005 where she is a professor at Loyola Marymount University. Her work has been widely exhibited nationally and internationally and is in the permanent collections of the George Eastman Museum, the Museum of Contemporary Photography Chicago, the Clarinda Carnegie Museum and the Hood Museum of Art.
EAST SIDE GALLERY, HAND SEWN ARCHIVAL INK JET PRINT, 2014

Door haar werkwijze zijn haar werken ook een uitnodiging tot ‘aanraken’, je wilt de stof voelen zoals je in feite ook de voorbije werkelijkheid zou kunnen aanvoelen en niet alleen oppervlakkig visueel waarnemen.

I am referring to the divide between the photographic image and lived experience. Photographs frequently become stripped of their original context or meaning. Memory can be very porous causing the meaning behind photographs to change over time. Also, images are edited in a way that can change the reality of a situation- such as what is seen in family photo albums. The same is true today by the stories that people create about their lives when selecting which images to put on social media.

Vanuit de trein, aankomst Venetië

Bekijk haar werk: http://www.dianemeyer.net/

Bruges II, 8×8 inches, 2016
House Former Wall Area Near Lichterfelde Sud © Diane Meyer

‘I think in some ways, photography plays an even more important role today in preserving history. As photography becomes an even more democratic medium: camera phones putting the ability to document the world in the hands of so many people, digital imaging allowing for an unlimited amount of images to be taken, and social media giving everyone a platform to place their images in the public realm, every event has a multitude of image makers. Both professional and amateur people are documenting the history and allowing it to be simultaneously seen from multiple vantage points.’

The West I, 5×7 inches, 2011

Luister-landschappen

Foto door Jonathan Petersson

Je oor te luisteren leggen.
Als kind dacht ik dat er een mensensoort bestond die de oorschelp van het hoofd kon verwijderen en die dan ergens ’te luisteren legde’.
Hoe de verbinding van het losse oor met het nog immer vaste hoofd moest gelegd worden deed niets ter zake. Digitaal zou dat vandaag overigens geen enkel probleem zijn.

Ietsje wijzer, toen ik vernam dat het horen in dat hoofd plaatsvond en de schelp blijkbaar zich tot het afschermen en opvangen van de ruimte beperkte, droomde ik ervan die schelpen te kunnen richten en ontdekte ik de verbreding ervan door mijn hand achter die schelp te houden en daardoor een ruimer of gerichter klankveld te ontdekken.
Meestal dienen de handen, of de wijsvingers, om je oren toe te stoppen en je af te schermen van ongewenste geluiden ook wel eens ‘lawaai’ genoemd.

Met het ruiken is luisteren naar de omgeving een van onze minst ontwikkelde eigenschappen.
Er is een voorgrond, een middenveld en een achtergrond. Er is dus diepte, maar ook afstand van links naar rechts en omgekeerd. En de mix. Ruimte dus.

Laten wij je meenemen naar een ongemonteerd geluidslandschap uit toch al vervlogen tijden. Op de achtergrond hoor je de golvende ondertoon van van een briesje en dichtbij heerst nog wat dit blog zachtjes propageert: stilte.
Stilte is dus niet het ontbreken van geluid, maar een omgeving waarin de natuurlijke geluiden van het landschap je omgeven. Met koptelefoon of goede boxen te genieten. Sluit je ogen en je bent in een lang voorbije zomer in een hoeve-tuin met huiszwaluwen, zwaluwen, duiven, roeken, bijen en sprinkhanen. Een klanklandschap van vierhonderd en tien seconden, 6 minuten 48″.

Foto door Jonathan Petersson op Pexels.com

Nog een beetje vroeger, bij het zomerse ochtengloren is het nog stiller. Bijna geen wind meer. Alleen een ver beekje denk ik. Einde van de nacht.
Dit landschap kon je vroeger ook nog horen bij zonsopgang aan de rand van de stad en is nu helaas vrijwel geheel verdwenen. De vogels zwijgen. Ze zijn er niet meer.
Hier hoor je een grote diversiteit omdat dichtbij en de verte maar ook de breedte het waarnemen vervolledigen.
Een verloren landschap?
De kinderen en kleinkinderen van onze kinderen hebben misschien alleen nog deze opname als herinnering. Ongemonteerd. Zoals het toen was.

Foto door Johannes Plenio op Pexels.com

Kijken met de oren moet beloond worden. Daarom deze wondermooie opname van twee nachtegalen. Allerlei informatie over deze wondere vogel vind je zeker bij Natuurpunt.
Wie hem hoorde zingen, vergeet het nooit. Luscinia megarhyncos heet hij in het latijn. Deze twee zangers zijn bijzonder dichtbij opgenomen, een prachtig document uit het BBC-geluids-archief.

Beatrice Harrison was een bekende Britse cellist. In haar tuin in Oxted zat een nachtegaal die bleef zingen terwijl Beatrice zat te repeteren. Dat bracht haar op de idee om een duet live uit te zenden op de BBC. Meer dan 1.000.000 luisteraars konden op de radio luisteren naar een cello-uitvoering van Songs my mother taught me (Dvořák), Chant Hindu (Rimsky-Korsakov) and the Londonderry Air (the tune of Danny Boy) met nachtegalengezang ertussendoor. De respons was overweldigend. In de weken die volgden op de uitzending ontving Beatrice Harrison meer dan 50.000 brieven van verrukte luisteraars. Zondermeer het meest succesvolle nachtegalenconcert ooit.(bron:  Natuurpunt)
Vroeger hadden volgens de volksmythologie zowel de nachtegaal als de hazelworm elk één oog. Beide konden goed met elkaar opschieten. Toen de nachtegaal op een bruiloft was uitgenodigd, stal hij het oog van de hazelworm zodat hij met twee ogen op het feest kon verschijnen. De hazelworm was woest en vastbesloten om zijn oog terug te pakken wanneer de nachtegaal sliep. De nachtegaal wou het oog echter kost wat kost houden en besloot daarom nooit meer te slapen. En sedertdien zingt hij dag en nacht, om niet in slaap te vallen.(bron: Natuurpunt)
Een Europese studie uit 2008 onderzocht de voorbije 26 jaar de status van 124 algemene vogelsoorten. De conclusie was alarmerend: 56 soorten (45%) gaan er in 20 Europese landen op achteruit. Wie kreeg op Europese schaal de zwaarste klappen? Kuifleeuwerik (- 95%), kleine bonte specht (- 81%), patrijs (- 79%), draaihals (- 74%), tapuit (- 70%), nachtegaal (- 63%), zomertortel (- 62%), matkop,(- 58%), kievit (- 51%) en Europese kanarie (- 41%).(bron: Natuurpunt)

Richt je tuin in als lustoord voor het gevogelte. Nu de winter voor de deur staat kunnen ze menselijke hulp goed gebruiken. Hou je geliefde katten ’s nachts binnen. Laat de luister-landschappen weer live leven in je nabijheid.

Vogels

De taal behoort aan de vogels
ik ben te mens om te vliegen
ik sta als een huis op de wereld
gebouwd en dik uit aarde

ik ben ongeveer degene
die schuilgaat binnen de muren
en uitvloeit achter de ramen
van de blauwe achterkamer

het geurt er naar mest en naar liefde
er staat een plant in een kooi
de taal behoort aan de vogels
de mens schuilt weg in het woord –

Gerrit Kouwenaar (1923-2014)
uit: Hand o.a. (1956)
Foto door Irina Iriser op Pexels.com

De luisterlandschappen zijn eigendom van de BBC-soundeffects en mogen alleen voor persoonlijk gebruik of onderzoek gecopieerd worden. Voor commerciële doeleinden neemt u best contact op met de BBC.

https://blog.prosoundeffects.com/how-to-license-bbc-sound-effects-to-use-in-your-commercial-productions

Muziek met vogels in het hoofd geschreven.

Rita Dove (1955): The underside of history

De pestmeester van Paul Fürst, Der Doctor Schnabel von Rom. 1656. BELGAIMAGE
"Boccaccio: Jaren van de Plaag”

Zelfs ‘s nachts de lucht rinkelde en rinkelde.
Door het dikke gedraaide glas
zag hij de priesters voorbij bezemen
in hun gepiekte kappen, doden verzamelend.
Op iedere stoep een schotel zoet geronnen
rook brandend. Hij sloot de ogen
om de klap te horen
van vlees op vlees, een
vloeibaar gekraak zoals een druif
als ze op de tong gebroken wordt.

Als jongen zwierf hij
langs dezelfde straten, verliefd
op hij wist niet wie. O de
rieten sonatines en toorts-
flikkering op de koele slijkkanten
van de brug en stoom
in pluimen golvend
door de slachthuisgaten -
twintig jaar.
Uit het licht gerold
leunde hij met zijn wang
tegen de rijen gebonden leder:

koel water. Fiametta!
Hij had haar op honderd
manieren beschreven; iedere keer
bleek ze ontrouw. Kon hij alleen
maar deze stad in twee breken
zodat de maan de wormstekige straten
zou zuiveren! Of
wegwandelen van dit alles, gewoon
weer opnieuw verliefd worden…
Dove has had a tremendous impact on American letters, not only through the scope of her poetry, but also through her work as an advocate. She was named US poet laureate in 1993. Just 40 years old at the time of her appointment, she was the youngest poet ever elected to the position. She was also the first African American to hold the title (Gwendolyn Brooks had been named consultant in poetry to the Library of Congress in 1985). Dove was also the first poet laureate to see the appointment as a mandate to generate public interest in the literary arts. She traveled widely during her term, giving readings in a variety of venues from schools to hospitals. 

Dove noted in the Washington Post that her appointment was “significant in terms of the message it sends about the diversity of our culture and our literature.” Dove has continued to play an important role in the reception of American poetry through her work as editor of the Penguin Anthology of 20th-Century American Poetry (2011). The omnibus collection of a century-worth of American verse stirred controversy and generated new dialogues about the legacy of American poetry, and its current state. Many praised the anthology for its inclusiveness and scope, however. Katha Pollitt in The Nation called it “comprehensive and broad-ranging,” whatever its omissions.

Rita Dove is the recipient of many honors, including the Pulitzer Prize and the Fulbright Lifetime Achievement Medal. A member of the American Academy of Arts and Letters, she is a Commonwealth Professor of English at the University of Virginia and lives in Charlottesville.
Dove is a sensual, lyrical poet, and her poems often explore female black experience and social history. Her intimate style is said to be capable of dissolving the barriers between the present and the past. Featuring famous black American women, such as Rosa Parks and Billie Holiday, as well as more anonymous, every‑day characters, her poems explore what Dove calls the ‘underside of history’.
“Boccaccio: The Plague Years”

Even at night the air rang and rang.
Through the thick swirled glass
he watched the priests sweep past
in their peaked hoods, collecting death.
On each stoop a dish burning sweet
clotted smoke. He closed his eyes
to hear the slap
of flesh onto flesh, a
liquid crack like a grape
as it breaks on the tongue.

As a boy he had slipped
along the same streets, in love with
he didn’t know whom. O the

reeded sonatinas and torch
flick on the chill slick sides
of the bridge and steam
rising in plumes
from the slaughterhouse vents—
twenty years.
Rolling out of the light
he leaned his cheek
against the rows of bound leather:

cool water. Fiammetta!
He had described her
a hundred ways; each time
she had proven unfaithful. If only
he could crack this city in two
so the moon would scour
the wormed streets clean! Or
walk away from it all, simply
falling in love again . . .

Reprinted from Collected Poems: 1974-2004. Copyright (c) 2016 by Rita Dove. publisher, W. W. Norton & Company, Inc. All rights reserved.

THE BREATHING, THE ENDLESS NEWS

Every god is lonely, an exile
composed of parts:  elk horn,
cloven hoof.  Receptacle

for wishes, each god is empty
without us, penitent,
raking our yards into windblown piles...

Children know this; they are
the trailings of gods.  Their eyes
hold nothing at birth then fill slowly

with the myth of ourselves.  Not so the dolls,
out for the count, each toe pouting from
the slumped-over toddler clothes:

no blossoming there.  So we
give our children dolls, and
they know just what to do -

line them up and shoot them.
With every execution
doll and god grow stronger
Foto door Min Thein op Pexels.com
Heart to Hearth

It's neither red
nor sweet.
It doesn't melt
or turn over,
break or hearden,
so it can't feel
pain,
yearning,
regret.

It doesn't have
a tip tot spin on,
it isn't even
shapely -
just a thick clutch
of muscle,
lopsided,
mute.  Still,
I feel it inside
its cage sounding
a dull tattoo:
I want, I want -

but I can open it:
there's no key.
I can't wear it
on my sleeve,
or tell you from
the bottom of it
how I feel.  Here,
it's all yours, now -
but you'll have
to take me,
too.
Foto door Pixabay op Pexels.com

https://www.poetryinternational.org/pi/poet/23705/Rita-Dove/nl/tile

Voor Poetry International werden verschillende van haar verzen naar het Nederlands vertaald. Klik hierboven.

Het traag verdampen van de tijd: Olga Boznanska (1865-1940)

Zelfportret 1883

Olga Boznanska was born in 1865 in Cracow. Her parents were Eugenia Mondan, who was a teacher with French roots, and an engineer Adam Boznanski. Mother has quickly discovered talents of her daughters – Olga’s artistic and music one in the youngest, Iza – and she consequently helped daughters to develop them. (Joanna Jaskiewicz, Artophilia)

Ze spaceru (Dama w białej sukni) 1889

Dat is een mooi begin van het verhaal, maar zo vanzelfsprekend was het niet om als vrouw een artistieke opleiding te krijgen. Er waren in Polen wel enkele hogere opleidingen voor vrouwen maar wilde je meetellen dan was er alleen het buitenland. München leek veiliger dan het toenmalige Parijs, ook omdat er in München een Poolse artiestenkolonie daar aan het werk was met vrienden van de ouders: Jozef Brandt en Alfred Wierusz-Kowalski

Japans zelfportret 1892

In spite of care of Boznanska’s, her family had undoubted influence on her personality status but not only in a positive way. Her first biographer, Helena Blum, suggested, on the basis of painter’s friends statements, that: ‘’artist in family home has acquired a slight of melancholy and some kind of excess of outdated conventionalities. Olga’s mother was oversensitive person and her two daughters inherited it from her’’. Nowadays, researchers have similar outlook on it; e.g. Joanna Sosnakowska, who states that: ‘’both daughter were separated from world. As a consequence, younger was mentally ill, and the older one gained bizarre behaviours. All researchers were unanimous that the Boznanska’s childhood was crucial to understand her life. (ibidem)

Portret Kobiety 1888

‘To spread her wings’, schrijft de biografe. De beschrijving ‘nice and cheerful miss’ heeft er zeker toe bijgedragen dat ze al na drie jaar haar eigen studio opende en haar cursussen aan de universiteit stopte, een advies van Jozef Brandt. En al in 1895 werd ze bij de twaalf beste Europese schilders gerekend in een artikel van “Bazar Magazine”.

Het meisje met de chrysanten 1894

Munich’s period was filled with romances but only one of them turned into serious relationship – with Jozef Czajkowski, the one who was able to charm Olga, who later become his fiancé. Unfortunately, above mentioned relationship didn’t last long. In 1900 Czajkowski broke up with Boznanska through unpleasant letter. Helena Blum considers this episode as crucial in painters life. It certainly was not easy to recover from it and it is in common knowledge that she kept ex-fiancé painting in her studio till her death. (ibidem)

Olga Boznańska Portrait of Józef Czajkowski | 1894, National Museum in Cracow

Nog voor de breuk met Czaikowski nam Olga twee belangrijke besluiten. Ze weigerde om te gaan werken voor Julian Falat aan de Academie voor Schone Kunsten in Krakau, ook al zou ze daar de eerste vrouwelijke prof. geweest zijn, want zo schrijft haar biografe: ‘…she was afraid of : ‘’falling into jealous of latitude and great happiness riff-raff’s hands’’. Om artistieke redenen verkoos ze voortaan te werken in Parijs, de kunst-hoofdstad. Daar voelde ze zich dichter bij de Franse kunstenaars dan die van “dark, Munich smirch

Portret Heleny i Władysławy Chmielarczykówien (Portret dziewczynek) 1906

In 1898 verhuisde ze naar Parijs, op het hoogtepunt van haar artistieke maturiteit. Ze schilderde niet meer op canvas en ontwikkelde een eigen manier van kleurenmix die voor het ont-materialiserend effect zorgde door droog te schilderen op karton. ‘Additionally, Boznanska didn’t pay attention to preparation of canvas nor to tools. Furthermore, her technique wasn’t very solid, that’s why nowadays conservators have problems to renovate her work.’

Portrait of a lady in a hat. Portret pani w białym kapeluszu. 1906

Het ‘verdampen van de tijd’ door dat immateriële uitzicht werd een kenmerk van haar werk dat zich vooral op portretten concentreerde.

Persons on her paintings seemed to be dim, almost immaterial. Painting-emphasis put on hands and faces and, above all, eyes which seemed ‘’itself to be a work of art’’. Characteristic style of painting was a succession of studio’s environment and midday sun-light, which was dim by curtains, as well as smoke from cigarettes.
Later another thing which could have been responsible for her dim paintings was her eye-disease.’
(ibidem)

Het ging haar voor de wind in Parijs. Orders en prijzen waren talrijk, en ze bereikte de top van haar carrière voor het begon van de Eerste Wereldoorlog, 1914. Die oorlog veranderde verschillende aspecten van haar leven. Vrienden verlieten Parijs, de kunstmarkt draaide niet meer, en Olga leed armoede. Het was het symbolische einde van de 19de eeuw, de eeuw die Olga niet wilde verlaten, er voor altijd deel van wilde uitmaken. Zo bleef ze zich in de stijl van die eeuw kleden en ze wilde haar keroseen-lamp pas in 1937 vevangen door electrische lampen. Toch wilde ze zich niet van de wereld isoleren. Ze bleef een deel van het culturele stadsleven, vele vrienden en studenten bleven haar atelier bezoeken en bewonderden haar werk. Het probleem was de matriële kant: ze kon niet meer of moeilijk in haar levensonderhoud voorzien en moest beroep doen op hulp uit Krakau.

Zelfportret onbekende datum

She was aware of perceiving her as an eccentric but she chose it e.g. by not fallowing the fashion. Her archaic dress ‘’full of pins, which were used to tied up sliding fabric’’ and old-fashioned hair-style. Melancholic expression on her face and inherent cigarette completed the whole. This picture of her is preserved by many photos and pictures, mostly spread by press. Renata Higersberger says that: ‘’artist extremely well created her media-image’’. (ibidem)

Olga Boznańska, photo: tuttartpitturasculturapoesiamusica.com

Om dat beeld te creëren zijn de zelfportretten voor haar het belangrijkste. Ze schilderde zichzelf zoals ze wilde overkomen. Dat deed ze in bijna dertog zelfportretten, de eerste in de Münchsche-periode gemaajt, de laatste dichtbij haar levenseinde. De meesten waren gemaakt voor zelf-gebruik, maar er werden er ook door klanten besteld of voor tentoonstellingen uitgevoerd.

Autoportret 1896

Ze wilde zich ook niet jonger voorstellen, ze toonde zich zoals ze toen was, met de kenmerken van die traag verdampende tijd die ook op het lichaam sporen achterlaat.

“On her paintings she seems to be unapproachable. Under the guise of her bloodless face presented on portraits she tried to cover her secrets. No wonder that when Zygmunt Puslowski saw one of her paintings had the impression that ‘’it is amazing (…) when it comes to style. Nevertheless, it can be any actress as well as miss Olga; when you know miss Olga’’.

Er zijn een serie zelfportretten gemaakt in het jaar 1906. Het was het jaar dat haar vader met wie ze erg close was, stierf. In de laatste jaren van zijn leven had zij voor hem in Parijs gezorgd. Maar de ware mysteries van het wezen dat wij zijn of denken te zijn blijft voor ons allen meestal een geheim. We kijken in de spiegel en het is misschien vaak moeilijk door de jaren heen te kijken, een houding die zij onverschrokken bewaarde tot op dit moment weer dat wij haar aankijken en daardoor het verdampen van de tijd even opheffen en contact kunnen maken met het blijvende. Het wezen.

“Portret Dzieci,” by Olga Boznańska.

In de mooie onderstaande ‘youtube’ in full HD heb je een prachtige collectie van haar werk. Zet op groot scherm en geniet. Neem de tijd. En kijk.

bron: http://artophilia.com/articles/mml-boznanska/

Herensokken onderweg, een tekst

Geloof me, herensokken zijn babbelaars. Gehecht aan hun linker- of rechtervoet, bekijken zij van daaruit de wereld.

De rechtse heeft het over 'de stevige stap'.
De linkse steekt haar voorbij, denkt: ze overdrijft.
En weer ingehaald blijft ze even op gelijke hoogte,
-de heer begroet een passant-
en nu erg naderbij glimlacht ze met de stoere,
zegt dat ze linksbenigen heeft gekend
(-ze liegt want eergisteren lag ze nog in het sokkenrek-)
die ook wel wisten wat een stapje in de wereld was.
De sokken van de passant zwijgen wijselijk, afgezakt.

Weer op pad wijst de linkse op haar straatzicht: de wereld
ligt aan haar voet terwijl de rechtse dichtbij de huizen loopt.
Mijn verbinding met de bewoners terwijl jij avonturiert, ja het wilde
leven waarbij je toch het pluizen niet mag vergeten om nog te zwijgen
van de natte snuffelsnuit eigen aan een ordinaire straathond.
Voor een etalage wrijft de wandelaar met de rechtervoet even
achter het linkse onderbeen, enfin zegt zij terwijl de rechter
teruggekeerd in uitgangspositie zachtjes sorry mummelt. Weet je
vervolgt zij, het is waarschijnlijk de polyamide, 25% tja, maar
al is de rest volgens het etiket wel van zuiver scheerwol hoor.

Of dat belangrijk is, vraagt de linkse, ik heb het meer voor
'de huidvriendelijkheid' en of het nu het 'Argyle' patroon zou
zijn of het Burlington-logo in de zool… Toch, toch, geen enkele
voet loopt zo vlotjes als in een sok met comfort-boord, antwoordt rechts.
Edinburgh-kousen zijn de ware partner door de week.

'Ik heb die gentleman hierboven aardig horen vloeken', zegt de linkse.
'Vrouwvriendelijk kan ik hem niet noemen, heb je gezien hoe hij ons
uitzwiert en zij de boel mag opruimen! Geheel per toeval kwamen
we deze morgen aan dezelfde voet van gisteren. Zie je mij als rechtse
door het leven wandelen en jou fungeren aan de linkerkant?'

Dat bleek een vraag om over na te denken. Zeker toen de man
na het winkelen op zijn stappen terugkeerde en de linkse langs de huizen
liep terwijl het straatzicht nu voor de rechtse was. 'Orde in 't verkeer, ook
mijn zaak, zei ze dapper. De linker had het over eigendom en bezit.

Heren, zo soepel als uw sokken, moge ook uw denken zijn.
Huidvriendelijkheid echter is van groot belang.
Maar een gentleman zijn is ook mooi meegenomen.
(en leg die sokken ordelijk bij je schoenen, dankuwel)

Een stervende dandy: Nils Dardel (2)

Dandy met een zwaard, ca. 1910

In het boeiende verzamelboek ‘Na de catastrofe’, de Eerste Wereldoorlog en de zoektocht naar een nieuw Europa’, schrijft Geertjan de Vugt een bijdrage: ‘Een dandy sterft, Nick Dardel en de Grote Afwezige’ waarin hij gecentreerd rond de figuur van de dandy het leven van de schilder belicht, een goed gedocumenteerd en onderbouwd document dat we hier graag willen voorstellen door talrijke citaten en verwijzigingen.

Min far (ca 1910) My Father (Fritz August von Dardel)

Nergens bommen. Ook geen rook of vuur. Geen verwoestingen of ruïnes. Geen dramatische weergave van de gruwelijke veldslagen. En zeker ook geen sporen van kanonnen, granaten en geweerschoten. Het werk van de Zweedse schilder Nils Dardel (1888-1943) is in eerste instantie zeker niet doortrokken van referenties aan de Grote Oorlog. Nee, veeleer gaat er een serene rust uit van de talloze portretten en droomachtige taferelen die hij tussen 1914 en 1918 schilderde. Nauwelijks lijken de giftige gassen, waarmee de oorlog een nieuw dramatisch hoogtepunt bereikte, tot de sfeer van Dardels werk te zijn doorgedrongen. Toch loopt er een diepe cesuur door zijn oeuvre; een cesuur die samenvalt met de tijd van de Grote Oorlog. Slechts eenmaal heeft de oorlog Dardels atelier bereikt. Slechts één soldaat en één loopgraaf. En zelfs die ene keer gaf Dardel dit in zijn eigen onmiskenbaar homo-erotische beeldtaal weer. Dardel wist wel degelijk wat er speelde in de wereld buiten zijn atelier, ook al kon hij dit slechts vatten in zijn eigen droomachtige beeldtaal.‘ (p. 297)

Alkibiades, 1915

Dat klinkt wel mooi, maar als je goed het werk bestudeert zie je toch allerlei sporen die in diverse werken van dat tijdperk 1914-1918 opduiken. Kijk hierboven, ik denk ook aan ‘De dode huzaren’ en in 1919 ‘Execution’ om ‘Een dans met de dood’ uit 1920 en diverse anderen te citeren., die inderdaad na ‘de grote slachtpartij’ het licht zien. De oorlog heeft de stemming van zijn werk veranderd. Kijken we naar het nadrukkelijke ene doek ‘I skyttegraven’, ‘De loopgraaf’ uit 1916.

De loopgraaf

‘De loopgraaf is een, op het eerste gezicht, nogal wild doek waarop Dardels vriend Ivan Lonnberg op de voorgrond zorgeloos ligt te rusten, terwijl op de achtergrond talloze soldaten ten strijde trekken. De lucht is gekleurd door vuur en rook en rechts zijn nog vage contouren te zien van een kerk waarvan de torenspits verwoest is. Toch beweert Dardels biograaf Karl Asplund dat het doek, mede door het lichte kleurgebruik, weinig aan de gruwelen van de oorlog doet denken. ‘Opvallend is de pose van zijn kunstenaarsvriend Lonnberg, die met een vrolijke, zorgeloze gezichtsuitdrukking wegkijkt van de toeschouwer. Zijn blik is in precies de tegenovergestelde richting van het front gericht. Lonnberg heeft Zijn benen wijd gespreid en het geweer fier overeind, waardoor de homo-erotische lading van dit doek niet te miskennen is. De wereld stond in brand, maar de dandy-schilder Dardel leek gepreoccupeerd met andere zaken. Of sterker, juist zijn enige directe weergave van de brandhaard Europa getuigt van een zeker onvermogen met die situatie om te gaan. Zelfs met zijn enige doek over de oorlog kwam Dardel niet los van zijn wat droomachtige en homo-erotische beeldtaal. Het is opmerkelijk dat er in zijn oeuvre slechts een enkele weergave te vinden is van de gebeurtenis die heel Europa op zijn grondvesten deed trillen. Tegelijkertijd moet opgemerkt worden dat het met name Duitse en Britse kunstenaars waren die de oorlog in hun werk thematiseerden. In Frankrijk was het eigenlijk alleen Léger die in zijn doeken zijn ervaringen van de oorlog verwerkte.(p300-301)

Dode Huzaren 1919
David en Goliath, aquarel 1916

Of je de houding van de gespreide benen van Lonnberg ‘met zijn geweer fier overeind’ moet duiden als ‘homo-erotische lading van het doek’ laat ik in het midden, maar er is wel degelijk een ‘niet zo dromerige’ aanwezigheid in zijn werk te vinden. Het ‘niet loskomen van de droomachtige en homo-erotische beeldentaal’ is dan ook een vlug getrokken conclusie. Anderzijds is het inderdaad zo dat zijn relaties met De Maré en Wilhelm Uhde duidelijk liefdesrelaties waren.

Rue de la Ville de Paris in Senlis 1912

‘Naast zijn vriendschap met De Maré onderhield Dardel nog een hechte vriendschap en liefdesrelatie met de Duitse verzamelaar en criticus Wilhelm Uhde. Via Uhde leerde hij de legendarische kunsthandelaar Alfred Flechtheim kennen, die hem in 1913 als enige Zweed een plaats gaf op de openingstentoonstelling van zijn galerie in Dusseldorf. Langzaamaan ontwikkelde Dardel zich tot een spilfiguur in de vooroorlogse Noord-Europese kunstwereld. En zijn vriendschap met zowel De Maré als Uhde was zo hecht dat hij samen met hen naar Senlis, een klein middeleeuws plaatsje even ten noorden van Parijs, verhuisde. De drie vrienden woonden daar samen en voor Dardel zou het een van de productiefste periodes uit zijn leven worden. In Parijs werd hij een van de actievere leden in de kring rond Matisse, evenals in die rond Picasso. De laatste was nooit echt een vriend van Dardel, Fernand Léger daarentegen zou tot het eind van Dardels leven bevriend met hem blijven. De groep waar Dardel zich in begaf bestond niet alleen uit schilders, maar ook de componist Erik Satie en schrijvers als Jean Cocteau, Tristan Tzara en Guillaume Apollinaire, die ooit schreef dat Dardel ‘pittoreske dingen maakt’, bevonden zich onder zijn intimi. Maar hij zou hen niet zien gedurende de Grote Oorlog.’ (p.300)

Parisergata (street in Paris), 1915 watercolour

Ver van de loopgraven bleef hij, inderdaad. De eerste jaren verbleef hij in Zweden, in 1917 vertrekt hij met De Maré op grote reis naar Amerika. Op de terugreis zijn ze verplicht via een westelijke route te reizen. ‘Na Mexico en Hawaii komen ze in Japan terecht. De Japanse kunst zal hem ten zeerste blijven beïnvloeden.

Eleganter i Japan (the elegants in Japan) 1918, watercolour

Dus bleef hij achter om de schilderkunst van dat land te bestuderen, wat een diepe invloed op zijn eigen schilderijen zou hebben. Zo zou deze invloed volgens een aantal critici ook te vinden zijn in Dardels belangrijkste doek, ‘Den diiende dandyn’. Na zijn terugkeer met de Transsiberië- express begon Dardel de indrukken van zijn reizen vast te leggen op een aantal doeken. 1918 zou een uitzonderlijk vruchtbaar jaar voor hem zijn. Terwijl de oorlog op z’n eind liep, bracht Dardel zijn tijd door bij zijn familie in een klein dorpje ten zuiden van Stockholm. Hier werkte hij aan wat zijn belangrijkste doek zou worden. In dit jaar kreeg hij ook zijn eerste solotentoonstelling in Stockholm. En het was eveneens in ditzelfde jaar dat met de hulp van zijn vriend Pär Lagerkvist, die eens beweerd heeft dat er geen grotere Zweedse modernist was dan Dardel, de kritieken steeds positiever werden. Het geluk leek Dardel toe te lachen. Maar de dandy stierf. En Europa zuchtte; het was oorlogsmoe.’ (p.301-302)

De stervende dandy, 1ste versie 1918
De stervende dandy, 2de versie 1918

‘Omdat Geertjan de Vugt niet spreekt over de eerste versie geef ik ze beiden onder elkaar zodat de kijker zelf de wording van het definitieve doek, 2de versie, kan volgen. Er zijn wel merkwaardige verschillen zichtbaar, maar dat laat ik aan de kijker ter interpretatie. Ikzelf vind ze beiden erg mooi. Geertjan bespreekt de tweede en dus de definitieve versie.

‘Het samenvallen van het sterven van de dandy als cultureel fenomeen en de periode 1914-1918 kan tamelijk toevallig lijken, maar schijn bedriegt. Een wat langere beschouwing van Dardels De stervende dandy kan dit goed duidelijk maken. Het doek toont een piéta, maar wel in een uiterst curieuze vorm. Een keurige jongeman, gekleed in groen, de kleur van het hiernamaals, is stervende. Zijn gezicht is lijkbleek. Terwijl zijn linkerhand grijpt naar zijn hart glijdt uit zijn rechterhand een spiegel. ‘Een dandy leeft en slaapt voor een spiegel,’ schreef Baudelaire eens. En hij, zo kan nu worden toegevoegd, sterft er ook voor. Het lijnenspel in dit tafereel laat zien dat van rechtsonder naar linksboven en van linksonder naar midden boven twee lijnen lopen, die samen een kruis vormen. Bovendien zijn de drie vrouwen niet moeilijk te identificeren: hun kleuren — zoals zo vaak in de iconografische traditie treft men ook hier rood, blauw en geel — verraden dat men hier te maken heeft met de drie Maria’s. De dandy die hier sterft is niet zomaar een dandy. De christelijke symboliek duidt aan dat we te maken hebben met een stervende Christus-dandy. Als met het uitbreken van de oorlog de goden de wereld nog niet hadden verlaten, dan hebben ze dat nu zeker wel. Hier wordt het einde van la religion du dandysme, tevens de titel van een door Ernest Raynaud geschreven biografie van Baudelaire die in datzelfde jaar uitkwam, op een schitterende manier verbeeld. Raynaud schreef dat de dandy voor Baudelaire de Christus is die moet lijden voor de zonden, begaan door de gewone mensen. En zo hoopte Raynaud dat we morgen, dat wil zeggen, na het einde van de oorlog, ‘de algehele omverwerping van gewoontes en ideeën’, de hele ontreddering, achter ons kunnen laten en terug kunnen keren naar een tijd waarin de ‘geestelijke gesteldheid’ nog zoiets als een baudelaireaanse dandy toestaat. Maar met de wereld aan flarden geschoten wist ook Raynaud wel beter. Uit de laatste regels van zijn boekje klinkt een wanhopige wens, een wens die Dardel al achter zich had gelaten. Voor hem had de oorlog definitief een einde gemaakt aan de religie die door Baudelaire gesticht was.’ (p.302)

Een mooie zondag in de zomer 1919, oil on canvas

Net als ‘de dood van de dandy’ zal ontstaan verschijnt Raynaud’s boek over Baudelaire. Beiden verkondigen het einde van het dandyisme, schrijft Geertjan de Vugt. Een boeiende uiteenzetting over de figuratie van de Dandy volgt dan:

‘Raynaud en Dardel waren echter niet de enige twee die de teloorgang van deze enigmatische negentiende-eeuwse figuur terugvoeren op de verschrikkelijke omwentelingen die Europa doormaakte in de periode 1914-1918. In de geschiedenis van het dandyisme wordt, met het einde van de long nineteenth century, vaker de nadruk gelegd op het verdwijnen van deze curieuze figuur gedurende de oorlog. Zo schrijft de Duitse literatuu1wetenschapper Karin Becker dat met de Grote Oorlog de dandy sterft: ‘Zijn tijdperk komt definitief tot een eind met de oorlog van 1914-1918, waarbij een hele beschaving ondergaat in een verschrikkelijk bloedbad. De dood van de bourgeois maatschappij betekent noodzakelijkerwijs ook het verdwijnen van de dandy. Met de oorlog is een hele bourgeois cultuur verdwenen, maar ook heeft hij een nieuwe geïndustrialiseerde samenleving met nieuwe productiemogelijkheden mogelijk gemaakt. Iedereen kan zich nu als dandy voordoen, dat wil zeggen, niemand is meer echt een dandy. Hetzelfde punt wordt gemaakt door de Canadese literatuurwetenschapper Michel Lemaire: ‘Het lijkt me dat de oorlog van 1914 (…) het einde van een wereld markeert.’ En de Amerikaanse cultuurcriticus Ronda Garelick merkt op dat de dandy kort na de oorlog verdwijnt door het ontstaan van een nieuwe cultuurindustrie die geleid wordt door de ‘grote kantoren van de massamedia’. De dandy verandert langzaam in de moderne celebrity, die afhankelijk wordt van de grillen van mediamagnaten en andere bonzen in een vercommercialiseerde cultuurproductie. Ook de klassieke studie van het dandyisme, die van Ellen Moers, eindigt op het moment waarop Dardel de laatste hand legt aan zijn doek; niet toevallig het einde van de Grote Oorlog.‘ (p.303)

Wandschildering in de stadsbibliotheek van Stockholm, versie van de kleine Deense man met de paraplu 1927

Kreeg met de stervende dandy ook Dardel’s liefdesleven een vrouwelijke draai? Thora en daarna Edith Morris worden zijn echtgenote. De Vugt beschrijft de nieuwe vriendenkringen.

‘Sommigen van Dardels vrienden beweren dat hij nooit helemaal afscheid heeft genomen van zijn liefdesleven van voor de oorlog. Dit zou zich hebben gewroken in zijn relatie met Thora. Hoe het ook zij, na zijn scheiding werd Dardel al snel verliefd op een andere vrouw: Edith Morris. Zij was een van de redenen voor Dardels terugkeer naar de Verenigde Staten. Maar eerst had hij nog een solotentoonstelling in Stockholm in 1939. Critici van het Svenska Dagbladet spraken van een ware uitbarsting van ‘dardellisme’. Nog nooit was hij zo’n gevierd persoon in zijn thuisland als nu. En toch zette hij opnieuw koers naar New York, waar hij zich snel bij Edith voegde. Voor de tweede keer in zijn leven ging hij op de vlucht voor een ophanden zijnde oorlog. En weer leidde de vlucht hem naar de Verenigde Staten. Deze keer zou hij niet meer terugkeren.’

Min dotter, 1923 Mijn dochter (Ingrid)

En was de dandy werkijk gestorven? Hij zou al snel aan een wederopstanding beginnen, schrijft Geertjan de Vugt. ‘En wel in de dada-beweging ditmaal. Volgt dan een boeiende uiteenzetting over die nieuwe verschijning via het boek van Hugo Ball, en Hannah Hochs Da-Dandy, en Walter Semers ‘Handbrevier für Hochstapler’, het manifest voor een da-dandyisme. Een boeiend relaas!

Lethen vindt hier het voorbeeld van wat hij de ‘koele persona’ noemt: ‘iemand die zowel innerlijk als uiterlijk onverstoord blijft, terwijl de wereld om hem heen tot chaos verwordt.’ De uiterlijke onverstoorbare facade, door de dandy altijd tot in het meest minuscule detail geperfectioneerd, wordt een schild en de dandy zelf wordt een dandy-soldaat. Juist ten tijde van de Grote Oorlog, het moment waarop volgens Walter Benjamin de moderne mens definitief een harmonieuze ervaring van de wereld verliest, wordt het ideaal van de ‘koele persona’ tot het uiterste doorgevoerd. Anders dan zijn voorganger uit de negentiende eeuw, bleek de da-dandy zich veel beter thuis te voelen in de chaos van de moderniteit. Wellicht had Dardel zoiets al gezien en blijkt bij nadere beschouwing dat I skyttegraven, Dardels enige referentie aan de oorlog, een weergave is van een koele, zelfverzekerde en gedistantieerde dandy op het slagveld van Europa. De wereld stond in brand, maar het kon hem allemaal niet deren. Hij was, om nog eens met de termen van Baudelaire te spreken, ‘blasé.’ Het dandyisme vormde een harnas voor de onstuimige buitenwereld, zoals het ook Dardel in zijn leven tot het jaar 1913 als bescherming gediend heeft. De religie van de dandy, waarvan de teloorgang op dat moment door meerdere stemmen betreurd werd, werd al die tijd gewoon gevierd. Sterker nog, ze leek de middelen te verschaffen die juist nodig waren op het moment dat oorlogszucht en hysterie om zich heen begonnen te grijpen. Dardel wist dit en legde dit vast. Echter na 1918 was het voor hem niet meer nodig zich achter die façade te verschuilen en liet hij de dandy sterven. (p. 305)

The abduction of the snake, 1931


Na de Catastrofe, De Eerste Wereldoorlog en de zoektocht naar een nieuw Europa, Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2014. Nog tweedehands als nieuw te verkrijgen.

‘Een dandy sterft, Nils Dardel en de Grote Afwezige’, Geertjan de Vugt p. 297-307

Geertjan de Vugt (1985) studeerde algemene cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Tilburg en comperative literature aan de Universiteit Utrecht en de university of Wisconsin-Madison. In 2013 was hij als research collaborator verbonden aan het departement Comperative Literature van Princeton University. Op dit moment (2014) schrijft hij aan de Universiteit van Tilburg een proefschrift over de genealogie van de dandy, als politiek-esthetische figuur. Met zijn pleidooi voor een herwaardering van de zintuigelijkheid won hij de Spui25-essayprijs. Eerder schreef hij over Walter Benjamin, Charles Baudelaire, Lodewijk van Deyssel, Walter Serner en over de politieke poëzie van Walt Whitman.

Geertjan de Vugt promoveerde aan de Universiteit Tilburg op het proefschrift The Polit-Dandy: On the Emergence of a Political Paradigm. Hij is momenteel verbonden aan het Internationales Forschungszentrum Kulturwissenschaften in Wenen en de KNAW inAmsterdam (2019)

Zelfportret 1935

Meesterlijk spelen met ‘-ismen’: Nils Dardel (1888-1943)

‘Ett hjärta i brand – Hart in brand – Heart on fire

Schilder Nils Elias Kristofer von Dardel (1888-1943) -laten we hem in de wandeling Nils Dardel noemen- kwam, nomen est omen, uit een Zweedse adelijke familie, oorspronkelijk van Zwitserse nationaliteit. Met een grootvader als diplomaat en artiest, (Fritz von Dardel) lid van de Koninklijke Zweedse Kunstacademie in Stockholm waaraan zijn kleinzoon later zal studeren, zijn er ook financieel weinig of geen problemen om de toenmalige wereld te bereizen.

Self-Portrait 1906 oil on canvas

Net zoals menig ander Zweeds kunstenaar uit die tijd trekt hij al vlug, in 1910 naar Parijs waar hij vooral bij ‘Les Fauves’ en de Post-Impressionisten, als bij Japanse houtsnedes, inspiratie vindt. Hij verkent het Pointillisme, en leunt even bij het Cubisme aan. Hij zal hoofdzakelijk tot in 1939 in Frankrijk verblijven.
In 1912 ontmoet hij er, vriend, en zeggen we meteen lover: de rijke Zweedse diplomaat Rolf de Maré die ook zijn mecenas wordt. Hij adviseerde hem bij de uitbouw van zijn indrukwekkende Modernistische Kunstcollectie. In 1920 zal de Maré met zijn hulp de kortstondige maar legendarische ‘Ballets Suédois’ in Parijs creëren.

Rolf de Maré 1916 oil on canvas

After a short sojourn at the Royal Academy of Fine Arts in Stockholm, Nils Dardel went to Paris in 1910, a city where he would spend a large part of his life. Here, he was hurled into an intense whirlwind of bars and cafes, where artists and collectors had lively discussions about astonishing new styles of art. Dardel became friends with the German Wilhelm Udhe (1874–1947), who was the cubist Pablo Picasso’s (1881–1973) art dealer and the one who discovered the naivist Henri Rousseau (1844–1910).

The red mill 1913

Udhe took Dardel to the mediaeval city of Senlis, where the artist tried his hand at cubism in Girl with Iron Ball and Rue Ville de Paris in Senlis, that is, he reduced his visual impressions to simple geometric shapes in a subtle grey scale. But this was just a short flirtation. In the idyllic community northeast of Paris, Dardel also painted Funeral in Senlis, hinting at the narrative, almost naivist style for which he soon became known. This painting captures the life of a small French town. The shimmering colours are applied in dabs, and the white choirboys contrast with the mourners dressed in black.

Begravning i Senlis (funeral in Senlis), 1913

Europe changed radically in the early 20th century. The region was being massively industrialised and urbanised, and technology introduced entirely new means of spreading ideas and communicating over national boundaries. The fleeting, ephemeral modern life gave rise to a heightened sensitivity and restless mobility, which was expressed in modernist art. The avant-garde was constantly looking for what had never been seen, and new “isms” were born head to tail: cubism, futurism, orphism, rayonism.

Far – The Father (Axel Klinckoström, father of Nils wife Thora 1920

A compulsive traveler all his life, von Dardel was in Tokyo in 1917 when he met and became secretly engaged to Nita Wallenberg, the daughter of yet another diplomat; the engagement was broken two years later by her family on account of his scandalous lifestyle. In 1921 he married writer Thora Klinckowström. They had a daughter, Ingrid, but divorced in 1934. In 1930 he met another writer, Edita Morris. She was also married – and remained so – but they had a relationship (of exactly what nature I’ve been unable to ascertain) for the remainder of von Dardel’s life. He died of a heart attack in New York at the age of fifty-four and was buried in Ekerö cemetery outside of Stockholm.

The dying dandy, 2de versie 1918

Nils Dardel is not, however, a pure modernist aesthetically. His works are in conflict with the times in which he lived, a modern age that was preoccupied with keeping up with the latest fashions and did not fully appreciate an artist who never quite embraced the avant-garde. Dardel had an old-fashioned way of using stories and myths to portray an ambivalence about being both seduced and outraged by the onslaught of modernism. His style is reminiscent of a mixture of naivism and late-19th century symbolism.

Interior, familjen idyll, 1925

His private life became public in a way that nearly took over entirely, as if the “role” or “mythical figure” of Dardel stood in the way of the artist. It has been too tempting to link his pictures to his biography, basing the interpretation of his works on his life. His works are ambiguous; a seemingly banal and innocuous trait can suddenly swing into its diametrical opposite. Seriousness and irony co-exist, and many of his works have several parallel storylines. This parallelism also entails that the narratives in his works have multiple entry and exit points. This ambiguity is present equally in his person and his works. His is a dual nature that attracts and is attracted by both men and women.

The return to the playgrounds of youth (1924)

The often wild combination of laughter and tears, seriousness and madness that characterises Dardel’s art has a kinship with the dadaist and surrealist art circles in which Dardel moved, especially in Paris. In his works, he presents his private life and modern, independent individuals in a role play about identity and how it can be created and recreated. Like he created a persona for himself – the democratic dandy, says John Peter Nilsson, curator of the collection.

The waterfall, 1921 canvas laid down on panel

Karl Asplund called him a “man of opposites”. Could this ambiguity stem from a mindset typical of the early 20th century? I would claim that Nils Dardel is a modern artist – albeit not unequivocally a modernist. He is torn not only between an inner and outer reality, but also between tradition and regeneration. He never grapples with modernist formal experiments, with the exception of the period immediately after his time at the Academy, when he belonged to the group De Åtta (The Eight). On the contrary, his style is more reminiscent of a mixture of naivism and late-19th century symbolism. His sensitivity can also be interpreted as a status marker, according to Karin Johannisson, of the kind used by the upper classes during La belle époque to indicate that their nerves were finer and more delicate than those of other classes. But he fills his works with modern contents, especially when he blends fiction and fact, thereby expanding his oeuvre into a private mythology.

Konversation, 1918 watercolour

I am not convinced that Dardel’s works contain a secret language. The dual coding is of a more associative nature. It is a role play that broadly concerns how identities are created and recreated. Role play has been the fundamental basis of social psychology since the 1920s. In his seminal work The Presentation of Self in Everyday Life from 1959, Erving Goffman developed this concept by transferring metaphors from theatre, such as acting, costume, prop, script, setting and stage to social behaviours. It was no longer a privileged few who could play around with their image. As social media offer new opportunities for self-representation, role play has become available to more and more people.

One of the clearest exponents of this development is probably David Bowie. His various enactments of himself form a rich patchwork of historical references that I, like the exhibition David Bowie is at the V&A in London (2013), dare say is a multi-performative work of art in its own right. In the exhibition catalogue, Camille Paglia provides a historical perspective on Bowie’s gender-transcending role play: “Bowie’s theatre of gender resembles the magic-lantern shows or phantasmagoria that preceded the development of motion-picture projection.” And she continues: “The multiplicity of his gender images was partly inspired by the rapid changes in modern art, which had begun with neoclassicism sweeping away rococo in the late eighteenth century and which reached a fever pitch before, during and after World War I.”

The grashopper, oil on canvas 1931

Paglia is referring to the milestones of dandyism, and Bowie himself claims to be deeply influenced by all art forms, but perhaps most of all by expressionism and dadaism. If we study Bowie and his array of personas, he was undeniably inspired by the radical and liberated art scene that prevailed around World War I. The same era shaped Nils Dardel’s boundary-crossing artistic oeuvre. Can’t you just see him standing in for the Thin White Duke!? (Text: John Peter Nilsson, curator)

Dreams and imiginations, 1922 watercolour

Een mooie vergelijking was dat, en ik heb geprobeerd ze aan te vullen met bovenstaande aquarel uit 1922. Anders dan de dandy die in de 19de eeuw op ‘eenzame hoogten’ de samenleving probeerde te bekritiseren door haar strevingen overduidelijk te benadrukken, is de ‘democratische dandy’ in ons allen aanwezig. Nils Dardel gebruikte een brede waaier van de voorhande liggende -ismen om het verhaal dat wij spelen tot ons verhaal te maken, de artistieke hoogten te laten voor wat ze zouden zijn, en de bevrijdende fantasie te verlossen uit haar vaak pretentieuze cenakels. Net zoals zijn fantasie kent ook zijn tederheid geen grenzen want ook spelend blijven we eenzame spelers die alleen op mededogen van de medespelers mogen rekenen.

Gosshuvud, 1908
Boy’s head

Bronnen: https://www.modernamuseet.se/stockholm/en/exhibitions/nils-dardel-and-the-modern-age/the-democratic-dandy/

http://dardel.info/famille/artistes/NilsDardel/NilsDardelE.php

NILS VON DARDEL, PEINTRE DE LA VIE ÉLÉGANTE

http://godsandfoolishgrandeur.blogspot.com/2019/07/the-brightly-lit-and-precious-dark.html

Self-portrait with hat in marvellous shades of gray

In afwachting van het onweer

Quelle: WetterOnline / Shutterstock
naderend onweer, regen
Terwijl je de tekst leest kun je het naderende onweer als klankdecor gebruiken, met dank aan het BBC-geluidsarchief.

In afwachting van het onweer

We luisterden.
Tussen bliksem en donderslag was er nog een trage rollende trein.
Boven de wolken?
Neen, dat van die trein dat was geen goed verhaal.
Voor de oorlog niks aan de hand
maar nadat de helft van de families met die treinen...
...
Drie gedachtenpuntjes dus.
Hoe klein ook, die puntjes zouden het droge veld van gekreukte herinneringen
in vuur en vlam zetten -niets brandt zo hevig als gedachten zonder omvang -
verschroeien heet dat, de tactiek van verschroeide aarde- .
Dat is geschiedenis:  een zwart geblakerd landschap als welkom voor de vijand.
Kom kinderen, tijd voor een sprookje.

Er was eens een magazijnier.
Iemand die werkt in een kerkgroot magazijn hoog in de wolken,
volgestapeld met metalen vaten.
Vaten verdriet, vaten verlangen, vaten verrassing.
Hoor je hem bezig?
Hij rolt vaten naar een gat in de wolken.
Hoor je ze rollen?
Dan snijdt de bliksem de vallende vaten open.
Valt de inhoud als koele regen op de uitgedroogde aarde.

Verdriet.
Verlangen.
Verrassing.

Loop naar buiten, kinderen.
De boomgaard geurt naar rijp fruit.
...
's Nachts kun je heel ver horen.
De treinen kwamen leeg terug.
...
Kom kijkers, tijd voor een sprookje.

(Uit ‘Dakloze teksten’, in voorbereiding)