1396517469

Ze is als een trouweloze minnaar, de kunst.
Ze wil je leren kennen, zegt ze.
Ze trekt beminnelijke kleren aan, of net niet.
Ze tooit zich met de tekens van de tijd.

Maar net als je denkt haar te omarmen
deconstrueert ze haar eigen schepping,
en schenkt ze haar onderwerp
aan wat de mensen zoal wegdoen:

een glossy tijdschrift, een kaartje uit Brussel,
een pijnlijke herinnering.

Ophelia, Sebastiaan-Mishima,
En ’t Brussels schandknaapje
dat de gek geworden beminde lachend
aankijkt, ach ja, een druppeltje meer.

Met de scherven van oude verhalen
heeft zij, de kunst, haar masker samengesteld.

Ze is haar eigen cynisme zoals ze haar eigen raadsel is.

dyn005_original_346_422_jpeg_20344_56b33932b3f9c3949ab8f3feed31527f

En als ik roep: maar dat is gemakkelijk, dat!
dan neemt ze de gitaar ter zachte hand
en ontlokt aan haar mond sirenegezangen
die ik, aan de mast van mijn vaartuig vastgebonden
de oren met was dichtgestopt, niet horen wil

En je ogen dan?

Ik kijk haar aan.
Te laat!

Aan de rechterkant Yokoo Tadanori, kitschy and spiritual.
En toch snuif je het etherische.

LinksTamara de Lempicka,
“Elle prenait ses grands airs”.

En wij, de gulzigen,
de prentenverzamelaars,
de klankenvangers
de letterslurpers
wij troosten ons
in deze wazige spiegel.

Het mooiste vond ik
het naakte peerlampje op Yokoo’s werk
zo’n lampje
dat alleen maar een schijnseltje licht geeft
dit ondergeschoven peertje
tussen het kristallen gedoe
of het zieden van de zuiderzon
(ik lees ook suske en wiske)

dyn005_original_384_589_jpeg_20344_2eaffae7055a7298b1d4f4b6639f382f

Schaamteloze, roep ik uit,
en dat in de goede week terwijl de Heiland lijdt
en tot overmaat van ramp
de grote volksschrijver
in Vlaamse dorpsaarde zijn rustplaats vindt.

Maar daar is zij al met lelies
Calla Lilies
die in feite Aaronskelken zijn
of in de slecht ruikende volksmond
kalfsvoeten geheten,
elke bruid tussen 1940 en 1950
staat met een busseltje van deze opzichtige
heilige jozefbloemen
naast die jonge man
die nu de gouden bruiloft
al achter de rug heeft
of het leven
op zijn buik
kan schrijven.

En tussen het geritsel
van de kelken
zucht zij diep:
ik heb slechts de schaamteloosheid
want alleen daarachter
kan ik mij verstoppen.

En je weet, net zo goed als ik
dat de schoonheid
in haar strakke kleren
al lang is uitgekleed
nog voor zij
één vrouwelijk of mannelijk
vingertje
naar haar schouderbandjes uitsteekt!

Ik bedek dus even mijn ogen,
met doornen kroont zij mij
de slagen van de beulen
verdraag ik nu
en het gekraai van de verraders-haan
zou net zo goed
een morgen in de Provence
kunnen zijn
Rust zacht, lieve Gerard.
Alle lelies zijn voor jou.
kalfsvoeten, zeggen de ruige jongens