net voor het woord (523)

Wat nog niet te zeggen is
en slechts uit kleur of klank bestaat
het ei dat nog te leggen is,
een kus, terwijl je ‘t huis verlaat.

Er is het station.
Verlaten.
De laatste trein is weg.
De nacht .

De volgende trein in de vroege morgen.

Is dat een goed beeld?
Je moet de nacht doorkomen, op een bank, in de hal.

De eerste trein.
Verschilt in niets met de gemiste trein, denk je.
Maar je stelt hem je voor terwijl je koukleumt, een voorbijwaaiende krant opvist, een denkbeeldige geliefde in een net zo denkbeeldig zalig bed omarmt, een wachtende dus.

Je weet dat de eerste trein in dat bleke licht van de vroege dag zal aankomen, dat er nog half slapende mensen zullen opstappen op weg naar hun werk terwijl de andere half slapende mensen zullen uitstappen, terugkomend van hun werk.

Waar wil je naar toe?
Jaja, naar die geliefde en dat bed.
Maar je weet wel beter.
Het zal het verlaten appartement zijn en terwijl iedereen de zotte morgen begint, probeer jij in te slapen.

Hier is dus de ‘auteur’ aan het werk geweest.
net zoals wij allemaal de voortdurende auteur van onze gedachten, wrevels, dromen, boodschappenlijstjes en alledaagse vragen zijn.

De vraag blijft open.
Kun je aan die woordenkraam ontsnappen terwijl je toch bij bewustzijn bent?

Kun je denken zonder taal?
Durf je afdalen naar de mysteries van het bijna woord, het eidetisch waarnemen zoals jonge kinderen dat doen, in een hoek van 180 graden dus, de verrukking.

Lange strepen lichtgelige boterwoorden waarmee je het dagelijks brood enige smaak denkt te moeten geven, o esthetica van het onvermogen, troost van de schoonheid minnenden die toch ook elke dag op het toilet zitten steunen terwijl buiten de zon achter de stadsmist ondergaat.

Jaja, dat jongleren is ons genoegen, is onze vreugde, verlost ons uit, goede morgen, heeft u goed gegeten, maar zie dat toch aan, en ge moest eens weten wat ik weet!

Maar de woorden roken naar de remmen.
Schril gepiep, een lange bijna onverdraaglijke toon.

Ge moet dat ding eens smeren, zegt de man tegen de kaartjesknipper, en staat er geen kind meer alleen op het perron?
De coupé lacht.
Het ijs is gebroken.

Ik moet aan Pasternak denken.
Zijn boek begint in diezelfde trein.

Als kind verbaasde ik mij dat de dingen vlakbij het raam zo snel voorbijvlogen terwijl ze verder af steeds trager en trager van de ene naar de andere kant van mijn venstertje schoven, om helemaal stil te vallen net achter de horizon.

Ik bedenk dat dit een mooi beeld voor dat woord is.
De snelheid van de berm, de dansende lijnen van de bovenleidingen, de woordenbrei van elke dag, en dan verder, de huizenrij, de weides, de gedachten die weldra zullen uitgesproken worden, om in de verte van het open land, daar waar de zon opkomt naar een verstilling te gaan (dat mooie woord verstilling!) waarin alles onbeweeglijk wordt, niet uitgesproken, geen eigendom van een bedenker, spreker of auteur.

Daar wil ik naar toe.
Ik zie je glimlachen, goede vriend.
Wie niet, wie niet, hoor ik je zeggen.
Dat zijn dus woorden.
Maar net daarvoor, gewoon wetend dat je mij zou horen; net daarvoor, dat ogenblik waarin we elkaar aankijken net voor het slapengaan of in het uur van onze dood.

Sluit de tempels, en reis meer met de trein.


kleine muziek van een grote stilte (5) (522)

Lieve vriend,

Een van de meest mysterieuze activiteiten is “het horen”.
Ik heb hier nog niet over de fysische werking van het gehoororgaan, maar nog een stapje verder terug wil ik het vooral hebben over wat je het innerlijk horen zou kunnen noemen.

Op dit ogenblik dat jij mijn brief leest, hoor je mij misschien praten, of terwijl je de letters leest van een boek zijn het vooral visuele beelden die naar analogie met jouw wezen in je innerlijk zichtbaar worden.

Het innerlijke oor.
In “L’ordre du discours”, de inaugurale rede van Michel Foucault voor het College du France, op 2 december 1970, zegt hij het zo:

“Heimelijk had ik de rede die ik vandaag moet uitspreken, en al het spreken dat hier wellicht jaren achtereen van mij verwacht wordt, willen kunnen binnensluipen.
Liever dan het woord te nemen was ik er door omwikkeld en tot ver voorbij elk mogelijk begin gedragen.
Ik had graag bemerkt dat ik op het moment dat ik spreek reeds lang door een naamloze stem ben voorafgegaan: ik had dan slechts hoeven inhaken, de zin vervolgen, mij zonder dat men er erg in had in zijn voegen nestelen, alsof deze stem, terwijl hij heel even stokte, mij een teken had gegeven.
Een begin was er dan niet geweest en het spreken was niet van mij uitgegaan.
Ik zou in plaats daarvan veeleer overgeleverd zijn aan het toevallige verloop ervan, een klein hiaat daarin, een mogelijk verdwijnpunt.

(Michel Foucault, Breekbare vrijheid, teksten & interviews, Boom, Parrèsia, A’dam 2004)

We zijn nu ongeveer bij het begin van onze correspondentie waarin jij het had over ‘het verdwijnen’ en waarin als je vroegere psychiater deze verdwijning in velerlei vormen heb geduid.

Op het moment dat de rede begint, het geschrift een aanvang neemt, het woord er staat, is het te laat.
Ze zijn aan het subject gebonden, ze verwijzen onmiddellijk naar een subjectiviteit, proberen duidelijk te maken wat door alle beperkingen van de auteur al niet meer duidelijk te maken is.

We komen dan terug bij mijn innerlijk horen.
Dat abstracte gevoel, dat niet beschrijfbare proces van het voorstadium van het geformuleerde woord.
Stel dat je het woord van zijn spreker of auteur kon losmaken, dat het gewoon naar zichzelf verwees, dat het niet moet worden “geselecteerd, georganiseerd, gecontroleerd en geherdistribueerd moet worden” om Foucaults indeling te gebruiken.

Door deze mechanismen proberen wij de gevaarlijke kanten van het woord te bezweren, het gebeurteniskarakter ervan te beheersen en de drukkende, vreeswekkende materialiteit ervan te ontwijken.

‘In een samenleving als de onze kennen we uiteraard uitsluitingsprocedures
De meest bekende: het verbod
We hebben niet het recht alles te zeggen, het taboe op het onderwerp, het ritueel van de omstandigheid, het exclusieve recht of privilege van de spreker, ziedaar de drie soorten verboden die elkaar kruisen, elkaar versterken of compenseren.
Wij trachten ons in het spreken van de macht meester te maken.

Een ander uitsluitingsprincipe: de scheiding die tot verstoting leidt.
De waanzin als scheidingsprincipe.
Aan hun woorden werden de gekken herkend zonder dat men in de voorbije tijden veel inspanning heeft gedaan om die woorden te duiden of het verschil te onderzoeken.

Een derde uitsluitingsprincipe is het verschil tussen waar en onwaar.
Een constante die dwars door ons spreken heen loopt.

‘Hoe zou men redelijkerwijs een parallel kunnen trekken tussen de dwang die uitgaat van de waarheid en die scheidslijnen, die in aanvang willekeurig zijn, of in ieder geval vanuit historische toevalligheden ontwikkeld worden?’

Je zou dus kunnen zeggen dat deze scheiding historisch is ontstaan.
Steeds blijven we naar nieuwe vormen zoeken om onze wil tot waarheid uit te drukken.

Drie grote uitsluitingssystemen dus:
-het verboden woord
-de verstoting van de waanzin
-de wil tot waarheid

Wel vreemd dat ‘de wil tot waarheid’ ook als een uitstotingsverschijnsel wordt benoemd, maar het is juist deze wil van voortdurend codificeren, rationaliseren en rechtvaardigen waarmee wij uitstoten.

‘…ik denk voorts aan de manier waarop een zozeer uit voorschriften bestaand stelsel als het strafrecht naar zijn grondslagen of zijn rechtvaardiging heeft gezocht, eerst natuurlijk in een rechtstheorie, vervolgens , vanaf de negentiende eeuw, in een sociologisch, psychologisch, medisch, psychiatrisch weten, alsof het woord van de wet in onze maatschappij alleen nog maar bekrachtigd kon worden door een op waarheid georiënteerd spreken.

In deze vroege rede zit bijna al het werk dat hij gaat ondernemen al vervat.

Kunnen we dus wel “innerlijk horen”, en als we dat al kunnen is er dan een mogelijkheid om daar een taalkundige beschrijving van te geven?

Het gevaarlijke woord staat te trillen, schuimt van woede of lacht zich krom, het misleidt of oriënteert, het selecteert, en zoveel meer, maar het blijft steeds aan de spreker gebonden, en als wij het over wetenschap of kunst moeten hebben, sleuren we die ballast-vaak onbewust- steeds met ons mee.

Er zijn gelukkig grote geesten zoals Foucault die ons wellicht niet van de angst kunnen bevrijden maar ons minstens de moed schenken om ons bij de mislukkingen en nederlagen niet neer te leggen, maar dit rekbare woord te laten aansluiten bij de grote stem waarin wij gedragen worden maar waaraan deelnemen toch weer telkens ‘beginnen’ wil zeggen.

In het begin. Je kent dat verhaal nog wel.


ik hoor in kleur (521)

dyn001_original_295_400_jpeg_20344_e6989963bfb17ab5de8ba71f3ab698e2

“I copied Howard Pyle and I copied photographs.
I remember once in art class in grammar school, everyone was supposed to bring a flower to school and paint it, and I didn’t bring anything.
So they gave me a piece of timothy grass. I had a brush that was crooked, it was bent. And the teacher liked my rendering of timothy grass better than anybody else’s thing.
She held it up before the class and said, ‘Look what he did, and with that terrible brush.’

Aan het woord de jongen van toen.
De jongen met die vreselijke borstel.
Hier is hij vier, vijf jaar.
We zijn in 1911-12.

Zijn vader is architect met een grote belangstelling voor de natuurwetenschappen.

dyn006_original_407_400_jpeg__a13a7fda66b076b948561cb9887a4c0c

“The presence in a painting, is like the presence a child feels and recognizes in things and the way they relate, like a doorknob, the slant of a roof or its flatness, or the personality of a tool. Art does not succeed by compelling you to like it, but by making you feel this presence in it. Is someone there? This someone can be impersonal.

Ik probeer dus zijn techniek toe te passen door hem zelf als “someone” voor te stellen, maar impersonal zal hij zeker niet zijn.

Of ik erin zal lukken zijn aanwezigheid voelbaar te maken weet ik niet maar door de stukjes puzzel van zijn kindertijd vooruit te schuiven zal hij alvast als heel gewoon mens overkomen en niet als de personificatie van de kunstenaar, de vreemde man.

Zijn naam:
PORTER FAIRFIELD (1907-1975) Amerikaans schilder.

Het gaat dus duidelijk over verhoudingen, relaties.
Intuïtieve relaties, zoals kinderen die aanvoelen, zoals wij ze kunnen oproepen uit onze kindertijd.

Als ik hem zie als tekenend kind, als ik hem zie tussen zijn broers en zusjes, dan probeer ik die relaties voelbaar te maken vanuit onze eigen levens, de enige brug om bij de schilder te geraken.

Hun ernst en lachjes, hun relatie met de speelgoed-aap die een van hen is geworden, het zou net zo goed vandaag of gisteren kunnen gebeurd zijn.
Buiten de kledij zijn ze niet van hedendaagse kinderen te onderscheiden.

Dat we in het begin van de 20ste eeuw zijn of in de USA, het is niet merkbaar. Het is geschiedenis, zoals hun levens intussen geschiedenis zijn geworden en de onze daar volop mee bezig zijn.

Deze schilderij was het die me dadelijk aan Bonnard deed denken, of aan het licht van Eduard Hopper.

October interior.

Abstraherend in het totaal, concreet in de details, zoals kinderen kunnen zijn.

Vaak droom ik over plaatsen waar ik nooit ben geweest maar die uit verlangens en verdriet zijn samengesteld.

Ik droom in kleur.
Porter hoort in kleur, niet door een vreemde gave waarbij geluiden en kleuren samengaan, maar vanuit de atmosfeer die de voorwerpen en mensen met elkaar verbindt.

De buiten- en de binnenwereld lopen in elkaar over.
We horen de buitenwereld vanuit de oktober-kamer.

Het schommelpaard staat stil, net zoals het meisje stil zit en in zichzelf is gekeerd.Het late oktoberlicht maakt lange schaduwen, en ook buiten zal het stil worden.

De kinderen die nu nog voor het huis zitten, komen straks binnen.
Het jongetje zal gaan tekenen.

Het licht.
En de geluiden die binnen met buiten verbinden.
Later zal binnen de kindertijd zijn, en buiten de dag van nu.

De wand van de kamer is weg.
Daar zitten wij.
Buiten en binnen.
Dat is het heerlijke om aan het leven in kleuren en geluiden te mogen deelnemen.

Om jong en oud te mogen zijn.


kleine muziek van een grote stilte (4)

 

 

Ook deze stilte is mij lief
zoals het knippen met je vingers
in de kathedraal, of het opstuiven
van duiven, en wie van duiven
of van kippen houdt
zal begrijpen wat ik bedoel
als ik de leegte van de eierschaal
vereer, het gebroken huis
waarop eens de kippenkont
een nieuw imago van zichzelf broedde.

in de verte slijpen de poeliers hun messen.

en wie zijn wereld openbreekt, een piepkuiken
groot zijn je gedachten, wie al tjilpend
achter het eerste wezen rent dat in zijn blikveld komt
god de heer of ratio, of driemaal niks
een heer van stand of lichtekooi
verlangt te veel en wil zo vol
zijn als zijn ei van ooit

in de verte slijpen de poeliers hun messen

het kakelen zit ons in het bloed, en
ook het pikken op de eigen soort
is ons met een beetje vleugelslag van in het ei gegeven.

kijk naar het kind
het legt zijn oor
op moeders lege buik
en luistert naar de leegte
van het heelal
loopt niemand achterna, bepaalt
zijn koers vanuit gebroken schalen

en fluit een liedje naar de poeliers met hun werkeloze messen


kleine muziek van een grote stilte (3)

 

 

 

Een doorgang is het mooist
als iedereen gepasseerd is

er kwamen betere tijden

een sociale woning
in de doorzonstraat

nu wacht het kloppend hart
op de sloopslinger
die bij de eerste tik
elke beschutting
naar eens en voor altijd
zal beuken

hoor de de xylofoon
van bakstenen brokken

maal mijn hart tot gruis
zingt de kamer
maal mijn aderen
en mijn ogen
tot heel fijn gruis

op je tuinpad
kun je mij terugvinden
ik ben magertjes genoeg
om het gras
boven mijn hoofd te laten groeien

ik luister graag naar je voeten
als je huppelend voorbijkomt


kleine muziek van een grote stilte (2) (518)

Onze stilte is met licht al oud
en daarom zacht geworden.

De koningen hebben het toneel verlaten,
trompetten achter hun kiezen
brokaat en paardenmest
werd in de toonkast van de tijd verzameld.

Eindelijk zijn we in de leegte thuis.
om drie uur scheurden de gordijnen open
en het licht van de calvarieberg
filterde zijn zachtste zilver
op de zetel waarop je lag, net voor de dag begon.

Nico, je gaf je graf graag aan de Heiland
terwijl zijn laffe leerlingen de stad in vluchtten.

Ik sterf elke dag in de leegte van mijn herinneringen,
en zie hoe geluidloos grijs de dag dichtgaat.

Ons verhaal schilfert fresco-koud, boven de hoofden
van de bezoekers die lichtblind op zoek zijn
naar trompetgeschal en zich zo graag in brokaten pluimen hullen
terwijl paardenmest van roofridders
hun kelderchampignonnen voedt.

We zouden wachten tot het paasmorgen wordt.

Jij rolt de steen weg,
en ja, het graf is leeg.

Nico, hier kunnen we schuilen
door god verlaten
en begraven voor de mensen.

Waar we leefden
woont nu het licht.


kleine muziek van een grote stilte (1)

 

Woorden

Als ik je schrijf of je mij zou…
Als ik je naam leer zeggen.
Als ik probeer één trede van je hart in woorden te beklimmen.

Stilte.

Intense stilte terwijl het plein rumoerde
de verkopers riepen
iemand krijste

Maar jij zat daar
zo intens vervuld van stilte
dat ik alle woorden moest loslaten
en je in die stilte kon omarmen
zonder je aan te raken
zonder je naam te kennen
beschaamd voor de droge klik van het fototoestel.

Ik heb je stilte meegenomen.

Als het te druk is in mijn ziel
als de woorden hun valschermen moeten opentrekken
om hun vrije val te stuiten
ben ik bij jou.

Ik heb je stilte meegenomen.

Wij verlangen niets.
We leven vlieguren ver van elkaar.

Maar in jouw stilte
is iedere druppel
een belletje
achter onze gesloten ogen.

Loslaten
is een intense vorm van tederheid.

Nu geef ik je stilte door.
Kleine onbekende leraar van mijn hart.


de werken van Afrodite (516)

dyn002_original_600_600_jpeg_20344_ee19fb6508e1641006f8e61452640d0f

Erga Aphroditès, de werken van Afrodite.
Wil je de klassieke (Griekse) kijk op seksualiteit bekijken, dan zul je ‘t met deze benaming moeten doen.

Geen afbakening, geen overzicht om te beschrijven wat normaal, verboden of rechtmatig is.

Geen bekommernis om achter de ‘onschuld’ of argeloosheid de aanwezigheid van een verraderlijke macht te ontdekken, een typische bekommernis voor het vraagstuk van het vlees of de seksualiteit.

Zorgvuldig wordt de leeftijd bepaald waarop je kunt trouwen en kinderen krijgen, maar nooit, zoals door de Christelijke leidsmannen wel gebeurde, welke liefkozingen zijn toegestaan, welke houdingen moeten worden genomen of te verfoeien zijn.

Socrates raadt degenen aan die niet bestand zijn tegen de verleiding van mooie jongensogen, deze blikken te ontvluchten, ja zelfs een jaar in ballingschap te gaan indien nodig.

Michel Foucault vraagt zich af of dit alles uit een zekere schroom gebeurt?
Er is in ieder geval een groot verschil tussen de terughoudende klassieke literatuur hierover en de vrijmoedige beeldende expressies.

Ze legden wat mocht, kon en niet kon, niet vast in allerlei regels zoals de christelijke auteurs dat deden.
En zeker kon het onderzoek naar canonieke vormen of diepe verborgen machten hier niet gelden.

Het gaat duidelijk om de angst voor de AKOLASIA, de ONMATIGHEID.
Die akolasia is niet van toepassing op het genieten van kleuren, geuren , gebaren of tekeningen, noch op toneel of muziek.
Het gevaar begint pas bij de aanraking.
Contact met de mond, keel, tong (voedsel en drank), contact met andere lichaamsdelen (seksuele lust).
Merk het verband tussen voedsel en de seksuele lust!

En dan nog vestigt Aristoteles er de aandacht op dat het onbillijk zou zijn bepaalde lusten die aan de buitenkant van het lichaam worden ervaren als onmatig te beschouwen, zoals bv. de massage in het gymnasium.
Bij onmatigheid wordt immers de aanraking over heel het lichaam verspreid.
(Aristoteles, Nicomacheïsche ethiek, III, 2 8-9)

In de christelijke ethiek zal men veel argwanender het lichaam beschrijven, want zelfs geuren, klanken en beelden worden gewantrouwd, want ze kunnen als gemaskeerde seksuele verlangens ervaren worden. (denk maar aan de verderfelijke opzwepende muziek, 2de eeuw v. Chr.!)

Ook gaat bij de Oude Grieken de aandacht niet dadelijk naar de morfologie van de betreffende organen en bijbehorende begeerten en lusten, maar wel naar hun dynamiek.

dyn005_original_193_241_jpeg__9144a2e808c5da8b3ccf086f71562b11

Hun wantrouwen tegenover de begeerte ligt in het feit dat zij de eenheid tussen daad van de aphrodisia en de lust kan verbreken.
De verbinding van daad, lust en begeerte is een dynamisch gebeuren, en deze verbinding is het essentiële van de aphrodisia.

Niet de ontologie van gemis en verlangen, geen ontologie die een norm voor het handelen vooropstelt, maar een kracht die hen onderling samenbrengt.

In deze dynamica analyseren zij twee grote variabelen:

De ene is kwantitatief, ze heeft betrekking op de mate van de activiteit.
Het is dus niet zo zeer het type objecten waarop ze zich richt, noch de modus van de seksuele praktijk , maar voor alles DE INTENSITEIT.

De scheidslijn loopt dus niet tussen het heterofiele of homofiele (ze kenden niet eens een woord voor deze beide begrippen), maar wel tussen de gematigdheid en het gebrek aan zelfbeheersing.

De andere variabele kunnen we met rol of polariteit aanduiden.
In het liefdesspel gaat het om de actieve of de passieve rol.
Ik wil je graag nog even in herinnering brengen dat deze ethiek een mannenethiek is.
Het gaat om “de agens”, de handelende, en “de patiens”, de passieve, ondergaande partner.

Hoe natuurlijk de seksuele lust ook ervaren en beschreven wordt, toch is hij het voorwerp van morele zorg.

2802951033

De morele zorg draait om de lust die in feite als inferieur wordt beschouwd omdat dieren en mensen haar gemeen hebben.En naast dit inferieure gevoel dat dus de nodige morele zorg nodig heeft, wordt de voortplanting als doel voor ogen gehouden.

Als de arts Erixymachus in het Symposion het woord neemt, eist hij voor zijn kunst de competentie op adviezen te verstrekken over de wijze waarop iemand van tafel- en bedgeneugten gebruik moet maken; volgens hem moeten juist de artsen zeggen hoe je genoegen aan een goede maaltijd kunt beleven zonder ziek te worden; ook moeten ze degenen die de fysieke liefde -de pandemische- (de vulgaire) bedrijven, voorschrijven hoe ze kunnen genieten zonder dat er enige losbandigheid uit voortspruit.
(Foucault, p53, Plato, Symposion)

Het zou interessant zijn om de verbanden tussen voedsel- en seksuele moraal te kunnen onderzoeken vanuit de doctrines en religieuze voorschriften, of dieetregels.
(en hoe na een tijd een ontkoppeling van deze twee gebieden voorkomt waarin het seksuele gedrag zorgwekkender wordt dan het voedingsgedrag!)

De vraag dus hoe je je kunt bedienen van de dynamica tussen lusten, begeerten en de daden blijft hun voornaamste zorg.

Aan tafel!
Naar bed!
Geniet, maar met mate, zoals dat in de televisiereclame heet.

Bemin je mij, zoals ik jou; dan is de vreugde dubbel. Maar
laat ik je koud, dan zal ik je haten, zoveel ik van je houd.

Strato van Sardeis, vertaling Charles Vergeer


met dank aan deze auto-maat (515)

 

movies13p4

Het machinale heeft bijna net zo zeer als het ‘vleselijke’ een grote aantrekkingskracht gehad.

Vanuit de verlichting begon men zelfs het beeld van de mens als een machine voor te stellen, een stelling die je nu naar meer chemische processen kunt afbuigen, maar waarin de AUTOMAAT, het automatische handelen, het steeds weer voortbrengen van dezelfde reflex op een bepaalde prikkel, het kernidee blijft vormen.

Op het ogenblik dat ik dit idee tot tekst verwerk, bedien ik mij inderdaad van een machine die er daarna ook zal voor zorgen dat de ‘boodschap’ via de verbindingen van het internet tot bij U, waarde lezer(es) is beland.

Het wiel, de drukkunst, de met elkaar verbonden computers, drie mijlpalen waarin het vergemakkelijken van de beweging (fysisch of verstandelijk) een kenmerk is.

De mens die reist, het woord dat reist, die beweging waarvoor vroeger ganzenveer of postduif nodig was, heeft inderdaad in de ogen van machthebbers altijd een verdacht odium meegekregen.

Zo was het in China de gewoonte om werk en woonplaats te verbinden, niet alleen voor het gemak van de arbeider, maar vooral om de macht over het individu te behouden.
Alleen chauffeurs genoten een uitzondering op deze regel en waren daarom ook de eerste verdachten als ‘nieuwe’ ideeën werden gepropageerd.

De verspreiding van het woord, via het gedrukte boek, inzonderheid van de Bijbel en daarna van wetenschappelijke en filosofische geschriften, stond ook al niet hoog aangeschreven bij kerkelijke en wereldlijke gezagsdragers.En ik herinner me in mijn jeugd nog de kerkelijk toelating in cantuarium en kerkboeken “nihil obstat” wat wij nogal vrij vertaalden als: ‘er staat niks op.”
Over de zedelijke quoteringen in boeken zullen we het verder niet hebben, wel was het een uitstekend propaganda voor het boek, vooral voor het boek dat je absoluut niet mocht lezen.

Tegenover het beeld, de cinema in het bijzonder , werden dezelfde banvloeken uitgesproken om het volk tegen zedenbederf te behoeden.

dyn004_original_217_318_jpeg_20344_e48495032ce3c30c839b1d9b13163f78

Het automatisme, de automaat, de kopij, onttrok de oorspronkelijke schepper zijn macht, bracht het doel van het bestaan terug tot actie en reactie, en was daardoor dan ook ten zeerste omzichtig te benaderen.

De meeste machines zijn dom. Ook de computer is een domme machine.
Daarin verschillen ze erg weinig van onszelf.
Een mitrailleur is ook dom.
Het slimme is dat de bedienaar er snel veel mensen mee kan ombrengen zonder zelf al te veel gevaar te lopen.
De computer kan ons helpen rekenen, en zonder deze domme kracht waren we niet op de maan geraakt , hij kan dus snel en lang rekenen, en is daarin uiterst nauwkeurig, alhoewel al onze fouten op de kap van de computer kunnen geschoven worden.

Snelheid en nauwkeurigheid. En zelf buiten schot blijven.
Kunstmatige intelligentie gaat al een stapje verder en roept dus onmiddellijk vreselijke visioenen op.
De machine leert denken, zichzelf te corrigeren.
In zoverre wij mensen zijn die alleen denken en onszelf kunnen corrigeren is er niets aan de hand.

We kunnen ons zelfs voorstellingen maken dat de machine emotionele processen kan verwerven, en in zoverre wij dezelfde primitiviteit opbrengen in ons gevoelsleven, verkies ik inderdaad de machine boven deze vrij primitieve mens.

De vrij lachwekkende beelden van machines die de mensenmaatschappij gaan besturen zijn in zoverre verwezenlijkt dat wij als mensenmaatschappij ons meer en meer als systemen gaan gedragen.
Bepaalde machines zet je in gang, en ze zijn niet meer te stoppen.
Bepaalde menselijke systemen hebben diezelfde kenmerken.

dyn003_original_235_316_gif__e8b3e596c96f383549d6a5e57cc0851a

Zouden machines kunnen dromen?
Als ik bepaalde psychiaters bezig zie (mijn soortgenoten vergeven mij deze opmerking) hoop ik van wel, want ik denk dat deze machines ons eerder zullen begrijpen in hun analyse dan de protocollen die hun confraters van vlees en bloed vaak tegen veel geld afscheiden.

Kunnen machines genieten?
Als ik bepaalde televisieprogramma’s bekijk, hoop ik ook van wel.

Kunnen machines angst hebben?
Totaal overbodige vraag, want dit gevoel is duidelijk in grote mate aanwezig als we het verbruik van bepaalde farmaceutische producten bekijken.

Kunnen machines beminnen?
Neen, want dat kunnen wij ook (nog) niet.

Hebben machines een ziel?
Ik hoop dat een moederbord volstaat, tenslotte zijn we daar ook mee begonnen.


het gebruik van de lust, een derde stapje (514)

dyn005_original_465_713_jpeg_20344_356c8cd58d3aab60609ee15948775a00

Je zou er een nachtwandeling van kunnen maken, weet je wel.
Met de maan als Jan Moraal en de sterren als het vluchtpunt naar ongekende verten.

Wil je ‘moraal’ definiëren dan zeg je plechtig in de maneschijn:

Het geheel van waarden en handelingsregels door middel van verschillende gebodsapparaten aan individuen aangeboden.

Hier zingen gezinnen, kerken en opvoedkundige groepen samen ‘Amen, amen, amen.”

Ik zou ernstiger over moraal moeten praten want …

…deze regels zijn in een samenhangende doctrine en expliciete leer geformuleerd, maar…ze kunnen ook op onduidelijke wijze worden overgedragen en vormen zo een ingewikkeld spel van elementen die elkaar opheffen, corrigeren, zelfs elkaar ongedaan maken, en zo de mogelijkheid bieden tot een vergelijk of uitvlucht.

We kunnen nu samen heel diep zuchten of opgelucht adem halen want die laatste zinnen plaatsen ons weer in de werkelijkheid, denken we.

Maar, ja er is dus weer een maar, maar er is meer!
Het gaat niet alleen om de moraal maar zeker ook over de HOUDING die men aanneemt tegenover deze morele code.
Je kunt je onderwerpen, weerstand bieden, en zo veel dingen meer, en Foucault noemt dat mooi de moraliteit van de gedragingen

We hebben dus al een bepaling van moraal en moraliteit, en daar houdt het nog niet bij op.

Er zijn ook de verschillende manieren om je moreel te gedragen.
Je kunt de code stipt naleven, je kunt beheersing voorop stellen, of waakzaamheid, onthouding, enz.
En dat alles geeft je houding VORM.

Nog een stapje verder.
Je kunt jezelf ook tot moreel subject van je gedrag omvormen.
Dat klinkt heel griezelig maar is het niet.
Het is eigenlijk het voornaamste punt van de hele wandeling.
Je zet jezelf aan het werk om van je leven dagelijks iets te maken, om je om te vormen tot een beter of meer moreel mens.
-zo kun je je tijd besteden om de codes nauwkeurig dag in dag uit van buiten te leren omdat je gelooft dat dit heil brengt
-je kunt plotseling afstand doen van het wereldse.
-je kunt je leven opvatten als een doorlopende strijd tegen listen en lusten.
-je kunt je tijd vullen met het ontcijferen van je verlangens tot in de meest duistere hoeken van je ziel.

Ik schrok wel even als Michel Foucault het begrip ‘teleologie van het morele subject gebruikt voor deze levenswijze. Let goed op er staat niet: theologie, maar duidelijk teleologie, waarin het woord tele al dadelijk op een afstand of beweging wijst., een doel dus.
Het tweevoudige begrip: de schepping is op een doel gericht, of enig verschijnsel is op een doel gericht.

Moreel is een handeling niet alleen op zichzelf of als ze uniek is, ze is dat vooral door haar INVOEGING en de PLAATS die ze bezet in het geheel van gedragingen.
Met andere woorden: gedragingen worden een zijnswijze.

Een morele daad, of een reeks van die daden, gedrag dus, leidt naar zelfbewustzijn.
Een morele zelfverwezenlijking, mooi gezegd als ascetiek: de zelfpraktijken.

Je ziet dus duidelijk de twee gebieden ontstaan: de morele code, en de zelfpraktijken.

Er zijn dus GEZAGSCODES (met hun bijbehorende instanties die we bv. via juridische weg bestuderen kunnen, het ver-rechterlijken van de moreel, of/en VORMEN VAN VERHOUDINGEN TOT ZICHZELF.

dyn005_original_428_335_jpeg_20344_b496ad3d0776497286d3f358b9c905b4

In het eerste geval zal men zich op de code richten, in het tweede geval meer op de ethiek.
Het mag duidelijk zijn dat ze NAAST elkaar staan en bestaan.

Als we dat toepassen op onze vorige bijdrage over het antieke mensbeeld dat is het NIET de vraag welke code-elementen het christendom eventueel aan het antieke denken heeft ontleend, en wat er uit eigen beweging is aan toegevoegd (wat toegestaan is en verboden is op seksueel gebied bv.) maar wel:

…aan de hand van de continuïteit de overdracht of wijziging van de codes onderzoeken, zodat we ons afvragen HOE de vormen van verhoudingen zijn omschreven en de inhoud van de zelfpraktijken (die daarmee in verband staan) wordt bepaald of herbepaald, uitgewerkt wordt of gevarieerd is, enz.

Je voelt het aankomen.
Onze interesse zal gaan naar allerlei mogelijkheden om je leven persoonlijk VORM en INHOUD te geven, om van je leven een kunstwerk te maken in plaats van de kunst te gaan zoeken bij enkele mensen die van gods- of staatswege daartoe zouden gerechtigd zijn.

Het zal dus niet dadelijk een spel van wetten, regels en gedragscodes zijn, maar eerder een dialoog met jezelf, met de anderen om vanuit die voortdurende dialoog naar meer duidelijkheid en vormgeving voor je eigen verhaal te zoeken zonder enige aanspraak op de waarheid te kunnen maken.

Kom nu maar terug in de maneschijn, want weldra zal het weer dag worden, en zo’n nieuwe dag is niet meer en niet minder dan de volgende (mis)stap of stappen in je verhaal, in onderlinge verbondenheid en wederzijdsheid, als dat niet te veel is gevraagd.

Op de vooravond van de Hervorming, de dertiende eeuw, was de Kerk ver-rechterlijkt: zij had rechterlijke macht om over haar kudde te oordelen.
In de prille uren van de 21ste eeuw heeft die samenleving weer zin om haar eigen verhaal uit handen te geven en zich alleen op de ver-rechterlijking te beroepen, met de mond vol van vervaging en verval van waarden, termen die de beginnende dictatuur graag in de mond neemt.

Zullen we zachtjesaan bij elkaar te rade gaan?


intermezzo: are we having a conversation yet?

In afwachting van Michel Foucault -het vraagt enige tijd om op een heldere wijze zijn stellingen te condenseren- dit erg mooie artikel uit de New York Times van vandaag.

Are We Having a Conversation Yet? An Art Form Evolves

By EDWARD ROTHSTEIN
Published: March 20, 2006

What is there to talk about?

The question should be taken literally. We can talk about the weather — which means just making casual contact, assuring each other that we are temperate in nature and not about to erupt in torrential outbursts.
We can talk about politics — if we can assume certain shared convictions that will prevent other kinds of storms and disruptions.
We can talk about family — if we can assume that we take that kind of a personal interest in each other.

But whatever we choose, there’s a certain amount of risk involved, a tentative guess made about what should be shared and what should not, what would please the other and what would not.
La Rochefoucauld said, “We often forgive those who bore us, but we cannot forgive those who find us boring.” That is only the beginning.

Conversation is one of those acts that require subtle forms of social imagination: an ability to listen and interpret and imagine, an attentiveness to someone whose perspective is always essentially different, a responsiveness that both makes oneself known and allows the other to feel known — or else does none of this, but just keeps up appearances.
It may be, then, one of the most fundamental political and social acts, indispensable to negotiating allegiances, establishing common ground, clearing tangled paths.
Conversation may reflect not just the state of our selves, but the state of society.

O.K. But listen to “talk” radio, with its combative recruitment of allies; or “talk” shows in which guests are promoting themselves or their products and hosts are prepared with leading questions; or “talk” news shows in which conversation becomes a form of shouting.
Look at our isolating iPods, at text messaging with its prepackaged formulas, or instant messaging with its iconic smilies, so necessary to make sure the telegraphic prose is not misunderstood.

This state of affairs helped inspire Stephen Miller’s new book, “Conversation: A History of a Declining Art” (Yale, $27.50).

Mr. Miller, who is a contributing editor to The Wilson Quarterly, finds countertrends, as well — Internet communities that lead to new forms of conversation, diverse gatherings in which disagreements become an expected aspect of conversation.
But, he writes, the “forces sapping conversation seem stronger than the forces nourishing it.”

So Mr. Miller, in response, is recounting another kind of conversation that has taken place over the centuries, one whose subject is conversation itself.

Cicero gave advice about conversation (It ought “to be gentle and without a trace of intransigence; it should also be witty”).
Montaigne hailed its pleasures (“I find the practice of it the most delightful activity in our lives”).
Henry Fielding praised it (“This grand Business of our Lives, the Foundation of every Thing, either useful or pleasant”).
Adam Smith prescribed it (calling it one of “the most powerful remedies for restoring the mind to its tranquillity”).

There were also those who opposed it, or at least strongly declared other preferences.
Rousseau sneered at the chatter in French salons.
Wordsworth preferred nature and solitude.
The writers of Romanticism shifted the emphasis, preferring to share feelings and perceptions rather than honor conversation for its own sake. Conversation became confessional — which in many ways, it still is.
“Modern writers,” Mr. Miller suggests, “tend to dwell on the emotional rewards that come from conversation.”

In fact, in Mr. Miller’s account, the United States may have played an important role in the evolution of the mode of non-conversation now developing.
During the 19th century many European writers scorned American conversation, perhaps too much, Mr. Miller suggests, accusing it of excessive focus on money and commerce.
There may have also been an American suspicion of conversation altogether: Thoreau couldn’t be bothered with it, and Melville was wary.

Mr. Miller points out that in the 20th century, literary figures were also admired for being laconic.
Was this an extension of early Romantic early suspicions?
A democratic rebellion against the artifice and artfulness of 18th-century conversation?
Did it even lead, perhaps, to the self-absorbed focus on self-fulfillment and self-expression that have, in Mr. Miller’s view, extended from the years of the counterculture into the present?

Like a well-mannered host, Mr. Miller presents some hypotheses, but also leads the conversation along.
For him, the powers and possibilities of conversation were most clearly revealed in the 18th century.
Samuel Johnson praised the two key journals of the age, The Spectator and The Tattler; they were being published at a time, he said, “when two parties, loud, restless, and violent, each with plausible declarations, and each perhaps without any distinct termination of its views, were agitating the nation.”

The journals, Johnson said, “adjusted” conversation with their “propriety and politeness.”
That character also helped define London coffeehouses, in which political debate and conversation between varied classes took place.
Andrew Marvell wrote: “It is wine and strong drinks make tumults increase/ Choc’late, tea, and coffee are liquors of peace.”

But Hume may be the patron saint of conversation here, for though he noted that politeness “runs often into affectation and foppery, disguise and insincerity,” he also saw a necessary connection between politeness and freedom.
Hume suggested that politeness was not, in fact, “natural to the human mind,” but “presumption and arrogance” were.
Society depends on artifice. Conversation is an art.

As Mr. Miller suggests, American conversation now prides itself on angry authenticity or on being kind and “nonjudgmental”; it is meant to be “natural” and full of “self-expression.”
This does not make for great conversation or a vital political life.

Hume, in contrast, welcomed the necessary artifice of manners, through which, he argued, “a mutual deference is affected; contempt of others disguised; authority concealed; attention given to each in his turn; and an easy stream of conversation maintained, without vehemence, without interruption, without eagerness for victory, and without any airs of superiority.”

It is an ideal worth talking about.

Aan de lezer(es) om onze eigen conversaties te beoordelen, of na te gaan of de talrijke talkshows op radio en televisie in dit artikel herkenbaar zijn.


Het mooie monumentale werk bovenaan is van de Amerikaanse kunstenaar Robert W. Ellison: ‘I’ll never talk out of turn again’.


het gebruik van de lust, een tweede stapje (513)

 

 

Laten we vandaag terugkeen naar onze bedenkingen over ‘de lust’, beter, ‘het gebruik van de lust’ zoals Michel Foucault zijn geschiedenis van de seksualiteit noemt.

Keren we terug naar het zogenaamde heidendom, de Griekse en Romeinse culturen, die wij terecht de bakermat van het Europese denken noemen.

Laten we één van Foucaults stellingen duidelijk maken:

Wij zouden veronderstellen dat hetgeen waarmee het Christendom problemen had (monogame trouw, homoseksuele relaties, kuisheid) vanzelfsprekend was voor heidense culturen als de Griekse, of Grieks-Romeinse.
Niets is minder waar.

Je zou gemakkelijk nauwe samenhangen kunnen aantonen tussen de vroegste Christelijke doctrines en de moraalfilosofie van de Oudheid.

Zo verwijst Michel Foucault naar hoofdstuk X van boek II “De leidsman” van Clemens van Alexandrië, een zeer vroeg Christelijk geschrift, dat aan seksuele praktijk in het huwelijksleven is gewijd.

Je ziet duidelijk dat hij daarin een aantal bronnen, beginselen en voorschriften vindt die rechtstreeks aan de heidense filosofie zijn ontleend.
Er is daar al sprake van een zekere koppeling tussen de seksuele activiteit en het kwaad, de verwerping van seksuele relaties met hetzelfde geslacht, en de verheerlijking van de onthouding.

En meer zelfs.
In de ontwikkeling van de Christelijke ethiek en de genese van de moraal van de moderne Europese maatschappijen, zijn er heel wat duurzame thema’ s die in het Grieks-Romeinse denken aanwezig waren.

In Aretaeus’ “Oorzaken en symptomen van acute en chronische kwalen”, boek II hoofdstuk vijf, zijn bepaalde gemakkelijke obsessies uit de geneeskunde en de pedagogie, die we sinds de 18de eeuw kennen, reeds aanwezig.
Lees maar:

‘Jongelui die aan zaadverlies lijden dragen in al hun lichamelijke gewoonten het stempel van verval en afgeleefdheid met zich mee;
ze worden laf, krachteloos, loom, stompzinnig en verzwakt, ze krijgen een kromme rug en zijn tot niets in staat, ze hebben een bleke witte en verwijfde kleur, ze tonen eetlust noch enthousiasme, ze hebben logge ledematen en stijve benen, ze zijn uiterst zwak, kortom, nagenoeg geheel verloren.
Bij menigeen leidt deze ziekte zelfs tot verlamming; hoe zou het zenuwvermogen immers niet worden aangetast als het natuurlijk regeneratieprincipe en de bron van het leven zelf worden verzwakt?
Deze op zichzelf beschamende ziekte is gevaarlijk in zoverre ze tot verslapping leidt en schadelijk voor de maatschappij in zoverre ze de voortplanting van de soort in de weg staat;
omdat ze in alle opzichten bron van ontelbare kwalen is, vereist ze snelle hulp.

We zijn hier in de eerste eeuw van onze jaartelling, en zijn opgestoken vinger is geen eenzame vinger, integendeel!
We spreken dus wel duidelijk over een heel oude vrees.

Je moet dus de problematisering niet dadelijk (alleen) bij een breuk tussen christendom en heidendom gaan zoeken.
Wel waren in het antieke denken de soberheidseisen niet tot een eenvormige, autoritaire en ieder in gelijk mate verplichtend, tot een soort eenheidsmoraal geordend.
Foucault noemt hen ‘aanvullend’, een ‘luxe’, ‘ze deden zich trouwens voor als verspreide bronnen’.
Het ging hier eerder om aanbevelingen dan voorschriften en verschilden onderling ten zeerste naargelang de filosofische school tot dewelke ze behoorden.

’We moeten opmerken dat deze soberheidsthema’ s niet samenvielen met de scheidslijnen die de belangrijke, burgerlijke of godsdienstige verboden mogelijk trokken.’

Zo’n denkmanier wordt duidelijk in de zeer specifieke asymmetrie in heel dit morele denken over het seksuele gedrag van mannen tegenover vrouwen.
In het algemeen zijn de vrouwen tot buitengewoon strikte regels verplicht; en toch richt deze moraal zich niet tot vrouwen; hun plichten noch hun verplichtingen worden in herinnering geroepen, gerechtvaardigd of uitgewerkt.

Het is duidelijk een mannenmoraal waarin vrouwen louter als object voorkomen.
Het is een moraal vanuit het gezichtspunt van de mannen om een vorm aan hun gedrag te geven.
Meer nog, het zijn zelfs stileringen van een activiteit tijdens hun machtsuitoefening en vrijheidspraktijk.

Het wordt dus duidelijk dat we niet naar fundamentele VERBODEN moeten zoeken, maar zegt Foucault, we moeten proberen te achterhalen vanuit welke ervaringsgebieden waarin de antieke vrije man zijn leven kon ontplooien, en in welke vormen, het seksuele gedrag werd geproblematiseerd.

En hij beschrijft dan vier gebieden waarin deze problematiek gesteld werd:
Waarom werd de genotspraktijk juist naar aanleiding van het lichaam, de echtgenote, de knapen, en de waarheid een probleem?

Hoe werd het seksuele gedrag, in zoverre het verschillende relatietypen impliceerde, als moreel ervaringsgebied gedacht?

Jaja, het woord is gevallen.
De MORAAL.

Zullen we volgende week proberen een stapje verder te zetten op dit glibberig terrein?
We zijn in goed gezelschap.


De mooie terracotta bovenaan is van de blinde Joodse kunstenares Lea Majaro-Mintz uit Tel Aviv, het grappige masturbatie-kitje was een Valentijnssuggestie en de jongen met de moede ogen komt uit een heus Amerikaans boek waarin ‘de daad’ niet done wordt voorgesteld, anno 2005.


stapje terug, water en een verdoken schilder (512)

Reactie van een goede vriendin op mijn brief van eergisteren en gisteren:

Bij de baders, de man die in het bad gaat stappen ( zo kwetsbaar zoals je zegt, en da’s waar – maar ook ontroerend mooi beeld – op een of andere manier zeer herkenbaar )

Dat kleine afbeeldinkje. Wie is de schilder ?
Ik vind het ongelooflijk mooi.
En ook de Picasso van vandaag is niet alleen prachtig maar van Picasso (voor mij) compleet verrassend.

Water dat zuivert….inderdaad.
Ik herinner me een theatervoorstelling van Jan Fabre waarin de akteurs deganse tijd onder de douche gingen, zich zuiverden onder het stromend water,achter een douchegordijn , kunstvol verlicht , en weer paraat voor het bloeden, vuil.En wéér onder het water…. Ik weet niet meer hoe het stuk heette.Een onvergetelijk beeld nochtans !
Zo ook Aars ! het theaterstuk van Luk Perceval een bewerking van de Oresteia, gereduceerd tot een familiedrama, speelde zich toen (paar jaar geleden al) de volledige duur van het stuk in het water af.
Pregnantste enscenering die ik ooit van ‘onze’ Luk mocht zien en meemaken.

2046eb6e4692933f221aa238e1ed5ea5

De man in de badkamer.
Voor degenen die het zich niet herinneren, kijk hierboven.

Het is een schilderij uit 1884.
Vreemd schilderij, helemaal geen onderwerp voor de geldende impressionisten van die tijd.

Een mooi detail: het werd in 1888 in Brussel tentoontgesteld, en men sprak er schande over.
Het werk werd in een aparte zaal tentoon gesteld, kinderen niet toegelaten.

Kun je werkelijk vergeten geraken, ook al ben je een groot schilder?
Ja, dat kan.
Als je werk niet in de kunsthandel terechtkomt, dan verschijnt het ook niet in monografieën of boeken over een bepaalde tijd.

dyn004_original_409_512_jpeg__ca6855f1be5be328e31264ac20143ca5

Het lijkt of hij niet bestaan heeft, want hij ‘zondigde’ tegen een aantal principes van het schildersleven.

1. Hij was rijk.
Dat klinkt al een beetje verdacht.
2. Hij studeerde rechten.
Zullen we nog verder spreken?
3. Tijdens de Frans-Duitse oorlog werkte hij als een soort “navale architect”, iets dat Da Vinci hem al had voorgedaan, aldus?
4. Hij had een voorliefde voor Degas.
Not done.
5. Hij schilderde eigentijdse onderwerpen als straatzichten, ijzeren bruggen, treinstations, zodat hij best als ‘urban painter’ in de hedendaagse boeken kon, maar de impressionisten hadden het niet voor al die “moderniteiten”.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In les Notes Parisiennes schrijft Emile Zola over hem in 1877:

“Enfin, je nommerai M. XX, un jeune peintre du plus beau courage et qui ne recule pas devant les sujets modernes grandeur nature.
Sa Rue de Paris par un temps de pluie montre des passants, surtout un monsieur et une dame au premier plan qui sont d’une belle vérité.
Lorsque son talent se sera un peu assoupli encore, M. XX sera certainement un des plus hardis du groupe”.

Le plus hardi is hij niet geworden.
Wel verzamelde hij alle grote collega’ s en schonk nog voor zijn voortijdige dood in 1894 (hij was toen 46) de hele collectie aan de Franse staat.
Zijn eigen werk hielden zijn broers achter, op eigen verzoek.
Schaars was het niet, we spreken van zo’n 450-500 doeken.
Het kwam dus niet in de geschiedenisboeken terecht, en hij werd al vlug de maecenas, de milde schenker, maar niemand scheen zich zijn eigen prachtig werk te herinneren.

Het mooie doek hierboven is één van zijn meesterwerken: Parijs (het nieuwe Parijs van Hausmann!) in de regen.

Pas in de jaren 1950-1970 kwam zijn werk beetje bij beetje op de markt.
Als in 1970 een grote overzichttentoonstelling van de Impressionisten wordt gehouden is hij er zeer aanwezig.
Zijn doeken vertienvoudigen in enkele jaren van waarde.

“Je donne à l’Etat les tableaux que je possède ; seulement, comme je veux que ce don soit accepté et le soit de telle façon que les tableaux n’aillent ni dans un grenier ni dans un musée de province, mais bien au Luxembourg et plus tard au Louvre, il est nécessaire que s’écoule un certain temps avant l’exécution de cette clause jusqu’à ce que le public, je ne dis pas comprenne, mais admette cette peinture. Ce temps peut-être de vingt ans au plus. En attendant mon frère Martial, et à son défaut un autre de mes héritiers, les conservera. Je prie Renoir d’être mon exécuteur testamentaire

Denk nu niet dat de Franse Staat dankbaar was!

Les académistes, conduits par Gérôme, tenteront d’empêcher l’entrée d’oeuvres impressionnistes constamment refusées au Salon dans le patrimoine artistique de la France.

Le Conseil d’Etat autorisera les Musées Nationaux, en 1896, à sélectionner les toiles dignes de figurer au musée du Luxembourg.
Vingt sept tableaux seront refusés. Sept pastels de Degas, huit Monet, six Renoir, sept Pissarro, cinq Sisley, deux Cézanne et deux XXX – joints au legs par Martial XXX après la mort de son frère – seront présentés dans une annexe du musée du Luxembourg en 1897.
L’exposition suscitera de violents remous et provoquera un scandale politique à l’instigation de Gérôme et dix-sept de ses collègues, membres de l’Institut. Le Sénat sera ainsi saisi de l’affaire.

Dus…verdween zijn werk weer uit het museum, en Frankrijk haalde opgelucht adem.

Laten we nu eindelijk zijn naam maar noemen GUSTAVE CAILLEBOTTE.
In het revolutiejaar 1848 geboren, erfde een fortuin op zijn 25ste, ging toch schilderen, was met alle toenmalige grote kunstenaars bekend en bevriend, kocht hun werk, verzamelde het beste van het beste en schonk in 1876 alles aan de Staat.
Van 1870 tot 1970 verdween hij.

En nu?
Bekijk zijn prachtig werk.

Toevallig liep ik langs de ijzeren Europabrug toen ik in september in Parijs was, en we logeerden vlakbij (ongeweten) zijn woning, 77, rue de Miromesnil.

Het lot kan mensen dicht bij elkaar brengen.
Datzelfde lot laat je ook weer verdwijnen.

Maar zijn werk begint nu volop te leven.
Wandel het nieuwe Parijs maar binnen op zijn prachtig doek hierboven, en kijk, kijk, en kijk.

Je bent thuis.


het gebruik van de lust, een eerste stapje (511)

Je bedenkingen bij de baadsters en baders raken ook een ander teer punt aan: het Westerse wantrouwen tegenover het lichaam.

Ik verwijs naar je Camille Paglia die terecht dit wantrouwen tegenover het chtonische, het weke, het Dionysische benadrukt om van daaruit een soort ethiek op te bouwen waarin bijvoorbeeld het woord ‘onthouding’ één van de hoogste waarden wordt, niet uit respect maar uit onwennigheid, en laten we het maar angst noemen tegenover het lichamelijke.

Het loswrikken van seksualiteit uit het geheel van de lijfelijke ervaringen (niet de onderliggende organen maar onze huid is bijvoorbeeld het voornaamste seksuele orgaan!), het over-bepraten zoals Michel Foucault betoogt,
Sinds het begin van de achttiende eeuw worden we bestookt met wat ons allemaal kan overkomen als we ‘de seksuele besteding’ (Foucault) niet ‘zuiver’ houden. (zonder partner, zonder voortplanting)

Deze angsten die werden opgewekt, lijken in het medische denken van de negentiende eeuw de ‘naturalistische’ of ‘wetenschappelijke aflossing’ te zijn geweest van een christelijke traditie die de lust naar het gebied van dood en kwaad verwees.

Michel Foucault, Het gebruik van de Lust, geschiedenis van de seksualiteit, p.20, Sun Nijmegen, 1984

Heel mooi verbindt Foucault deze ‘problematisering’ met wat men ‘de bestaanskunsten’ zou kunnen noemen.

Daaronder moeten weldoordachte en welbewuste praktijken worden verstaan waarmee de mensen niet alleen gedragsregels voor zich vaststellen, maar proberen zichzelf te veranderen, hun eigen wezen te wijzigen, en van hun leven een kunstwerk te maken dat bepaalde esthetische waarden meedraagt en aan bepaalde stijlcriteria beantwoordt.
Deze ‘bestaanskunsten’ of ‘zelftechnieken’ hebben stellig gedeeltelijk aan belang en onafhankelijkheid ingeboet toen ze met het christendom in een pastorale machtsuitoefening werden opgenomen en vervolgens in educatieve, geneeskundige of psychologische praktijktypen.
Dat neemt niet weg dat de lange geschiedenis van deze bestaansesthetica’ s of zelftechnologieën stellig opnieuw zou moeten geschreven worden.

ibidem p.15-16

Misschien daarom de onbewuste afwezigheid van water, de diepe onbewuste angst van deze vrouwelijke materie, van dit eerste milieu waarin wij in het vruchtwater de tijd afwachtten om ‘ter wereld’ te komen. (zeker als je inderdaad aanneemt dat de meeste van de kunstwerken daaromtrent mannelijke verbeeldingen zijn!)

Ik stuur je als troost een mooi beeld van…Picasso mee.
De familie op het strand.
Hij ligt centraal, zijn arm over zijn geslacht, de vrouw zit dicht bij hem, raakt teder het kind aan, het kind is met zijn vingertje op weg naar zijn oor, en achter hen de immense zee, de moeder van alle leven.
Hun bestaan geduid: de kwetsbare man, de zorgende, aardse vrouw, het explorerende joch.

Zoveel huid, zoveel vlakte op de vlakte met als veilige achtergrond de zee.
Alsof ze daarstraks nog maar zijn aangespoeld.

Je hoort het ruisen tot in hun mooie lichamen.